Regels geschreven op een prentbriefkaart. Van het poststempel is nog leesbaar: 1.35.
In een brief uit Bretagne aan H. Marsman, gedateerd 2 Januari 1935, schreef Du Perron = Wij gaan morgen van hier naar Parijs terug, maar ik geloof nu toch zeker dat ik niet in Januari naar Holland kom... Malraux was hier de laatste week met mij samen, - wat veel aardigs had, maar mij toch ook vermoeide en van het werk afhield. Hij kon wel werken, maar had geschreven dingen te verbeteren, terwijl ik nieuwe dingen moest opschrijven, wat een geweldig verschil maakt. En dan: die doorloopende worsteling tussen twee ‘werelden’!
‘Marsman heeft een heel goed stuk geschreven’ = Critiek van de blauwe knoop-Menno ter Braak over verzen, Forum, jrg. '35, p. 165. Zie ook H. Marsman, Critisch Proza, p. 275.
‘Hierbij nog een paar documenten’ = De ‘documenten’ waarover Ter Braak in de volgende zinnen schrijft, zijn verloren gegaan.
‘de Schneider Creuzots’ = In 1836 openden Joseph-Eugène en zijn broer Adolphe Schneider een fabriek in het dorpje Le Creusot in Bourgondië. Twee jaar later fabriceerden zij de eerste stoomlocomotief voor de Franse spoorwegen en legden de grondslag voor een veelomvattend bedrijf dat door de nakomelingen van Joseph en Adolphe zou worden voortgezet en waar o.m. kanonnen werden geproduceerd.
Het is mogelijk dat deze brief op dezelfde dag is geschreven als brief nr. 729, beiden gedateerd ‘10 Januari’, met de vermelding ‘'s. av.’ boven brief 730, een vermelding die in de meeste gevallen bij Du Perron betekent dat hij overdag al een brief had geschreven. Als dat ook hier het geval is geweest, dan is deze brief van 9 Januari 1935, aangezien vast staat dat de schrijver zich in de datering van brief 729 heeft vergist.
‘Batten als Arthur Hille’ = A.E. Batten (*1900).
‘Ik ga dat Stawisky-dagboek uitwerken’ = De laatste twee zinnen van deze brief waren geschreven op de envelop, poststempel: Paris XVI. 19.30-12-I-1935, Rue Singer. Voor de Stavisky-affaire, zie de aantekening bij brief nr. 512.
‘dit verhaal’ = Mijn zuster de negerin, door Cola Debrot, ‘deze wonderlijke novelle... die ik niet aarzel meesterlijk te noemen’ (MtB., V.W. 5, p. 581), ‘die ik niet schroom een van de werkelijk opvallende en “doorwerkende” kleine boeken te noemen uit onze literatuur van de laatste tijd’ (EdP., V.W. 6, p. 527).
‘status quo?’ = Toespeling op de volksstemming in het Saargebied, zie de aantekening bij brief nr. 735. Mogelijk heeft Ter Braak een flauwe hoop gekoesterd dat de Saarlanders tenminste voor een voortzetting van de status quo zouden stemmen.
‘put-lieden’ = De Amsterdamse kunstenaarssociëteit De Kring werd in Het Land van Herkomst door Du Perron De Put genoemd.
‘mijn discussie in het Neue Tagebuch’ = Zum Thema Emigranten-Literatur, Antwort an Andermann und Marcuse in Das Neue Tagebuch, afl. 3, jrg. 1935. Zie voor Ter Braaks opvattingen over de emigrantenliteratuur ook de aantekening bij brief nr. 801.
‘Ik deed het al’ = Ter Braak besprak Jean Guéhenno's Journal d'un Homme de 40 Ans in Het Vaderland van 6 Januari 1935. MtB., V.W. 5, p. 395.
‘evenals mijn bespreking van Zuiderzee en Die in het Donker’ = Ter Braaks bespreking van de twee romans van resp. Jef Last en Jan Campert verscheen in Het Vaderland van 13 Januari 1935, MtB., V.W. 5, p. 403.
‘de Corren en Dally's’ = Cor van der Lugt Melsert (*1882) was directeur van het Hofstadtoneel te Den Haag; Albert van Dalsum (*1889) was acteur en regisseur, eén van de leiders van de Amsterdamse Toneelvereniging.
‘in de Murat’ = Het café Le Murat, aan de Porte d'Auteuil te Parijs, ‘een trouvaille’ (EdP., V.W. 2, p. 673).
‘mijn bewonderaarsters’ = De brieven van deze bewonderaarsters zijn verloren geraakt.
‘Wat een geleuter van Anthonie’ = In De Stem van Januari 1935 verdedigde Anthonie Donker J.M. IJssel de Schepper-Beckers roman De slinger van de tijd tegen Nederlandse critici, o.w. Menno ter Braak, die door Donker werd verweten de schrijfster van een ‘obscuur pleizier’ in haar realistische beschrijvingen te hebben beticht, terwijl hij dan toch - niet erg elegant, volgens Donker - haar portret in Het Vaderland had afgedrukt. Ook kwam Donker nog terug op Ter Braaks antwoord op De beroepseer van de criticus (zie brief nr. 722 en de aantekening daarbij): ‘Ter Braak die aan het artikel in het vorig nummer over de beroepseer van de criticus waarin beproefd werd het probleem der literaire critiek principieel en van persoonlijke bijfactoren ontdaan te onderkennen, een even gezochte als ongunstige uitleg gaf...’
‘giftig gepikeerd stukje van Van Uytvanck’ = Charles E. du Perron en zijn portret, door Van Uytvanck, verscheen in De Stem, jrg. 1935, p. 79, als antwoord op Du Perrons panopticumstuk in Forum, December 1934. (zie noot 701).
Deze brief werd door Du Perron op 15 Januari 1935 in Le Murat, rue d'Auteuil 83, Parijs 16, geschreven, maar verstuurd tegelijk met zijn brief van Zaterdagavond 19 Januari 1935, vgl. in die brief, nr. 735,: ‘Ik sluit hierin een ander blaadje, dat ik in de Murat volgekrabbeld heb’. Boven de brief van 15 Januari nu stond, in Du Perrons handschrift, met rood potlood geschreven: ‘Bijlage’. Hier is de volgorde aangehouden waarin Du Perron wenste dat Ter Braak de brieven las. ‘De Saar is Duits!’ = Op 13 Januari 1935 vond een volksstemming plaats in het Saargebied, waarbij de Saarlanders moesten kiezen uit drie mogelijk-
heden: terugkeer van het Saarland tot het Duitse rijk, behoud van de status quo, zoals die na de eerste wereldoorlog was overeengekomen of aansluiting bij Frankrijk. Negentig procent bleek voor aansluiting bij Duitsland te zijn, toen op 15 Januari de officieële uitslag bekend werd gemaakt. Daarop werd op 17 Januari te Genève overeengekomen dat het Saargebied op 1 Maart 1935 met Duitsland zou worden herenigd.
[...] = Vier woorden weggelaten.
‘een zeer giftig stukje van Plasschaert’ = Ik weet niet precies welk stukje van Alb. Plasschaert, kunstkriticus van De Groene Amsterdammer, Ter Braak bedoelde. Misschien Het nieuwe internationalisme in De Groene van 5 Januari 1935? Maar Ter Braaks naam wordt er niet in genoemd. Er wordt geen enkele naam in genoemd. Er wordt alleen in gehijgd. Zij het ook hier en daar op duidelijk giftig bedoelde wijze.
‘mijn interview met Campendonk’ = N.a.v. een aanbieding van een professoraat aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten te Amsterdam voor de Duitse beeldende kunstenaar van gedeeltelijk Nederlandse origine, H. Campendonk, had Ter Braak met deze laatste een interview, gepubliceerd in Het Vaderland van 24 December 1934.
Regels geschreven op een prentbriefkaart, poststempel: Paris XV, 24 Janv. 35, 16 h. 45. Als gevolg van de zware afstempeling is het niet zeker of het adjectief voor ‘reclame’, in de laatste zin, als ‘vreselijke’ moet worden gelezen. Alleen de laatste lettergrepen: ‘elijke’ zijn goed te herkennen.
Jan van Ees = J.C. van Ees (*1896), toneelspeler.
‘Ik denk met genoegen aan ons samenzijn terug’ = Het is moeilijk na te gaan wanneer Du Perron en Ter Braak elkaar hebben ontmoet. Op Maandag en Dinsdag 28 en 29 Januari 1935 noteerde Ter Braak afspraken in Den Haag-zeer waarschijnlijk hebben zij elkaar (zie Ter Braaks brief nr. 739) in Den Haag ontmoet op Woensdag, Donderdag en/of Vrijdag 30 Januari tot 1 Februari. Notities daarover ontbreken echter in Ter Braaks notitieboekje-1935. Wel tekende hij voor Vrijdag 1 Februari aan: ‘4 Riche’, het café aan het Buitenhof waar zij elkaar wel meer ontmoetten, vooral als Du Perron (zie brief nr. 738) in een hotel zou hebben gelogeerd.
De Grave = F. de Grave was een vriend van Du Perron sinds hun schooljaren.
‘Heb met stijgend ongenoegen aan Bordewijk teruggedacht’ = Aangezien Du Perron geen ontmoeting met Bordewijk heeft gehad, slaat zijn
opmerking waarschijnlijk op iets dat hij, tijdens zijn verblijf in Nederland, van Bordewijk las. Wat, is mij niet bekend, de naam van Bordewijk ontbreekt op zijn lectuur-lijst 1935. Misschien, vgl. brief 776, heeft Du Perron twee fragmenten uit Bint gelezen.
‘Alle verzen vind ik belabberd, ook die van Herreman’ = Behalve van Herreman bevatte het nr. van Forum poëzie van P. Rogghé, Jan H. Eekhout en J. van Hattum.
‘Gijsen over die schilder’ = In Forum, jrg. 1935, afl. 2, schreef Marnix Gijsen niet over een schilder, maar over de beeldhouwer F. Debonnaires. ‘Maurice eigenlijk lang niet kwaad’ = Het slot van Kraaien hebben gekrast verscheen in Forum, Februari 1935.
‘Vestdijk alleen is weer absoluut volwaardig’ = Slaat op een fragment uit Else Böhler.
Wim van Reyen = W. van Reijen (*1899) was een schoolvriend van Du Perron te Batavia. In 1935 was hij kapitein van de infanterie van het K.N.I.L.
‘Dat stuk van Jany’ = Aan Forum, jrg. 1935, nr. 2, droeg A. Roland Holst bij Oorlogstuig, waarin de volgende zinnen voorkwamen: ‘Zijn kentrek gaat zich spannen en dan ten volle uitvieren in die uiterste voorvallen en werken, waardoor - opzet en voorzorg uitgeschakeld thans door het lot - dat wezen zich dan zienderogen voleindigt,’ en: ‘Voor wie dit weet, krijgt het een onheilspellende betekenis, dat in de mechanische techniek - waarin het Europese wezen zijn kentrek uitviert - pas en juist in die toestellen, die de vernieling beogen van de mens en zijn werken, plotseling en als een dreigement deze schoonheid aanwezig blijkt.’
‘geschoren gorgel’ = In het stuk Persius 1935, door Paul van de Woestijne (Forum, jrg. 1935, p. 103), kwam deze zin voor: ‘Persius schrijft verzen als deze: “Waarom kamt g” op uw kaken een geparfumeerden schoteldoek, terwijl aan uw onderbuik een gladgeschoren gorgel uitsteekt?’
De brief van mevr. E. du Perron-de Roos beantwoordde een aan haar gerichte brief van Ter Braak van 5 Februari 1935, waarin hij o.m. schreef: ‘Je overwegingen over De Pantserkrant, die Eddy mij schreef, zijn gedeeltelijk ook bij mij opgekomen. Ik heb geen oogenblik gedacht, dat dit stuk een litterair meesterwerk was; het is daarvoor te duidelijk een stuk propaganda (weliswaar niet voor den vrede of de revolutie, maar daarom niet minder propaganda), en ik geloof, dat de propagandistische sfeer iedere meesterlijkheid en werkelijke genuanceerdheid uitsluit. Maar waarschijnlijk ben ik propagandistischer dan jij, en daarom heb ik het volgehouden het stuk werkelijk af te schrijven; ik voelde overigens, dat ik het in een “roes” moest afmaken, want dat ik anders weer tot mijzelf zou komen. Het is werk van drie weken, en ik wil op jouw advies ook iets dergelijks in de voorrede “bekennen”. Het is zelfs misschien wel aardig er een polemiek tegen het tooneel aan te verbinden, zelf te analy-
seeren, waarom al deze figuren in zekeren zin tweederangs zijn, want “gestellt”, op situaties afgericht. Ik zal daar ernstig over nadenken, want je hebt eigenlijk wel gelijk, dat ik zooiets aan mijn Politicus verplicht ben... Misschien schrijf ik de voorrede in den vorm van een antwoord op jouw bezwaren: een soort open brief aan een vijandin van het tooneel (in den ruimsten zin). Want ik ben het volkomen met je eens, zoodra je het tooneel conspueert, en het ontstaan van De Pantserkrant is dus nogal een paradoxale historie. Ik ben er zelfs van overtuigd, dat een geschreven tooneelstuk, dat onspeelbaar is en niet gespeeld mag worden, toch perse rotte kanten zal hebben. Dus daarom is de paradox eigenlijk des te aardiger. Mijn eenige excuus is mijn propagandistische bui; ik weet, dat ik een stuk volksmenner in mij heb, of liever: volksvoorlichter. Misschien behoort dat stuk van me wel bij het tooneel in ruimeren zin thuis, zoodat het toch zoo gek niet was, dat dit geval in tooneelvorm bij me opkwam... Het volgende ook in antwoord op een vorige brief van Eddy. Zijn terugblik op zijn bezoek hier is precies de mijne. Geen “remmend gevoel” vooral! En ik heb een betere kijk op Ducroo gekregen, geloof ik, al moet ik me het “eindoordeel” tot de lezing in het geheel voorbehouden. Ik verwacht veel van het contrapuntische in dat boek...
