terug  begin  verder

[p. 262]

Aan S.J.P. Kruger

I.

 
Waar felle schaduw tiert noch zonneschijn,
 
In Westerland, dat door zijn wolkgeloken
 
Vensteren 't daglicht kleureloos gebroken
 
Voelt schrijnen, artsenij-verdoofde pijn;
 
 
 
Hier waar moê slaven in hun schemermijn
 
Geruischloos over 't vreugdloos werk gedoken
 
Leven en sterven en de onuitgesproken
 
Waarheid meêneme' in 't eeuwiglijk-stilzijn, -
 
 
 
Hoe staat hier plotseling de scherpgekante
 
Toren van uw slagschaduw, Groote Grijze,
 
Eenig massief in 't neevlig-transparante?...
 
 
 
Is het dan waar, wat geen gelooven kon,
 
Dat nog menschschoudren boven wolken rijzen,
 
Menschoogen opzien in Gods simple zon?

II.

 
Hoort, tonen zwaar uit klokkenmonde
 
Klinken zich vol tot woorden samen:
 
Oude, metaalheldere namen,
 
Dingen die wij niet meer verstonden;
 
 
 
Klankklaar en maatvast saamgebonden
 
Al de bloedwarme, felle, eenzame
 
Hartkreten die verdwalen kwamen:
 
Werelds oud volkslied weêrgevonden...
 
 
 
Omniet? - De wind heeft ze gehoord
 
En joelt ze door de winternachten.
 
En echo leert ze woord voor woord
 
Aan klankbodem van stilste schachten.
 
Zij gaan voortaan van reê tot reê
 
Op golfmuziek van eeuwge zee.

terug  begin  verder