|
|
|
| |
| | | |
Iets over de Hollandsche taal- en letterkunde.
Overblijfselen der vroegste eeuwen zijn in Holland weinig voorhanden, en verstrooid(1). Holland is te allen tijde eene landstreek geweest, in welke het gestel en de gewoonten der inwoners kalm waren, gelijk hunne binnenlandsche wateren, schoon zij ligt door uitwendige omstandigheden aangedaan werden; een land, te zwak om zijn eigen lotsbeschikker te zijn, en te digt van magtiger volkeren ingesloten, om niet elken schok te gevoelen, welke dezen beroerde. De ebbe en vloed van Hollands staatkundige lotgevallen hebben het grootste gedeelte van 's volks overleveringen met
| | | | zich weggesleept. Van alle de Oud-Duitsche takken hebben de Nederlanders het geringste aandeel der oude volksletterkunde overgehouden. Wij hebben er menig onderzoek naar gedaan, maar zijn niet beloond geworden door het ontdekken van één eenig stuk, gesteld in den geest dier romantische geschriften, welke, reeds voor zoo vele eeuwen, het erfdeel der Germaansche en Scandinavische volkeren waren. Indien de Minnezangers van het Noorden, of de Troubadours van het Zuiden ooit de vlakten van Holland en Vlaanderen bewandeld hebben, hebben zij er den volksgeest niet uitgelokt. Het belangrijke van een onderzoek naar de vroegste letterkunde dier lagere Landen is meest letterkundig. In de werken der verbeelding, welke tot ons gekomen zijn, is weinig poëzij; in de zedekundige geschriften niet veel wijsbegeerte, en de geschiedkundige gedenkstukken hebben weinig gezags. Het licht is alleen licht, omdat het door duisternis omringd is. Het is evenwel dwaasheid, te droomen van hetgeen wij konden bezitten, in plaats van naarstig, van hetgeen wij hebben, gebruik te maken.
Wij moeten ons wat nader verklaren, om te doen verstaan, wat wij met de Hollandsche Letterkunde meenen. - Tot op een zeker tijdperk, was de taal van Holland en van Vlaanderen dezelfde. De nadere verbindtenis met Frankrijk, voortspruitende uit eenheid van Godsdienst en aangrenzing der Landen, heeft de taal van België langzamerhand ondermijnd, en het Fransch heeft er zich op zulk eene hoogte weten te vestigen, dat het, in een groot gedeelte der Zuidelijke Nederlanden, voor
| | | | eene vernedering wordt gehouden, de werken van Vondel of Bilderdijk te lezen. Vele Vlamingen hebben zelfs het bestaan van eene volkstaal ontkend; bezigen het Fransch voor alle onderwerpen van gemeenschappelijke verkeering en briefwisseling, en verwerpen het gebruik van het Vlaamsch, behalve jegens onderdanen en bedienden. Een vaderlandlievend Vlaming, Willems, van Antwerpen, heeft niet lang geleden getracht, en met goed gevolg(1), de oude taal en letterkunde van zijn Vaderland te verdedigen. Inderdaad, de vader der Hollandsche dichtschool, van Maerlant, en vele van hare meestgeachte schrijvers waren Vlamingen, en, tot aan de zeventiende eeuw toe, vindt men de namen van Bataven en Belgen zonder onderscheiding onder elkander gemengd. Na dien tijd is er in Vlaanderen slechts één werk van eenigen naam in het licht verschenen, De Gramsohap (De Irâ) van den Jesuit de Meyer. Maar eene opmerkenswaardige daadzaak is het, dat de Rederijkkamers, gedurende eenige eeuwen de school voor de Nederlandsche dichtkunst, nog altijd in Vlaanderen bestaan, schoon zij in Holland geheel en al vernietigd zijn; en onder de lagere standen is, tot op dit uur, Cats de geliefde en overal te vinden schrijver. Het is niet moeijelijk, het verval van het Nederduitsch in de Vlaamsche gewesten na te gaan: de Hertogen van Bourgon- | | | | dië en hunne afhangelingen oponden de vloeddeuren voor de Fransche verbasteringen. In de Hollandsche gewesten vond men mannen, om de onde taal des Lands te zuiveren en te vestigen, in Vlaanderen vond men die niet. De Edelen haatten de spraak der vrijheid, des handels - de
spraak van een gemeenebest; de Geestelijkheid haatte nog sterker die van het Protestantismus en van de vrijheid van onderzoek. Eene strenge censuur roeide elke plant uit, welke de vaderlandsliefde gezaaid had, en de oude taal van België verviel van trap tot trap tot vernedering en onbruik. Onder Maria Theresia deed men eene poging, ter vaststelling van de wetten des Vlaamschen tongvals, en gaf eene spraakkunst ten gebruike der scholen uit. In plaats evenwel, van die spraakkunst in te rigten naar den toestand van de taal- en letterkunde in Holland, verkoos haar schrijver eene nieuwe spelling uit te vinden, onderscheidingen tusschen de Hollandsche en Vlaamsche talen te maken, de verbasteringen, welke door het Fransch waren ingevoerd geworden, te onderzoeken, - in één woord, hij wierp zijnen Antwerpschen tongval, zijnen eigenen tijd, en zich-zelven op tegen het gezag van de Nederlanden, van verscheidene leeftijden, en van duizenden van doorluchtige mannen. Men moet het woord Hollandsch(1), of juister, Neder-Hollandsch (Nederduitsch), opvatten, als betreffende even zeer België als Holland,
| | | | zoo lang de letterkundige taal der beide landstreken niet ophoudt dezelfde te zijn.
Er is in Holland misschien geen gevoel, hetwelk sterker is, dan het gevoel van verachting voor de Fransche taal. Haar overwigt in België zal waarschijnlijk eene onoverwinnelijke hinderpaal zijn, - bijaldien er geen andere hinderpalen bestonden, hetgeen zeker het geval niet is, - voor alles, wat naar eene hartelijke zamenwerking tusschen de Noordelijke en Zuidelijke landstreken zweemt. Van den afschuw, met welken de Hollander de Fransche taal beschouwt, leveren de volgende verzen van Bilderdijk een vermakelijk voorbeeld op:
Maar weg met u, ô spraak van bastertklanken;
Waarin hyeen en valsche schakals janken;
Verloochnares van afkomst en geslacht,
Gevormd voor spot die met de waarheid lacht;
Wier staamlary, by eeuwig woordverbreken,
In 't neusgehuil zich-zelv niet uit durft spreken;
Verfoeilijk Fransch, alleen den Duivel waard,
Die met uw aapgegrijns zich meester maakt van de aard! (1)
Maar hoe kwam het, dat, terwijl de Hollandsche schrijvers in Latijnsch prosa zich eene hooge achting verworven hadden, en eenen uitgebreiden invloed op
| | | | de wereld uitoefenden, de dichters van hun land on bekend, en in waarheid weinig opmerkenswaardig waren? Eene voor de hand liggende reden is, dat de geest der inwoners, die zich op het uitgebreidste veld van roem of van voordeel oefenen wilde, te dien einde de geschiktste werktuigen poogde te gebruiken, de onderwerpen koos, welke de aandacht het sterkst opwekten, de taal bezigde, welke zich het grootste aantal toehoorders onderwerpen kon. Het Latijn was de taal der wetenschap: en daar het menschdom in het algemeen veel grooter belang heeft bij de ontwikkeling van zaken, dan bij de beoefening van de vermogens der verbeelding, zullen zielen van den hoogsten rang er zich eer op toeleggen, om de wereld te onderwijzen, dan om haar te vermaken. Wat de dichtkunst betreft - het vernuft bekleedt zich niet gemakkelijk met het gewaad eener vreemde taal, hoe diep ook beoefend, of hoe grondig verstaan. De zang is de natuurlijke uitboezeming der ziel; hij kan bezwaarlijk een ander kleed, dan dat zijner gewoonlijke gedachten, aanschieten. In sommige der vakken, welke onder zijn
| | | | gebied behooren, mogen zorg en arbeid eene uitkomst vol schoonheden voortbrengen, gelijk de schilder die eene wolk zonder gebreken voleindigt; de echte dichter rolt haar voort in hare eigene grootheid; hij stelt haar niet te zamen uit afzonderlijke keurlijke toetsen; zij is eerst een denkbeeld, dan, en op éénmaal, staat zij daar. Daarenboven, de staatkundige invloed van Holland bewoog zijne groote mannen zich met onderwerpen bezig te houden, welke in onmiddellijke betrekking tot hunnen toestand stonden: zij werden de wetgevers voor het menschdom; hunne wijze van de letteren te beoefenen, werd een regel voor de volkeren; hunne zedekunde meende men de algemeene te zijn; hun kreet was: ‘voort te gaan tot de einden der aarde.’ Dit werkte natuurlijk vervolgens op hunne Hoogescholen terug; het Latijn werd er als het eenigste middel van onderwijs ingevoerd, en handhaaft er tot op den huidigen dag zijn grondgebied nog zoo gestreng, dat de lessen in de letterkunde van het nieuwere Holland er in de taal van het oude Rome gegeven worden(1). Toen Hollands invloed minder werd; toen het gemakkelijker viel lezers in, dan buiten hetzelve te vinden, begon er een nieuw tijdperk. Men schreef boeken voor het volk; maar het Hollandsche volk is op zijn best een klein aantal, en het vraagt te weinig naar letterkunde, om mannen van letteren middelen
| | | | van bestaan te verschaffen. Het beroep van Schrijver is in Holland onbekend: er bestaat, meenen wij, naanwelijks één voorbeeld van iemand, die den kost verdient met zijne letterkundige voortbrengselen. Intusschen is, men moet het bekennen, de dagelijksche spreektaal zeer verbasterd; zij vloeit thans over van Fransche woorden en klanken, welke in openbaren oorlog met de Oud-Duitsche welluidendheid zijn. De geschrevene Taal is in eene hooge mate aan de invoering dier Gallische barbarismen ontkomen; maar daar deze laatsten de bronnen der zuiverheid allengs bezoedelen, schijnt het in den eersten opslag te vreezen te ziju, dat de Hollandsche taal, welke de onbevlektste der Germaansche tongvallen is geweest, onwaardig zal worden, dat men haar als de taal van een onafhankelijk volk beschouwt, en dat zij ter zijde geworpen zal worden, als een mengelmoes van slecht gerangschikte en onzamenhangende klanken. Evenwel, eene hervorming heeft plaats gegrepen, en waarschijnlijk zal de spraak van den dagelijkschen omgang zich in het vervolg bevlijtigen, meer en meer met de boektaal overeen te komen.
De overblijfselen van Oud-Hollandsche poëzij zijn onder, dan iets van dien aard in het Fransch; schoon niet van eene zoo oude dagteekening, als sommige van onze brokstukken der Angelsaksische oudheid. Vele Hollandsche schrijvers schijnen geneigd, eenige aanspraak te maken op de verwantschap hunner taal met die van Otfrid, den Benediktijner Monnik, van Weissenburg, die zijne berijmde vertaling der vier Evangelisten on- | | | | der Lodewijk den vromen in het licht gaf(1). Zij is eene zamensmelting van het geheel tot één geschiedverhaal - eene niet ongewone wijze van doen, welke ook bij Maerlant was aangenomen, even als in het wezenlijk belangrijk handschrift in het Britsche Museum, hetwelk Koning Canuts Bijbel betiteld is. Ons is niets bekend, hetwelk als eene proeve van de taal der Nederlanden kan gegeven worden, dat ouder is, dan de leeftijd van Maerlant.
De Rymbybel van Jakob van Maerlant, (geboren in 1235, gestorven in 1300), dien hij in 1270 voleindigde, is een van de vroegste en belangrijkste voortbrengselen in de Hollandsche taal. het is eigenlijk eene berijmde overzetting van Comestors Historia
| | | |
Scholastica(1). Hij beroept zich menigmaal op vroegere dichters, - op Willem Vtenhoue [Utenhove],
Een Priester van goeden loue,
die den Bestiaris van Guillaume vertaalde(2). Hij spreekt van de fabelen van Esopus,
| | | |
Die hevet Callstaf en Noydekijn
Ghedicht, in rime scone en fijn. [1];
van Clais van Brechtens[2] overzettingen ‘vten Walschen’, en van Cathoos
Dien vindt men, in vele steden,
Maar van alle dezen bestaan er geene handschriften. Hunne namen zijn der vergetelheid ontrukt-hunne werken waarschijnlijk voor altijd verloren.
Het buitengewoonste van Maerlants werken, voor zoo veel dichterlijke verdienste betreft, is buiten twijfel zijne: Zamenspraken tusschen Jacob en Martyn. De volgende regels vloeijen zeer aangenaam:
Die iemant tyet, dat hi mesdoet,
Ic sic die zee, ic sie den vloet,
Ic sct er, willens, in die voet,
| | | |
Insgelijks deze, ten antwoord op de vraag, - hoedanige vragen niet ongewoon waren onder de Troubadours, - hoe vele soorten van liefde er zijn?
d'Eerste is Caritate, dats waer,
Si es sonder pine ende vaer,
Ende daer woent God inne.
Dander trect die warelt naer:
Om eer, om goet, es al haer gaer:
Die derde minne eyschet de iaer,
Als, bi nature, elc doet syn paer (1).
Maerlants taal is opmerkenswaardig zuiver, en was het bijzonder in een tijdperk, in hetwelk de eene tongval den anderen de woorden, die hem het meest geschikt voorkwamen, zonder eenige aarzeling ontleende. Maerlant schreef den Spiegel Historiael(2),
| | | | eene overzetting van Segebrecht en Beauvais, de Naturen Bloeme[1], en andere werken, in welke men verscheidene verwijzingen vindt naar werken, welke toen in omloop waren, en waarvan sommige wel bekend zijn, en in het bijzonder die romans, welke toen, gelijk de Ridders van de Ronde Tafel, met zulk eene buitengewone snelheid geheel Europa doorwandelden. Dikwijls wordt men ook verwezen naar de Sprekers en Zangers, die de feesten van den zoogenaamden riddertijd bijwoonden. Hetgeen wij van hunne voortbrengselen bezitten, is genoegzaam, om ons een volkomen juist denkbeeld te geven van hetgeen wij missen. In de Nederlanden wordt van den ‘Krijg van Grimberg’[2], van den ‘Ridder van de
| | | | Zwaan’[1], van de Kinderen van Graaf Hemann’[2], en bovenal van het buitengewoon en welbekend geschrift, ‘Reintjen den Vos’[3], gesproken, als van de bronnen van onderwijs en vermaak.
De Rijmchronijk van Melis Stoke, - [of dit een versierde of een wezenlijke naam is, is zeer twijfelachtig], - volgt op de werken van Maerlant, wiens taal zuiverder is, dan die van de Rymchronyk, welke, na de geschiedenis van de vroegste Graven van Holland te hebben geleverd, met het jaar 1305 eindigt. van Wyn[4] is van meening, en, dunkt ons,
| | | | op goede gronden, dat zij niet het werk van ééne hand is. Melis Stoke heeft ten minste ééne van de eigenschappen eens dichters, namelijk rusteloosheid,
Dat mijn sin yet ligghe stille [1].
Eene voortreffelijke uitgave van Melis Stoke is bezorgd geworden door Huydecoper, in drie deelen, met vele aanteekeningen en ophelderingen. De drie oudste handschriften, welke hij vergeleken heeft, en hij schijnt het met de meeste naanwkeurigheid gedaan te hebben, bevinden zich in de Koninklijke Boekerij te 's Gravenhage. Wij hebben gelegenheid gehad, die te bezigtigen, en gelooven, dat ten minste twee van de drie van den aanvang der veertiende eeuw zijn. Een tijdgenoot nagenoeg van Stoke is Jan van Helu, die de stoute daden van den Hertog van Braband, Jan den eersten, bezongen heeft in een dichtstuk van tien duizend verzen, van welke eenigen krachtig zijn; terwijl allen zijne bewondering van de feiten zijns helds uitspreken, toonende hoe deze, toen hij
Voer hi tornieren ende iosteren,
Eerlike, van Lande te Lande [2].
| | | |
Er is een ander dichtstuk, Natuurkunde genaamd, behoorende tot de dertiende eeuw. De Schrijver is niet bekend[1]. In hetzelve worden de sterren ‘kersen, die men in de lucht ziet’ genoemd, en worden zij gezegd ‘wondervolle zangen te zingen,’ [muzijk der sferen buiten kijf]. Hij voert duivelen in:
Duuele, die syn in die lucht
En doen den mensche dicke vrucht,
Nacht-Ridders heten si [2].
Hij zegt, dat uitwasemingen vele zonnen te zamen gaderen; dat de regenbogen wolken zijn, op welke de zon schijnt; hij beveelt allen geneesheeren aan, de sterrekunde te beoefenen, en leert ons alle de geheimen van de plaatselijke gelegenheid der hel kennen. Zeer
| | | | in de manier der Natuurkunde is een klein geschrift in verzen van acht lettergrepen, van Heynric van Hollant, betiteld: De kragt der Maane[1]. Van Wyn spreekt insgelijks van eenen roman in verzen, genaamd Karel en Elegast. Het is een verhaal van het bezoek door eenen Engel bij Karel den grooten afgelegd, en van onderscheidene voorvallen, waarin hij met Elegast en Eggerik, wiens slot de Keizer met zijne tegenwoordigheid vereerde, betrokken was. Eggerik legt op zijn leven toe, maar hij wordt door Elegast gered, die, nadat Eggerik met den dood gestraft is, diens schoone vrouw ter belooning bekomt.
Die Coninc gaf hem Eggeriks Wyf,
Si waren tsamen al haar lyf [2].
Het is hier intusschen de regte plaats niet, om bij deze geschriften te blijven stilstaan; zij helderen den voortgang en den staat der taal op, maar zij zijn geene voorwerpen voor de kritiek: ook is, gelijk wij reeds opgemerkt hebben, de tijd, waarin zij voorkomen, niet diegene, welke ons veel belangrijks ter beschouwing oplevert. Het was een tijdvak, waarin op het grootste gedeelte des volks eene zoodanige versmading rustte, dat een dichter van die eeuw, sprekende van de dorpelingen, verklaart: ‘dat zij geen deel aan het Para- | | | | dijs hebben, zoo zegt de Schrift [!!]. - Ellendig op de aarde, verdreven uit den hemel, zelfs door de hel verworpen, waarheen zullen de rampzaligen zich begeven[1]?