Dan is er nog het nieuws van een op handen zijnde kabinetscrisis in de Vlaamsche redactie van Forum. Gijsen heeft zich te zeer geërgerd aan de zedeloosheid van Varangot's Virginia (dat hij in vuile proef had gelezen) en ook al aan Eddy's Ducroo-fragment; hij is nu onverhoeds afgetreden en morgen vergadert de Vl. redactie. Ik ben zeer benieuwd naar hun communiqué. In afwachting daarvan is Virginia tot maart uitgesteld. Ik schreef Maurice al een vrij nijdig briefje, want ik ruik papenlucht en dat wel in te sterken mate.’
Deze brief beantwoordt een ongedateerde brief van Ter Braak aan mevr. E. du Perron-de Roos, als repliek op de brieven van 8 Februari 1935. Ter Braak schreef o.m.: ‘Hierbij de Brief aan een Vijandin van het Tooneel, die... voor in De Pantserkrant zal verschijnen... Dat Mary in haar nobel weg zeilen een “wonde plek” is, voel ik zelf heel goed. Dit heele slot bevalt me trouwens niet, en ik hoop het geheel te veranderen... als het me nog lukt weer in den “roes” te komen...
Wat Eddy over mijn “zakenmanschap” vertelt, is beslist geboren uit zijn laatste krachtmeting met Ducroo, evenals zijn polemiek tegen mijn “gewoonheid”, die, dacht ik, beëindigd was en nu, voor mijn gevoel over woordenquesties, weer schijnt te moeten ontbranden. Ik heb dan misschien de aan Wijdenes verweten faciele paradoxen weer laten hooren, want ik begrijp anders niet, dat Eddy dit probleem zoo kan misverstaan. Dat ik er in de polemiek tegen Marsman niet weer op inging, komt, omdat ik er werkelijk tegenover dit goedkoope gelul over hiërarchie, die-er-toch-heusch-wel-moet-zijn-aangezien-Marsman-het-wil, geen enke-
le behoefte aan voel mijzelf te herhalen. Tegenover jullie kan ik dit probleem verder doordenken, niet tegenover Henny met zijn absoluut chaotische spraakverwarring op dit gebied. Ik wil toegeven, dat daardoor ook de polemiek van mijn kant niet beter werd; ik voelde het geheele debat trouwens doorloopend als iets, dat mij vlak na het Démasqué geboeid zou hebben en mij nu siberisch liet. Het panopticum van Eddy vond ik overigens evenmin geslaagd als mijn eigen stuk; het leek me weinigzeggend en ook iets te faciel. Omdat ik partij was, liet ik het, behalve aan Vestdijk, ook aan Wim lezen, die het beide met mij eens waren (ik zeg er dadelijk bij, dat Wim mijn stuk ook vrij beroerd vond!). Natuurlijk ben ik voor plaatsing; maar ik voel het niet als raak, zooals Beps protest tegen mijn tooneel. Trouwens, waar haal je toch de onzin vandaan, dat ik mij “gewoon” zou voelen als de Lang?? Ik ben een hyperintellectueel, maar daar gaat het niet om bij de “gewoonheid”; het gaat om de vraag, of de onderscheiding ook een rangcriterium is! En dat punt wordt door Henny zoo idioot goedkoop aangepakt, dat ik er niet nog eens op inga, maar het is mij onbegrijpelijk, dat jij op dit punt voortdurend langs me heen denkt.
Veel plezier gehad over de “strafste lullax” van Jany, die mij lang niet zoo gek leek als de Deirdre-verhaaltjes! Voor mijn gevoel is het alleen bijzonder “gek” geschreven, maar ik zweer je: ik heb het na stevig lezen en ontzwachtelen van den tekst begrepen; het is je reinste mystiek, als zoodanig “noch nicht einmal oberflächlich”, maar in het genre Jany m.i. wel te accepteeren. Als tooneel is het zeker minder geslaagd als De Pantserkrant. Slauerhoff heeft ons werkelijk finaal aan de laatste rotzooi geholpen, die op dit moment nog ontbrak, nu de Vlamingen gaan spelbreken. Hij heeft de bekoorlijke handigheid gehad, Vic te schrijven, dat Vestdijk, jij en ik zijn aftreden als redacteur wenschten, wat (behalve gewoon gelogen, want ik heb hem minstens vijfmaal gezegd, dat ik Vic niet desavoueeren wilde om wat hij in de N.R.C. prutst) uitermate rampspoedig kan zijn voor het bestaan van Forum. Vic wil nu aftreden, en onder deze pressie van Slau acht ik me absoluut verplicht mij met hem solidair te verklaren; want aan een intrige, die ons voor een fait accompli stelt, doe ik niet mee. Als ik geweten had, dat Slau misbruik maakte van particuliere gesprekken om eenvoudig zijn willetje door te drijven (tegen alle redelijkheid in), dan had ik hem op zijn eersten brief over Vic geantwoord, dat er voor mij geen probleem van Vriesland bestond. Mijnheer Slauerhoff zit nu in Parijs en mijnheer ter Braak mag de zaak weer lijmen, om aan mijnheer Dirk Coster niet de lol te bezorgen van een verpletterd Forum. Het is weer een leuke historie van persoonlijke kift en persoonlijke succesjes, waarbij de avonturier zich merkwaardig blijkt te interesseren voor de kleine dingen van het vaderland [lees Slau s.v.p. letter voor letter voor, wat ik hier over hem schrijf. Hij mag het gerust weten].’
[...] = Zes woorden weggelaten.
‘je panopt.’ = Du Perron's stuk over de Ter Braak-Marsman polemiek verscheen in Forum, jrg. 1935, p. 251. Enigszins gewijzigd werd het opgenomen in In deze grootse tijd, EdP., V.W. 5, p. 70. Met name de term ‘advokaterij’, die Du Perron had gebruikt voor de wijze waarop Ter Braak en Marsman elkaar met citaten uit Nietzsche bestreden, werd door Du Perron geschrapt.
‘Paul Koster’ = Met de wapenhandelaar Paul Koster, in de dertiger jaren directeur-generaal voor Europa van de American Armament Corporation zou Ter Braak enkele maanden later een gesprek hebben dat op 22 Mei 1935 in Het Vaderland werd gepubliceerd, MtB., V.W. 2, p. 425. ‘Ik kreeg gisteren nog een slechts ten dele ontcijferbare brief van Slau’ = In zijn brief, poststempel 15 Februari 1935, zette Slauerhoff nog eens tegenover Ter Braak zijn bezwaar uiteen: ‘Ik vind het geheel nogal gek: in een tijdschrift dat de persoonlijkheid voorstaat, wil men à tout prix iemand als redacteur handhaven die zijn persoonlijkheid voor zover hij die heeft al jaren lang verloochent, verkwanselt.’
In dezelfde tijd schreef Slauerhoff een brief aan Van Vriesland waarin hij hem meedeelde dat Ter Braak, Vestdijk en Du Perron ‘'t met mij eens zijn’.
Andler = Charles Andler (1866-1933), Frans germanist, publiceerde van 1920-1931 de zes delen van zijn Nietzsche, sa vie et sa pensée. Het eerste deel was geheel gewijd aan de voorlopers van Nietzsche, waartoe Andler, naast Schopenhauer en Burckhardt, vooral schrijvers rekende, o.w. de Fransen Montaigne, Pascal, La Rochefoucauld, Fontenelle, Chamfort en Stendhal. De tegenwoordige Nietzsche-kritiek (Walter Kaufmann, Gilles Deleuze) legt echter vooral de nadruk op de filosoof Nietzsche. ‘None of the men chosen bij Andler seem as important for Nietzsche's thought as Heraclitus, Socrates, Plato, Aristoteles, the Stoics, Spinoza, Kant, Hegel, Heine, Darwin, and even Dostoevsky,’ schreef Kaufmann, die hier o.m. vergat dat het niet zeker is of Nietzsche Spinoza heeft gelezen of Kuno Fischer over Spinoza, terwijl vaststaat dat Nietzsche in 1888 de gehele, voor zover toen althans gepubliceerde, Stendhal (‘einer der schönsten Zufälle meines Lebens’, zie Ecce Homo) herlas. Met het werk van Dostojewsky maakte hij pas kennis het jaar daarvóór, ofwel twee jaar voor zijn instorting, toen het grootste deel van zijn oeuvre al geschreven was. Kaufmanns onderschatting van de ‘literaire’, ‘Franse’ invloeden op Nietzsche is waarschijnlijk een gevolg van eigen onbekendheid met de door Nietzsche bewonderde auteurs. In ieder geval staat de mening van eén van de meest vooraanstaande moderne Nietzsche-kenners hier tegenover die van Du Perron, die - zie de voorafgaande zinnen in brief 745 - wilde dat Ter Braak een studie zou schrijven over Nietzsche als dichter, en voor wie Nietzsche ‘bij Marx
vergeleken bv., heel onherstelbaar een dichter was’, waarop men overigens nog, gezien de vergelijking, zou kunnen opmerken dat dit nu niet bepaald ‘jurer gros’ genoemd kon worden. En ook voor Ter Braak, zie de vraag in Du Perrons brief, was Nietzsche ‘gedrenkt in de Franse (en lees hier dus ook: “literaire”, H.v.G.L.) cultuur’ (MtB., V.W. 4, p. 311). ‘De Meester of Hopman’ = Voorgangers van V.E. van Vriesland als letterkunde-redacteuren van de N.R.C.
B. de Ligt = Bartholomeus de Ligt (*1883), Nederlands pacifist, was de auteur van een groot aantal geschriften, waarvan enkele, in het Frans vertaald (La paix créatrice, Parijs 1934, en Pour vaincre sans violence, Parijs 1935) invloed hebben uitgeoefend op o.m. Aldous Huxley (zie Ends and Means). De Ligt vestigde zich in 1925 in Zwitserland. Hij overleed in 1938 in Frankrijk.
‘geval Laren’ = Zie Du Perrons brief nr. 578 en de aantekening daarbij. [...] = Vierentwintig woorden weggelaten.
‘Ducroo is af’ = Voor het begin van Het Land van Herkomst, zie brief nr. 339 en de aantekening daarbij. Op 6 Maart 1935 schreef Du Perron in een brief aan Marsman: ‘Ducroo is sinds eergisteren af; wat een opluchting! Ik weet niet of het eind goed is; als ik de proeven heb zal ik misschien nog heel wat omwerken. Ik heb er ontzettend over gezwoegd. Wschl. zal meer dan de helft jou niet bevallen, toch lijdt het voor mij geen twijfel dat dit mijn boek is, tot dusver.’
‘Het nieuwe verhaal van Malraux’ = Le Temps du Mépris.
‘Gisteren ontmoette ik, helaas maar kort, Guéhenno’ = Ofschoon Jean Guéhenno zelf over deze jaren (1934, 1935) heeft geschreven in La foi difficile (1957) kon hij zich van Ter Braak en Du Perron te weinig herinneren-hij beklaagde zich over zijn geheugen-om enkele korte indrukken weer te geven ten behoeve van de lezers van deze correspondentie. (Bij het overlezen van deze noten, zie ook 710 en 716, over Guéhenno, bemerk ik dat hij er wellicht bekaaider van af komt dan in mijn bedoeling heeft gelegen. Ik vermoed tenminste dat Ter Braak en Du Perron veel van de kwaliteiten die zij waardeerden in Journal d'un homme de 40 ans zouden hebben teruggevonden in La foi difficile, waarin hij overigens, zonder bitterheid, bekent van Sartre te hebben vernomen dat
hij eén van de modellen was voor Antoine Roquentin, de held uit La Nausée.)
‘Vanavond ga ik naar een lezing van Spengler’ = Zie Oswald Spengler spreekt in MtB., V.W. 4, p. 565.
[...] = Dertien woorden weggelaten.
‘Hierbij zijn briefkaart terug’ = Briefkaart van Slauerhoff aan Ter Braak poststempel Parijs, 25 Februari 1935, waarin hij tB. vraagt hoe ‘de zaken’ staan, en of ‘de persoonlijkheid en de eerlijkheid hebben gezegevierd boven opportunisme en tijdschriftpolitiek. Zo niet dan...’ enz. ‘mijn briefkaart’ = Deze briefkaart is niet teruggevonden.
‘maison de Silvie’ = In het park van Chantilly bevindt zich een bescheiden huis, gebouwd voor Hendrik IV, waar later de hertogin van Montmorency literaire bijeenkomsten hield. Naar de naam die de dichter Théophile de Viau (1590-1626) haar gaf, heette het sindsdien ‘Maison de Sylvie’. Mogelijk wekte bij Du Perron een ‘maison de Sylvie’ ook associaties met Gérard de Nerval (pseud. van Gérard Labrunie, 1808-1855), auteur van het verhaal Sylvie, uit Les filles du feu, en de dichter van zijn geliefd Valois, de bosrijke streek ten Noord-Oosten van Parijs (ongeveer tussen Chantilly-Senlis-Compiègne en Ermenonville).
