|
|
|
| | | | | |
Maartsche sneeuw
Als onaantastbaar manna ligt
Op Maartsche sneeuw het nieuwe licht
Van de' eersten lentedag -
Nooit in zoo overdaadgen val
Vond mij het blond geluk in al
In welke schuren opgeleid,
Wordt iedre gomer zaligheid
Voor de eeuwigheid bewaard,
Dat alle ziel die eerlijk mint,
In nieuw geluk de som herwint
Van al geluk verjaard? ...
O kind dat zong hoe niets beklijft,
Hoe elke zomer overdrijft
En niet éen bloem ons laat,
Hoe alle loon van lieven is
In 't vleesch van uw gelaat -
Nu blijkt uw goddelijkste goed
Dat ge al bezit verzaken moet
Daar dorst van ongemengd gemis
Alleen door zanden wildernis
Naar nieuwe tochten leidt.
Nu blijkt uw huis dit zalig veld
Waar manna dauwt en water welt
Uit lucht en bodem braak:
Hemelsche spijs en drank waarvan
Geen sterveling onthouden kan
Den smakeloozen smaak ...
| | | |
Als dood nog anders is dan rust,
Een nieuwe droom en zielsbewust,
Dan deze diepe heerlijkheid:
Mijn hof dien sneeuw- en zonglans wijdt
Tot dit verlucht priëel ...
Als onaantastbaar manna ligt
Op Maartsche sneeuw het nieuwe licht
Van de' eersten lentedag -
Nooit in zoo overdaadgen val
Vond mij het blond geluk in al
|
|
|