Maar daarop volgt een tijdvak, rijk in geschiedkundige uitkomsten, schoon ellendig onvruchtbaar in
| | | | letterkundige voortbrengselen[1]. Het volk werd bezig gehouden door, of opgeofferd aan binnenlandsche oneenigheden en burgerlijke oorlogen, gedurende dewelke die romantische Jakoba, die, evenzeer bekend door hare schoonheid, als door hare wellustigheid, niet oneigenlijk de Helena van Holland is genoemd geworden, hare rol speelde. Uit de dwingelandij en oneenigheid der Heeren verrees de invloed der steden en het vermogen van den koophandel; en kleine aristokratische Gemeenebesten streden den strijd van het volksbelang tegen de afpersingen der Edelen. De Rederijkkamers ontsproten uit de gewoonte, van zich te vereenigen tot een bepaald oogmerk, en beleedigden, door het invoeren van eene wezenlijk overdrevene keurigheid, en door haren hartstogt voor uitheemsche letterkunde, de taal, terwijl zij den smaak van het volk verslimmerden. De zucht, om met geleerdheid te pralen, gaf aanleiding tot eenen overvloed van Fransche en Latijnsche woorden en zinsuitingen; terwijl gedwongene en ver gezochte leenspreuken alle natuurlijk gevoel overstelpten.
Één werk evenwel verdient eene uitzonderende
| | | | opmerking. Het behoort tot het einde der 15e eeuw, en is eene Hollandsche vertaling van het Oude Verbond naar de Vulgata; een gedenkstuk der taal, waarvan de eerste uitgave [1477] niet minder merkwaardig is als proeve van boekdrukkunst. - Eene vertaling van Glanville, De Proprietatibus Rerum, verscheen in 1485(1).
De groote bewegingen, door de Hervorming daargesteld, waren op handen. De Geestelijkheid had eenen geest aangemoedigd, wiens ontwikkeling noodlottig voor haren invloed was. De Priesters waren gewend geworden, de mysteriën en moraliteiten van het tooneel te beschouwen, als hulpmiddelen, om hunne magt op de openbare meening te vestigen; maar mannen, als de Rederijkers, wier verbeeldingskracht in eenen staat van groote werkzaamheid was, en die alleen de gelegenheid zochten, van zich bij de groote menigte bemind te maken, vonden spoedig nieuwe onderwerpen ter opwekking van de belangstelling. Het volk was niet blind; het kon niet blind zijn voor de misbruiken en de onzedelijkheid onder de Geestelijken; en, wanneer dezen tot voorwerpen van hekeling en bestraffing werden, was de betoovering van ‘de Kerk’ ver- | | | | broken. Toenemende kennis was de speer van Ithuriël, wier aanraking de ongodsdienstigheid en dwingelandij dwong, hare natuurlijke gedaante aan te nemen[1]; en zoodra eenmaal de schil was weggenomen, wendde het oog zich naar alle voorwerpen, die het omringden, en niet naar diegenen alleen, waarop men het veroorloofd had, zich te vestigen. Zulk een zich in vrijheid stellen gaat echter langzaam voort, en sommige van de beste schrijvers der zestiende eeuw, Anna Byns bij voorbeeld, waren nog met eene zoo sterke verontwaardiging tegen de Luthersche ketterijen doordrongen, als men maar immer verlangen kon. Deze Juffer werd als de Sapho harer eeuw geprezen; maar hare geschriften hebben inderdaad geringe verdiensten. Ook is er niet één naam, waardig dat men zich daarbij bepale, voor dat er, in het midden van den fellen oorlog, welke de lage Landen verwoestte, drie mannen oprezen, wier invloed, langs onderscheidene wegen
uitgeoefend, het voorname werktuig was tot de wedergeboorte der Hollandsche taal; het waren Spieghel, Visscher, en Coornhert. Spieghels Hertspieghel is een leerdicht, waarvan de zedeleer beter, dan de versificatie is. 's Mans dood was het gevolg van het verbreken van het bevel, niet in het vertrek te treden, waarin zijne kinderen aan de pokken ziek lagen. ‘Hij kwam bij nacht,’ ving de kwaal op, en
| | | | stierf[1]. Spieghel had de Scaligers, Lipsius, en Douza tot vrienden, en oefende eenen grooten, en eenen weldadigen invloed op den smaak van zijnen leeftijd uit.
Roemer Visscher was een puntdichter. Overdrijving heeft hem den Hollandschen Martialis genoemd. Zijne taal is zuiver; dikwijls veel zuiverder dan zijne denkbeelden. Zie hier een zijner dichtstukjes:
Jan is bedroeft meer dan het betaemt,
De oorsaeck is groot, maer niet die ghy raemt,
Om dat hy sijn twee kind'ren in 't graf ging douwen:
Maar om dat hy de Moeder noch heeft behouwen [2].
Visscher was een der voornaamste lichten van de meest beroemde der Rederijkkamers, In Liefde Bloeijende, te Amsterdam. Hij gaf eene reeks zinnebeelden uit, Zinne-poppen betiteld; maar hij deed iets beters dan dit, door den smaak van zijne twee dochters aan te kweeken, wier namen, in elke verscheidenheid van vleijende hulde, bezongen zijn door bijna alle de Hollandsche dichters van haren tijd. Zij
| | | | bereikten eenen hoogen graad van volkomenheid. Zij deden de beoefening van andere talen meer en meer algemeen worden; en, schoon hare letterkundige voortbre gselen niet talrijk zijn, oefenden zij eenen gewigtigen en zuiverenden invloed op de werken harer landgenooten uit.
Coornhert was de overzetter van Cicero, en [wat hem tot grooter eer verstrekt] een leeraar der letterkunde, in eene eeuw van onwetendheid, een verdediger der verdraagzaamheid, in de dagen der onverdraagzaamheid. Hij was eerst plaatsnijder, werd toen Notaris, en eindelijk tot Sekretaris der stad Haarlem aangesteld. Hij werd gevangen gezet, omdat men zeide, dat hij partij tegen de Spanjaarden trok. Zijne werken zijn verre boven de meeste van die zijner tijdgenooten verheven. Hij zette. Homerus en Boëtius over. Zijne geschriften in prosa (3 deelen) bestaan uit zedekundige en twistschriften[1].
Het driemanschap, waarvan wij hier spreken, kwam uit de Amsterdamsche Rederijkkamer te voorschijn. Ook eenige andere schrijvers behooren tot dit tijdperk. Dathenus vertaalde de Psalmen beter, dan Sternhold en Hopkins, of de Schotsche omschrijvers. Marnix werd grooter man door zijne daden, dan door zijne geschriften; schoon ook de laatsten hem op onderscheiding aanspraak doen maken. Zijn Biënkorf- | | | |
der H. Roomsche Kercke bragt aan het Pauselijk gezag een' geduchten slag toe. Men houdt hem ook voor den dichter van het befaamde lied Wilhelmus van Nassouwen, hetwelk weldra de toets der staatkundige gevoelens werd[1]. Ook van Mander en Numan behooren tot dezen tijd. Beiden waren Belgen, en gaven veel uit. Wij kunnen niet zeggen, dat zij goede schrijvers waren, schoon van Manders Levens der Schilders eene verzameling van belangrijke daadzaken is. Kiliaan[2], wiens gezaghebbend woordenboek van het Nederduitsch thans op nieuw door Bilderdijk zal uitgegeven worden, stierf
in 1607.
Bredero volgde. Hij bezat vernuft om uit te vinden, en vermogen om te beschrijven; maar niet den smaak, welke de overige hoedanigheden der ziel rangschikt, en belangrijke en aanlokkende uitkomsten oplevert. Zijn vernuft was geheel onbeschaafd. Zijne blijspelen werden zeer toegejuicht, maar zouden tegenwoordig niet geduld worden.
Een naam, grooter dan de Hollandsche Letter- | | | | kunde tot nog toe gekend had, verschijnt thans ten tooneele. Pieter Cornfliszoon Hooft[1] werd geboren te Amsterdam in 1581. In zijne jongelingsjaren reisde hij in Frankrijk en Italië, en gaf, na zijne terugkomst, door zijne volkomene heerschappij over de Hollandsche taal, de overtuigendste blijken van zijne letterkundige bekwaamheden. Hooft werd tot Drost van Muyden aangesteld, en van daar verspreidden zich, als van eenen verstandelijken cirkel, stralen van licht over het Vaderland. Zijne geschriften dragen de blijken van eene uitgestrekte belezenheid, en van eenen fijnen, schoon somtijds beuzelachtigen smaak. Wanneer men hem vergelijkt met degenen, die zijnen tijd vooraf gegaan waren, zijn de werken van Hooft meesterstukken; en er zijn plaatsen in zijne Treurspelen, b.v. de Rei van Juffrouwen in Baeto, door welke de strengste critiek zich voldaan mag achten. Indien echter Hooft met eene zeer verhevene maat gemeten wordt, zal hij bevonden worden te kort te schieten. Het groot scheppend vermogen der dichtkunst bezat hij niet; maar zijne taal is zuiver, zijn stijl aangenaam, en hij deed veel, om een volkomener tijdperk daar te stellen. Eenige proeven uit Hoofts gedichten kan men vertaald vinden in de Batavian Anthology van Bowring, naar welke wij onze lezers verwijzen, daar het ons van de noodzakelijkheid ontslaat, om iets uit dezen of genen Holland- | | | | schen dichter aan te halen, ten minste tot na het tijdvak, met hetwelk de Anthology sluit, te weten den aanvang der laatstverloopene eeuw(1). Hoofts van Velzen en Baeto schilderen zeer naauwkeurig zijn letterkundig karakter. Zijne uitdrukkingen zijn gewoonlijk krachtvol, schoon dikwijls ver gezocht en buitensporig, en hij vervalt wel eens tot het spelen met woorden, en het jagen naar tegenstellingen, gebreken, welke in zijnen tijd zoo algemeen waren. Maar Hooft is een der beste prosaschrijvers van zijn Vaderland. Zijne overzetting van Tacitus is kort in een gedrongen en gelukkig. Zijne geschiedenis der Nederlanden is eene schoone proef van eene goede schrijfwijze, voor zoo veel de taal betreft; maar haar ontbreekt die wijsgeerigheid, welke de feiten der geschiedenis dienstbaar maakt ter verbetering des menschdoms. - De dochters van Roemer Visscher, Anna en Maria, wier deugd, schoonheid en geestigheid de bladen harer tijdgenooten opvullen; Barlaeus, de beroemde Latinist, Huygens, en andere mannen van onderscheiding in de letteren waren gewoon, zich ten huize van Hooft te verzamelen. In den kring zijner vrienden ontmoeten wij mede Huig de Groot, (want wij moeten hem zijnen onvervalschten naam geven). Ten aanzien van Grotius buitengewone letterkundige verdiensten bestaat er maar ééne meening. Zijne schriften in het Hollandsch zouden reeds voor lang vergeten zijn geworden; maar de
| | | | vermaardheid, welke hem in het bijzonder deed onderscheiden, schoon Loevestein hem die schonk, deed die ook ten tijde hunnér verschijning, naar eene Latijnsche vertaling, in verscheidene Europische(1) talen overzetten.
Van Huygens bestaat er een dichtstuk, uit Londen aan de bevallige dochters van Visscher toegezonden. Zijne versificatie is somtijds onwelluidend en hard. Hij kon zich niet altijd aan de zwarigheden van het rijm onttrekken, en zijne Alexandrijnen zijn niet zelden aangevuld met stoplappen, de vloek - 't zij ons veroorloofd het te zeggen - der Hollandsche dichtkunst. De Alexandrijnen bezitten eene noodlottige aantrekkingskracht voor een' gewoon' dichter. Één rijm in vier en twintig of zes en twintig lettergrepen is geen groote ontdekking, in eene taal, welke een ontelbaar aantal van rijmende klanken bezit. Huygens schreef met gemak in verscheidene talen; en in zijne Ledige Uren vindt men proeven in het Latijn, Fransch en Italiaansch. In weerwil van eenige zeer zigtbare blijken van gedwongenheid, is hij een Dichter, wiens kracht van uitdrukking opmerkenswaardig is. In zijn Batava Tempe(2) inzonderheid zijn verscheidene treffende
| | | | plaatsen; sommige in eenen inderdaad slechten smaak, maar wezenlijk vernuftig en nadrukkelijk! Van ganscher harte beamen wij de waardening van Huygens door de Clercq. Hij is oorspronkelijker, dan de meeste Hollandsche dichters, en bezit ook meerdere verscheidenheid; schoon hij een van die is, welke het minst gelezen worden. Hij is dikwijls duister door overspanning van kracht; ongelukkig in de keus van woorden en beelden, en, over het algemeen, niet minder in het kiezen van vreemde bronnen, uit welke hij rijkelijk geput heeft. Huygens was niet enkel als letterkundige een weldoener van zijn Vaderland; de schoone weg van 's Gravenhage naar Scheveningen, aan welks linkerzijde vader Cats zijn buitenverblijf had, dankt hem zijn bestaan.
Kamphuyzen, geboren in 1586, is een inderdaad
| | | | beminnelijk, en in geenen deele een gewoon dichter. Gelijk de meeste Schrijvers van zijnen tijd, was hij het meest geneigd tot het geven van zedekundige lessen; en zelfs tot het verheffen der zedelijkheid ten toets van dichterlijke waarde.
- - doe zelf eerst het geen dat gy een ander raad.
Die prijst, en zelf niet doet - -
- - - misprijst meer dan hij prijst.
En voorts:
Wat batet of de pen veel schoone reden quist,
Als, in den Schrijver zelf, de Lezer 't weldoen mist?
Wat is het of de tong veel wijze woorden maakt,
Wanneer het doen, zoo 't schijnt, de tonge leugen-wraakt (1)?
Zijn ‘Wat is de meester wijs en goed’ mag onder de meest bewonderde stukken der Hollandsche dichtkunst gerekend worden
Vondel was geen Nederlander. Hij was te Keulen geboren, maar in Holland opgevoed. Van al de Hollandsche dichters is zijn naam de eenige, van welken men zeggen kan, dat hij zichzelven met geweld eenen weg gebaand heeft tot iets, dat naar eene algemeene
| | | | bekendheid gelijkt. Hij dartelt in heel den overvloed der taal; hij kleedt alle zijne gedachten in dichterlijke uitdrukking: maar die gedachten zijn geene gedachten van den verhevensten rang, en hebben weinig van de muzijk der wijsbegeerte in zich. Hij, een Shakspeare van eenen lageren rang, vloeit evenzeer van schoonheden, als van gebreken over. Zijn geest was niet sterk genoeg, ter verbreking van de banden en vormen, in welke de ontwakende letterkunde van zijn land reeds was ingekerkerd geworden. Hij had een los denkbeeld van hetgeen zuiver en classisch geweest was, schoon niet door beoefening van de Grieken in hunnen oorspronkelijken tooi, en volgens dat denkbeeld vormde hij zichzelven, voor zoo verre hij het vermogt. Niet stout genoeg, om eene eeuw te scheppen, en te groot, om zich onder het juk te laten brengen door den invloed van hetgeen hem omringde, vergelijken wij Vondel bij een schoon gebouwd vaartuig op eene uitgestrekte zee, op eene ontdekkingsreis, rondom navorschende, geen gewigtige haven aandoende, en zonder eenigen aanmerkenswaardigen schat naar huis terug keerende. Vondel leefde juist iets vroeger dan hij, van wien een hem verwantschapt vernuft, zoo schoon als eigenaardig gezegd heeft: ‘zijne ziel was eener ster gelijk, en woonde afzonderlijk.’ Vergelijk hem met Milton; want zijn Lucifer geeft de beste gelegenheid ter vergelijking: hoe zwak is telkens zijne verhevenste vlugt bij die van den Bard van het Paradijs, en hoe ver zinkt Vondel beneden hem, wanneer hij mistast! Nu en dan mag men dezelfde gedachten bij beiden vinden, maar de punten
| | | | van overeenkomst zijn niet die plaatsen, welke aan Miltons faam haren hoogsten roem verschaft hebben. Vondels eerste aanmerkenswaardig voortbrengsel was Palamedes, hetwelk hem den haat van velen op den hals haalde, maar de bewondering van meerderen verwierf. Hij bereikte den ouderdom van 91 jaren; maar zijne laatste dagen werden door huisselijke rampen ontrust en verkort. Hij ontwikkelde, met een vrij grooter goed gevolg dan iemand van zijne voorgangers, de verschillende vermogens der Hollandsche taal, en welligt heeft zijn gezag, meer dan eenig ander, het Alexandrijnsch vers zoo algemeen in Holland doen aannemen.
Vondel is meer volgens uittreksels, welke in Holland in elks mond zijn, beoordeeld geworden, dan naar het geheel van eenig dichtstuk door hem vervaardigd, of naar zijne schriften in het algemeen; en buiten twijfel zou hij zeer snel zinken, indien het geheel zijner werken aan den toets der oordeelkunde werd onderworpen. Hij is onlangs wat te scherp beoordeeld geworden door Witsen Geysbeek in zijn Biographisch Woordenboek der Nederlandsche Dichters; ook heeft de beoordeelaar zichzelven boekdeelen van bittere aanmerkingen op den hals gehaald(1). Wij zijn evenwel van meening, dat hij voor het grootste gedeelte regt heeft, en dat zijne opmerkingen waarschijnlijk aan den smaak zijner landgenooten groote dienst doen zullen.
| | | |
Vondels Godsdienstige tooneelspelen waren naar den smaak yan zijnen tijd ingerigt: onder dezelve zijn Hierusalem verwoest en Joseph de merkwaardigste(1). Maar het stuk, hetgeen den diepsten indruk heeft nagelaten, en nog steeds de sterkste hulde van zijne landgenooten ontvangt, is de Gysbreght van Aemstel. Het onderwerp is wel geschikt ter opwekking van vaderlandlievende gevoelens, en het heeft vele plaatsen, waarin pracht en kracht heerschen. Moeijelijk zou het zijn, in een vreemd land die gesteldheid van hartstogten en aandoeningen, waardoor zulk een treurspel zijne wonderen verrigt, te weeg te brengen; maar de dichter, die dus alle de snaren van de ziel zijns volks kan bespelen, bezit eenen eerbiedwekkenden en verhevenen invloed.
Vondel bemoeide zich veel met de staatkundige gebeurtenissen van zijnen tijd; en zijne daarmede in verband staande geschriften dienen ter opheldering van vele zaken, welke hij voor zijnen regterstoel betrok. In zijnen ouderdom vertaalde hij Virgilius; en, na de hartstogtelijke Advokaat der Arminianen geweest te zijn, werd hij eindelijk weder teruggevoerd in den schoot der kerk van Rome, wier eerbiedwekkende plegtigheden, wier grootsch verbond met de schoone kunsten, wier luide en trotsche aanspraken zijne verbeelding hadden gevangen genomen. Hare geheimenissen waren hem kostelijke aanlokselen, en deze bezong
| | | | hij in zijne Altaergeheimenissen. Dichters zijn gewoonlijk maar middelmatige potemici(1), en Vondel is voorzeker geene uitzondering op den algemeenen regel.