‘En ben je wel eens in Chantilly geweest? In Senlis, of Ermenonville, waar het graf v. Rousseau is. En pleine “doulce France” en zoo landelijk dat ik er zou leeren tooveren. Charmant als omgeving; dit alles is zoo'n beetje de sfeer van Sylvie van Nerval.’ (Uit een briefkaart van Du Perron aan Marsman, geschreven te Buitenzorg, 20 Juli 1938).
‘Cor... ik heb er gewoon geen mening over’ = Heeft betrekking op de brief van Cor van der Lugt-Melsert aan Ter Braak over de De Pantserkrant, dat Van der Lugt graag wilde lezen. Ter Braak had deze brief, gedateerd 23 Februari 1935, doorgezonden aan Du Perron.
‘Wat een Ter Braak-nr. is dat laatste Forum!’ = In Forum, jrg. 1935, afl. 3, verschenen Bezoek aan Wijdenes en drie bijdragen over de Marsman-Ter Braak polemiek over poëzie uit het vorige nummer. De bijdragen waren van Van Vriesland, van Du Perron (EdP., V.W. 5, p. 70) en in de Vlaamse afdeling De dubbel-zatte, eveneens vooral tegen Ter Braak gericht en ondertekend door H., waarbij Du Perron dus dacht aan Raymond Herreman.
‘Varangot's verhaal’ = Virginia.
Chénier = André Chénier (1762-1794), voor Du Perron de dichter van de ‘onvergelijkelijke Jambes’ (EdP., V.W. 2, p. 408).
‘Dat stukje van Vic over jou’ = Het panopticum Confidentieël van Van Vriesland tegen Ter Braak.
Waldie van Eck = De schrijfster O.J. van Eck publiceerde onder de naam Waldie van Eck.
Eva Raedt-de Canter = Pseudoniem van mevr. A.E.J. de Vries-de Mooy, romanschrijfster.
‘van die Ethel Manning’ = Ethel Edith Mannin (*1900), schrijfster van romans, novellen, reiservaringen, politieke en literaire essays en ook van Confessions (1929), volgens de auteur zelf, in: Twentieth Century Authors, ‘a succès de scandale’. Mogelijk is dit het boek dat Du Perron en Ter Braak in Gistoux (1931) inzagen.
‘Je briefje, dat ik hierbij insluit’ = Het is mij niet duidelijk welk briefje van Ter Braak Du Perron hier bedoelt; Ter Braaks brief van 9 Maart werd door Du Perron op 13 Maart beantwoord, en zijn brief van 6 Maart, met het briefje van C. van der Lugt Melsert, had Du Perron al beantwoord op 8 Maart.
Huey Long = Huey Pierce Long (*1893), werd in 1928 tot gouverneur van de Amerikaanse staat Louisiana gekozen, waar hij er in slaagde een volledige dictatuur te vestigen. Long, als senator een verklaard vijand van het Roosevelt-régime, een man gedreven door wat ook zijn vijanden beschouwden als oprechte sympathie voor de ‘underdog’, maar tevens een gevaarlijk, niets ontziend demagoog, zou in het najaar van 1935 door de zoon van eén van zijn politieke vijanden worden vermoord. De bijnaam ‘Kingfish’ had Huey Long (model voor Willie Stark in de roman All the King's men, door Robert Penn Warren) voor zichzelf bedacht. Het is tegen de achtergrond van verschijnselen als de dictatuur van Huey Long en de geschiedenis van de twintiger jaren in de V.S. (de gerechtelijke moord op Sacco en Vanzetti; de rassenleer van Lothrop Stoddard en de nieuwe immigratiewetten; de ongekende bloei van een beweging als de Ku Klux Klan rond 1925; Al Capone en het Chicagogangsterisme; de ‘drooglegging’; de politieke corruptie rondom de Teapot Dome-zaak en andere financiële schandalen) dat een vooraanstaand Labour-intellectuele als Jennie Lee, vrouw van Aneurin Bevan, in 1934 kon schrijven: ‘From all the signs at present visible it is Fascism, not Socialism, which is most likely to overtake the American masses’ (geciteerd door H. Pelling, America and the British Left, Londen, 1956, p. 142). Dit alles moge dienen om Du Perrons benaming: ‘de Amerikaanse Hitler’, enigszins in het kader van zijn tijd te plaatsen, iets wat door de
critici van Ter Braaks Waarom ik Amerika afwijs m.i. onvoldoende is gedaan (zie bv., uit diezelfde tijd, de opmerkingen over Amerika in Beatrice Webb, Diaries 1924-1932). Welke rol Amerika zou spelen als kampioen van het anti-fascisme, weten wij, niet de intellectuelen van 1935. ‘Van Duinkerken was best’ = De Smalle Mens werd in De Gids, jrg. 1935, p. 388, door Van Duinkerken besproken, waarbij hij o.m. schreef: ‘Leest men Du Perron met voldoende luchthartigheid, dan is hij in dit opzicht even genietelijk als een gemiddelde geestige Fransman uit de achttiende eeuw, zij het dan lang niet zo geestig als Rivarol of Talleyrand’. Van Duinkerken concludeerde: ‘Hij (Du Perron) heeft “angel”; hij doet alleraardigste vondsten, maar hij mist de beheersing erover, en vindt zich te gauw leuk. Weinig kieskeurig in de keuze zijner strijdmiddelen, is hij vaak smakeloos bij de uitstalling van het “persoonlijke”, in dubbele zin.’
Rivarol = ‘Il faut écarter les sots; ce sont eux qui ont commencé,’ was eén van de aforismen van Antoine de Rivarol (1753-1801), voor Du Perron een aan Paul Léautaud verwant auteur (EdP., V.W. 2, p. 152).
Talleyrand = Het lijkt onwaarschijnlijk dat Du Perron veel waardering had voor de persoon van Charles-Maurice de Talleyrand (1754-1838), bisschop van Autun vóór 1789, revolutionair sindsdien, minister van buitenlandse zaken onder Napoleon zowel als onder Lodewijk XVIII, gezant te Londen onder Louis Philippe, een man die vele régimes overleefde, en met een scherpe neus daarbij voor de financiële voordelen die uit de steeds wisselende politieke situaties behaald konden worden. Over de befaamde ‘esprit’ van Talleyrand zal Du Perron o.m. hebben kunnen lezen in zijn geliefde Prince de Ligne (Het antwoord aan Napoleon, die Talleyrand had gevraagd waarom hij niets had verteld van de liaison van madame de Talleyrand met de graaf van San Carlos: ‘C'est que cela n'intéresse, Sire, ni votre gloire ni la mienne.’) Over het einde van Talleyrands hersens heeft Du Perron-uit Choses vues, dat hij in 1935 las-het bekende verhaal van Victor Hugo gekend.
‘mijn Berlijnsche tijd’ = Menno ter Braak verbleef in 1927 van Januari tot April te Berlijn voor bronnenstudie in de staatsbibliotheek; in Mei 1928 vertrok hij opnieuw naar Berlijn voor de correctie van de proeven van Kaiser Otto III.
‘Kuyle heeft... in de N. Gemeenschap’ = In de rubriek Hagel van De Nieuwe Gemeenschap van Januari 1935 schreef Albert Kuyle een stuk tegen De Groene Amsterdammer, waarin hij het o.m. had over ‘de uitgeweken en gederacineerde horde, de handpraters van groot Mokum en de van markt-internationalisme doortrokken Cohens en Jordaan's en de
andere Brammen en Mozessen’. Volgens Kuyle waren de schrijvers van De Groene vervuld van angst. ‘Die angst zweept hen bijwijlen op tot een moed die men van godvruchtige Israëlieten niet verwachten zou, maar die schijnbaar deze spekjoden overvalt wanneer hun baantje en hun, ten koste van beteren, gezwollen existentie op het spel staat.
Week in week uit krijgen vlegels de kans om hun een-leven-lang-verdrongen kleine haat (ze zijn allemaal wel eens door een sterke agent op hun nummer gezet) bot te vieren door uit de verte trambalcongrapjes over Hitler te vertellen. Waarom hiertegen van regeringswege niet meer en sterker wordt opgetreden is een raadsel, dat niet alleen ons bezig houdt. Want, nog daargelaten de voor de hand liggende reden dat we hier met een bevriend staatshoofd te doen hebben, blijft het blamerend voor een land wanneer een spleet-bekkig deel van zijn scribenten hun kromme vingers niet van een groot man af kunnen houden’.
Ter Braak reageerde hierop in Het Vaderland: ‘deze hagel (overtreft) alles aan vuilnis ooit in Nederlandse tijdschriften uitgestort.’
Het Vaderland van 11 Maart 1935 meldde het uittreden van A. den Doolaard uit de redactie van het katholieke maandblad, vanwege de anti-democratische en de anti-semitische bijdragen die het publiceerde. Ook Gabriël Smit trad uit de redactie, maar bleef, in tegenstelling tot A. den Doolaard, een geregeld medewerker. De redactie van De Nieuwe Gemeenschap werd daarop gevormd door: Jan Derks, Henk Kuitenbrouwer, Albert Kuyle en Ad. Sassen. In Mei 1935 zou zich nog Rector H. van Schaick bij de redactie voegen.
‘Is Holland in Antwerpen verslagen’ = Zinspeling op de vergadering tussen de Nederlandse en Vlaamse redacties van Forum, die te Antwerpen zou plaatshebben. Du Perron schreef deze regels op een prentbriefkaart, voorstellend een reproductie van een schilderij van Puccello uit de National Gallery te Londen: The rout of San Romano. Poststempel: ‘Paris XVI. 15.30-30-III-1935. Rue Singer’.
‘een zekere Hulsker’ = Dr. J. Hulsker (*1907), hoofd van de afdeling Kunsten van het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, was in Maart 1935 leraar te Den Haag, waar hij tevens de Haagse filmkritieken voor de Nieuwe Rotterdamse Courant schreef. Dr. Hulsker berichtte: ‘De kwestie was dat Menno, die bij Het Vaderland de filmrubriek er bij had genomen, ...er wel graag af wou, omdat het werk hem te veel tijd kostte, maar ook omdat hij vond (ik herinner mij heel goed dat hij mij dat zei) dat hij na alles wat hij al gepubliceerd had, eigenlijk over de film uitgeschreven was... In de Zaterdagkrant van 30 Maart 1935 zie ik mijn eerste stukken voor Het Vaderland, naast nog een kritiek van Menno. Op 6 April zie ik geen MtB.-kritiek meer en was hij er dus inderdaad áf. Menno liet de filmrubriek geheel aan mij over; hij schreef later
zelf nog wel eens een enkele keer een filmkritiekje, blijkbaar als er teveel premières waren, zoals ik een enkele keer een toneelkritiek voor hem waarnam, als hij zelf al bezet was. Ik ben filmkritikus van Het Vaderland gebleven van april 1935 tot eind 1940 en van mei 1945 tot eind 1953. Aan die eerste vijf jaar van samenwerking met Menno (met wie mijn vrouw en ik ook echt bevriend waren) bewaar ik geen andere dan de allerbeste herinneringen. Menno stond altijd achter mij op moeilijke momenten (boze bioscoopdirecties!) en heeft mij verschillende malen krachtig in bescherming genomen tegenover hoofdredactie en-vooral-directie.’
‘Het stuk over Urbanisme’ = Slaat op een Parijse brief van mevr. Du Perron voor Het Vaderland.
‘ingesloten brief’ = In een brief van 3 April 1935 schreef W.A. Kramers aan Du Perron dat hij het stuk van Noth ‘onbelangrijk van inhoud’ vond en dat zijn budget hem weinig gelegenheid liet om stukken op te nemen uit sympathie voor een aardige politieke vluchteling: hij kon zijn medewerkers niet meer dan f 1,25 per kolom betalen.
‘Het boek van Aragon’ = Zie EdP., V.W. 5, p. 73 (zie ook de aantekening bij brief nr. 800).
‘Ingesloten nog een stuk uit een rede’ = Het stuk is niet aangetroffen in de correspondentie Ter Braak-Du Perron.
‘door die andere Slauerhoff-historie natuurlijk’ = Zie brief nr. 781 en de aantekening daarbij, waaruit blijkt dat Du Perron het geschil met Slauerhoff bij voorkeur mondeling behandelde.
‘Ingesloten nog een document’ = Het document is verloren geraakt.
Alain = Alain is de schrijversnaam van Emile Auguste Chartier (1868-1951) die als leraar filosofie aan het lycée Henri IV te Parijs en als geregeld medewerker aan verscheidene periodieken een grote invloed heeft uitgeoefend, vooral in de tijd tussen de beide wereldoorlogen. Alain haatte iedere vorm van dwang, van tyrannie, van geweld, of die nu afkomstig was van reactionairen of van idealistische wereldverbeteraars. Democratie betekende voor hem in de eerste plaats bescherming, zo mogelijk uitbreiding, van de vrijheden van het individu, van de minderheid, tegenover de meerderheid. Zijn afkeer van geweld - hij was gewoon soldaat geweest in de eerste wereldoorlog - maakte hem tot een pacifist: ‘Je demeure persuadé que tout vaut mieux que la guerre’ (in een brief aan Elie Halévy van Juli 1936, uit: Alain, Correspondance avec Elie et
Florence Halévy). Alain liet een omvangrijk filosofisch, literair en epistolair oeuvre na. Du Perron kende in ieder geval Alains Stendhal, dat hij in 1935 las, en zijn Avec Balzac, gelezen in 1937.
