[p. 264]
‘Regenboog’
Aan J. Th. Toorop
na het zien van zijn krijtteekening van dien naam
Gij die de kleurge pracht van 't Oosten kwaamt
Vieren in onze bleeker Noorder zon,
Tot blij-verdwaasd onze oogen in hun dag
Hervonden van uw oogen sprank aan sprank;
Gij die vervolgdet met gewette stift
De strakke gratie van 't verstild symbool,
De stoere kracht van 't zwoegende gebaar;
Die de aardsche ster van 't kinderlijk gelaat,
Wier stralen onze ontroering bevend zag,
Vingt in de vaste streek der zuivre lijn, -
Gij kwaamt, gelukkig pelgrim, naar mijn land,
Mijn blond-omduind Zeeuwsch eiland, als het ligt
Voor mij voorgoed in den mystieken glans
Van al de zonnen die dit leven brengt,
Jeugd en geluk en smart, en weêr geluk?...
Dit is het eigen land van mijnen droom;
Want al de kimmen stralen in den schijn
Van zomeravond, en de voorgrond ligt
In grille schaduw van geweken bui
Waardoor Gods helle boog naar de aarde reikt:
Een jong man wet zijn blikkerende zeis,
En roerloos naast hem staat in 't avondlicht
Een landkind rooddoorgloed als van den droom
Waarin zij leeft en dien zij niet doorgrondt.