Zijn prosa-stijl is uitnemend behagelijk: zijne Aenleidinge ter Nederduytsche Dichtkunste, voor het eerste deel zijner Poëzy, geeft er een schoon bewijs van.
Vondel had tot tijdgenoot een' man, van wiens in achting zijn bij het volk wij naauwelijks een denkbeeld geven kunnen, tenzij wij zeggen, dat Hollandsch te spreken en Cats van buiten te kennen, bijna het zelfde is. Vader Jakob Cats, [wij verzoeken verschooning voor zijnen ongelukkigen naam, en weten niet, waarom hij dien niet, even als de rest zijner landslieden, welluidender heeft gemaakt, door daarvoor een of ander welklinkend woord van gelijke beteekenis te ontleenen aan Griekenland of Rome: Elouros b.v. of Felisius: - met Catsius beproefden het zijne tijdgenooten, - maar de eerlijke grijsaard hield zich aan zijne voorvaderen], - vader Cats was een man van beoefenende wijsheid, groote ondervinding, zeer bereisd, van aanmerkelijke geleerdheid en wondervolle zoetvloeijendheid. Hij had hooge staatsambten bekleed, en ontweek die, gelijk een aartsvader, te midden van zijne kinderen en kindskinderen, in die aangename wijkplaats, welke, gelijk wij-reeds aanmerkten, digt bij 's Gravenhage
| | | | gelegen is, waar wij dikwijls gedroomd hebben, dat zijne matige en ernstige, maar des al niet te min vrolijke en gelukkige geest nog altijd voorzat. Zijne zedekundige lessen zijn somtijds langdradig, en somtijds eenigermate onnoozel. Dikwijls ontrooft hij den bloesem aan het genot, hetwelk de jeugd meent te smaken, en doet daarmede weinig dienst. Hij wil dat alles bondig, nuttig, en duurzaam zijn zal. Hij kent geen andere liefde dan die, welke men meent, dat goede echtgenooten maakt, en arbeidzame en gehoorzame kinderen voortbrengt. Zijne poëzij is berijmde raadgeving - vriendelijk, wijs, en goed. Hij berekent alle uitkomsten, en heeft geene genade voor gedachten, gevoelens, of daden, welke kwelling, berouw, of ellende moeten achterlaten. Zijne werken zijn eene voorraadschuur van voorzigtigheid en wereldwijsheid. Voor elken stand des levens heeft hij voegzame lessen, zoo net in het rijm ingewrocht, dat de zedeles voorbedachtelijk voor de taal, of de taal voor de zedeles schijnt gemaakt te zijn. Zijne gedachten, alle uitloopende op de pligten des levens, bewegen zich ongedwongen in welluidende maten, even alsof te denken en te dichten te zamen ééne op zichzelve staande eigenschap ware. Voor de minne, welke een denntje voor haren zuigeling behoeft, - voor den jongen, dien de vrees voor de roede kwelt, - voor den jongeling, dien de baard begint uit te botten, - voor den minnaar, die eene zinspreuk voor den ring van zijn meisje verlangt, - voor den echtgenoot, vader, grootvader, voor allen is er iets voorhanden, om
| | | | hen te bemoedigen, te vertroosten, en dankbaar te doen zijn(1).
Ten opzigte van Cats vraagt Bilderdijk:
Goede, dierbre Vader Cats
Wat behelst ge niet al schats (2)?
Het is alles schat, zonder twijfel, - schoon somtijds weinig waarde hebbende.
Cats was Advokaat, Hoogleeraar(3), Gezant in Engeland, Landman, Wijsgeer, Geschiedschrijver, zoo wel als Zedeleeraar en Dichter. De titels zijner werken zijn aanduidingen van hunnen inhoud. Onder dezelve zijn: De Ouderdom, Buyten-Leven, Hofgedachten, Gedachten op slapeloose Nachten, Trouwring, Selfstryt enz. Nooit was een dichter zoo geheel en al de Volksdichter. Hij is altijd verstaanbaar, altijd bevattelijk, en gelijk de Kruijff van hem zeide, voor de jeugd degeen, die:
| | | |
Haar lagchend Wijsheid leert, Haar speelend vormt ter deugd(1).
Dit was een tijdvak, waarin de groote mannen van Holland niet weinig invloeds op Europa uitoefenden. Het was de leeftijd van Schrijver (Scriverius), Heins (Heinsius), van Zevecote (Sevecotius), van Baerle (Barlaeus), en anderen, wier werken, gelijk die van de Groot, hun de toejuiching der Geleerden van vele volkeren verwierven. Er waren toenmaals in Holland nog twee of drie dragelijke dichters, buiten de reeds vermelde. Laurens Reaal was de vriend en medearbeider van Vondel; en Coster, een Amsterdamsch geneesheer, was grootendeels de stichter van het tooneel in zijne geboortestad. In Johan de Brunes Emblemata vindt men sommige vernuftige overzettingen, en aan het einde omtrent drie en vijftig uitmuntende zedelijke aphorismen, in den stijl van Cato(2).
Vlaanderen bezat in dezen tijd twee Schrijvers van eenige verdiensten, van der Elst(3), die een deel Geestelyke Dichten uitgaf, en van den Nieuw- | | | |
landt, schrijver van verscheidene tooneelspelen, en van een Poema van den Mensch.
De Wetsteen der Vernuften van Jan de Brune de jonge is eene verzameling van luimige geschledenissen en treffende gezegden, van overal opgezameld, en in eenen inderdaad puntigen en aangenamen stijl geschreven. Een der hoofdstukken is een wezenlijk warm vertoog over kussen, waarin een verliefde alle de uitdrukkingen, welke de overdrijving ooit op het altaar der schoonheid ten offer bragt, vinden kan. In een der dichtstukken verhaalt hij het wonder, dat het vuur en de vlammen van de oogen van zijn meisje den spiegel, waar zij in ziet, niet smelten doen; en dan ontdekt hij, dat het eeniglijk hare zachte welwillendheid is, welke haar verzengend vermogen breidelt(1).
Dordrecht werd in dezen tijd de zetel van eene nieuwe dichtschool, en Joncktijs was een van hare hoofden, die het meest werd onderscheiden. Roseliins Oochies, eene verzameling van minnedichten, in welke de zijne de opmerkenswaardigste zijn, was een van de voortbrengselen van dien ongezonden en overdrevenen
| | | | smaak, wiens leenspreukige uitdrukkingen zoo bedwelmend zijn, dat verstand en onverstand, zotheid en wijsheid gelijkelijk verward worden, en men doodelijk verlegen is, hoe men een van beide, de ware ‘niet meening’ of de verholen geestige bedoeling, ontdekken zal. Gij steekt uwen vinger in een vuur, en weet niet, of gij het doet om een juweel te redden, of om er een' ijzeren spijker uit te halen. De Decker, de tijdgenoot van Joncktijs, was buiten twijfel een grooter man dan deze. Hij was te Dordrecht geboren, maar verliet het, nog zeer jong zijnde, met zijnen vader, die makelaar te Amsterdam werd. De Lof der Geldzucht, de Goede Vrijdag, en vooral zijne huisselijke treurdichten, van welke er eenige door Bowring zijn overgezet, bl. 171-183, behooren tot de aandoenlijkste dichtstukken in de Hollandsche taal. Zij ademen het zielroerendste gevoel, in een' vloeijenden en bevalligen stijl. Jan Krull, een arbeidzame smid, gaf een boekdeel (meest) minnepoëzij in het licht, waarin hij den trant van Cats op eene gelukkige wijze nabootste.
En bij deze gelegenheid mogen wij opmerken, dat de groote mannen van de 16e en 17e eeuw, die zulk eenen glans over de Hollandsche Letterkunde verspreidden, in onze gedachten zelden met het land, waartoe zij behooren, verbonden zijn. Zij schreven de geleerde taal van Europa, niet die van hun Vaderland; en wanneer wij hooren van Erasmus, Grotius, Boerhaave, Vossius, de Elzeviers, Spinosa, Barlaeus en Arminius, schijnen de denkbeelden van hunne geboorte- en woonplaatsen zelden op eenigerhande wijze aan hunne
| | | | doorluchtige namen verbonden te zijn. Inderdaad brengt de oude en ongerijmde gewoonte, van hunne toenamen te vergriekschen of te verlatijnen groote verwarring in hunne geslachtsnamen te weeg. De naam van Aurelius, den leermeester van Erasmus, was geen andere, dan die van Hermanszoon(1), Canisius was Mijnheer de Hondt, Fullonius is Willem Gaaeffe(2), en de luisterrijke Johannes Palaeonydorus is, ongemaskerd, eenvoudig Jan Oudewater. Één groote Hollandsche naam schijnt in zijnen geheelen voormaligen luister; het is die van Cornelis van Bynkershoek. Maar wat zullen wij van de verwaandheid van
Erasmus zeggen, van Desiderius Erasmus, met zijnen Latijnschen en zijnen Griekschen naam, beide van gelijke beteekenis? Zijne moeder kende hem alleen als Gheraert Gheraerts. Ook was er zekere Jan van Gorp, die een boek schreef, ten bewijze, dat Adam en Eva alleen Hollandsch spraken, maar die zich schaamde, de taal van
| | | | het Paradijs te bezigen, om zichzelven bij de geleerde wereld in te voeren, en daarop den titel van Goropius Becanus aannam(1).
Het is zeker, dat er in de teederhartigheid der oude rijmers weinig poëzij is; maar er is somtijds veel wijsheid in, en zij brengen doorgaans de geboden en de eischen van de Godsdienst: de dagelijksche kwellingen des levens te verdragen, in nadrukkelijke rijmen, welke een' diepen indruk op het gemoed achterlaten. Geene taal heeft eene zoo uitgebreide verzameling van zulke zedelijke grondregels, als de Hollandsche. Boeken met zinnebeelden, eens zoo gemeenzaam in de Godsdienstige wereld, bestaan er in ontelbare verscheidenheden in; en boekdeelen, gelijksoortig aan dezulke, waarvan Isaak Waltons Volledige Hengelaar eene visscherlijke proeve mag geheeten worden, uitgedost en opgesierd met zedelijke opmerkingen en minnedichten, bezetten het geheele veld der letteren. Wij hebben er eene proef van voor ons, in een werk, hetwelk in menigvuldige uitgaven den tegenwoordigen tijd bereikt, en zijnen zamensteller eenen onbepaalden lof verschaft heeft. Het is de Batavische Arcadia van Johan van Heemskerk, die zijne reizigers ‘den hoopeloozen Reynhert, (die Be-angst met bedriegelyke droomen, en
| | | | bedooven in onvrugtbare gepeynsen, zyn meeste onrust vondt in 't midden van de algemeene rust),’ en ‘de noit genoeg geprezene Rosemond’ voortdrijft, opdat ze, in den dos van Arkadiërs, vergezeld van andere herders en herderinnen, de schoonheden van Holland mogen bezien en bespreken. Het zijn uitnemende zedekundigen en zoete gezellen, - hij, geheel wetenschap, zij, louter vriendelijklieid. Heemskerk is verreweg geleerder dan Walton: hij speelt met verscheidene talen, spreekt van diepe staatszaken, en kan, te midden der lachjes en kusjes, welke hij aan zijne schoone meisjes verkwist, zijn pijpje smoken, een onderzoek nopens den op- en ondergang der Rijken ten einde brengen, geschillen, de duisterste landswetten betreffende, beslissen, beoordeelingen beoordeelen, en de gevechten van de Ruyter met Egyptische krokodillen verhalen. Als Rosemond, ‘met hare witte en welgemaakte handen,’ noch ja noch neen zegt op Reynherts verzoek, van aan hare zijde te mogen zitten, haalt hij een honderdtal plaatsen uit de Wetten der Gothen en Grieken, en Romeinen aan, ten bewijze, dat stilzwijgen voor toestemmen gehouden wordt, Qui tacet consentire videtur.’ Hij is er ook dichter bij: minnezangen stroomen voordurend van zijne hartstogtelijke tong, en hij maakt alle voorwerpen, welke hem omringen, dienstbaar aan zijne hartstogten. Dus, wanneer zij te zamen den snellen Rijn beschouwen, herinnert hij zijner schoone:
Die noch het smeeken, noch de klacht,
| | | |
Van u getrouwe Herders acht;
Afkeerig van het soete minnen.
Ziet, hoe de vlugge baaren,
Eens weg-gevloeyt noyt komen weêr,
En laat u dat zyn tot een leer,
Dat even zoo gaan deur uw jaaren.
Uw jaaren haast verloopen,
En, eer gij 't gist, in korter tyt,
Haar smaakelyke jeugje quyt,
Zyn met geen na-berouw te koopen.
Gaat aan, gaat aan, met woeden;
Uw wreetheit teelt zyn eygen straf,
Die gy zult dragen tot in 't graf,
En met u leet ons leet vergoeden (1).
| | | |
De goede man is ook ligtgeloovig, en vertelt, met eene door schrik bevangene eenvoudigheid, verscheidene heksen- en toovenaarsgeschiedenissen, ‘vreeslijk om te verhalen,’ waarvan de bewijzen met eene onwederstaanbare majesteit onder aan de bladzijden gerangschikt zijn. Maar dit was het geloof van zijnen tijd, hetwelk ieder gereed was te bezweren; en hij waagde het, eenige weinige twijfelingen en bedenkingen te opperen, wel ter zake dienende, schoon met betamelijk ontzag en beschroomdheid. Spreekt hij over zijn Vaderland, dan is het met geheel den hoogmoed en den roem van een' Vaderlander. Met liefde staat hij stil bij de daden van zijne landgenooten; het is hem een lust, hunne namen te vereeren; ijverig verzamelt hij alle de loffelijke getuigenissen van vreemden, hen betreffende, en hij bezingt hunne buitenlandsche veroveringen, als of hij tot gelauwerd poëet van zijnen tijd ware aangesteld geworden. De verhandeling over ‘de zuikerzoete kusjes’ is eenen geschiedschrijver en eenen wijsgeer waardig. Hij stapelt bergen van bewijzen omtrent hunne oudheid en nuttigheid, en van de opofferingen, gedaan om dezelve te verkrijgen, op elkander; toont, hoe zij bij alle volkeren in eere stonden, en door alle redenaars geprezen zijn; hij rangschikt dezelve in klassen, als of het voorwerpen uit de natuurlijke geschiedenis waren, en maakt er eene
| | | | zoo ernstige zaak van bij de ‘Herderin met de koralen lippen,’ dat zij niet anders doen kan, dan den verzoeker te beloonen met den prijs, welken hij zoo hoog verheven heeft. Doch naar mate wij verder in het boek vorderen, verstikt de geleerdheid de liefde; en de schoone beschrijvingen van bedaauwde vlakten en groene bosschen, van velden en weiden raken bedolven in eene overdadige tentoonspreiding van geschiedkundige navorsching, berisping en blaam van den Hertog van Alva, en spitsvondige redeneringen over de Romeinsche wetten: al hetgeen, volgens het verhaal van den Schrijver, met groot genoegen door de ‘Arkadiërs’ werd aangehoord, maar hetgeen wij voor ons betuigen niet te hebben kunnen verteren. Wij verwachtten, dat het verhaal met de verloving van Reynhert en Rosemond zou besloten worden, maar dezen zijn aan het slot van het werk niet verder gevorderd, dan dat het den Jonkman vrijelijk is vergund geworden, de gezondheid van de Juffer te drinken; en, daar het middernachtsuur geslagen heeft, begeeft ieder zich ter rust. Het gemelde werk is een der velen, die eenen soortgelijken titel dragen. De Haarlemsche Arkadia, door Loosjes, is van onzen tijd. En zelfs de droevige zanden en stilstaande poelen van Holland(1) hebben hunne Arkadische loftuitingen gehad. - Heemskerks Minnekunst is later nader bekend gemaakt door eenen uitstekenden oudheidkundigen, (J. Scheltema). Het is een aangenaam
| | | | en welluidend dichtstuk. Heemskerk had een' vriend, van der Burg, dien Scheltema almede der duisternis onttogen heeft(1). Hij had ook ten tijdgenoot Westerbaan, wiens Ockenburg en Wederlegging van Vondels altaergeheimenissen dikwijls zijn geprezen geworden. Maar, schoon hij met vaardigheid schreef, er is geene gemakkelijkheid noch verheffing in zijne werken. Een vermakelijk hekelschrift in prosa kwam uit in 1612, en had ten titel Comoedia vetus of Bootsmans Praatje(2). Het valt de Protestantsche Geestelijkheid met wat krachtiger wapenen aan, dan zijne Roomschgezinde voorgangers. In dezen tijd begonnen er ook wiskunstige werken in de landtaal uit te komen. Van Beverwijck schreef het eerst over de Geneeskunde, van Paffenrode over de krijgskunst, en Witsen over den scheepsbouw.
Het ontbreekt in dezen tijd niet aan letterkundige namen, maar weinige hunner verheffen zich boven de middelmatigheid. Pieter de Groot, de zoon van den grooten Hugo, is zijne onderscheiding verschuldigd aan
| | | | de omstandigheid, dat hij ‘de zoon van zijn vader was.’ Het Masker van de Wereldt van Poirters, een' Brabandschen dichter, beleefde zes en dertig uitgaven. Het is ingerigt naar de Godsdienstige gesteldheid van dien tijd, en dankt, even als Wolschatens De Doodt vermaskert met des Weerelts Ydelheyt, zijnen oorsprong aan Hans Holbeins doodendans, een schilderstuk, hetwelk voor eenige eeuwen eenen bijna onbepaalden invloed uitoefende. De Aran en Titus van Jan Vos verwekte bij zijne landgenooten verwachtingen, welke nimmer zijn verwezenlijkt geworden. Hij verviel tot een onzinnig bombast, hetwelk door de dwaze lofspraken van zijne tijdgenooten werd aangekweekt. Anslo zinkt tot onnoozelheid toe; maar zijn dichtstuk op de Pest te Napels zal de moeite van het lezen wel beloonen. Oudaen en Dullaert, twee Rotterdammer dichters, worden door den Hoogleeraar Siegenbeek met eene hoeveelheid lofs vereerd, welke wij hem niet kunnen nazeggen.