‘begon hij zelfs te modderen in de richting van Greshoff’ = Vanuit Bergen vroeg Slauerhoff op een briefkaart, poststempel 1 April 1935, aan Ter Braak inlichtingen over de beschuldiging door De Litteraire Gids geuit aan het adres van Greshoff (zie brief van Ter Braak van 4 Oktober 1934). ‘Jany en ik wilden erg graag weten’, schreef Slauerhoff, ‘hoe het zit met die 2 stukjes v. Greshoff in de Litteraire Gids t.o. elkaar gepubliceerd. Wij vragen dit met belangstelling en in de hoop een bevredigende verklaring te’ (zin niet verder afgemaakt).
‘Inmiddels zijn er verkiezingen geweest’ = Op 17 en 18 April 1935 werden verkiezingen gehouden voor de Provinciale Staten. 264180 stemmen werden daarbij uitgebracht op de N.S.B., die voor het eerst aan de Prov. Staten-verkiezingen deelnam. De N.S.B. werd daarmee de 5e partij van Nederland, na de katholieken, socialisten, A.-R. en C.H.U., vóór de liberalen, vrijzinnig-democraten en communisten. In geen land in N.- of W.-Europa - België uitgezonderd - hebben de fascisten zo'n groot verkiezingssucces geboekt als de N.S.B. in Nederland.
mijzelf (door de uiting) en mijn medemensen te troosten over de ellende van het leven (de bitterheid, de ergernis, het machteloze lijden onder smaad, verdrukking, wreedheid enz. enz.!) door mijzelf en de anderen op te voeden tot de erkenning der sublime levensmomenten (die een enkele maal tot uren groeien!). Wat gij “gematigd realisme” noemt is niets dan het middel om dit te kunnen geven-en het is toch werkelijk onjuist schrijvers naar hun middelen en niet naar hun wezen te onderscheiden!’ Verder schreef Robbers nog: ‘...gijzelf hebt, dunkt mij, alleen nog een dosis valse schaamte weg te werken, en wat deemoed te veroveren (die heus niet zonder trots hoeft te zijn) om u meer en meer aan mijn zijde te scharen.’
‘voor dit krantenstuk’ = Ter Braak besprak Anthonie Donkers roman in Het Vaderland van 5 Mei 1935, MtB., V.W. 5, p. 503.
Buziau = Johannes Franciskus Buziau (1877-1958). N.a.v. het 40-jarig toneeljubileum van de revuekomiek schreef Ter Braak op 21 Mei 1935 in Het Vaderland dat Buziau meer was dan ‘een geraamte van aardigheden, dat eigenlijk zo vervloekt vervelend en ernstig is. Sommige mensen vinden hem dus tragisch, van de weeromstuit. Ik niet; als hij werkelijk tragisch wil zijn, zoals in zijn rol van Rinus de portier, komt een heel erg melodrama om de hoek kijken. Maar hij is een fantast en een fantast is meer dan een humorist van het type, waarom men lachen moet, volgens de wet van de lol. Hij heeft een manier om de dingen des dagelijksen levens en vooral ook de Nederlandse taal, onwerkelijk te maken, die in het soort absoluut geniaal is’. Ter Braak bracht ook verslag uit van het feest dat ter ere van Buziau werd gehouden: ‘Het liep al tegen halfzes, toen er eindelijk opgebroken werd, en op dat ogenblik had eigenlijk niemand het besef, dat men buiten al een tram kon nemen. (Behalve dan uw verslaggever, die na drieën per se pessimistisch wordt, omdat hij veel meer slaap nodig heeft dan bv. Napoleon, ook in het aangenaamste gezelschap).’
‘fraai nummer van De N. Gemeenschap’ = Waarschijnlijk bedoelde Ter Braak het Maart-April nummer van De Nieuwe Gemeenschap. Daarin beklaagde Henk Kuitenbrouwer zich o.m. over het feit dat ‘iedere slag in het uittartende gezicht van joodse immoraliteit wordt uitgelegd als een redeloos onrecht.’ Zie ook de brieven 780 en 781, en de aantekeningen daarbij.
‘Dank voor het moois over Bint’ = In het Weekblad voor Gymn. en M.O. had Arnold Saalborn een stuk geschreven tegen Bint, waarin passages als: ‘De heer Bordewijk liegt’; ‘De heer Bordewijk is een nare man’; ‘Gevaarlijk en vies’. Ter Braak reageerde op dit stuk in Het Vaderland van 30 April 1935, in de rubriek Schietschijf, waarin hij concludeerde: ‘Ik heb een directeur van een H.B.S. gekend en zeer hoog geschat,
die sterk aan Bint deed denken; maar hij was in het geheel geen Bint. Ik heb eenige jaren voor een klas gestaan en herhaaldelijk individuen geobserveerd, die verwant waren aan de “hel”-klasse van Bordewijk; maar Whimpysingers met hardgroen tandschimmel en Schattenkeinders met inkthanden waren er nooit bij. Volgens den heer Saalborn is daarmee het “liegen” van den heer Bordewijk overtuigend bewezen; volgens mij is daarmee bewezen, dat hij een sterke fantasie bezit, die in het irreëele juist het reëele weet vast te houden. Maar misschien is alle fantasie een vorm van liegen, en dan heeft de heer Saalborn langs een omweg toch nog gelijk...’
Regels geschreven op een prentbriefkaart, poststempel: Paris XVI, Rue Singer, 15.30-onleesbaar-VI-1935.
‘Het fraaiste vind ik’ = In De Nieuwe Gemeenschap, jrg. 1935, nrs. 3 en 4, verschenen impressies uit Italië van Albert Kuyle. Hierin schreef hij o.m.: ‘Syracuse, 11 Maart... Want men kan hier nog het stichtelijk schouwspel zien van de volgevreten, ietwat kortademige boven-huisdame die van de markt komt met een kleine stumper voor zich uit die een veel te zware boodschappenmand torst. 's Middags draagt datzelfde slavinnetje de baby van de dochter, het kleinkind van dezelfde vermaledijde oude taart... Ik ben eenmaal, duidelijk en met hartstocht tegen zo'n tulband opgelopen, en heb afgewacht of ze het hart zou hebben ook maar de minste aanmerking te maken. God weet in wat voor ongelooflijke moeilijkheden of ik het mens en mezelf had gebracht.’
‘Maar de “tulband” schijnt niets te hebben gezegd: è un porco zal ze hebben gedacht,’ was Du Perrons commentaar in Forum, jrg. 1935, p. 1214. Zie EdP., V.W. 5, p. 116-118.
‘het gedonder met Slauerhoff’ = Volgens F.C. Terborgh schreef Slauerhoff hem ‘tegen half Mei’ 1935 vanuit Bergen een brief met o.m. het volgende: ‘Je opmerking dat ik in een vicieuse cirkel dreigde te raken is juist. Intussen heb ik een sterke poging gedaan er doorheen te breken en ik hoop erin geslaagd te zijn. Vooreerst is de scheiding er eindelijk door. Verder is Tanger, dat toch ook nog aan 't verleden vastzat, opgegeven. Iets van minder belang, maar dat toch misschien ook zijn symbolische beteekenis heeft, is, dat ik volkomen met de zoogenaamde Forumgroep heb gebroken. Met mijn vriend Du Perron ben ik zelfs waarschijnlijk onherstelbaar gebrouilleerd, zeer tot mijn, minder tot diens genoegen. Au fond is het een goede kerel, maar lijdend aan een logorrhoe die de omgang onmogelijk maakt. Verder de neiging à tout prix gelijk te willen krijgen en elk geschil in eindelooze brieven uit te zoeken.’ (Slauerhoff, herinneringen en brieven, p. 49.)
‘Hij van zijn kant heeft vele grieven tegen mij, en de uitwisseling hiervan heeft mij ook nog brieven gekost; ik wacht er nu, eerlijk gezegd op, dat hij de vriendschap verbreekt. Ik wil hem graag die “eer” laten, gegeven
zijn ontoerekenbaarheid, maar het zal mij een “rust” zijn als het zoo ver is. Jany weet er iets van, omdat Slau bij hem zit, en nu jij; laat het daarbij blijven. De zaak is te lang, en vooral te “verdeeld” om je hier te vertellen; later wel eens mondeling. Maar één ding is zeker: deze piraat bestaat uit een halve gare en een kleinzielige kleinburger die iedere vriendschap weten te slopen; en de mijne was toch werkelijk tegen een stootje bestand.’ (Uit een brief van Du Perron aan Marsman van 3 April 1935).
‘want tenslotte stond er over Ducroo precies alles wat je aan laagheid... kon verwachten’ = In De Nieuwe Gemeenschap van Maart-April 1935 klaagde Henk Kuitenbrouwer over ‘de mode om openbare biechten’ uit te spreken. ‘Het maandschrift Forum waarin nog steeds de afval van Vlaanderen... zich gelukkig eén voelt met de vuilnis van Noord-Nederland, vertoont regelmatig dit lugubere genoegen... Du Perron publiceerde enige fragmenten uit zijn autobiografische roman Het Land van Herkomst, waaruit in ieder geval bleek dat hij niet alleen schuldig staat aan zijn vroeg ingetreden geestelijke melaatsheid. Wat hij over zijn vader schreef is een zeldzaam staaltje van de stinkende eerlijkheid, die besmettelijk dreigt te worden. Het fragment, gepubliceerd in het Maartnummer van Forum, draagt tot titel Bezoek van Wijdenes en het is weer dezelfde eerlijkheid die hier vriend Menno ter Braak, nadat deze zich eerst vroeger zelf openbaar gekielhaald had onder de naam Dr. Dumay, voor de tweede maal het leven doet verliezen. De vergiftigde en giftige geest van Du Perron moet wel een grijnzend plezier hebben in deze overwinning, en het tekent de toestand van Ter Braak-Dumay-Wijdenes, dat hij, als redacteur, zoiets in zijn tijdschrift opneemt.’
‘je “hoofdartikel” in Forum’ = Het instinct der intellectuelen, MtB., V.W. 3, p. 503. Bij dit essay stond in Forum afgedrukt een reproduktie van een Duits kalenderblaadje anno 1935, met deze spreuk: ‘Intellekt! / Hinweg mit diesem Wort / dem bösen / mit seinem jüdisch grellen / Schein! / Nie kann ein Mann / von deutschem Wesen / ein Intellektueller sein!’ ‘Anth. Donker gematigd en beschaafd’ = In Forum, jrg. 1935, p. 465, antwoordde Donker op Ter Braaks onthulling van de identiteit van Thea Poortman, zie ook MtB., V.W. 4, p. 327.
‘Marsman nogal aardig’ = Marsman schreef een panopticum-stuk, Lof der Domheid, tegen Werumeus Buning in Forum, jrg. '35, p. 464.
Regels geschreven op een prentbriefkaart, poststempel: Paris XVI, rue Singer, onleesbaar-6-VI-1935.
‘Wij zitten in dit hotel’ = Du Perron schreef op een prentbriefkaart van het Hôtel des Colonies te Spa. Poststempel: Spa-13-V-1935.
‘achter den rug van Foch’ = Slaat op het standbeeld van de geallieerde opperbevelhebber in de eerste wereldoorlog, maarschalk Foch (1851-1929).
‘Wij zijn nog dronken van de gesprekken’ = Slaat op de gesprekken die tussen Du Perron, Ter Braak, Marsman en Greshoff moeten zijn gevoerd op Vrijdag 10, en mogelijk ook Zaterdag 11 en Zondag 12 Me 1935 te Brussel. Ter Braak's notitieboekje-1935 vermeldt niets op 10 en 12 Mei: ‘Vergad. Forum’.
‘Vandaag kreeg ik je stuk over Gorter’ = Bespreking van Herman Gorters De Grote Dichters, MtB., V.W. 4, p. 62.
‘wil je mij het plezier doen’ = Ter Braak plaatste bij zijn bespreking van Het Land van Herkomst een afbeelding van Alexejeffs omslagtekening: de Eiffeltoren en een Javaanse vulkaan zich spiegelend in de Seine.
‘Dank voor je brief! Ik haast me even iets te corrigeeren’ = Op grond van deze woorden dateerde ik dit antwoord op Du Perrons brief van 24 Mei: 25 Mei 1935.
‘de monoloog over de “position impudique”’ = Dialogue d'Eleuthère, door Julien Benda (1867-1956), verscheen in 1911 als een cahier van Charles Péguy's Cahiers de la Quinzaine. Het is een conte philosophique, waarin o.m. bespiegelingen over de liefde en het literaire leven. In de monoloog, waarover Ter Braak schrijft, beschouwt Eleuthère zijn geliefde madame Camignani terwijl zij slaapt ‘grandement découverte, soit dans une posture dite parfaitement impudique... Longtemps il contempla... Bientôt il constata en lui comme une émotion sacrée. Il chercha par quelles idées un tel spectacle créait en lui une telle émotion... Il en trouva deux...’ enz. (Dialogue d'Eleuthère, p. 25).
‘Eindelijk dan het stuk gekregen’ = Ter Braaks bespreking van Het Land van Herkomst was getiteld: Roman voor Jane. Zie ook EdP., V.W. 5, p. 121.
‘Je stuk over Het Leven op Aarde’ = De Onverzorgde Stijl, n.a.v. Het Leven op Aarde, door J. Slauerhoff, verscheen op 10 Februari 1935 in Het Vaderland. MtB., V.W. 5, p. 431.