De zeventiende eeuw liep ten einde, om eene meer droefgeestige navolgster in te voeren. De laatste belangrijke naam is die van Gerard Brandt, die zijn best deed, om ‘de helden’ van Holland ‘met roem te bedekken,’ en wiens bijschriften nog steeds met bewondering worden aangehaald. Wij meenen niet, dat zij eenigermate aanspraak hebben op de goede meening, welke hen zoo lang vereerd heeft. Maar zijne ziel was sterk en beschaafd; en zijne geschiedkundige werken behooren ongetwijfeld tot de beste, welke Holland heeft voortgebragt. Wij behoeven zijne welbekende Historie
| | | |
der Reformatie niet te vermelden; maar zijn Leven van de Ruyter, en zijn Verhaal van de Rechtspleging van Oldenbarneveldt zijn bewonderenswaardige proeven van prosa.
De vervolgde Protestanten, welke de herroeping van het Edikt van Nantes bewoog, zich in Holland neder te zetten, bragten, even als zij deugd, kennis en arbeidzaamheid met zich voerden, ook alzoo genegenheid voor de taal van hun Vaderland mede; en de uitstekende bekwaamheden, welke vele dezer doorluchtige refugés onderscheidden, deed den invloed dier genegenheid magtig toenemen. Bayle en Saurin inzonderheid wekten de aandacht van geheel Europa; en het met zorg verbieden van hunne schriften door den verwaanden Lodewijk XIV verschafte hun eene dubbele aanbeveling. Zij leefden, gelijk wij reeds opmerkten, in eenen tijd, waarin weinig uitstekende Hollanders zich op het openbaar tooneel vertoonden. Hun haat tegen Lodewijk en de ondeugende vrouwspersonen van zijn hof, was een gevoel, volkomen in overeenstemming met de Hollanders, die gemakkelijk in de voetstappen traden van diegenen, die aan hunnen natuurlijken afkeer welsprekendheid schonken, en hunne vooroordeelen met geleerdheid ophelderden; en zoo vestigde de Fransche School hare heerschappij over het geheel der Nederlanden.
Antonides van der Goes bezat de geestdrift, maar niet de verhevene bekwaamheden, noodig om de letterkunde van zijn Vaderland los te koopen van de gemaaktheid en slaafschheid, waartoe zij zoo snel ver- | | | | vallen was. Dus drukt hij zijne verontwaardiging uit over den verbasterenden invloed der Franschen, in eenen brief aan zijnen vriend Oudaen.
Wat tuimelgeest beheerscht het lant? wat bastaerdy
Valt in ons eigendom, en smet, als een harpy
Tot ons schandael geteelt, met haer vergifte pennen
De gansche lucht, zelf eer wij 't gruwzaem monster kennen?
Dat reukeloos het hoofd verheffende als vorstin,
De tael van Neêrlant schopt, en dringt 'er Vrankrijk in
Met zijne bastertspraek en dartele manieren (1).
Antonides volgde Vondel na, voor zoo ver hij het vermogt. Zijn voornaamste werk is zijn dichtstuk op den zeeboezem, het IJ. Er is eene episode in, - waarin de schutsgeest der Peruanen, Ataliba, in de zeeën der keerkringen de Hollanders aanroept, hen smeekende wraak te nemen, wegens de dwingelandij der Spanjaarden, - welke dikwijls geprezen is geworden(2). Het denkbeeld is klaarblijkelijk ontleend van den Adamastor van Camoëns; maar de schepping van Antonides staat op eenen oneindigen afstand beneden die verba- | | | | zende en verhevene schepping, dat blok van vermenschelijkt graniet, zich omwentelende te midden van de stormen der Kaap, door der stervelingen hartstogten geplaagd, en schipbreuk geleden hebbende in eene diepere, dan eens stervelings teleurstelling. De Bellona van Antonides werd met groote geestdrift ontvangen: dat dichtstuk bezong de overwinningen van Holland op Engeland. Een droevig onderwerp voor den zang: de zegepraal gaat voorbij; maar de haat en de kwaadaardige hartstogten, opgewekt voor de bedoelingen van één uur, blijven achter, om verscheidene menschengeslachten te kwellen. Een zeer scherpzinnig schrijver, (Witsen Geysbeek), die onlangs eene nieuwe uitgave van den Ystroom bezorgd heeft, plaatst Antonides aan het hoofd van alle de dichters der zeventiende eeuw. Hij was het geliefkoosde kind van Vondels toegene genheid: de uitwerking van zijne gedichten wordt zeer verminderd door zijne mythologische machinerie; maar er zijn weinige dichtstukken, welke met zulk een doorgaand vermaak kunnen gelezen worden, als zijn Ystroom. Hoogstraten schreef het leven van Antonides, hetgeen vóór diens werken geplaatst is.
Gedurende eenigen tijd later, vindt men weinig, waarin men zich verheugen kan. Rotgans heeft naauwelijks aanspraak op naamsvermelding, even min als Langendijk, die een vrolijk, maar niet een zeer verstandig schepsel schijnt geweest te zijn. Van rijmelaars is er een ware zondvloed. Eenige weinige uitmuntende mannen verschijnen in het veld der letterkunde, in het bijzonder ten Kate, wiens kennis van de voorname
| | | | bronnen der Hollandsche taal hem bekwaam maakte, om dat onderwerp met oorspronkelijkheid en goed gevolg te behandelen.
Misschien is de eenige dichterlijke naam, welke uit deze duisternis verdient verlost te worden, die van Poot, de dichter van den ploeg, van wien wij, meer omdat hij een landman was, dan omdat wij hem voor een' dichter houden, gewag maken. Hij zegt van zichzelven:
'k Ben Poot, een lantmans zoon, misdeelt van ryke schatten:
De dartele Fortuin keert my den rugge toe.
Ik leef tot heden van den arbeit myner handen,
Ik ben nogh jong, maer heb de dichtkunst lang geprezen,
Waerin ik, wilt en woest, by wylen iet begon,
Tot Hooft en Vondel my het beste dichtspoor wezen.
Och of myn traege vlugt die zwaenen volgen kon! (1)
Zijne beste stukken zijn: De Maen by Endymion, Wachten, en Akkerleven. De Clercq heeft eene vergelijking tusschen hem en Burns gemaakt; maar zij zijn daarin alleen met elkander te vergelijken, dat zij beiden de kar volgden, en beiden verzen maakten: Burns vol natuur, schoonheid, waarheid, en kracht,
| | | |
Poot gewoonlijk gezwollen, mythologisch, valsch, en zwak.
Zekere Mattheus Gargon van Vlissingen, schreef de Walchersche Arkadia, in welke hij van dat eiland een ander Paradijs maakt(1).
Arnold(2) Hoogvliet zondigde tegen den heerschenden smaak van zijnen tijd, door geen acht te slaan op de eenheden: intusschen gaf hij niet veel beters in hare plaats. Zijn verhalend dichtstuk Abraham de Aartsvader is weinig meer dan eene berijmde en uitgewerkte geschiedenis van dien Patriarch. Wij zijn verpligt, op onze kritische eerlijkheid te bekennen, dat wij haar niet gelezen hebben, schoon vóór jaren het 4to boekdeel voor ons gelegen heeft, om ons hetzelve te herinneren. Ook hebben wij daartoe verscheidene heldhaftige pogingen aangewend, welke, zonder dat wij op den praatzieken verhaler veel te berispen gevonden hebben, altijd in een schielijk, schoon niet gemelijk, afscheid geëindigd zijn. De heer Siegenbeek spreekt van Hoogvliets onsterfelijkheid! Wij vreezen, dat een luttel smaaks die weg zou blazen.
Holland werd hierop overstroomd met eenen vloed van overzettingen, navolgingen en omwerkingen van de meesterstukken van het Fransch tooneel. Het gevolg
| | | | daarvan was het invoeren van eene valsche en vreemde manier, en een vast besluit, om alle oorspronkelijkheid op het altaar der eenheden op te offeren. Een handvol Pedanten nam bezit van het veld der letterkunde, met hunne overzettingen, vertalingen, en verplaatsingen van de tooneeldichters van Frankrijk. Zwak op zich zelve, beproefden zij sterkte door vereeniging te bekomen, en verbonden zich te zamen, ten einde den beschermgod van het tooneel aan de Seine te doen heerschen over de grachten van den Amstel. Wij gevoelen de bijzondere schoonheden van het Fransch tooneel; maar zij zijn statig en koud, door kunst uitgebroed, en niet alom aan de menschelijke ziel verwant. Elke poging, haar elders te verplanten, is mislukt, hoe gunstig ook de gelegenheid daartoe scheen. Hare wortelen schieten niet diep genoeg in onze dagelijksche gewaarwordingen; om haar te genieten, moet een mensch zich uit zijn' eigen' boezem uitwerken, en zich gewennen, aan een dampkring, vreemd aan zijn gewoon bestaan. Zij zijn sierlijken zoo was ook Catharinaas paleis van ijs, en zoo is het Pantheon; maar er zijn veel sierlijker dingen - meer verhevene tempelen. Wij hebben niets tegen de bijzondere orde van de Fransche tooneel-bouwkunst; maar zij moet niet de eenige bouworde zijn. Laat haar een maatstaf zijn voor de genen, die haar volgen; maar zij worde nimmer wet en oorkonde voor de geheele verstandelijke wereld. - De naastvolgende stap in Holland was, Fransch prosa ten tekst voor Hollandsche poëzij te nemen: de berijmde overzetting van Fenelons bewonderenswaardigen roman nam niet minder dan
| | | | twintig jaren weg van het leven van een' man, die de groote gezaghebber in zijnen tijd en bij zijne tijdgenooten was, - maar thans vergeten is, - Feitama. Zijne overzetting werd der wereld aangekondigd met een ‘trompetgeschal’, dat de muren van Jericho had kunnen doen beven. Waarvan zij zwanger ging, was eerst nog niet volkomen bekend, maar jaar op jaar werd de vordering van den berg in haren arbeid verkondigd. Een duizend kleine kanonnen verhaalden eindelijk aan het menschdom, dat het barensuur dáár was, et nascitur, - te midden van het brullen der artillerie, een bedriegelijke bastaard, die in zijne kindschheid stierf, wiens geschiedenis alreeds in vergetelheid is, en wiens naam was: Feitamaas Télémachus. Feitama was een verderfelijke letterkundige pronker, die alle voorwerpen van smaak in zijnen tijd keurde, en een' kring van aanbidders om zich verzamelde. De misleiding werd spoedig verdreven, en het is noodeloos, er ons langer meê bezig te houden. Schim is smakeloos, de Marre langdradig, Zweerts(1) geheel zonder waarde, en Dirk Smits, wiens ‘schitterende eigenschappen’ de al te veel prijzende Hoogleeraar te voorijlig roemt, was een zeer deugdzaam burger, maar niets meer. Steenwijk, die Feitamaas begunstigde navolger was, gaf twee gezwollen heldendichten uit, in welke verscheiden groote leenspreukige personaadjen elkander op de hielen treden in eene bevallige wanorde.
De gebroeders van Haren, twee Friesche Edel- | | | | lieden, behooren tot de herstellers van een' beteren smaak. De Leonidas van Willem, schoon wij hem niet met dien van onzen Glover gelijk stellen, overtreft niettemin verre de meeste gelijktijdige werken, en is vol van vaderlandlievende gevoelens. De Friso dingt naar den rang van een heldendicht. Het is een verhaal van de fabelachtige grondleggers van den Frieschen Staat, en bevat eenige dichterlijke tafereelen. Het is baarblijkelijk eene navolging van den Télémachus, maar niet in den uiterst slaafschen geest van de meeste schrijvers van dit tijdvak. Zijn Menschelijk leven vindt men in iedere verzameling van Hollandsche dichtstukken. De maat van dit stuk is, schoon oorspronkelijk, niet zeer aangenaam. Zij is deze:
Helaas! helaas! hoe vlieden onze dagen!
Hoe spoed zich ieder uur met onzen luister heen!
Hoe flaauwe vreugd! hoe bittre plagen!
Hoe min vermaak, hoe veel geween! (1)
Maar het is te lang, om het geheel te plaatsen.
De Geuzen van Onno Zwier van Haren is een van de meest Vaderlandsche dichtstukken, of verzameling van gedichten in de Hollandsche taal. Het is eene vereeniging van lierzangen, niet aaneengehecht met eenen algemeenen draad, en van welke deze of gene geheel van de overige kan afgezonderd worden. Onno
| | | |
Zwifr gaf eene proeve van levensbeschrijvingen der doorluchtige Nederlandsche mannen, welke, schoon blijkbaar in haast geschreven, hoog gewaardeerd wordt, en aan zekeren naamloozen Schrijver (men houdt er Simon Styl voor), het denkbeeld heeft gegeven, tot een werk in tien deelen in 8vo, gedrukt van 1774-83, levensbeschrijvingen van voorname mannen en vrouwen, meest Nederlandsche, inhoudende. Onno Zwiers episode van Rosemond kent ieder kind in Holland van buiten.
Trips Tijdwinst in ledige Uuren is een van die donkere werken, welke, even als Youngs Nachtgedachten, eer om de vreugde te verdrijven, dan om die op te wekken, geschreven schijnen. Wij zijn van gedachten, dat niets meer het tegenovergestelde van het echte karakter der Godsdienst is, dan zulk eene wijze van haar te beschouwen, welke op eene kwaadaardige wijze ons geluk wil bestrijden. Bovendien is Trip doorgaans duister, en somtijds gemaakt. Voet, zijn tijdgenoot, heeft dezelfde gebreken, met minder schoonheden; schoon zijne berijming der Psalmen nog altijd eenige toejuiching blijft genieten. Onder de gedichten van Huizinga Bakker, in drie deelen vervat, zijn eenige kleine stukjes, welke, gelijk Siegenbeek te regt zegt, deftig, fraai, en zinrijk zijn. Wij zouden b.v. zijn Geboortegroet aan Hylas aanhalen.
De Hollandsche Spectator van van Effen maakte de Nederlanden met den geest der Britsche Essay-Schrijvers bekend, welken hij wijzigde naar de gesteldheid en de manieren van zijne dagen, op eene
| | | | bewonderenswaardige wijze het toenmalig karakter der Hollanders afschilderende. Het werk werd, even als de Engelsche Spectator, bij nommers uitgegeven, en bevat drie honderd en zestig proeven over een groot aantal onderwerpen.
Te allen tijde zijn de Hollanders onderscheiden geworden wegens hunne togten en reizen, meer dan wegens hunne beschrijvingen daarvan: Witsens Noorden Oost-Tartarye is nogtans wel bekend.
Wij kennen, om eerlijk de waarheid te zeggen, aan de Hollandsche Geschiedschrijvers weinig waarde toe. Het groote werk in twintig deelen van Wagenaar is eene doorwrochte verzameling van feiten, getrouwelijk en naarstig geput uit de bronnen, welke voor den Schrijver toegankelijk waren. Het is eene onsierlijke en vervelende kronijk, in welke de Schrijver uit geene gebeurtenis hoegenaamd ook eenig nieuw licht uitlokt, noch eenig wijsgeerig gevolg trekt. Het is het procesverbaal der geschiedenis, geschreven door een notarisklerk. Simon Styl, de schrijver van de Opkomst en Bloei der Vereenigde Nederlanden, is een schrijver van een' veel levendiger', schoon niet van een' zeer scherpen stempel. Hij werpt zijne gedachten om zich heen; en, wanneer zij niet altijd op waarheid rusten, verschaffen zij echter zeer dikwijls bouwstoffen van waarde voor de meer juiste gedachten van anderen. Van Loons Nederlandsche Historipenningen is een werk in vijf folio deelen, hetwelk met eene verbazende belangstelling alle de staatkundige gebeurtenissen van
| | | | 1555 - 1713, die eenigermate met de penningkunde in verband staan, aanteekent.
Tot dit tijdvak behoort eene vrouw van aanmerkelijke geleerdheid, en niet zonder dichterlijke bekwaamheid, Juliana Cornelia de Lannoy, van wier dichtstuk op de verlossers van Leyden sommige strophen bewonderenswaardig zijn. Twee van hare treurspelen, Het Beleg van Haarlem en Leo de Groote, zijn goed. Bilderdijk gaf hare nagelaten gedichten uit. Dit was een tijdvak van vrouwelijke letterkunde. Elisabeth Wolf(1) en Agatha Deken schreven eene reeks van verhalen of romans, welke, schoon somtijds wat langdradig, gelukkige tafereelen der zeden zijn. De meeste opmerking verdienen Sara Burgerhart, in twee deelen, Willem Levend, in acht deelen, de Brieven van Abraham Blankaart(2) en Cornelia Wildschut(3). De beste vaderlandsche verhalen zijn die van Loosjes. Zij zijn talrijk, en sommige, in het bijzonder Maurits Lijnslager en Hillegonda Buisman, bevatten zeer naauwkeurige schilderingen der Hollandsche zamenleving. Hij voert, even als Sir Walter Scott, (wij bedoelen hier niet eene vergelijking te maken, welke hen te zeer bij elkander zou doen afsteken), vele bestaan hebbende karakters ten tooneele, en, schoon noch zijne uitvindingskracht zeer scheppend, noch zijne
| | | | groeperingen zeer vernuftig zijn, heeft hij echter genoeg gebeurtenissen en afwisseling in zijne werken gebragt, om die aanlokkend te maken.
Mevrouw van Merken was voor een groot gedeelte de bewerkster van een' nieuwen tijdkring. Zij was zelve eene schrijfster, die geenszins een' der minste rangen bekleedt. Zij vervaardigde verscheidene treur spelen, wier onderwerpen meestal uit de geschiedenis van Holland genomen zijn. Het Nut der Tegenspoeden is van een' zeer deftigen en zedelijken aard. Haar Germanicus is eene proef van hooge vlugt op looden vleugelen, met sommige dragelijke plaatsen, bijzonder het begin van het tweede boek; maar over het geheel zwaarmoedig, den arbeid verradende, en Prosaïsch. Haar David is niet beter, schoon zij zijner geschiedenis twaalf boeken gewijd heeft; en sommige andere van hare dichtstukken zijn nog minder. Maar zij was meer dan de meesten van haren tijd, het bedriegelijk Hayley- tijdvak van Holland; en, vergeleken met den Dictator Feitama, dien zij opvolgde, willen wij haar ten minste wel eenigen titel geven, uitgenomen dien van ‘roemrijk’, waarmede de geleerde, maar te beleefde Hoogleeraar haar vereert. Zij was de echtgenoote van van Winter, den overzetter van Thomsons jaargetijden, eene aangename vergelding voor Thomsons gedicht te zijner eer. De Dame was de geleerdste Pedante(1) van haren tijd, en gewoon, alle jonge vernuften om zich te verzamelen, opdat dezen haar hare eigene
| | | | poëzij, - het was van de beste, die er toen vervaardigd werd, - mogten verheffen hooren. Wij hebben den kring hooren beschrijven, waarover zij haren koninklijken, ja keizerlijken schepter zwaaide; evenwel zij had daarin, hoe despotiek haar gezag ook ware, de scherpzinnigheid, om de schapen van de bokken te onderscheiden. Bilderdijk was er een van; en schoon hij gewoon was, hare ijdelheid te belagchen, genoot hij veel onderrigts van hare bekwaamheden. Maria van der Wilp(1) was ook eene dame verzenmaker van dit tijdvak, in wier geschriften de goede Hoogleeraar ‘eene kiesche en beschaafde uitdrukking en vloeijende versmaat’ ziet. Wij kunnen er niet dan zwakke gemeenplaatsen, onzamenhangend en prosaïsch, in ontdekken.
Huydecoper nam eene nieuwe dramatische proef, die van den rei der Ouden door alleenspraken te vervangen. Die van Achilles, in het vierde bedrijf, beginnende: ‘Ik heb u wederom doen keeren’ wordt zeer dikwijls onder toejuiching uitgesproken. In onze ooren danst zij, gelijk een lied zonder muzijk, en ieder couplet eindigt met de verzekering van den held zelven:
Maar zonder eer leeft Held Achilles niet,
hetwelk voor de wereld zeer goed is te weten, en dat wel van het beste gezag, dat is uit den eigen mond des mans, die dezen zelflof vijfmaal herhaalt. Huydecopers aanteekeningen en aanmerkingen, zoo op de oude Hollandsche dichters, in zijne uitgave van Melis Stoke,
| | | | als op Vondels overzetting van Ovidius Herschepping, zijn scherpzinnig en van waarde.
Jacoba van Beijeren was een schoon onderwerp voor het treurspel van de Marre: het meeste, dat men van zijne behandeling van hetzelve zeggen kan, is, om eene Fransche spraakwending te bezigen: ‘dat zij veel te verlangen laat.’
Wij beschouwen Bellamy, als de invoerder van een nieuw tijdperk.
De Hollanders vergelijken hem met den Duitschen Hölty. Hij stierf in eenen jeugdigen leeftijd, (29 jaren oud), na de vereerendste lofspraken verworven te hebben. Zijne ballade, Roosje, is misschien het aandoenlijkste vertelsel, hetwelk de Hollanders bezitten. Het is van een meisje - een meisje, dat van iedereen bemind werd; geboren ten koste van het leven van hare moeder; opgevoed te midden der tranen en kussen van haren vader; zonder nadenken van hare moeder steeds sprekende; elks bewondering, wegens schoonheid, handigheid, en deugd; vriendelijk als de maan, wanneer deze op de duinen schijnt; haar naam was op elken tred in het zand te zien, geschreven door de Zeeuwsche knapen, en zelden bloeide er eene schoone bloem, welke niet voor haar geplukt werd(1). Nu verschijnt er in
| | | | Zeeland, wanneer de zuidewinden van den zomer komen, ook een smakelijke visch, die zich in het zand verbergt, en er als een lekkerbeet door het jonge volk wordt uitgedolven. Dat is de tijd van scherts en vrolijkheid, en de jeugd waagt zich dan verre, - verre over het vlakke strand heen, in zee. De knapen dragen de meisjes midden in de golven, en zoo werd dan ook Roosje weggedragen, in weêrwil van haar herhaald roepen en bidden. Een kus, een kus, of gij gaat in zee, riep een jongeling, die altijd aan hare zijde bleef: zij vlood, hij vervolgde haar. In zee, in zee! riepen allen, die hen verzelden. Hij neemt haar op, en gaat al verder en verder. Op eens, daar hij zal terug keeren, zinkt hij; zij gilt - zij zinken te zamen: de grond was trouweloos - men kon hen niet helpen: de golven over- | | | | spoelden hen - er was niets dan stilte en dood. De verschrikte speelnooten zagen het aan,
De jeugd ging, zwijgend, van het strand,
Een's ieder's hart was vol gevoel -
Maar ieder's tong was stom!
De maan klom stil en staatig op,
En scheen op 't aaklig graf,
Waarin het lieve, jonge paar,
De wind stak hevig op uit zee:
De golven beukten 't strand.
En schielijk was de droeve maar
Verspreid, door 't gansche land.
Zijn Verrader des Vaderlands is eene schoone proeve van verachtende verontwaardiging, en zijne Ode aan God een waardige tegenhanger voor Nieuwlands Orion. Er leven nog velen, die hem gekend hebben, (hij stierf in 1786), en nog steeds met sterke toegenegenheid van hem spreken. Eenige zijner schriften werden in het Hoogduitsch vertaald, en uitgegeven te Weenen in 1790. Van der Palm schreef eene welsprekende lofrede op Bellamy, die zijn vriend en medgezel was. Er waren vele belangwekkende jongelingen aan hem gehecht, wier voortbrengselen met groote toejuiching ontvangen zijn; inzonderheid Hinlópens aanspraak aan Bilderdijk, na diens terugkomst uit zijne ballingschap in 1806(1). Rau, een
| | | | ander zijner vrienden, is onderscheiden geworden, als redenaar(1), en Kleyn, als een dichter, wiens lierzangen lof verdienen.
Nieuwland verrees uit de afzondering van een klein gehucht, om de aandacht en bewondering van alle mannen van letteren op te wekken. Hij was een diergenen, door wie hun Vaderland het licht weder terug ontving, hetwelk het, twee eeuwen te voren, aan Duitschland had gegeven(2). Nieuwlands merkwaardigste voortbrengselen zijn, zijn Orion, waarvan eene Engelsche vertaling gegeven is geworden, en zijn lierzang Op den Dood mijner Echtgenoote. Hij verwierf zich groote onderscheiding door zijne wijsgeerige kennis; maar stierf in den ouderdom van dertig jaren, veler hoop in menig opzigt te Jeur stellende. Van Alphens gedichten voor kinderen behooren tot de beste, welke ooit geschreven werden. Zij zijn eene kostelijke nalatenschap voor de jeugd der Nederlanden. Zij onderwijzen de deugd in eene eenvoudige welsprekendheid, en zijn in Holland meer
| | | | bekend, dan de Hymnen van Dr Wats of Mevrouw Barbauld het hier zijn, en dit is veel gezegd. Zijn Starrenhemel is een lierzang van de verhevenste soort; en misschien het stuk, hetwelk, zoo verre de Hollandsche Letterkunde zich uitstrekt, het meest algemeen bekend is. Wij houden hem buiten twijfel voor een' van de welluidendste der nieuwere Dichters in de Nederlanden: schoon de invloed van Duitschland zeer veel op hem vermag, kan niets natuurlijker zijn, dan de gevoelens van verscheidene zijner stukken. Er is er een, beginnende: ‘Nederland is opgerezen,’ hetwelk eene schoone uitboezeming over den vrede van Munster en de onafhankelijkheid van Holland is.
Er is geen gebrek aan geschiedkundige bouwstoffen in de Nederlanden, aan geleerde kronijkschrijvers, en aan inderdaad naarstige verzamelaars van feiten; maar wat er ontbreekt, is die gezonde wijsbegeerte, welke eenen oordeelkundigen en welingerigten toets weet aan te wenden op de verhalen van het verledene, en der onderzoekingen van vlijtige beoefenaars licht weet bij te zetten, door de nieuwe opvattingen of vergelijkende zamenstellingen der schranderheid. De Historie van het Verbond en de Smeekschriften der Nederlandsche Edelen, van (J.W.) te Water, is een bewonderenswaardig blijk van volharding in het onderzoeken van zaken tot in de kleinste bijzonderheden. Niet minder de Aloude Staat der Vereenigde Nederlanden door (M.) Engelberts. De Geschiedenis van Graaf Willem van Holland, Roomsch Koning, door (J.) Meerman, den boekverzamelaar, is een gedenkstuk van
| | | | geleerdheid. Even zoo de Historie der Hollandsche Staatsregering tot 1795, door (A.) Kluit. Kluit evenwel is koener in zijne theoriën, dan het bij de Hollandsche Geschiedschrijvers gebruikelijk is.
Feith heeft aanspraak, om gerangschikt te worden onder de herstellers der Hollandsche Letterkunde, die den meesten invloed gehad hebben. Allen spreken van hem met eerbied; velen met de hoogste bewondering. Zijn Ouderdom is de beste vertegenwoordiging van zijne bijzondere verdiensten. Aan Het Graf, en aan zijne Ode aan God ontbreken sommige van de hoogere eigenschappen der dichtkunst niet, even min als aan zijne Ode aan de Voorzienigheid. Het latere gedeelte van zijne loopbaan was eene verbetering van het vroegere: want hij begon, met in den nietigen geest eens navolgers te schrijven, en was dikwijls overgeleverd aan eene ongezonde sentimentaliteit, welke hij de kracht en de wijsheid had te onderdrukken; zoo dat hij juist op het eind zijner loopbaan die begon te verbeteren. Wij meenen evenwel niet, dat Feith het vermogen had, de Alexandrijnsche verzen los te koopen van de hen kwellende zonde, - eentoonigheid. Dat is de groote verdienste van Bilderdijk, met wien het al te zeer in de mode geweest is, Feith te vergelijken. Er bestaan naauwelijks eenige punten van vergelijking tusschen hen beiden. Bilderdijk is altijd oorspronkelijk, schoon dikwijls onregelmatig; altijd geleerd, schoon dikwijls onbezonnen; altijd beroerd door eenigen hartstogt van liefde of van haat, schoon betuigende met verachtend mededoogen op het menschdom neder
| | | | te zien. - Feith is een navolger der Duitsche School; schoon hij wel dikwijls door Dr Youngs Nachtgedachten mag aangetrokken zijn geworden. Hij is een zuiver en bevallig, maar niet een geleerd schrijver; een man van geruste en huishoudelijke deugd, wiens huisselijke en maatschappelijke uitmuntendheden buiten twijfel ten paspoort verstrekt hebben aan zijne inderdaad aangename, maar niet zeer verhevene geschriften. Hij staat op den hoogsten trap der middelmatigheid. Bij zekere gelegenheid ging hij eenen letterstrijd met Kinker aan; maar deze overstelpte hem met spotternij: het was een koperen tegen een aarden pot. Feith schijnt, als de meeste Hollandsche dichters, altijd onder den invloed van eene deftige en nuchteren zedekunde te staan. Wanneer zijne zangster nu en dan het veld der verbeelding bewandelt, keert zij altijd om, en begeeft zich spoedig naar huis, om de groote belangen der deugd te beredeneren.
De vermaardheid van Helmers, - eene aanmerkelijke vermaardheid zelfs, - is meer toe te schrijven aan de omstandigheden, welke hem omringden, dan aan eenige eigene, hem onderscheidende verdiensten. Hij leefdo in eenen tijd, waarin, schoon er in Holland een sterke volksgeest bestond, die geest diep verholen lag - begraven was - stilzweeg. Niemand had zich op denzelven beroepen - niemand had metterdaad de snaar getokkeld, in elken boezem gespannen. Niet dat zijne stem sterk was; maar zij was de sterkste, daar andere stemmen schaarsch en zwak waren. En, zoo het zijner uitdrukkingen aan oorspronkelijkheid en vermogen ontbreekt - zijne gevoelens
| | | | zijn evenwel altijd zuiver, en zijne schriften geschikt, om anderen tot een hoogeren trap, dan waarop hij zelf stond, te geleiden. Zijne Hollandsche Natie werd gedurende de Fransche heerschappij gedrukt. Het is een krachtig pleidooi ter gunste eens volks, welks bestaan als staat de dolle staatkunde van Napoleon ter vernietiging verwezen had. Wanneer de poëzij van Helmers zal vergeten zijn, zal men toch nog zijner vaderlandsliefde herdenken: schoon er eenige weinige van zijne kleinere werken zijn, De Roos b.v., die niet zoo spoedig sterven zullen. Ook zijn Antoninus Pius en Antonius Hambroek zijn waarschijnlijk bestemd, om in leven te blijven. Helmers stierf in 1813.
Wij kunnen der begeerte niet wederstaan, om onze lezers bekend te maken met eenen heerlijken lierzang, betiteld: Aan den Rhijn, van Borger, een ander dichter van dit tijdvak, die eenige jaren later stierf(1).
| | | |
Bilderdijk heeft ongetwijfeld het zeldzaam en benijdenswaardig vermogen, om op den eersten opslag alles, wat een genie kenschetst, aan te nemen. Hij kan
| | | | geen diep oordeelkundige genoemd worden: er is naauwelijks iets uit eenige andere taal door zijne pen overgebragt, hetwelk niet vol dwalingen is; maar hij weet het kenschetsende van eenen schrijver zoo naauwkeurig op te merkën, dat zijne vertalingen het oorspronkelijke met eene wondervolle levendigheid en waarheid te huis brengen. Hij is volkomen de man, om op een nieuw veld van letteren den weg te wijzen,
| | | | daarover in het algemeen te redenen en de uitkomsten op te maken. Met bijzonderheden kan hij zich niet inlaten: ten opzigte van dezen slaat hij mis, even als de Heer Brougham deed, toen hij over waterwerken schreef. De zielen der menschen zijn niet, als de trompen der olifanten, gevormd om boomen uit den grond te wringen, en spelden op te nemen.
Bilderdijk is de Opperveldheer van eene nieuwe en zegevierende krijgsbende. Men moge hem laken, en hij moge het verdienen - maar hij is een uitmuntend man; hij moge met geregte verwijten overladen worden - hij is desniettegenstaande een groot dichter. Hij is een karakter, hetwelk door waanwijzen en beuzelaars niet mag geschat worden; en evenmin mag beoordeeld worden naar de overdrevene loftuitingen van blinde leerlingen, of naar de minder te regtvaardigen mishandelingen van een staatkundige tegenpartij, en van schrijvers van twistschriften tegen hem. Zijne werken zijn niet algemeen bij het volk bekend. Hij wil geen' wapenstilstand sluiten met hetgeen hij ondeugden of dwaasheden acht; en dus werpt hij zijne vuurpijlen uit in de weelderige dartelheid van zijne magt, om te toonen, dat er vuur en licht in hem is. Wij keuren noch zijne meeningen goed, noch regtvaardigen zijne wijze van die te bepleiten; maar wanneer wij zulk eenen man ter versmading zien stellen aan zielen zonder kennis en verbeeldingskracht, dan zouden wij gaarne zijne verwondbaarheid met een schild bedekken, en vorderen, dat men hem ontzag. Zijne inzigten zijn die van duisterder eeuwen: wij begrijpen die niet, en kun- | | | | nen niet met hem overeenstemmen; maar de glans van het genie omstraalt hem, en wij gevoelen elke beleediging, welke hem wordt aangedaan. Even gelijk wij gevoeld hebben, en gelijk geheel Europa die ellendige wraak gevoeld heeft, welke men op de nagedachtenis van Byron genomen heeft; - eene wraak genomen in den naam van de Godsdienst, (maar waarom zouden wij dezer onteerende gebeurtenis vleugelen bijzetten?) door aan zijn gedenkteeken eene plaats onder de dichters van Engeland te weigeren.
Bilderdijk is misschien meer dan iemand anders de vertegenwoordiger der oude Hollandsche denkwijze; schoon dezelve in dat geval zeker eene onaantrekkelijke, ja eene terugstootende gedaante heeft aangenomen. In bittere twistgeschillen betrokken, en onder den invloed van het gevoel van eene magt, welke hem menigmaal in staat stelt, zijne tegenstanders te verpletten, of zoo hij hen al niet verpletten kan, hen met de bitterste verachting te overstelpen, biedt hij geen beminnelijke afbeelding van het Hollandsch karakter aan. Zijn meesterschap over zijne taal is hoogst opmerkenswaardig; schoon hij somtijds van den weg wordt afgevoerd, door het gebruik van eene te nadrukkelijke of te misleidende wijze van uitdrukking. Het zou ons zeer moeijelijk vallen, eenige uitgebreide plaats uit zijne dichtstukken te kiezen, welke een juist denkbeeld van zijne schoonheden en van zijne gebreken zou verschaffen: beiden zijn intusschen zeer in het oog loopend; maar zij bieden zich in eenen vorm aan, welke het niet gemakkelijk maakt, hen in onze taal te verplanten;
| | | | schoon die misschien van alle talen de geschikste tot hunne overgieting is. Bilderdijk schrijft niets, dat geene kracht - verstandelijke kracht uitspreekt; en het is over het algemeen verzeld van blijken van kennis, uitgebreide belezenheid, en somtijds van zeldzame schranderheid. Maar de hartstogten, en te dikwijls die van afkeer en haat, zijn magtig op hem, en verleiden hem gedurig tot uitdrukkingen, welke de vijandschap uitnoodigen, en den zedelijken indruk vernietigen. Naar onze gedachten, is het eene ten volle onbetwijfelbare waarheid, dat Bilderdijk een man is van genie, de eerste der Hollandsche dichters, een man, welke, zoo eenig Hollandsch schrijver dien heeft, eenen Europischen naam bezit, doch die, over het algemeen, niets vermag in zijn geboorteland. Zijne werken van allerlei aard volgen elkander met ongeloofelijken spoed, maar ontmoeten, vernemen wij, weinig aanmoediging. Op de ziel van eenige weinigen heeft hij krachtig gewerkt, en deze weinigen behooren tot de opmerkenswaardigste mannen in Holland; doch daar de invloed van eene gematigde denkwijze magtiger is, dan die van schimpredenen en bitterheid, - en het is wel zoo, daar is een vermogender invloed, bekwaam om vrijdenkers, en stoïcijnen, en ‘goedhaters’ op hunne regte plaats te stellen voor den toekomstigen tijd; - verbetert de geruste zin der meerderheid de onstuimigheid der weinigen, en maakt haar eindelijk dienstbaar tot kennis en deugd. Want, laat de waarheid gezegd worden, de zedelijke invloed van Bilderdijk is duidelijk verderfelijk geweest. Zijne groote vermogens zijn tegen elke partij, tegen iedereen
| | | | op zijne beurt gerigt geweest. Eens was Napoleon de godheid van zijne ootmoedige afgodendienst. Hij is, eene soort van classischen Cobbet, meer geneigd tot haat dan tot liefde, tot veroordeelen dan tot vrijspreken, tot aanvallen dan tot verdedigen.