‘dat over Donker’ = Ter Braaks bespreking van Schaduw der Bergen, door Anthonie Donker, verscheen in Het Vaderland van 5 Mei 1935, MtB., V.W. 5, p. 503.
Bariôli en Peter = Barioni en Peter, uit De dood betrapt (1935), door S. Vestdijk (*1898).
‘Protesteren tegen mevr. Top Naeff en Johan Koning’ = In Het Vaderland van 27 Mei 1935 verscheen een beschouwing van Ter Braak over het internationale congres van de PEN-clubs te Barcelona, waar de Nederlandse delegatie, bestaande uit Johan Koning en Top Naeff, als enige van de aanwezige afvaardigingen uit dertig landen, stemde tegen een door Klaus Mann voorgestelde motie die protest aantekende tegen de vrijheidsberoving van Duitse schrijvers door het Hitler-régime. ‘Het woord politiek’, schreef Ter Braak o.m., ‘is steeds bij de hand om als afschrikwekkend verzamelbegrip dienst te doen voor iedere stroming, die de realiteit onder de ogen wil zien. Zeggen, dat er in Duitsland schrijvers worden mishandeld en wederrechtelijk gevangen gehouden... is politiek. Protesteren tegen het optreden van de Gestapo, tegen de vervolging van geëmigreerde auteurs... is politiek. Alles wat op dit ogenblik de levensbelangen van de schrijvers, die de PEN-club toch heet te vertegenwoordigen, raakt... is politiek. Zo steekt de “gezelligheidsfractie” van de PEN-club de kop in het zand, om vooral maar niet te zien, dat er in het huidige Europa gevaar dreigt, dat de eerste voorwaarde voor iedere geschreven uiting: de vrijheid, het “noodzakelijke minimum”, door de dictaturen van links en rechts als een curiositeit wordt behandeld’.
‘Het is mogelijk’, schreef Ter Braak verder nog, ‘dat een protest van schrijvers weinig invloed heeft; dat is nog geen reden voor die schrijvers om, wanneer zij eenmaal bijeen zijn, dat protest onuitgesproken te laten. De 29 delegaties der andere landen hebben dat ook begrepen; zij hebben hun stem gegeven aan de motie van Klaus Mann, waarin van politiek geen sprake was en waarin alleen feiten werden geconstateerd, die iedereen weet; die motie hield geen enkele verplichting in zich voor of tegen het nationaal-socialistisch régime te verklaren. Alleen Nederland heeft het zijn taak geacht roet in het eten te gooien en zich bij monde van den
heer Johan Koning voor het forum der wereld op te werpen als kampioen van de es ist nicht wahr-taktiek...’
‘over Spinoza’ = Het Spinozahuis, MtB., V.W. 5, p. 525.
‘Gans die over Ducroo gaat schrijven in D.G.W.’ = J. Gans schreef over Het Land van Herkomst in Den Gulden Winckel van Juni 1935 o.m.: ‘Het appelleert aan hen, die met de zelfgenoegzaamheid en de al te vanzelfsprekende traagheid van het bestaan in de lage landen géén genoegen nemen... Dat Het Land van Herkomst door een groot deel van de nederlandse literatuurkritiek, waarvoor de verheerlijking van de middelmaat en zelfs van de ondermiddelmaat nog altijd de hoogste wijsheid is, verfeemd zal worden, is iets waar men bij voorbaat van overtuigd kan zijn.’
Regels geschreven op een prentbriefkaart. Poststempel: Paris, 4-VI-1935.
‘de laatste Hellens’ = Zie voor de herinneringen aan Du Perron van Franz Hellens, de franstalige Belgische romancier, het tijdschrift Bok, onder redactie van Weverbergh, no. 7, Februari 1964. In het interview dat hem werd afgenomen, zei Hellens over Du Perron o.m.: ‘Il m'a semblé que c'était un homme surtout très franc, avec une allure très décideé; je le vois toujours avec son air crispé. Dès le début déjà cet air crispé et ses dents un peu grinçantes et les poings fermés, me rappelaient un peu cet autre nerveux, Malraux, ...Il était très sincère et, d'après mes souvenirs, il n'était pas cassant avec les hommes, mais il était, je crois, assez méfiant. Il avait l'air de se tenir quelque peu sur ses gardes... Du Perron avait un goût particulier pour les êtres bizarres, pour ce qui n'était pas ordinaire. Du Perron me semblait très doué de cet art de repérer des êtres extraordinaires... Je l'ai connu de près jusqu'à son départ pour Paris.’ In eén van zijn romans, herinnerde Hellens zich, ‘peut-être était-ce dans Moreldieu, j'ai rappelé cet épisode où Du Perron, je crois que c'était un peu à l'imitation de Stendhal, tirait au revolver sur des bouteilles...’
‘Florence van Rivière... heel wat sympathieker dan Aimeé’ = Jacques Rivière (1886-1925) oefende sinds 1919 de leiding uit over de Nouvelle Revue Française. Zijn roman Aimée werd gepubliceerd in 1922, Florence is een posthuum uitgegeven werk.
Bougival = Dorp, 18 km ten westen van Parijs, dat vooral in de 19e eeuw zeer in trek was bij kunstenaars: Berlioz, Toergenjew, Corot, Renoir en Monet hebben er o.m. gewoond.
lon Louis XIV, un coin des jardins’. Poststempel: St. Germain en Laye, Seine et Oise, 6-VI-35.
Zamiatin = Evgeni Ivanovitsj Zamiatin (EdP., V.W. 5, p. 90) ‘was one of those few Soviet writers who refused to make compromises or rationalizations in the face of the inherent moral evil of the Soviet dictatorship. Had other Soviet intellectuals followed his (and Pasternak's) example it is possible that Stalin would not have obtained his ascendancy over the nation in 1929... Like Gorky he had recoiled from Lenin's premature assumption of supreme power; but unlike Gorky, Zamyatin did not subsequently come to terms with the fait accompli. His novel We, published in Prague in 1929, a forerunner of Orwell's 1984, foresaw the horrors to come. In On Literature, Revolution and Enthropy, published in Moscow in 1924 and again in 1926, he defiantly asserted the need for heresy in literature as the very condition of its existence. When, in 1929, he was framed together with Pilnyak, he refused to submit, and, apparently with the assistance of Gorky, was able to emigrate to Paris where he died in 1937.’ (Max Hayward in Dissonant voices in Soviet literature, speciaal nummer van Partisan Review, jrg. 1961. Zie ook Claude Ligny in Les lettres nouvelles, Mei 1962: ‘N'avoir pas su garder Zamiatine était déjà un échec pour un régime qui se voulait le plus avancé du monde.’) Ofschoon Du Perron wel wist dat zijn ‘Russische kennis’ Zamiatin (*1884), behalve van beroep scheepsbouwkundig ingenieur, ook schrijver was, heeft hij waarschijnlijk niet ten volle het besef gehad van Zamiatins betekenis voor de moderne Russische literatuur. Dit ondanks een artikel van Giacomo Antonini in Den Gulden Winckel van December 1934, die vertelde dat Zamiatin als leider van de groep der Serapions' Broeders in Leningrad enkele van de meest opmerkelijke sovjet-schrijvers als Fedin en Tikhonov, Vsevolod Ivanov, Zotchenko en Kaverin had beïnvloed. Maar in tegenstelling tot Antonini kende Du Perron geen Russisch, en zou hij dus uitsluitend de in het Frans vertaalde roman Wij kunnen hebben gelezen, en niet bijvoorbeeld Van een verafgelegen streek, dat Antonini als Zamiatins meesterwerk beschouwde. ‘Niettegenstaande zijn vele verblijven in het buitenland en zijn vertrouwdheid met de westerse cultuur’, schreef Antonini, was Zamiatin ‘in zijn persoon en in zijn werk zuiver Russisch gebleven.’ (Overigens noemde Giacomo Antonini van alle uitgeweken Russische schrijvers ‘stellig de meest opmerkelijke, zowel door zijn begaafdheid als door zijn eigenaardige persoonlijkheid’, de toen ook in Parijs wonende Wladimir Nabokov, wiens ‘drie laatste boeken... ook in de Franse vertaling, een groot en verdiend succes hebben gehad.’ Het betrof hier de romans De verdediging van Lujin, Camera Obscura en De onderneming.) Over Vladimir Nabokov, zie de rectificatie in noot 989.
noemd ‘dat de omvang van een dictionnaire met 500 klein bedrukte bladzijden heeft en vrijwel uitsluitend dingen vertelt, die pas belangrijk worden, wanneer zij eenmaal aanleiding hebben gegeven tot het ontstaan van werkelijke kunstwerken.
Hoe E. du Perron zijn eerste erotische ervaringen opdeed, weten wij na dit boek veel nauwkeuriger dan wij dit omtrent Pierre de Ronsard of Pieter Corneliszoon Hooft ooit zullen achterhalen, maar die erotische ervaringen van het vroegrijpe Indische kind hebben voor ons niet de geringste betekenis, vergeleken bij het veel minder bekende liefdeleven van Ronsard of Hooft.
Al dat gepraat van Du Perron over zichzelf interesseert ons niet. Het is in wezen vervelend en onbehoorlijk.’
(‘C'est bien un monsieur sans queue que l'on voudrait faire du Vendômois,’ schreef Fernand Fleuret in de inleiding tot Les amoureux passetemps, een bloemlezing van erotische poëzie van Ronsard tot Théophile de Viau, en waarvan een exemplaar tot Du Perrons bibliotheek behoorde. Met deze uitgave wilde Fleuret de invloed aantonen, die de uit de buurt van Vendôme afkomstige Pierre de Ronsard ook in dit soort poëzie op de 16e en 17e-eeuwse Franse dichters heeft gehad. Zeven verzen van Ronsard-waarvan vijf zijn afgedrukt in Ad. van Bevers editie (1907) van het in 1553 door de dichter anoniem gepubliceerde Livret de folastries, terwijl de twee overige, naar ik vermoed, uit het Cabinet satyrique afkomstig zijn-werden door Fernand Fleuret in zijn anthologie opgenomen. Zij doen, gegeven ook de tijd waarin hij opgroeide, vermoeden dat hij, ook in zijn jonge jaren, niet minder vertrouwd zal zijn geweest met het erotische dan het ‘vroegrijpe Indische kind’ Du Perron. Dat het omvangrijke oeuvre van Ronsard van de zijde van literatuur-historici, uitgevers en schoolmeesters al te vaak een ‘ontmanning’ heeft moeten ondergaan, en dat ook zijn erotische poëzie duidelijk autobiografische elementen bevat, is trouwens een standpunt dat sinds Fleuret door meer moderne Ronsard-kenners, als A.-M. Schmidt en G. Gadoffre, wordt ingenomen.)
Van Duinkerken stelde verder nog vast dat Du Perrons leven ‘het doodgewone leven van een aanstellerige jongen’ was en dat ‘wij’ van hem zouden verlangen ‘geen portret te zien, maar wèrk, mooi letterkundig werk.’
Zijn conclusie luidde: ‘Als roman is het boek waardeloos, als gedenkschrift handelt het openhartig over zaken, die van nature vragen om kiesheid, en verward over toestanden die helderheid behoeven, als persoonlijke belijdenis zou het betekenis kunnen hebben, ware deze betekenis niet afhankelijkheid van de persoon des auteurs, die zich nog altijd artistiek bevestigen moet.’
‘dat Vlaamse gedicht De Ruiters’ = Dit gedicht van Bert Decorte verscheen in de Vlaamse afdeling van Forum, jrg. 1935, p. 510. Du Perron
schreef over De Ruiters, vergeleken met Le Bateau Ivre, in EdP., V.W. 5, p. 93.
‘geouwehoer van Socrates’ = In de Nederlandse afdeling van Forum, jrg. 1935, p. 571, verscheen Kinetikon, een dialoog tussen Socrates en Krito, vertaald door Gerhard Gerdes.
Lalou = René Lalou (1889-1960), literatuur-historicus, essayist en Shakespeare-vertaler.
Aragon = Louis Aragon (*1897) was aanvankelijk eén van de voormannen van de surrealistische beweging, maar later kwam het tot een breuk met André Breton, ook door Aragons bekering in 1930 tot het officiële communisme. In zijn beschouwing over de surrealisten Philippe Soupault, André Breton, Paul Eluard, Robert Desnos, Ribemont-Dessaignes en Aragon in de Cahiers van een lezer, toonde Du Perron waardering voor sommige verzen van Aragon en voor de verhalen Quelle âme divine en La femme française uit Le Libertinage (EdP., V.W. 2, p. 105). Daarna liet hij zich bijna steeds in afkeurende zin uit over Aragon, ‘voor mij luitenant-van-Moskou bij uitstek’, zie vooral EdP., V.W. 5, p. 73.
‘De Christuslegende heeft mij ten zeerste behaagd’ = Op 7 Juni 1935 schreef mevr. E. du Perron-de Roos aan Ter Braak: Dit lijkt me een (waar-gebeurd) verhaal dat jou bevallen moet. Iemand zei tegen een klein meisje: ‘en denk eens hoe verschrikkelijk, toen hebben ze J. aan het kruis geslagen, met spijkers door zijn handen’. En het kind: ‘oui, il fallait bien qu'ils mettent des clous, s'ils voulaient qu'il tienne.’ Dit verhaal - alleen is het meisje er een jongetje, Francis Y.-is te vinden in het Journal van André Gide, die het in 1904 optekende, na het te hebben gehoord bij de Van Rijsselberghes.