Maar hij heeft ook de gedenkwaardigste en welsprekendste zaken geschreven: zijne Aanspraak aan de Maatschappij van Nederlandsche letterkunde, vervaardigd in den ergsten tijd van Napoleons onderdrukkingen, is eene edele, eene hartroerende rede, voor welke hij verdient met kransen van lauweren gekroond te worden. Bilderdijk wordt, naar onze meening, niet vriendelijk of aangenaam door het Hollandsch Bewind behandeld. Hij is, wij weten het, een stug man - iemand die zich niet weet te matigen, die de uitdrukking van de verbittering, de verachting, de versmading, den haat, welke hij gevoelt, niet beteugelt. Hij heeft zich toegegeven in smaadredenen, strijdig met de gewoonten van zijnen landaard. Dit alles, en meer, zouden wij hem vergeven hebben. Hij is buiten twijfel een der merkwaardigste menschen van den hedendaagschen tijd. Hij heeft een klein jaargeld - wij gelooven van ƒ 1000. Het is voor hem te veel om te sterven, te weinig om te leven. Hij is oud, en reeds sedert jaren ziekelijk geweest.
Het eerste werk van Bilderdijk, hetwelk wezenlijk opmerkenswaardig was, was De Ziekte der geleerden; hier op volgt in beroemdheid, de onvoltooide Ondergang der eerste Wereld. Een honderd deelen zouden naauwelijks alle zijne werken be- | | | | vatten kunnen. Wij hoorden van een onvolledig exemplaar, bestaande uit tusschen de tachtig en negentig boekdeelen, hetwelk onlangs te Amsterdam voor ƒ 200 is verkocht geworden. Zijne pogingen in het vak der tooneelpoëzij zijn alle mislukkingen. Er heerscht eene stijfheid, eene bitterheid, eene terugstooting in, door welke zij zoo onbehagelijk worden, dat de eigenschap van bloot dichterlijke verdiensten te bezitten, haar noch verschoonen kan, noch voor het tooneel geschikt maken. Des grijsaards pen is nog even bezig en ijverig, als die van den jongeling was. Jaar op jaar stort hij stroomen van poëzij uit. Wij bevelen der bijzondere aandacht van onze lezers Het Geweten, Ode aan Napoleon, De drie Zusterkunsten, Holland, en zijn laatste werk Vermaking aan. In het laatstgemelde is De Intrede van Jezus in Jeruzalem een kostelijk dichtstuk. Als eene proeve van zijne bekwaamheid in het gebruik der taal, is zijne overzetting van de welbekende Moorsche romance van de ‘Oorringen,’ beginnende:
Ach, mijn oorring, ach mijn oorring is gevallen in de vliet,(1) der beschouwing wel waardig.
De meest behagende levende dichter, die het meest de Volksdichter in Holland is, is Tollens. Dat, bij eene bevolking van drie millioenen menschen, eene oplage van tienduizend exemplaren van drie deelen gedichten, spoedig zou zijn uitverkocht geworden, is eene zeer merkwaardige zaak. Het is op zich zelf geen kleine verdienste, en strekt tot geen gering bewijs
| | | | van schranderheid, zoo gelukkig op het gevoel van een geheel volk gewerkt te hebben. Zijne sterkte bestaat in het beschrijvende; zijn kenmerk is oorspronkelijkheid, ten minste in Holland. Het zou niet zwaar vallen, in zijne gedichten den invloed van Engeland en Duitschland aan te wijzen, maar die is voor het oog van het algemeen omsluijerd; en, zoo wel de gedachten als de uitdrukking, elders door hem gevonden, zijn zoo gekuischt, zoo keurig uitgewerkt, dat zij met het brandmerk van letterdieverij niet mogen geteekend worden. Het zou gemakkelijk zijn, eenige, en zelfs verscheidene plaatsen uit te zoeken, welke geen andere aanbeveling, dan hare welluidendheid bezitten, en waaraan alleen de hand des kunstenaars vloeijendheid, en eenen nieuwen glans aan de afgebruikte vinding heeft gegeven. In den kring van gezellige en huisselijke aandoeningen is Tollens bewonderenswaardig. Een zekere hartelijk-vurige huisselijke toon bezielt alle zijne gedichten. Zijne meesterstukken zijn, naar ons gevoelen, Het gevallen Meisje, De Moeder, Aan een pasgeboren Wees, Nova Zembla, en van zijne romances, van welke er een groot aantal bestaat, Kenau Hasselaar. Popes brief van Heloisa aan Abelard heeft hij op eene bewonderenswaardige wijze overgebragt. In zijne Godsdienstige meeningen had er, niet lang geleden, eene geheele verandering plaats, welke bewerkt was geworden door eenen zeer belangrijken en welsprekenden Remonstrantschen Predikant, Des Amorie van der Hoeven. Tollens is een opregt en Godsdienstig Roomschgezinde geweest, en is nu Pro- | | | | testantsch met geen míndere opregtheid en Godsdienstigheid; hij bezit eene van die gelukkige zielen, in welke de Godsdienst menige zaden van vreugde, uit niets, plant en wortels doet schieten. Het volgende is een zijner laatste
dichtstukken(1).
| | | |
Het karakter van Da Costa is gevormd geworden door de eerbiedwekkende beoefening des Bijbels. Toen de blijkbare waarheden des Christendoms het eerst
| | | | zijne aandacht aangrepen, lagen beide, zijn verstand en zijn wil, in diepen ootmoed nedergebogen voor den alles overstelpenden invloed van het Evangelie.
| | | | Het hartstogtelijk gevoel van eenen nieuwbekeerden beheerscht hem nog altijd; en hij kan zich geen denkbeeld vormen van dien, misschien minder gelukkigen, maar niet ongewonen toestand van het oordeel, hetwelk twijfelt en overweegt, bewijzen eischt en aarzelt, voor het kan aannemen. In de ziel van Da Costa hebben de groote waarheden van den Godsdienst een vlammend en schitterend licht ontstoken; maar hij bezit weinig liefde ten opzigte van den minder benijdenswaardigen staat van het verstand, waarin onzekerheden zich vermengen met overtuiging. Hij heeft zijn geloof gevormd in opregtheid en eerlijkheid - wij zijn er zeker van; en het schijnt hem zoo wijs, zoo volkomen schoon, zoo volmaakt toe, dat hij weinig gedulds heeft met degenen, die de dingen met andere oogen zien dan hij. Hij onderstelt, en zulks volgens zijn geweten, dat zijne waarheid is Gods waarheid, en dat deze te ontkennen, of met minachting te bejegenen, eene daad is, welke het Hoogste Wezen beleedigt. Een Jood, staande op zijnen hoogen en heiligen oorsprong, en steunende op de verhevene, maar vreesinboezemende gedachten, dat zijne voorvaderen de uitverkorene lievelingen van den God Israëls waren; op zich zelven ziende, als een van de vertegenwoordigers en afstammelingen van hen, aan wie het den Almagtigen geliefde, deszelfs heiligen wil te openbaren, de welriekende zalve, met welke eenmaal het hoofd zijner voorvaderen werd overstort, voelende nedervloeijen langs zijne gewaden, en, terwijl hij zich onder den invloed dezer indrukselen bevindt, het Evangelie van Christus ontvangende, in de nederig- | | | | heid en vernedering van ziel; - wie kan verwonderd zijn over den bijzonderen toon en het eigen karakter van 's mans schriften? Zijne dichtkunst is, wat hij zelf beschreven heeft:
Tusschen Hemelen en aarde (1).
Maar eene hartstogtelijke dweeperij heeft hem verre van het spoor vervoerd. Zijne poëzij heeft een stug en onvriendelijk karakter aangenomen; zijn mysticismus heeft zijne menschelijkheid geschokt, en zijne dichttoorts, eenmaal schoon en luisterrijk, is uitgedoofd geworden in de donkere en troebele wateren van Godgeleerde geloofsgeschillen. Levend voor het woord, schijnt hij dood voor den geest van het Nieuwe Testament. Wij geven eene proeve uit zijne latere gedichten, geene plaats vindende voor een stuk uit zijnen vroegeren en beteren tijd(2).
De broeders (Barend en H.H.) Klijn hebben verscheidene deelen uitgegeven. Barends prosa en poëzij
| | | | zijn de echte verpersoonlijking van eenen eerbied waardigen Hollander. Hij toont zielskracht, maakt geene aanspraken, is gevoelig en ernstig. Terwijl de inkt nog nat op ons papier is, ontvangen wij het berigt van zijn overlijden.
Loots is een nog levend dichter. Hij gelijkt eenigermate naar Helmers; maar wij vermeenen, dat hij zuiverder schrijft, en dikwijls met veel meerder kracht In zijne Taal- en Schilderkunst zijn sommige zeer schoone plaatsen: ook moet zijne Beurs van Amsterdam niet over het hoofd gezien worden. Hij heeft meestal een oorspronkelijk, schoon wild en vreemd voorkomen, en mist die beschaving, welke de beoefening van het classique verschaft. Zijne afbeelding van de Ruiter is een fraai tafereel.
Van Lennep, een jong dichter, op wien de classique geest van zijnen vader is nedergedaald, heeft reeds genoeg gedaan, om hoop te geven, en veel te beloven voor het toekomende. Zijne beste voortbrengselen zijn overzettingen uit het Fransch, Latijn en Engelsch. Onder de laatstgemelde is de Bruid van Abydos bewonderenswaardig en zuiver berijmd. Het volgende couplet vinden wij fraai(1).
Nierstrasz moet beschouwd worden als een navolger van Tollens, schoon in elk opzigt beneden
| | | | hem. Hij is onlangs overleden; en zij, die denken, dat woorden ‘dolken om te dooden’ zijn, hebben zijnen dood toegeschreven aan eene portie helleborum, hetwelk hem, in de gedaante van een blaauwboekje, Nieskruid voor Nierstrasz genaamd, is toegediend geworden. Het was een bittere aanval op een' man, die hartelijk belang stelde in anderen: omdat de hekelaar hem een' dichter noemde, in wien niemand belang stelde. Wij betwijfelen echter de doodende kracht van zulke letterkundige vergiften ten hoogste. Nierstrasz was de man niet, dien men had behooren uit te monsteren, als de vertegenwoordiger van de school der middelmatigheid. Men heeft hem te hoog gewaardeerd, buiten twijfel, en hij heeft, bij eene of bij twee gelegenheden, te veel zelf-waardering laten blijken. Ook is het moeijelijk, den man van zijne schriften af te scheiden; en Nierstrasz goede daden hebben zijne onverschillige poëzij gered.
Kinker is een der merkwaardigste mannen van Holland; zijne geschriften dragen de kleur van het mysticismus der Kantiaansche school, maar hij is baarblijkelijk een man van genie en geleerdheid, wiens gezag en invloed veel grooter zijn zouden, indien hij zijnen weg zien kon; eenen weg, welken niemand zien kan door de nevelen en wolken van eene wijsbegeerte heen, die zelve duisternis is met eenige weinige lichtvonken; eene wijsbegeerte, evenzeer verward door hare bezwaarlijkheid van zich uit te drukken, als door de onbepaaldheid van hare beguippen; eene soort van zedelijk opium, voor eene poos opwekkende, en dan
| | | | de ziel bekommerd en verbijsterd achterlatende. Deze verwarring van denkbeelden, in de krachtigste uitdrukkingen ingewikkeld, vindt men juist in de poëzij van Kinker. In waarheid, zijne verzen zijn meestal onverstaanbaar; schoon zij ons den indruk nalaten, dat zij, wanneer wij dezelve maar verstaan konden, zeer schoon zijn zouden. Diezelfde stemming zijner ziel geeft ook eene te zeer algemeene hardheid aan zijne versificatie; schoon niemand met meer bekwaamheid over de prosodie en harmonie der taal kan redeneren dan hij. Intusschen schijnt het, dat juist zijne kunst zijne harde verzen voortbrengt; want de meeste van zijne uit de hand gemaakte stukjes, en zijne luimige gedichten zijn zacht en vloeijend. Zijne verzen aan Haydn zijn zangerig, en zijn Afscheid aan het IJ en den Amstel, bij zijne verplaatsing naar Luik, behoort tot de beste nieuwere dichtstukken.
Staring van den Wildenborch, schoon somtijds ruw en raauw, heeft den waren geest des gezangs in zich, en wordt, naar ons gevoelen, door zijne landgenooten niet in dien rang geplaatst, waarop hij inderdaad aanspraak heeft. Groote kracht breekt door zijne uiterlijk onbeschaafde uitboezemingen heen. Zijue Jamben, Joodsche Loofhut, en in het bijzonder zijn Zephir en Chloris zullen den lezer beter in staat stellen, zijne verdiensten te wegen.
Spandaw is een huisselijk en gezellig dichter, wiens verzen het nooit aan zachtheid en harmonie ontbreekt. Hadden wij plaats, wij zouden zijne Taal der Oogen, en Zaligst Levensuur vertalen.
| | | |
Withuis is een nog levend dichter. Wij achten zijne Ode aan den Tijd wel waardig bewaard te worden(1).
| | | |
Er zijn verscheidene nog levende schrijvers, van welke wij met genoegen zouden gesproken hebben. Wij zullen hunne namen opgeven, zoo als zij ons voor den geest komen, zonder te pogen, hen in dien rang te plaatsen, waartoe zij door hunne verdiensten geregtigd schijnen. Misschien vinden wij in het vervolg gelegenheid, om van hen meer in het bijzonder te handelen. W. Messchert is een zeer aangenaam beschrijvend dichter. Er zijn plaatsen in zijne Gouden Bruiloft, welke zeer aangenaam, en waarachtige schetsen uit het dagelijksch leven zijn. Boxman is doorgaans krachtig, zijne Hollandsche Vlag is eene schoone vaderlandsche uitboezeming. Van Lennep de vader, wiens classique beroemdheid lang de grenzen van Holland heeft overschreden, en wiens overzetting van Hesiodus Werken en Dagen een bewonderenswaardig werk is, heeft almede sommige uitmuntende verzen gedicht. Zijn Duinzang is zeer
| | | | bevallig en dichterlijk. Van Hall is beter bekend door zijne overzettingen uit het Latijn, dan door zijne oorspronkelijke voortbrengselen. Zijn Vijf en twintigjarig Huwelijkstogtje van Jakob en Kootje is ongedwongen en aangenaam. De togt ving aan, toen het nog was:
Men wist nog van geen sloopen;
Embargo was toen onbekend;
Men zeilde vrij naar 's werelds end;
Wiselius is een geleerd man; Warnsinck een uitmuntend mensch; Lulofs een goed overzetter; Immerzeel heeft smaak; van Walré vrolijkheid. Zijn dit allen? Neen, er zijn verscheidene meer, die den goeden naam van hun Vaderland gewigtige diensten bewezen hebben. Van Kampens Beschrijving der Nederlanden is een uitmuntend statistiek werk. Scheltema is een ander geleerd onderzoeker, en even zoo de Jonge, Archivarius te 's Gravenhage. Westendorp heeft vele geschiedkundige vragen zeer voldoende beantantwoord; Ypey met zeer goeden uitslag de geheele
| | | | geschiedenis der Christelijke Kerk behandeld, en een zeer bruikbaar werk over de Nederduitsche Taal geschreven(1).
De verdiensten van Hamaker, als kenner der Oostersche talen, zijn wel bekend; Reinwardt en Temminck verdienen geen mindere onderscheiding, wegens hunne bijdragen tot de natuurlijke geschiedenis.
Eén woord over het algemeene karakter der dichtkunde in Holland. Men heeft den Alexandrijnschen verzen, welke de gewone maat voor alle langere Hollandsche dichtstukken is, voorgeworpen, dat zij eentoonig en onbehulpzaam zijn; en men moet erkennen, naar onze meening, dat dit verwijt niet geheel ongegrond is: maar wij moeten er de Alexandrijnen van Vondel en van Bilderdijk van uitzonderen. Deze hebben de eenzelvigheid dier verzen zoodanig gebroken, de vereischte stembuiging en den toonval zoodanig doen afwisselen, dat zij geen ongeschikte werktuigen der dichtkunst in hunne handen geworden zijn. Ook tegen onze Engelsche heldenverzen, en tegen onze rijmelooze verzen kan, wanneer de middelmatigheid die bezigt, dezelfde tegenwerping, met schijn van waarheid, gemaakt worden. De tijd zoude ons ontbreken, om de wondervolle schranderheid aan te toonen, met welke Milton de plaatsing zijner krachtigste woorden telkens verwis- | | | | selt, en de zorg, welke hij blijkbaar aanwendt, om toonen van gelijke hoogte en laagte in eene onveranderlijke orde zamen te snoeren. Inderdaad, dat is een gedeelte van de geheime kunst der meesters in de dichtkunst. Dan, ofschoon hij, die er niet aan gewend is, de eeuwigdurende Alexandrijnen lastig zal vinden, voor hem, die ze bezigt, zijn zij nogtans, wanneer ze door een echt dichter gehanteerd worden, gemakkelijk en aangenaam. Maar zij zijn eene maat, welke aan mindere verzenmakers veel te veel gemaks verschaft, en wij denken niet, dat zij nog vele geslachten verduren zullen.
Van der Palm is, voor zoo verre zijn' stijl betreft, de zuiverste prosa-schrijver, welken Holland ooit heeft voortgebragt; en deze verdienste wordt hem, gelooven wij, door iedér, van welke partij ook, toegekend. Hij heeft voorzeker aan Holland oneindig meer dienst gedaan door zijn bewonderenswaardig prosa, dan een honderd andere schrijvers door hunne onverschillige verzen. Het ontbreekt der Nederlandsche Letterkunde nergens meerder aan, dan aan een genoegzaam getal van geschied- roman- proeven - en zedekundige schrijvers, welke de rijmelooze taal van hun vaderland bevrijden van de onzuiverheden, waarmede de dagelijksche verkeering haar bevlekt. Naauwelijks zal men kunnen gelooven, dat, wanneer iemand in den gemeenzamen omgang, wat zeg ik? zelfs in eenen geletterden kring, zich durft onthouden van het gebruik der ontelbare Gallicismen, welke gedreigd hebben het land te overstroomen, hij voor eenen onverdragelijken pedant aangezien, en als zoodanig behandeld zou
| | | | worden. Jammerlijk ontbreekt het der Hollandsche taal aan goede prosa-schrijvers. Of de rijmgeest de mededinging van het prosa vernietigd heeft, weten wij niet; maar nooit was het aan zulk een volk van rijmelaars, gelijk nu de Hollanders zijn, vergund, eene taal te verwringen en te verpijnigen tot een nimmereindigend geneurie. Rijmen zijn de eeuwigdurende uitspanningen voor armen en rijken; zij worden aan elke wieg opgehangen, en op ieder graf nedergeworpen; zij zijn geschilderd op de huizen, en gesneden op de boomen; zij gaan met de trekschuiten over het water, en zij ‘overdekken het land.’ Droefgeestig is het grootste getal dier prullen, en pijnigende als een duimschroef worden zij der taal aangezet, tot de ader barst; ten minste zoo zou de kritiek zeggen, van haren troon van wetenschap. Mag het aan die rijmen intusschen, welke duizenden genoegen verschaffen en leering aanbrengen, niet vergund zijn op genade te hopen van de weinigen, die streng oordeelen? Van der Palm is de stichter der kanselwelsprekenheid in Holland, schoon hij zelf die eer gaarne aan Hulshoff zou willen toegekend hebben.