‘zijn stuk over Het Land van Herkomst’ = Zie S. Vestdijk, Lier en Lancet (1939), p. 381.
‘zijn stuk over Verwey’ = Albert Verwey en de Idee verscheen in Forum, jrg. 1935, p. 610.
‘meneer Preedy’ = George R. Preedy, wiens Autobiography of Cornelis Blake in die dagen in een Nederlandse vertaling verscheen onder de titel De koers van het leven. MtB., V.W. 5, p. 531.
‘de rijmwoorden van Prudens van Duyse’ = Prudens van Duyse (1804-1859), romantische Vlaamse dichter van rhetorische lyriek, promotor van het Duits-Vlaams zangverbond.
Zaharof = Sir Basil Zaharoff werd in 1849 in Turkije geboren uit, naar werd gezegd, een Russische vader en een Griekse moeder, en overleed als eén van de rijkste mensen van zijn tijd te Monte Carlo in 1936. Veel in zijn leven blijft omgeven door mysterie. Vast staat dat hij voor de eerste wereldoorlog president directeur van de Britse Vickers-Armstrong wapenfabrieken was, maar naar men zei was hij tezelfdertijd geïnteresseerd in de wapensmederijen van Krupp (Dtl.), Schneider-Creuzot (Fr.)
en Skoda (Oostenrijk-Hongarije). Vast staat ook dat hij in 1934 actief was in de Amerikaanse wapenindustrie. Dat men nauwelijks een overzicht had van de veelsoortige activiteiten van Sir Basil, belette niet dat hij in 1919 zowel het Grand Cross of the Order of Bath als het Grootkruis van het Legioen van Eer ontving.
Leonhard Frank = Leonhard Frank (1882-1961), romancier en dramaturg, week in 1933 naar Zwitserland uit. N.a.v. de publicatie van zijn Gesammelte Werke bij Querido te Amsterdam, bracht hij in Maart 1935 een bezoek aan Nederland. Ter Braak interviewde hem voor Het Vaderland op 11 Maart 1935, en sprak nog eens zijn voorkeur uit voor die stroming onder de Duitse emigranten-schrijvers, ‘die in de emigratie meer ziet dan een toevallige Schicksalsgemeinschaft en van mening is, dat het emigrant-zijn een nieuwe oriëntering t.o.v. de Duitse en Europese cultuur behoort te betekenen.’ Ter Braak beschouwde Leonhard Frank als een ‘representant van die groep emigranten schrijvers, die zich door de emigratie niet genoopt voelen hun waarden te herzien’, een standpunt dat Ter Braak begrijpen kon, al ging zijn voorkeur er niet naar uit. Later trouwens zou Leonhard Frank zich wel degelijk opnieuw oriënteren: hij werd communist.
‘Het stuk van Groenevelt’ = In de Avondpost van 9 Juni 1935 verdacht Ernst Groenevelt Du Perron er van met de publicatie van Het Land van Herkomst te speculeren ‘op een kritiek van vrienden, die het wel allemaal heel erg mooi en erg belangwekkend zullen vinden’. Zelf gaf Groenevelt als oordeel: ‘Als roman heeft dit boek geen betekenis. Het is slecht gecomponeerd en het is toonloos. Het is een-en-al zelfoverschatting en de heer Du Perron bewijst er ons alleen deze voorname dienst mee, dat wij nu precies zijn geestelijke herkomst kennen... Het bevat te weinig aan geestelijke waarde en is te overvloedig van een nog al vulgaire banale erotiek. De Indische jaren van de jonge Arthur houden hem totaal aan de oppervlakte. Zijn opvoeding miste elke stijl en zijn vriendschap is van niet bepaald opbouwende strekking.’ Voor Groenevelt was Arthur Ducroo, ondanks de waarschuwingen van Du Perron, ‘de egocentrische mijnheer Du Perron zelf. Waar heeft deze Arthur du Perron de geestelijke durf vandaan gehaald om mannen als Dirk Coster, brutaal en honend neer te halen? Dirk Coster maakt nu-door deze roman-kennis met zijn tegenstander. Hij zal er dankbaar voor zijn, zich in zijn geestelijke superioriteit altijd voor gewacht te hebben deze mijnheer van een gelijksoortige repliek te dienen. Wie het L.v.H. van Du Perron leest-zal zich schamen ook maar een ogenblik naar hem geluisterd te hebben... “Aftuigen en uitjouwen”, heeft Donkersloot het bedrijf van Du Perron genoemd, “gelijk dat gebruik pleegt te zijn in milieu's waar men met de werktuigen en wapenen des geestes niet overweg kan en toch behoefte heeft aan tegenstellingen lucht te geven.” Van die milieu's nu getuigt het
L.v.H., waaruit Du Perron blijkbaar is voortgekomen. Deze zgn. roman is niet aan te bevelen.’ De dichter Ernst Groenevelt was de oprichter van het tijdschrift Het Getij.
Regels geschreven op een prentbriefkaart, poststempel: 15.30-14-VI-1935.
E.M. Forster = De ‘beminnelijke Forster van A Passage to India’ (EdP., V.W. 5, p. 81), een roman die Du Perron nogal mat vond. E.M. Forster (*1879) zou in 1954 eredoctor van de universiteit van Leiden worden. In 1934-1935 verbleven Christopher Isherwood, W.H. Auden en E.M. Forster enige tijd in Nederland (zie Klaus Mann, Der Wendepunkt), maar voor zover bekend, heeft Ter Braak geen van deze Engelse auteurs in Nederland ontmoet.
Edmond Jaloux = Edmond Jaloux (1878-1949), dichter, novellist, romancier, essayist en kritikus.
‘het allerboeiendst zijn haast de noten!’ = De superioriteit van de filosofische Eleuthère over zijn voornamelijk literaire tegenspelers werd door Julien Benda enigszins gerelativeerd in korte, ironische voetnoten.
‘zijn Daudet en Barrès er niet bij?’ = Ter Braaks vermoeden was juist; zie Du Perrons brief nr. 805. Léon Daudet (zie de aantekening bij brief nr. 378) heet in Dialogue d'Eleuthère Paul Lenfant, ‘homme d'esprit honoraire. Condamné à la plume, il vénérait l'épée.’ Maurice Barrès (1862-1923), dichter, romancier, essayist en nationalistisch politicus, heet Marcel Leleude, ‘un maître en décomposition. Il ne vénérait que l'énergie’. ‘Kom ik Donderdag met de Pullmann (19.28 Nord)’ = Donderdag, 20 Juni 1935.
‘de heren’ = De redacteuren van de Vlaamse afdeling van Forum waren Marnix Gijsen, Raymond Herreman, Maurice Roelants en Gerard Walschap.
‘Henny “beboet”’ = De commissie voor schone letteren had het bestuur van de Mij. der Ned. Letterkunde voorgesteld de C.W. van der Hoogtprijs 1935 uit te reiken aan H. Marsman voor diens bundel Porta Nigra. Het bestuur legde echter dit advies naast zich neer op grond van een artikel van Marsman in De Groene Amsterdammer van 11 Juli 1931. Marsman had destijds het advies van de commissie voor schone letteren van deze maatschappij om de aanmoedigingsprijs in dat jaar aan de 57-jarige Van Schendel toe te kennen, ‘een infaam, gearriveerd rotstuk’ genoemd. Tegen de houding van het bestuur rees verzet. In een vergadering van de maatschappij op 12 Juni 1935 werd een tegen het bestuur gerichte motie echter verworpen met 45-39 stemmen.
Ter Braak schreef hierover in Het Vaderland van 13 Juni 1935 o.m.:
‘De van der Hoogtprijs is niet bestemd om die schrijvers te huldigen, die er hun werk van gemaakt hebben de Maatschappij der Nederlandse
Letterkunde zoveel mogelijk te complimenteren of te ontzien; zij is bestemd als een bewijs van waardering voor literaire prestaties, en hoe men nu ook over zulke “bekroningen” en de bevoegdheid van degenen, die ze verlenen, moge denken, men mag toch wel aannemen, dat het taboe van de maatschappij bij de beoordeling van literaire waarde hoegenaamd geen rol behoort te spelen.
In het geval Marsman is deze kleine geraaktheid al bizonder pijnlijk voor de heren van het bestuur. Men heeft hier niet te doen met een man van één boek, maar met een schrijver, wiens betekenis voor de Nederlandse letterkunde (veel te vroeg, ik geef het toe, maar desondanks met een zeker recht) zelfs reeds is gecanoniseerd.’ Zie ook de noten 814 en 825.
Regels geschreven op een briefkaart, poststempel: 's-Gravenhage, 10-11. 25-VI-1935. Zowel uit deze brief als uit die van Du Perron, eveneens van 24 Juni, zou men kunnen afleiden dat Ter Braak, na Donderdagavond 20 Juni in Parijs te zijn gearriveerd, op Zondag 23 Juni weer is teruggereisd.
‘dat het stuk al in de krant stond’ = Op 24 en 25 Juni 1935 verschenen in Het Vaderland beschouwingen over het schrijverscongres te Parijs, MtB., V.W. 4, p. 578. De passages over het optreden van André Malraux - ‘de figuren, die het congres domineren, Gide en Malraux’ - zijn te vergelijken met wat Stephen Spender schreef, in World within world, over het schrijverscongres dat twee jaar later, in 1937, te Madrid zou worden gehouden. ‘The outstanding figure of the Congress was undoubtedly André Malraux. In 1937 he had an air of a battered youth, with face jutting pallidly over his intently crouching body as he looked at his audience... The Congress was dominated by his nervous sniff and tic. One day in Madrid, Hemingway, wistfully looking in Malraux’ direction, said: ‘I wonder what Malraux did to get that tic? It must have been at well over ten thousand feet.’
Malraux was the most brilliant and dynamic conversationalist I had met. He made an art of exposition. He could take ideas, express them as images, and set them before the mind's eye.
Vergelijk ook Du Perron over Gide (EdP., V.W. 5, p. 79): ‘zijn toespraak heeft mij de grootste ontroering gegeven van alle’, met wat E.M. Forster schreef over het congres in Parijs, in Two cheers for democracy: ‘I never knew Gide well, but we exchanged letters now and then, and I saw something of him in Paris at an international writers' conference in 1935... He made a moving speech at the conference about the greatness of Man, who will become greater still when no men suffer from misery
or want. He was the humanist unafraid. He was also as slippery as a trout. He entertained myself and a friend at a restaurant, stood us a delightful dinner with promise of a still more delightful talk after it, and then - il se sauva when the coffee arrived, he saved himself, he was gone. André Malraux went with him. I still remember the disappearance of those two distinguished backs, and our mild disappointment.’ Wie de vierde man was, bij dit eten aanwezig, vermeldt Forster niet, maar Bernard Groethuysen (zie noot 891) vertelde de Du Perrons, ten tijde van het Parijse congres, met E.M. Forster te hebben geluncht en zich van het gesprek iets te hebben voorgesteld, ‘mais il m'a parlé tout le temps de sa maman.’ ‘Voornamelijk omdat ik steeds weer geloof, dat niet alleen wij, maar vooral ook Malraux en Gide, inzake dit congres dupe zijn van anderen, van politiekers’ = Jean Guéhenno schreef in La foi difficile (1957): ‘J'ai plaisir pourtant à me rappeler, entre autres manifestations oratoires, cet étrange congrès qui, en juin 1935, se tint au Palais de la Mutualité “pour la défense de la culture”. Qu'il y eût de l'intrigue dans l'organisation même de ce congrès était trop clair, et je ne pense pas qu'aucun de ceux qui y participèrent l'ait ignoré. Gorki, dans un célèbre article, avait demandé aux écrivains du monde: “Avec qui êtes-vous, maîtres de la culture?” Ce congrès organisé à Paris, sur l'ordre de Moscou, par le parti communiste, devait, dans son esprit, donner à la question une réponse publique. C'était un grand acte de propagande...’
‘op Pasternak na, en een beetje Babel’ = Vgl. blz. 81-82 in EdP., V.W. 5. Isaac Babel (⋆1894), schrijver van toneelstukken en novellen, zou in 1937 worden gearresteerd en in een stalinistisch deportatiekamp opgesloten. Daar stierf hij of werd hij gedood in 1939 of 1940. Boris Pasternak (1890-1960), dichter en vertaler (Shakespeare, Goethe, Verlaine), publiceerde in 1957 in Italië zijn roman Dokter Zjivago, waarvoor hem in 1958 de Nobelprijs werd toegekend. Pasternak kreeg echter geen toestemming om de prijs te aanvaarden.
terview verscheen in Het Volk van 3 Juli 1935. Zie EdP., V.W. 5, p. 83. Monde = Het weekblad Monde werd in 1928 opgericht door Henri Barbusse, Romain Rolland en Jean-Richard Bloch. Bleef ongeveer tien jaar verschijnen.