Holland lijdt onder de bezoeking van eene overvloeijende middelmatigheid. Menig uitmuntend en beminnelijk mensch, wiens dichtstukjes in het hoekje van den haard, te midden van zijnen gezelligen kring, zoet klinken zouden, heeft maar al te veel aanmoediging gevonden, om daardoor heen te breken, ten einde de wereld te betooveren; en in menigvuldige gevallen heeft de toegenegenheid, welke men den persoon toedroeg, zich bemiddelend tusschen hem en zijne werken gesteld.
| | | | Het ontbreekt aan eene gezonde en strenge kritiek, aan die kritiek, welke wél treft, omdat zij gevoelig treft. Doch er zijn eenige voorteekenen van deze heilzame en zoo noodige tucht. Witsen Geysbeek b.v. heeft, gelijk wij hiervoor reeds hebben aangeteekend, iets gedaan, in een artikel van zijn dichtkundig woordenboek, ten einde de blinde afgoderij te vernietigen, waarmede Vondel in de Nederlanden is aangebeden geworden. Juist omdat Vondel den wierook van alle tijden verdient, moest hem die niet blindelings toegezwaaid worden. Even als Lopez de Vega, is hij even vruchtbaar in gebreken als in schoonheden. Hij wordt in de geheugenis der Hollanders vertegenwoordigd door eenige weinige plaatsen, welke, ja inderdaad van Vondel zijn, maar Vondel niet uitmaken. De Letterkunde heeft geene geheiligde wijkplaats - geen' gewijden, niet te genaken grond. Waarheen het ook zij, moet de kritiek haar volgen, onderzoekende met omzigtige zorgvuldigheid hare schoonheden en hare wanstaltigheden, en den droessem afzonderende, terwijl zij den kostelijken erts voor hare schatkist opzamelt.
Eindelijk: de Hollanders vervallen, gelijk alle andere volkeren, somtijds tot de dwaling, van het aantal en de verdiensten van hunne groote mannen te overdrijven. Het is vermakelijk, in de beoordeelende tijdschriften, welke men in Holland nu en dan in het licht ziet komen, eene reeks van deze, in vergelijking onbekende, schrijvers in éénen rang gesteld te zien met de groote vernuften, welke de gansche wereld kent. Het is echter zeer natuurlijk. Menig mensch, die naauwelijks
| | | | de grenzen der Nederlanden heeft overschreden, oefent binnen dezelve een' grooten invloed uit; en de man, die een' grooten invloed op de zamenleving uitoefent, hetzij ten goede of ten kwade, heeft aanspraak op de aandacht van den Staatsman, van den Criticus en van den Wijsgeer.
De gevoeligheid der Hollanders - die, volgens de uitspraak van het gemeene zeggen, van nature koud en koelzinnig zijn, - voor de meeningen van anderen, en hunne geneigdheid, om elk getuigenis te baat te nemen, hetwelk zij zich verbeelden, dat dienen kan, om hun letterkundig karakter op zijne regte plaats in de wereld te stellen, hebben hun aanleiding gegeven, om, met eene wonderlijke hardnekkigheid, zich te hechten aan de somtijds onoordeelkundige lofspraken van eenige weinige schrijvers, die, zoo zij meenen, hen met eene bijzondere kennisneming vereerd hebben. De zaak is eenvoudig deze: dat de Hollanders de toelagen, welke zij aan de groote schatkamer van kunsten en wetenschappen schuldig waren, voldoende en ten volle betaald hebben. Zij hebben dit gedaan op hunne eigene wijze, en in hunne eigene munt. Deze verdienste te erkennen, is hun nimmer geweigerd geworden; maar men heeft dit zelden voorbedachtelijk onderzocht. Eenige weinige onbescheidene schrijvertjes, zoo oppervlakkig als verwaand, hebben, ('t is ons bekend), hunne verachting op de taal en letterkunde van Holland uitgestort; maar de meening van het algemeen is te dien aanzien wit papier, waarop wij de indrukselen, welke wij ontvangen hebben, wenschen over te schrijven; indrukselen
| | | | van groote genegenheid voor het Hollandsche volk, hetwelk alleen beter gekend behoeft te worden, opdat men er hooger van denke.
En wanneer een Engelschman, omringd van Hollandsche schrijvers, somtijds zou moeten glimlagchen, om het overdrijven van vaderlandlievende gevoelens, hij zal er zich echter niet om vertoornen, indien hij wijsheid bezit; en bezit hij goedwilligheid, dan zal hij spoedig afdwalingen, welke onvriendelijkheid jegens zijn vaderland ademen, vergeven. De Hollanders hebben vaak gemeend, Engeland te moeten beschouwen als een schadelijk mededinger en boosaardig vijand; en deze leer is hun ingescherpt, en op de beleedigendste wijze telkens herhaald geworden onder de regering der Buonapartes. Ten deele mag ook dit hun gevoelen toegeschreven worden aan het overwigt, hetwelk Engeland, onder menige andere oorzaken, ook door zijne ligging, heeft verkregen over een land, hetwelk zijne zegepralen op den Teems heeft gehad. Maar wij zijn zeker, dat wij de hartemeening der Engelschen uitspreken, wanneer wij onzen Nederlandschen naburen verzekeren, dat er geen onvriendelijk gevoel jegens hen bestaat. In den grooten twist om den handel, zijn zij er ongetwijfeld slecht afgekomen; maar wanneer zij de zaak een weinig dieper willen inzien, zullen zij misschien ontdekken, hoezeer zij afgeweken zijn van dat stelsel van vrijen handel, hetwelk van ouds her hunne grootheid, hunnen rijkdom en hunnen roem uitmaakte, en bevinden, dat zij, bij elken afwijkenden stap, zaden van verval en tegenspoed gezaaid hebben.
|
(1)Vele wetenswaardige zaken, het oude Holland hetreffende, zijn bijeengebragt in van Wyns Historische en Letterkundige Avondstonden, Amsterdam 1800, in 8 o; maar de vorm van zamenspraken, welke door den Schrijver is gebezigd geworden, is lastig.
(1)Verhandeling over de Nederduytsche Tael- en Letterkunde, opzigtelyk de Zuydelyke Provintien der Nederlanden, 2 Deelen in 8 o.
(1)Waarvoor de Engelschen Dutch, d.i. eigenlijk: Duitsch, bezigen. Vert.
(1)Zie Bilderdijk, Krekelzangen, 1 e Deel, bl. 101. Dit is door onzen Schrijver in het Engelsch dus overgebragt:
Begone, thou bastard-tongue! so base-so hroken-
By human jackals and hyenas spoken;
Formed for a race of infidels, and fit
To laugh at truth - and scepticize in wit;
What stammering, snivelling sounds, which scarcely dare,
Bravely trough nasal channels meet the ear -
yet helped by apes' grimaces-and the devil,
Have ruled the world, and ruled the world for evil!
(Dit is echter meer het bijzonder gevoelen van den grooten Bilderdijk, en van eenige weinigen met hem, dan het algemeen gevoelen der Hollanders, welk laatste, althans onder de hoogere standen, veel meer met dat der Belgen overeenkomt, dan in het belang onzer Letterkunde wenschelijk is: zoo dit aangeteckend hehoefde te worden. Vert.)
(1)Indien dit op eenige van onze Hoogescholen of Athenaca het geval nog is, het is het zeker niet op alle.
Vert.
(1)Eenige weinige regels zullen de inderdaad geringe gelijk heid tusschen het Nederduitsch van dit tijdperk en het Hoogduitsch van Otfrid, betwelk hij-zelf de ‘Frenkisga zungun’ [de Frankische taal] noemt, aantoonen:
Een Hollandsch letteroefenaar mag beproeven, dit te vertalen. De geheele plaats is zeer verheven. Zij is te vinden in Scrilters Thesaurus, 1, 358-359, [en in van Wyns aangehaalde Avondstonden, 1. 217-219. Vert.]
Vergelijk, als een belangrijk bewijs van het verschil tusschen de Frankische taal van de tiende eeuw en het Hollandsch, een uittreksel uit het dichtstuk op Lodewijk III van West-Frankrijk. (Zoo wel het Frankische als de Hollandsche overbrenging, welke de Schrijver volgen laat, is te vinden bij van Wyn, aangelt, werk, 1, 229, en wij achten het nutteloos een en ander hier in te voegen. Wij laten alleen de Engelsche vertaling hare plaats behouden, tot welke (zegt de Schrijver) ik geene andere dan Saksische woorden gebruikt heb, met uitzondering van het woord Hero, een der weinige woorden, waarvoor ik mij geen Saksisch gelijkluidend in onze taal herinneren kon. Vert.)
Blood shone on the cheeks
So they steeped out their life.
(1)Der Biblia Scholastica, van Petrus Comestor. v. Win, 1, 275. Vert.
(2)Dit is slechts eene gissing, zie van Wyn, 1, 262, die dezen Guillaume, Guillames of Guillaumes noemt. Hij schreef in het Fransch, en bloeide in het begin der 13 e eeuw. Ook komt dit beroep niet in den Rymbybel, maar in Maereants der Naturen bloeme of Bestiaris voor. Vert.
[1]In den Spiegel Historiael. v. Wyn, I, 263.
Vert.
[2]Of Klaas vrouw Brechtes zoon. Z.v. Wyn, II, 172 en 173. Vert.
[3]v. Wyn, t.a.p., I, 264.
[4]v. Wyn, I, 295 en 296; dus door den Schrijver overgebragt:
T' unveil man's errors to his eyes,
Whether for loss or profit-
If when the sea-the stream are seen
I put my heedless footstep in,
I make bad counsel of it.’
(1)v. Wyn, I, 294 en 295. In het Engelsch:
She has no grief-no terror she -
With her dwells God above;
The world the other drags aside,
For honour, riches, and for pride.
The third belongs to mutual state,
Tis Nature's law, to mate with mate.’
(2)van Velthem vervolgde dien tot op 1316. (Men vergelijke evenwel de aanmerking van den Heer Hoffman, van Fallersleben, gemaakt bij gelegenheid der ontdekking van een fragment van Maerlant, medegedeeld in de Nieuwe Werken van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leyden, I e Deel, 2 e St., bl. 254, volgens welke Maerlant-zelf zijnen Spieghel tot aan zijn' eigen dood [1300], of althans tot 1291, zou voortgezet hebben; terwijl men voorheen meende, dat zijn werk met het jaar 1125 eindigde. - In het I e St. van hetzelfde deel vindt men een fragment van een oud Nederduitsch rijmwerk, hetgeen de ontdekker, M r W.C Ackersdijck, voor een gedeelte van Maerlants Vertaling van den Trojaanschen oorlog hield. Vert.)
[1]v. Wyn zegt, dat de Spiegel Historiael eene vertaling is van het Latijnsch Speculum Historiale, van Vincent de Beauvais, en Der Naturen Bloeme of Besliaris, eene berijmde navolging van het Liber Rerum, van Albert, Bisschop van Straatsburg Z. het aangeh. werk, I, 289, 292 en 293. Vert.
[2]Butkens, [ Troph. de Brabant, Preuves], I, 36, 37.
[1]
Om dat van Brabant die Hertoghen
Voormaels, dicke syn beloghen,
Alse dat sy quamen metten Swane,
Daar by hebbics my genomen ane,
Dat ic die waerheit wil ontdecken,
Ende in Duitsche Rime vertrecken.
Nikolaes de Clerc, bl. 13 [van zijne Brab. Yeesten, bij van Wyn, I, 270, [a].
[2]
Van Heyman oec ende van sinen kinden
En kan men nerghet vinden,
Dat hy leefde in Karles tiden.
Maerlant, [bij N.] den Clerc, bl. 9. [Ms]. (Deze Roman is beter bekend onder den naam van: De vier Heemskinderen, en oorspronkelijk Fransch, [ Les quatres Fils d'Aymon], even als de vorige, Le Chevalier au Cygnes. Zie v. Wyn, t.a.p. Vert.)
[3]De beste Hollandsche uitgave is die van Gouda, 1479. Eene uitmuntende uitgave van de Hollandsche vertaling is juist uitgekomen, 1828. (De Schrijver bedoelt die van den Ridder J. Scheltema. Het is nog niet uitgemaakt, wie de dichter van Reintje de Vos is, en in welke taal dit geestig stuk het eerst geschreven is. Vert.)
[4]Hist. Avondst., [I, 280 en] 281.
[1](I, vs. I en 2, uitgave van Huydec. Vert.)
I will not that my spirit quiet be.
[2]Vss. 1412-16, [I e Boek, bij van Win, I, 287. Vert.]
A true knight's name obtain'd,
And fame at jousts and tourneys gained;
And with his weapons in his hand,
Sought honour out from land to land.
[1]v. Wyn, II, 174, meent zekeren Gheraet of Gheraert van Lienhout daarvoor te moeten houden. Vert.
[2]
Devils living in the air,
Doing mortals mischief there
(De naam van kaarsen, die men in de lucht ziet, wordt door den dichter der Natuurkunde van 't Geheel-al niet aan de sterren gegeven. Van Wyn, die, I, 302-306 ingesl., van dit werk spreekt, zegt, bl. 305: ‘aan de staartsterren schryft hy veele onheilen toe: maar gelooft niet aan 't verschieten van Sterren’ en ‘ Kersen,’ die ‘ men in de lucht ziet,’ daar ‘ de Lieden wonder afcallen,’ schoon het ‘ de lucht es, die ontsloken es.’ Ook lezen wij daar niets van die muzijk. Vert.)
[1]Van Wyn, I. 307. Vert.
[2]
The King gave him Eggerik's wife,
They were together all her life.
Hoe gering is het onderscheid tusschen het Engelsch en het Nederduitsch van dit tijdperk!
(Zie van Wyn, I, 309-312 ingesl. Vert)
[1]l'Indigestion du Villain, in Le Grand, Vol. II, p. 13.
(Voor dorpelingen gebruikt de Schrijver het woord Serfs. In het oorspronkelijk Fransch van Ruteboeuf staat: Villains, hetgeen ook v. Wyn, die deze plaats uit de Fables et Contes van Le Grand aanhaalt, [ H. en L. Avondst., II, 38], door hetzelfde woord overbrengt. Vert.)
In het voorbijgaan: valsche aanhalingen uit de H. Schrift waren veel in gebruik. In de Conincs Summe, gedrukt te Delft, in 1478, zijnde eene overzetting van de Somme le Roi, vindt men de volgende opmerkelijke plaats, [wij laten die volgen met des Vertalers, Jan, Heer van Brederode, eigene woorden, te vinden bij van Wyn, II, 52, [a], Vert.]: ‘Job seit, dat des Menschenleuen, op aarde, is als Ridderscap en̄ Burgerscap. Nu sich * an tot een jonc Burgher en̄ een nyewen Ridder, hoe versceide gedachten, dat si hebben verscheide verlangen. Die Burgher denct om syn comanscap, en om syn winninge, en̄ dat eynde synre meninghe is, dat hi ryc mach worde, en gheert ** in syn leuen. Die nyewe Ridder gaat al ene andere wech: want hi denct om hoecheit te doen, mildelic te gheuen, ridderscap te leuen, in de wapenen te gaen, verdriet te liden, vroomheit te bewisen en̄ in hogen staet te climmen. Deze twee staten sien wi openbaerlic, in twee manieren van Menschen.’
Betrekkelijk de oude huisselijke gewoonten, kleeding, voedsel enz. der Hollanders, zijn vele opmerkelijke bijzonderheden bijeengebragt door van Wyn, in het tweede deel zijner Historische Avondstonden.
[1]Sommige der wetten van dit tijdperk zijn zeer merkwaardig, als de worsteling tusschen de Fransche en Vlaamsche talen aantoonende. Eene Ordonnantie van Gend, van 1409, zegt: ‘s'ils sont en debatz, le flameng aura l'option de playder en Flameng s'il luy plaist;’ - en er bestaat eene wet van Jan, Graaf van Vlaanderen, van het jaar 1405, dat ‘il tiendroit l'audience et court accoutumée en flandre flamengent, decha le lys et en langaige flament.’ Willems, I, 195.
(1)Een dichtstuk, waarvan de maker zich A.J. teekent, verdient ook te worden uitgezonderd. Een tijdgenoot beschrijft er den zoogenaamden Jonker Fransen oorlog [1488 en 1489] in. Het is, door den Heer J. Koning medegedeeld, te vinden in de Nieuwe Werken van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leyden, I e Deel, 2 e St., bl. 147-182. Vert.
[1]Zinspeling op eene plaats in Miltons Paradijs verloren. Vert.
[1]Eigenlijk besteeg hij, om ten minste zijne kinderen eens te zien, in het geheim eene ladder, door hem tegen het glasraam van het vertrek, waarin zij zich bevonden, geplaatst.
Vert.
[2]
Jan sorrows-sorrows far too much-'tis true
A sad affliction hath distressed his life; -
Mourns he that death hath ta'en his children two?
O no! he mourns that death hath left his wife.
[ Qalcken, IV, 20. Vert.]
[1]In die drie deelen vindt men ook zijne gedichten, maar niet de vertaling der Odyssêe, en evenmin die van het werk van Cicero, Over de Pligten. Vert.
[1]Wij verheugen ons, dat de Volksliederen der Hollanders in het eind der vergetelheid onttrokken zijn, in een thans uitgekomen boekdeel, betiteld: Letterkundig Overzigt, en Proeven van de Nederlandsche volkszangen sedert de XV e eeuw, door J.C.N. le Jeune, ' s Gravenhage 1828. De verzameling is eene ongemeen belangrijke. (Wanneer men van de Psalmen door Dathenus gewaagt, diende men ook de vertaling der Psalmen door Marnix, welke de eerstgemelde verre overtreft, niet te vergeten. Vert.)
[2]Eigenlijk: van Kiel. Vert.
[1]Men raadplege Siegenbeeks Redevoering tot eene naauwkeurige waardering van Hoofts schriften.
(1)Wij
vernemen, dat de Vertaler voornemens is dezelve tot op den tegenwoordigen tijd te vervolgen.
(1)Ook in het Perzisch. Z.G. Brants Voorrede voor den 3 en druk. Vert.
(2)Het genootschap Constantia te Leeuwarden heeft eene uitgave van dit werk in 4 o gegeven, met doorwerkte aanteekeningen en aanmerkingen. Hij noemt er Koningin Elisabeth ‘het juweel van de waarde Britsche landen in,’ en bezoekt in den loop zijner dichterlijke togten ook Londen. Daar gewaagt hij met verrukking van de trotsche brug met vier en veertig bogen, welke de aanteekenaars nemen voor de Westmunster-brug: - de dichter, denken wij, had een visioen van hetgeen nog worden moest. (Het genootschap Constanter heeft het gemelde werkje niet openlijk uitgegeven, maar het alleen voor het genootschap doen drukken. - Huygens bedoelde niet de Westmunster-brug, maar de brug van Londen; gelijk ook de Heer Bilderdijk in zijne uitgave van Huygens, (V, 69,) heeft aangeteekend. - Men kan al
ligt eens dwalen; b.v., de Schrijver verhaalt ons hier, dat Huygens Koningin Elisabeth, - dat is immers de voorgangster van Jacobus I? - het juweel van de waarde Britsche landen, (juister: het waarde juweel van het Britsche land), noemt; doch niet deze, maar Elisabeth, de dochter van Jacobus I, de gemalin van Frederik IV, verkoren Koning van Boheme, bedoelde de dichter. Vert.)
(1)( Wel-rijmens Wet; Slichtel. Rijmen, 2 e Deel).
Take care your writings tally with your deeds,
Do as you say, he ought to do who reads.
What boots it that the pen its moral lessons hold,
If in the writer's life a different tale is told?
What is it, though the tongue pours wisdom's best inventions,
If deeds break wisdom's laws in spite of her pretensious?
(1)Dit is ons, en allen die wij er naar gevraagd hebben, onbekend. Vert.
(1)Waarschijnlijk bedoelt de Schrijver Joseph in Dothan.
Vert.
(1)Polemics, dat is, die over zaken of onderwerpen schrijven, waarover twist is, of waarover men het in het algemeen niet eens is, en wel met oogmerk, om hun gevoelen als het eenige ware te doen aannemen Vert.
(1)De Hollandsche dichters zijn niet altijd zeer naauwkeurige waarnemers; zij rollen somtijds hunne belemmerende uitdrukkingen uit, zonder veel nadenkens. Zoo stelt Cats ons den bliksem voor, als een zwaard in honderd stukken brekende:
De bliksem kan het sweert in honderd stucken breeken
Maer laet de schede gaef, daerin het heeft gesteken.
Into a hundred parts the lightning breacks the blade,
But leaves the sheath untouch'd in which the sword was laid.
(2)
Good, beloved Father Cats!
What dost thou contain but treasure?
(Evenwel deze overbrenging is niet naauwkeurig; de tweede regel in het Engelsch zegt letterlijk: Wat bevat gij dan schat? Vert.)
(3)Hij werd tot die waardigheid beroepen, maar wees haar van de hand. Vert.
(1)Smiling he teaches truth, and sporting wins to virtue.
(2)Dit is ons duister: veelligt bedoelt de schrijver met de aphorismen, de versjes, welke onder de emblemata staan, en die 52 in getal zijn. Aan het einde van het boekdeel staan er geene. Vert.
(3)Dezen, over wien men de verhandeling van den Heer Willems inzie, II, 48-54, zal de Schrijver waarschijnlijk met zijnen van der Ust (als het oorspronkelijke heeft), bedoelen. Vert.
(1)De gewoonte des Schrijvers, niet aan te halen, doet ons twijfelen, welk dichtstuk hij bedoelt. Misschien wel dat aan Joffer Anna Maria Schuurmans, (die wij niet weten het meisje van de Brune geweest te zijn), bl. 128; doch het is, om dat die Juffer, die in andere punten aan de zon gelijk is, geheel aan haar (van welke men zegt: dat zij geen hit heeft), gelijk zijn wil, dat zij den spiegel, in welken zij ziet, om zich af te teekenen, niet smelt; Juffer Schuurmans kon het ook als een beleefd verwijt opnemen. Vert.
(1)Aurelius is echter geene vertaling van Hermanszoon; maar de Augustijner Monnik, broeder Cornelis, nam den toenaam Aurelius aan naar den naam van zijne geboortestad Gouda, welken hij van goud afleidde, even als Jan van Gorp dien van Becanus naar zijne geboorteplaats Beek (Hilvarenbeek) Provincie Noord-Braband. Vert.
VERBETERING van de AANTEEKENING (1) op bladz. 45.
Willem Hermanszoon was de Broederszoon van Cornelis Aurelius, en een vriend van Erasmus.
Jan van Gorp noemde zich Goropius Becanus, naar Gorp, eene buurt onder Hilvarenbeek.
(2)Zoo staat er; de eigenlijke naam van Fullonius, die zich ook, met een' Griekschen naam, Gnaphaeus noemde, en Rector van de Latijnsche school te 's Gravenhage geweest is, schijnt de Volder geweest te zijn. Zie de Riemer, Beschryving van 's Gravenhage, 1 e Deel, 2 e St., bl. 598. De Volder is een naam, dien ook andere Hollandsche Geleerden gedragen hebben. Vert.
(1)J.F. Willems, Verhandeling, I, 27. (Doch het waren de Nederlanders alleen niet, die dus hunne namen veranderden; ook de Duitschers deden het: in Melanchton of Melanthon, en Oekolampadius kan men even min dadelijk Schwarzerd en Hausschein herkennen. Vert.)
(1)Deze verzen, welke eigenlijk door Waarmond, en niet door Reynhert, in het zand aan den oever der zee te Katwijk geschreven worden, heeft de Schrijver aldus nagevolgd:
Thou hast been cruel - and how long
While prayers and plaints were pour'd in vain;
May not the lover's moral song
The sweet, sad song - thy smiles obtain?
Look at that passing stream - its waves
Flow on, flow on - and ne'er return;
So mortals hasten to their graves;
So even thy beauty seeks its urn.
Yes! so thy years depart, sweet maid,
Ere thou hast dreamt they fly so fast:
They cannot be redeemed, nor paid
With bags of gold - if such thou hast.
Come then, enjoy them - for regret
Will come too late when joy is fled;
The hour for bliss is dawning yet -
But there is darkness o'er the dead.
(1)Gelijk de Minnekunst eene navolging is van de Ars Amandi van Ovidius, zoo is de daar bijgevoegde Minnebaat er eene van het Remedium Amoris. Bij de gemelde dichtstukken behooren ook nog Minnedichten en Mengeldichten. De bedoelde vriend van Heemskerk heette Verburg. Zie Scheltema, Geschied- en Letterkundig Mengelwerk, 1 e deel, 3 e St., bl. 49 volgg. inzonderheid bl. 57 en 67.
(2)De schrijver was Willem Meerman. Zie het voorberigt van de uitgave van 1718, in 8 o. Men vindt er het vervolg, De Malle-waegen betiteld, achter. Vert.
(1)
What turbulent spirit rules the land, and stains
With its pollution Holland's patriot plains,
Poisons our pens, infects the very air,
Long ere we know the hideous monster's there?
For unperceived it rears a monarch's head,
Insults our language, and confers instead,
The bastard speech - the wantonness of Gaul.
(2)Het is de Inka van Peru zelf, door Antonides de Mexikaensche Keizer Atabaliba genoemd, die, in het 2 e boek van den Ystroom, de Hollandsche matrozen aanspreekt.
Vert.
(1)
I am a peasant's son, no wealth have I,
For wanton Fortune turns her back on me,
Even to this hour my hands my food supply,
Though young, I hail'd the light of poetry,
With Hooft and Vondel ever in mine eye,
Lost in her wastes, and sought, at distance long,
To follow her proud swans, and imitate their song.
(1)De Schrijver noemt den dichter Gorgon, welke vergissing hem aanleiding geeft tot eene woordspeling, onbelangrijk voor den Nederlandschen lezer. Vert.
(2)De Schrijver noemt hem bij vergissing Abraham.
Vert.
(1)De Schrijver zal Philip Zweerts bedoelen. Vert.
(1)
Alas! Alas! how swift our days are leaving!
How every fleeting hour a faded lustre bears!
What transient bliss - what constant grieving.
How few delights - how many tears!
(1)Eigenlijk Sara Maria van der Wilp. Vert.
(1)Dit lezen wij niet bij Bellamy; doch er zijn, zoo wel in de opgave van den inhoud, als in de hierna volgende overzetting der drie laatste coupletten, meer onnaauwkeurigheden. Die, in den inhoud, hebben wij zoo veel doenlijk hersteld. De overzetting luidt dus:
All silently, - they look'd again -
And every heart was bursting then,
But every tongue was dumb.
And still and stately o'er the wave,
Flinging pale beams upon the grave,
Where they in peace repose.
The wind glanced o'er the voiceless sea,
The billows kissed the strand -
And one sad dirge of misery
Filled all the mourning land.
Elk, die gevoelt wat hij leest, en beide de talen verstaat, zal ons toestemmen, dat de beide eerste regels van het laatste couplet allerongelukkigst zijn, ja strijden met het oorsproukelijke. Vert.
(1)J. Hinlópen, niet met den taalkundigen, Nicolaas, te verwarren. Vert.
(1)Sebald Fulco Johannes, ter onderscheiding van anderen van gelijken toenaam.
Vert.
(2)
Ihr Heinsius Ihr Phönix unsrer Zeiten,
Ihr, Sohn der Ewigkeit, begunstet auszubreiten
Die Flügel der Vernunft. -
Ich auch, weil Ihr mir seid in schreiben vorgegangen,
Was ich für Ehr und Ruhm durch Hochdeutsch werd erlangen,
Wil meinem Vaterland eröffnen rund und frei
Dass eure Poësie der meiner Mutter sey.
(1)
In the Borcan regions stormy
There's silence - battling hail and rain
Are hush'd. The calm Rhine rolls before me,
Unfettered from its winter chain.
Its streams their ancient channels water,
And thousand joyous peasants bring
The flowery offerings of the spring
To thee, Mount Gothard's princely daughter!
Monarch of streams, from Alpine brow,
Who rushing, whelm'st with inundations,
Or, sovereign-like, divid'st the nations;
Lawgiver all-imperial, thou!
I have had days, like thine, unclouded -
Days passed upon thy pleasant shore;
My heart sprung up in joy unshrouded,
Alas! it springs to joy no more.
My fields of green, my humble dwelling,
Which love made beautiful and bright,
To me - to her - my soul's delight,
Seem'd monarch's palaces excelling,
When in our little happy bower
Or 'neath the starry vault at even,
We walked in love, and talked of Heaven,
And pour'd forth praises for our dower.
But now - I could my hairs well number,
But not the tears my eyes which wet:
The Rine will to their cradle-slumber
Roll back its waves, ere I forget -
Forget the blow that twice hath riven
The crown of glory from my head.
God! I have trusted - duty-led,
'Gainst all rebellious thoughts have striven,
And strive - and call thee Father, - still
Say all thy will is wisest, kindest -
Yet - twice - the burthen that thou bindest
Is heavy - I obey thy will!
At Katwyk, where the silenced billow
Thee welcomes, Rhine, to her own breast,
There, with the damp sand for her pillow,
I laid my treasure in its rest.
My tears shall with thy waters blend them,
Receive those briny tears from me,
And when exhaled from the vast sea,
To her own grave in dew-drops send them -
A heavenly fall of love for her.
Old Rhine! thy waves 'gainst sorrow steel them.
O no! man's miseries - thou can'st feel them, -
Then be my grief's interpreter.
And greet the babe, which earth's green bosom
Had but received, when she who bore
That lovely undeveloped blossom
Was struck by death - the bud - the flower.
I forced my daughter's tomb - her mother
Bade me - and laid the slumbering child
Upon that bosom undefiled.
Where - where could I have found another
So dear - so pure? 'Twas wrong to mourn,
When those so loving slept delighted.
Should I divide what God united?
I laid them in a common urn.
There are who call this earth a palace
Of Eden, who on roses go -
I would not drink again life's chalice,
Nor tread again its paths of woe.
I joy at day's decline - the morrow
Is welcome. In its fearful flight
I count and count with calm delight
My five-and-thirty years of sorrow
Accomplished. Like this river, years
Roll. Press, ye tombstones, my departed
Lightly, and o'er the broken-hearted
Fling your cold shield, and veil his tears.
Het oorspronkelijke is te bekend, om hier in te voegen.
Vert.
(1)De vertaling van dit Winteravondliedje, (te vinden in de Nieuwe Gedichten, II, 177), luidt:
The storm-winds blow, but sharp and sere,
Thank heaven, with blazing coals and wood
The trees as whitest down are white,
Sweet mistress! why this blank to night?
There's punch so warm and wine so bright,
And sheltering roof and bread.
And if a friend should pass this way
We give him flesh and fish;
And sometimes game adorns the dish,
And every birth-day festival
And extra glass of wine for all -
While to te child, or great or small,
Poor beggars! all the city thro'
That wander, - pity knows
That if it rains, or hails or snows,
No difference'tis to you.
Your children's birthdays come, no throng
Of friends approach your door,
'Tis a long suffering, sad as long;
No fire to warm - to cheer, no song -
No presents for the poor.
And should not we far better be,
We far more blest than they,
Our winter hearth is bright and gay,
Our wine cups full and free;
And we were wrought in finer mould
God's holy eyes, that all behold,
Chose for our garments gems and gold,
And made them rags display.
I! better I? O would 't were so,
I wish, I wish you'd speak the truth.
You do not speak it - no;
Who knows, I know not, but that vest
That's pieced and patched all thro',
May wrap a very honest breast,
Of evil purged - by good possest,
Generous and just, and true!
And can it be? Indeed it can,
That I so favoured stand;
And he, the offspring of God's hand,
And then I sit to muse; I sit
I strain my thoughts, I tax my wit,
The less my thoughts can compass it,
The more they toil and travel.
And thus, and thus alone I see,
When poring o'er and o'er,
That I can give unto the poor,
That having more than I require,
That more I'm bound to spread,
Give from my hearth a spark of fire,
Drops from my cup, and feed desire
With morsels of my bread.
And thus I found, that scattering round
Blessings in mortal track,
The riddle ceased my brains to rack,
And my torn heart grew sound.
The storm winds blow both sharp and sere,
Come beggar, come, our garments bear,
A portion of our dwelling share,
List! boys and girls, the hour is late,
There's some one at the door;
Run, little ones, the man is poor -
Who first unlocks the gate?
What do I hear, run fast, run fast;
'Tis a poor mother in the blast,
Trembling, I heard her as she past,
And weeping o'er her lad.
I dank thee, Source of every bliss,
I thank thee, thou didst train me so
To learn thy way in this:
That wishing good, and doing good,
Is labouring, Lord, with thee.
That charity is gratitude,
And piety, best understood,
(1)Aan W. de Clercq, Gedichten, II, 165.
Vibrating 'twixt earth and heaven.
(2)On the seventh day reposing, lo! the great Creator stood, Saw the glorious work accomplished, - saw and felt that it was good; Heaven, earth, man and beast have being, day and night their coursesrun, First creation - infant manbood - earliest Sabbath - it is done. On the seventh day reposing, Jesus filled his sainted tomb, From his spirit's toil retreating, while he broke man's fatal doom; 'Twas a new creation bursting, brighter than the primal one, - 'Tis fulfilment - reconcilement - 'tis redemption - it is done.
(1)
The rose flings down its diadem,
Scattering each cheerful crimson leaf -
The thorn clings ever to its stem,
The image and the badge of grief.
(1)De overzetting luidt:
‘Ye paint me old! and why? ye fools shortsighted!
And doth my speed eld's frozen blood betray?
Methinks the storm-wind is not swifter flighted,
The rapid lightning scarce o'ertakes my way.
Ye think your hurrying thoughts perchance outrun me,
Go race with sunbeams - when they have outdone me -
Talk of my age - I fly more swift than they.
Ye call me gray! now, try me. I'll confound ye
With youth's most vigorousarm. One glance - but one -
O'er the huge tombs of vanished time - around ye -
Mountains of ruins piled by me alone -
I did it - I smote yesterday - to morrow,
I wait to smite - your cities - you - go, borrow
Safety and strength - they shall avail you none.
Eternity was mine - and still eternal
I hold my course - God's being is my stay -
I saw worlds fashioned by his word supernal:
I saw them fashioned - saw them pass away.
I bear upon my cheeks unfading roses;
Man sees me as he flits - and, fool! supposes
I have my grave, and limits to my sway.
Take from my front the white locks folly fancies:
My hair is golden - and my forehead curl'd -
My youth but sports with years - fire are my glances -
My brow resists the wrinklings of the world.
Not for the scythe alone my hand was shapen,
'Twas made to crush - give me the club - that weapon
Oft hath my power in awful moments hurl'd.
But give me, too, the hour-glass - ever raining
Exhaustless streams untired - for I am be
Who pours forth gems and gold, and fruits undraining
And treasures ever new. Or can it be
For desolation only? Do not new drops
Of dew in summer fervors follow dew drops?
Fresh flowers replace each flower that's crushed by me.
I, the destroyer do it - without measure
I fill creation's cup of joy - man's lot
That vibrates restlessly 'twixt pain and pleasure
Determine - in my youth his years forgot,
Worlds crumble - virtue mounts to heaven - no sleeping
In dust for me - but with bright angels keeping
God's throne - with God I dwell - and perish not.’
(1)Wij hebben het oorspronkelijke in den tekst geplaatst, om de zonderlinge vertaling van den tweeden regel door den Schrijver, welke wij niet onopgemerkt mogen laten. Vert.
Ere damask beds of down were stuff'd;
Embargos were not understood;
Ships sailed both when and where they wou'd,
And in no port were luff'd.
(1)Beknopte Geschiedenis der Nederduitsche taal. De billijkheid vordert aan te merken, dat de Hoogleeraar A. Ypey de kerkelijke geschiedenis slechts vervolgd heeft, die de beroemde en verdienstelijke IJ. van Hamelsveld aanving, en reeds tot op de tijden der Hervorming gebragt had. Vert.
|
|