‘Vanmorgen kreeg ik “ons” stuk’ = Uit de correspondentie met Greshoff blijkt dat Du Perron de brief, die in Het Vaderland van 28 Juni 1935 werd gepubliceerd, aan zijn vrouw had gedicteerd. De brief ging over de twee laatste dagen van het congres, die Ter Braak niet had bijgewoond. Du Perron vertelde dat op Maandagavond 24 Juni de zaal onrustig begon te worden bij de rede van ‘een kleine, grijze man met een puntbaard’, Salvemini, die er aan herinnerde dat niet alleen in de fascistische landen schrijvers werden opgesloten, maar ook in Sovjet-Rusland, zoals o.m. met Victor Serge was gebeurd. Men zag op het podium daarna Julien Benda hem met vuur de hand drukken en de twee grijze cultuurverdedigers omhelsden elkaar bijna, met een overtuiging waaruit bleek hoezeer de Fransman verheugd was de Italiaan te hebben horen zeggen wat hijzelf uit hoffelijkheid had teruggedrongen. De zaal bleef verder woelig tot het eind van de avond, en toen Paul Huard, een van de weinige overgebleven surrealisten, een pleidooi voor het wereldproletariaat op touw zette volgens Trostkyistische begrippen, werd hij door de orthodoxe communisten van boven en beneden uitgefloten en tot stilte gemaand. Men hoorde daarop André Malraux met donderende stem door de microfoon zeggen: ‘Het congres heeft zich tot nog toe in orde en waardigheid afgespeeld; ik zal niet toestaan dat het in mijn aanwezigheid in wanorde en lafheid verloopt. Ik eis dat men Paul Huard laat spreken.’ Op Dinsdagmiddag 25 Juni moest Malraux de zaal opnieuw in bedwang houden toen Magdeleine Paz ‘het geval Victor Serge uitvoerig ter sprake (bracht), in een voortreffelijke rede, hoewel voorgedragen met een ietwat theatraal sentiment’. Victor Serge (1890-1947) was een Franse schrijver, geboren te Brussel uit Russische ouders. Zijn werkelijke naam was Kibaltsjitsj. Na eerst anarchist te zijn geweest, werd hij in 1918 lid van de communistische partij. In 1933 werd hij in de Sovjet-Unie door de geheime politie gearresteerd en naar een concentratiekamp in Siberië gestuurd, maar een felle campagne voor zijn vrijlating, gevoerd vooral door Magdeleine Paz, Ch. Plisnier en Georges Duhamel, en ondersteund door André Gide, had in 1936 succes: Victor Serge werd vrijgelaten en keerde naar Frankrijk terug. Onder de titel Les révolutionnaires werden zijn romans, waarvan Du Perron Ville conquise kende, in 1967 herdrukt bij de Ed. du Seuil te Parijs. Zie ook EdP., V.W. 2, p. 489, 511 en V.W. 5, p. 80 en 81. Dinsdagavond sprak o.m. Paul Vaillant-Couturier (zie aantekening nr. 533) ‘in een soort gewijde stijl’, hoewel de hoofdredacteur van de Humanité ‘er in een crême pak uitzag als een koloniale slavendrijver.’
Salvemini = Gaetano Salvemini (1873-1957), Italiaans historicus, auteur o.m. van een ook door autoriteiten voor dit onderwerp als Albert Mathiez, Alphonse Aulard en Leonard Woolf bewonderde studie over de Franse Revolutie, raakte al gauw in conflict met het fascisme en verliet Italië in 1925. In 1933 werd hij benoemd tot Professor of Italian Civilization aan de universiteit van Harvard, maar keerde na de tweede wereldoorlog naar de universiteit van Florence terug. Zie ook EdP., V.W. 5, p. 80. ‘In Het Volk stond een werkelijk sympathieke bespreking’ = Het land van herkomst werd besproken door J.W. (Johan Winkler) in Het Volk van 27 Juni 1935. Winkler schreef o.m.: ‘Hij betrekt in Het land van herkomst zowel Indië als Europa, zowel Amsterdam als Brussel en Parijs, en
de problemen die hij aansnijdt zijn even veelvuldig als deze aardrijkskundige namen. Het is vooral die veelheid van milieu's en vraagstukken, die aan zijn boek - vergeef mij nog eens het versleten woord - zijn “boeiende” waarde verlenen.’ En ook: ‘Ofschoon die jeugdherinneringen niet de ganse inhoud van Het land van herkomst uitmaken, zijn zij ongetwijfeld het belangwekkendste deel daarvan. Die jeugdherinneringen zijn hier op een uiterlijk gezien “makkelijke” manier, schijnbaar zonder moeite, schijnbaar al naar er aan het geheugen iets te binnen schoot, verteld; maar die lange rij van schijnbare “invallen”-der-memorie vormt tenslotte een totaal-beeld van Indisch leven van vóór en tijdens de oorlog, zoals wij het tot nu in de Nederlandse literatuur vrijwel niet bezaten. Het is die schijnbaar makkelijke schrijftrant, het is dit ongemerkt saamvoegen van duizenderlei détails tot wat aldus langzamerhand een groots panorama van Hollands-Indisch en later tevens van Parijs-internationaal leven wordt, wat voor mij de grote charme van het boek uitmaakt.
De vergelijking gaat gelijk èlke vergelijking mank, maar ik heb toen ik Het land van herkomst las aan Ibsens drama gedacht, aan Spoken bijvoorbeeld. Du Perrons boek is van soortgelijke structuur.’
‘over de Roehm- en Dollfuss-moorden’ = Zie de aantekeningen bij de brieven 634 en 575.
‘Dank voor je stuk over die onbewuste Bottom’ = Ter Braak besprak Uit de wereld van het onbewuste, door Phyllis Bottome, in Het Vaderland van 30 Juni 1935, MtB., V.W. 5, p. 543.
‘De bespr. van Ducroo door Gans’ = Zie de aantekening bij brief nr. 796.
‘En de goede Kramers heeft Uyldert ten mijnen behoeve bekampt’ = In D.G.W. van Juni 1935 bestreed W.A. Kramers een kritiek op Het Land van Herkomst in het Algemeen Handelsblad. De aanvang van het stuk van Maurits Uyldert luidde aldus: ‘E. du Perron, schrijver van vele boeken, is eigenlijk geen letterkundige, maar een symptoom. Een symptoom van de ontwrichting en smaakverwarring in de Ned. letteren van na de oorlog. Het is verwonderlijk, dat figuren die in de jaren, laat ons zeggen vóór 1920, geen kans gehad zouden hebben om de aandacht op zich te vestigen, sindsdien in bepaalde kringen toch een zekere bekendheid, ja zelfs een zeker gezag hebben kunnen verkrijgen, alleen reeds door het maken van literair spektakel en gerucht. Een gerucht dat toch eigenlijk in geen enkel opzicht aandacht verdient. De heer Du Perron bezit niet het minste talent. Aan zijn stijl ontbreekt elk persoonlijk cachet, zijn artikelen blijven, zelfs al zijn ze nog zo agressief, machteloos van toon en door-en-door onbeduidend. Men kan zijn verhalend proza nauwelijks vernuftig noemen. Alle oorspronkelijkheid en geest is deze publicist vreemd, al wat hij schrijft is kleurloos, troebel en grauw.’ W.A. Kramers antwoordde hierop: ‘dat men du Perron machteloosheid van
toon verwijt, en door-en-door onbeduidendheid en gebrek aan oorspronkelijkheid en geest, dat is een zo stuitend bewijs van gebrek aan onderscheidingsvermogen, dat men bijna aan de goede trouw van de criticus zou gaan twijfelen.’
Vigilance = Als een reactie op de gebeurtenissen van de zesde Februari 1934 te Parijs (zie aantekening nr. 512), werd 4 Maart 1934 opgericht een Comité d'action antifasciste et de vigilance, waarvan de naam later werd gewijzigd in: Comité de vigilance des intellectuels antifascistes. Het initiatief was uitgegaan van Pierre Gérôme, ‘le tout jeune et exalté et talentueux Pierre Gérôme (d'Europe), pseudonyme d'un jeune fonctionnaire grand bourgeois et communisant - endiablé, dictatorial - proie, je crains, pour Moscou, mais bougrement réel pour l'instant’ (citaat ontleend aan een brief van Michel Alexandre aan Marcel Martinet van februari 1934). Gérôme heette in werkelijkheid Walter en was destijds auditeur à la Cour des Comptes. De leiding van het comité werd gevormd door Paul Rivet, Langevin en Alain. Op 5 Maart 1934 gaf het comité een manifest uit waarin men verklaarde vastbesloten te zullen strijden ‘pour sauver contre une dictature fasciste ce que le peuple a conquis de droits et de libertés publiques.’ Ook: ‘Nous lutterons contre la corruption; nous lutterons aussi contre l'imposture. Nous ne laisserons pas invoquer la vertu par les corrompus et les corrupteurs. La colère que soulèvent les scandales de l'argent, nous ne la laisserons pas détourner par les banques, les trusts, les marchands de canon, contre la République - contre la vraie République qui est le peuple travaillant, souffrant, pensant et agissant pour son émancipation.’ Het comité had onder de franse intellectuelen aanvankelijk veel sukses, in de zomer van 1935 maakte het bekend 8532 leden te hebben geworven. Op het voorbeeld van Vigilance zou in 1936 in Nederland het Comité van Waakzaamheid worden opgericht. (Zie brief nr. 955).
Rivet = Paul Rivet (1876-1958), taalgeleerde en anthropoloog (Amerikaanse Indianen), stichter van het Musée de l'homme te Parijs, was voorzitter van het Comité de vigilance des intellectuels antifascistes (C.I.V.A.). Versloeg in de zomer van 1935 met een grote meerderheid van stemmen zijn ultra rechtse tegencandidaat in de verkiezingen voor de Parijse gemeenteraad (vijfde arrondissement).
Langevin = Paul Langevin (1872-1946), theoretisch natuurkundige, droeg reeds in de eerste fase bij tot de relativiteitstheorie, maar zijn grootste bekendheid verwierf hij op het gebied van het magnetisme. Ook als pedagoog was Langevin bekend (zie zijn La valeur éducative de l'histoire des sciences); hij droeg in belangrijke mate bij tot het opstellen van plannen voor onderwijsvernieuwing.
prijs 1935 aan Marsman toe te kennen, stond afgedrukt in Het Vaderland van 29 Juni 1935 en was ondertekend door 81 Nederlandse en Belgische schrijvers, intellectuelen en kunstenaars. Zie ook de noten 804 en 825. ‘die nieuwe Kroniek v. Hedend. Kunst en Kultuur (door jou besproken)’ = Ter Braak besprak het eerste nummer van de Kroniek van Hedendaagsche Kunst en Kultuur onder de redactie van L.P.J. Braat, Ed. de Nève, Johan Polet, Jan Wiegers en Mathieu Wiegman. Het nummer bevatte ‘een belangrijk interview’ over het individualisme met André Malraux, hem afgenomen door C. Wijss (zie verder de aantekening bij brief nr. 830).
‘het portret van Buckland Wright’ = John Buckland Wright te Parijs maakte het frontispiece van Het Tweede Gezicht naar een foto. Uit een brief van mevr. du Perron-de Roos, van begin 1935, blijkt dat de kunstenaar aanvankelijk dacht dat Ter Braak klein was: hij mat, zoals Ter Braak in zijn notitieboekje-1934 noteerde, 1.87 m. (Voor het portret van Buckland Wright zie Schrijvers Prentenboek 5, Menno ter Braak, p. 30.) Du Perron gaf als zijn lengte op: 1 m. 66, zie EdP., V.W. 5, p. 199.
‘heeft hij niet voor de maatschappij bedankt’ = Wat betreft deze en volgende brieven die betrekking hebben op Vestdijks aanvaarding van het lidmaatschap van de Mij. voor Letterkunde, zie ook: S. Vestdijk, Gestalten tegenover mij.
‘Panferow c.s.’ = ‘Het belangrijkste resultaat van dit Congres zal ongetwijfeld zijn... dat bij de “burgerlijke” (d.w.z. niet-communistische) auteurs het scepticisme jegens de culturele bedoelingen van de Sowjet-Unie is toegenomen. Want uit de naïef-optimistische, soms bijna komisch-arrogante redevoeringen van typische “nieuwe” Russische schrijvers als de heren Luppol, Koltzof en Panferof, die in de overvloedigste termen ons steeds maar van de zegeningen van het Sowjet-regiem vertellen en zelfs voor de leegste banaliteiten niet terugdeinzen, is niets te halen, dat voor West-Europeanen aantrekkelijkheid zou bezitten, laat staan, dat samenwerking op enigerlei basis binnen het bereik van de praktische mogelijkheden zou liggen.’ (MtB., V.W. 4, p. 580).
‘als zij met alle geweld ergens willen staan’ = In tegenstelling tot wat vaak gedacht, en ook wel geschreven wordt, zijn Gide en Malraux nooit lid van de communistische partij geweest.
A.s. Zondag schrijf ik over Die Moorsoldaten van Langhoff en Le Temps du Mépris = Menselijkheid, n.a.v. Langhoff en Malraux, verscheen in Het Vaderland van 7 Juli 1935, zie MTB., V.W. 5, p. 549.
‘onderscheiden à la Dr. Jan de Vries’ = Slaat waarschijnlijk op de houding van prof. dr. Jan de Vries in de kwestie-Marsman. Prof. de Vries was voorzitter van de jaarvergadering van de Mij. v. Letterkunde, liet als zodanig de leden in het onzekere over zijn mening, maar tekende enkele dagen later wel het protest tegen het niet toekennen van de prijs aan Marsman.
front-unisten = De gebeurtenissen van 6 Februari 1934 te Parijs (zie noot 512) hadden al gauw grote invloed op de verhouding tussen socialisten en communisten: hun vijandschap verminderde (dat de laatsten de eersten tot dan voor sociaal-fascisten hadden uitgemaakt, zoals Du Perron schreef in het laatste hoofdstuk van Het land van herkomst, EdP., V.W. 3, p. 527, is geen romanciers vrijheid, maar werkelijkheid). Maar misschien nog belangrijker voor de verhouding tussen de beide linkse partijen was het Zevende Congres van de Komintern van 1934, dat de politiek van het Volksfront inluidde. Van 23 tot 26 Juni 1934 hielden de communisten te Ivry een nationale vergadering met slechts eén punt op de agenda: ‘L'organisation du Front Unique de lutte anti-fasciste.’ Op 27 Juli 1934 werd een ‘pacte d'unité d'action contre le fascisme’ getekend door socialisten en communisten, maar de eerste publieke manifestatie van het Volksfront (Front populaire of Front uni) vond op 18 Januari 1935 in de salle Bullier te Parijs plaats. Daar omarmde, in de woorden van Arthur Koestler in The God that failed, de oud-leider van de communisten Marcel Cachin het sociaal-fascistische reptiel Léon Blum. Koestler laat deze gebeurtenis zich echter afspelen op 14 Juli 1935: de dag waarop het Volksfront zijn getalsterkte demonstreerde tegenover de Croix de feu en het fascisme, een manifestatie die was voorbereid door een op 17 Juni gevormd comité o.l.v. Victor Basch, voorzitter van de Ligue des droits de l'homme (zie noot 541). Voor de 14e Juli 1935, zie ook de aantekening bij brief nr. 830.
‘je stuk over PEN-club en Maatschappij in Panopticum’ = Ons Volkskarakter, MtB., V.W. 4, p. 587.
‘je franse rede’ = De tekst van het Discours sur la liberté, door Ter Braak op 22 Juni 1935 op het Congres van Schrijvers te Parijs uitgesproken, verscheen in Forum, jrg. 1935, p. 649. Over de vrijheid zei Ter Braak o.m.: ‘On devrait toujours se représenter que les mots - et le mot de
liberté comme tout autre - tendent à nous rendre esclaves de la grammaire. Le mot de liberté est évidemment chargé de séduction grammaticale, car il nous incite à considérer à travers un seul vocable un ensemble de situations très différentes. D'où notre indifférence passeé, d'où également notre confusion présente, maintenant qu'en Europe parler de liberté est brusquement devenu un devoir. Comme si un mot en soi pouvait avoir de l'importance! Comme s'il agissait de refuser ce mot à quelques-uns, de ne l'accorder qu'à moitié à d'autres! J'ai autrefois... signalé qu'on ne peut dénier au national-socialisme lui-même une certaine conception de liberté, une conception idéologiquement fondée, et j'ai alors comparé cette notion à la conception moyen-âgeuse de la “libertas”, issue de Saint-Augustin. “Libertas” n'est dans la terminologie du moyen-âge qu'un des degrés de l'indispensable “servitus”, de même que “pax” signifie à peu près: “guerre permanente contre le diable et les siens”. Ce que Saint-Augustin et l'homme du moyen-âge ont pu concevoir sous le mot de “libertas” est donc affaire de psychologue, mais qu'ils n'aient pas songé à “liberté, égalité, fraternité” en écrivant ce mot, personne n'en doutera.’ Chiaromonte = Op 6 Juli 1935 schreef Du Perron aan J. Greshoff: ‘Mijn grote ontdekking van het congres was de nadere kennismaking met Chiaromonte, een alleraardigste Italiaanse jongen, die er ook meer dan zijn bekomst van kreeg’. Zie verder de aantekening bij brief nr. 845.
‘een paar verzen van Van Hattum’ = De verzen Ik dacht mij in, Adreswijziging en 140 Pond, van Jac. van Hattum (*1900).
[...] = Twintig woorden weggelaten.
[...] = Negen woorden weggelaten.
‘het stukje panopticum over de Maatschappij’ = Ons Volkskarakter, MtB., V.W. 4, p. 587.
‘Het Bestuur is, dit terzijde, gisteren afgetreden’ = Op het aftreden van het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde leverde Ter Braak commentaar in een stuk in Het Vaderland van 11 Juli 1935, getiteld: Wat is waardigheid? Ter Braak schreef o.m.: ‘Schrijver dezes heeft destijds voor het hem aangeboden lidmaatschap der Maatschappij bedankt; hij zou, mocht men ooit op het onwaarschijnlijke idee komen hem te bekronen, eveneens voor de prijs bedanken; maar dat neemt niet weg, dat hij het mogelijk acht, dat de heer Marsman een onderscheid maakt tussen het lidmaatschap van de Maatschappij en de prijs, die de heer van der Hoogt aan die Maatschappij toevertrouwde als een waardering van “dichters of schrijvers van letterkundig proza”. De Maatschappij is inderdaad niets anders dan “trustee”, zoals de Commissie in haar brief aan het Bestuur zeer terecht heeft opgemerkt; zoal niet formeel, dan des te meer moreel! Maar wat beweert het Bestuur? “Het Bestuur heeft gemeend, dat het de Maatschappij belachelijk en verachtelijk zou maken en haar waardigheid te grabbel gooien met aan dat advies (van de Com-
missie) gehoor te geven.” En toch, dat belachelijk en verachtelijk maken van zichzelf en dat te grabbel gooien van eigen waardigheid zou het enige royale gebaar geweest zijn, waaruit een ieder had kunnen opmaken, dat het Bestuur kon onderscheiden tussen verenigingsbelangen en literaire betekenis!’ (Zie ook de noten 804 en 814).
‘toch leest men in Forum... dat je zo met “intelligentie” werkt’ = In Forum, jrg. '35, p. 705, trachtte Walschap te bewijzen dat Ter Braak niemand zijn gebrek aan intelligentie zou mogen verwijten. Ter Braak's ‘wichelroede, de intelligentie’, was geen garantie voor wijsheid en zelfs boven wijsheid verkieslijk leek Walschap ‘gelukkig zijn en zeg niet dat geluk en intelligentie elkaar niet uitsluiten.’
‘dien gebeukten acteur’ = Wolfgang Langhoff, de schrijver van Die Moorsoldaten, was acteur.
‘Onze correspondentie toen je met de Vlamingen in zee wou’ = Zie brieven nrs 447, 449, 451, 463, 465.
‘Hierbij overigens de brief van Vestdijk’ = Op 9 Juli 1935 schreef S. Vestdijk aan Du Perron: ‘Beste Eddy, Mijn voornaamste motief bij het aanvaarden van dat lidmaatschap was de f 1000. - : geldzucht dus en geen eerzucht, en ik zie niet in waarom ik in dezen karakterlozer ben dan Marsman, wanneer hij diezelfde f 1000. - geaccepteerd had, wat hij zeker zou hebben gedaan. Ten bewijze, dat hij over mijn lid-worden anders denkt dan jij je voorstelt, diene, dat hij, met Engelman, tegenover Nijhoff het plan opgeworpen had om mij (met Van Eyck) in die commissie te duwen, in plaats van Nijhoff en Coster. Dit was al bij hem op gekomen voordat ik in U. kwam, voordat hij dus weten kon of ik de benoeming al of niet accepteerde. Zijn gedachtengang was: beter wat goede mensen in die commissie dan allemaal Jo van Dullemen-de Wits, waardoor de prijs dan voorgoed verloren zou gaan voor hen die hem verdienden; zoals je ziet een redenering, Julien Sorel waardig. Alles bij elkaar genomen zie ik niet in waarover je je zo druk maakt; het weigeren van dat lidmaatschap is na Slauerhoff, Den Doolaard, etc. toch niet zo'n erg sterk bewijs van karakter meer, vind ik.’
(Zie ook: S. Vestdijk, Gestalten tegenover mij).
[...] = Tweeënzestig woorden weggelaten.
‘Dank voor het plaatsen van het stukje tegen De Jong’ = In Het Volk van 10 Juli 1935 had A.M. de Jong enkele bittere opmerkingen gemaakt over de keuze van de Nederlandse afgevaardigden naar het schrijverscongres in Parijs. Du Perron reageerde met een ingezonden brief aan Het Vaderland van 13 Juli '35. Hij noemde de namen van wie hij had uitgenodigd en schreef vervolgens: ‘Jef Last en ik zelf waren eerder uitgenodigd door de organisatoren...; Nico Rost maakte deel uit van de Hollandse “delegatie” door met Jef Last mee te komen. Het bestaan van den heer A.M. de Jong was mij inderdaad bekend - zoals door hemzelf wordt aangenomen - maar ik heb niet aan hem gedacht, wellicht uit een oude gewoonte niet aan hem te denken.
Henriëtte Roland Holst deelde ons later mede, dat zij de haar gestuurde uitnodiging niet had ontvangen, daar zij, ongesteld en van adres veranderd zijnde, niet al haar post kreeg doorgezonden. Om verschillende redenen, niet in het minst in dit geval haar bekendheid in het buitenland, was haar afwezigheid een oneindig groter verlies voor Congres en Nederlandse “delegatie”, dan het verlies, dat de heer De Jong boven alles schijnt te betreuren.’
‘die groene Kultuur-kroniek’ = Volgens Ter Braak gaf de ‘groene verfstof’ op het omslag van de Kroniek van Hedendaagsche Kunst en Kultuur af (Het Vaderland, 1 Juli 1935). In dat nummer van de K.v.K.e.K. publiceerde Jef Last Invocations, opgedragen ‘à son ami André Gide’.
‘een boek over Zapata’ = Dit werk staat niet vermeld op de lijst van in 1935 door Du Perron gelezen boeken. Mogelijk heeft hij over de Mexicaanse boerenleider gelezen: H.H. Dunn, Zapata, l'Attila du Mexique (Parijs, 1934).
‘Eenige anecdoten over de 14e Juli’ = Zie Het Vaderland van 17 Juli 1935, waarin o.m. verteld wordt van de man die uit een venster hing en die toen de groep van Vigilance voorbijging, juichte: ‘Leve de geleerden, nooit moeten ze sterven!’ hetgeen, zoals een jonge schrijfster in dezelfde groep opmerkte, een beetje beangstigend was voor de jongste generatie van geleerden, die ook eens zijn plaats hoopt in te nemen. Aan deze betoging van het Volksfront, die in alle rust verliep, namen volgens Het Vaderland 400.000 mensen deel (volgens de Parijse politie: 100.000). Behalve socialisten, communisten en het comité Vigilance waren ook de radicaal-socialisten van Herriot, de vakbonden C.G.T. en C.G.T.U., en zelfs verenigingen als de Travailleurs sans Dieu, les Amis des fêtes du peuple en de Union naturiste de France present. De eveneens in goede orde verlopen tegendemonstratie van de Croix de feu verzamelde naar schatting 25000 mensen. Over deze Juli-dagen van 1935 zou Arthur Koestler, die destijds ook in Parijs woonde, later schrijven dat zij voor hem de tweede wittebroodsweken met de Communistische Partij waren (zie The God that failed), een enthousiasme waarin Koestler niet alleen stond, en dat contrasteert met het verzet tegen dat enthousiasme van Du Perron.
‘Die “geschoren gorgel”’ = Zie noot nr. 743.
‘Walschap's treinreis’ = Zie Xenophobie, door G. Walschap, Forum, jrg. 1935, p. 280, waarin de ik-figuur in de trein tussen Rome en Napels moet meemaken, hoe een lelijke Italiaanse matrone op de bank tegenover hem wordt verleid door een jong Italiaans zeeofficiertje.
‘het verhaal van René Berghen’ = Het jeugdavontuur van Leo Furkins.
Rümke = De arts H. Rümke (1896-1961) was voorzitter van de Sociëteit voor Culturele Samenwerking te Den Haag.
‘Wel heb ik nog vlam gevat op Huizinga en hem in een panopticum met Gide vergeleken’ = In De Kaarten en het Spel, MtB., V.W. 4, p. 589.
‘Gide zegt juist een paar heel vieve dingen over de historie in de N.R.F. van April’ = Zie de N.R.F., jrg. 1935, p. 510. Enkele van Gide's zinnen zijn door Ter Braak geciteerd in De Kaarten en het Spel.
‘Het artikel over Ortega’ = MtB., V.W. 5, p. 557.
‘een bespreking van een huisvrouw van De Smalle Mens’ = Tonia de Bilt besprak De Smalle Mens in het Critisch Bulletin, jrg. 1935, p. 826. Zij ving aldus aan: ‘Hetgeen het lezen van Du Perrons boeken in hoge mate bemoeilijkt is de onverwerktheid der stof. Het materiaal is belangrijk, het is zelfs van zeer actuele waarde, maar de schrijver, schijnt het, stelt zich tevreden, het in ruwe toestand aan de lezer door te geven, met hier en daar zeer zeker een emotioneel commentaar, maar zonder dat veel arbeid der gedachte is verricht. Is hij lui, vraagt men zich af. Behoort hij tot het soort superieure luiaards, die zich met een gordel van actie omringen om daarbinnen te kunnen voortslapen? De schrijfster dezer regelen, door een drukke werkkring genoodzaakt de gehele dag in de weer te zijn, kent deze luiheid maar al te goed.’ Ter Braak en Du Perron hebben niet geweten dat de ‘schrijfster’ Tonia de Bilt in werkelijkheid M. Nijhoff was.
‘Lees ook Coster contra Bordewijk’ = N.a.v. Bint schreef Dirk Coster in De Stem, jrg. 1935, p. 783, Bint, of de kroning der schoften, waarin hij de roman van Bordewijk een ‘even weerzinwekkend als giftig prul’ noemde.