|
|
|
| |
| | | |
Grondslagen der filmaesthetiek
Elke begrenzing is bij voorbaat de erkenning van een andere mogelijke begrenzing;
elke titel geeft slechts gedeeltelijk weer, wat men bedoelt. De titel van deze
beschouwing is in zoverre onjuist, dat men over een ‘film-aesthetiek’ in
absolute zin in het geheel niet kan spreken. Dit woord wekt de bijgedachte, als
zouden er door de geboorte en ontwikkeling van de film op aarde nieuwe
schoonheidsnormen ontstaan zijn, waarvan tot de twintigste eeuw niemand enig
begrip kon hebben, als zou de film alle bestaande aesthetische verhoudingen
omver hebben geworpen door zijn ongegeneerd binnen-komen-vallen in het rustige
boudoir der algemeen erkende en van ouds beroemde Muzen. Er is geen
filmaesthetiek; er is slechts de mogelijkheid een aesthetische, algemeen geldige
beschouwing der kunstvaardig geordende stof toe te passen op dit bijzondere
geval, deze bijzondere vorm: de film. Men moet een formulering vinden, die niet
in dogmatische bekrompenheid het leven inrijgt en gewelddadig besnoeit, maar die
evenmin aan zekere anarchistische filmenthousiasten de gelegenheid geeft de
betekenis van het nieuwe phaenomeen stelselmatig te overdrijven en als een
ongekend wereldwonder te verheerlijken. Onze aesthetische formulering moet niet
van de stof, maar van de creatieve en genietende mens uitgaan; zij moet zo ruim
zijn, dat zij de monumentaliteit der Nibelungen, het verfijnd
experiment der jonge Fransen, het onstuimig, oerkrachtige realisme der
sowjet-films en de zelfbespotting van Charlie Chaplin omvat. Zij moet daarom,
voor alles, in haar uitgangspunt algemeen aesthetisch
orienterend en a-technisch zijn.
Dit standpunt tegenover de ‘film-aesthetiek’: algemeen orienterend en
a-technisch, maakt het noodzakelijk een drietal andere standpunten aan te roeren
en te vergelijken.
| | | |
In de eerste plaats het ongetwijfeld te enenmale verouderde en steeds minder
verdedigde standpunt, dat de film alle aesthetische mogelijkheden zou missen,
een minderwaardig symbool zou zijn van de twintigste-eeuwse snelheids- en
oppervlakkigheidsroes. Wanneer men afziet van de paradoxale theoriën van Marcel
l'Herbier, die door gans andere overwegingen geleid wordt, wanneer hij de film
geen kunst noemt, is er nog nauwelijks een enigermate deskundig mens aan te
wijzen, die op deze manier met de film meent te kunnen afrekenen. Ook wat
Nederland betreft: de tijd van de Stem-enquête is voorbij, of
liever, de tijd, dat men dergelijke gewichtige en totaal ongefundeerde
uitspraken van overigens zeer verdienstelijke individuen au sérieux nam. Er is
inderdaad wel iets meer aan de film te waarderen dan men aanvankelijk gemeend
heeft. ... Niettemin, geheel opgeruimd zijn deze misverstanden niet. Nog in
Sept. 1926 schreef b.v. mej. E.C. Knappert1: ‘Wat
de kunstfilm betreit, van haar invloed ten goede kan geen hoogen dunk hebben,
wie nog immer gelooft dat niets eens menschen eigendom worden kan, dat niets hem
waarlijk verrijken kan, zonder moeite en inspanning.’ En als beleefde concessie:
‘Wij herhalen echter, dat hare beteekenis als ontspanningsmiddel niet ontkend
wordt.’ Men ziet, het misverstand bestaat nog: alsof de film principieel iets
anders zou zijn dan welke aanschouwelijkheid ook! Men kan het niet dikwijls
genoeg herhalen: de goede film wordt evenmin zonder moeite en inspanning genoten
als welke kunstuiting ook en wie met de misleidende oppervlakkigheden der
cinematografische massaproductie de film aanvalt, kan met evenveel recht de
schilderkunst bestrijden met de ‘Peinture Bogaers’. ...
Ook prof. J. Huizinga, in zijn overigens zeer instructieve boekje over
Amerika2, is nog geneigd de film te onderschatten, ook als
vormgeving. Hij schrijft: ‘De functie der litteratuur is niet meer uitsluitend
gebonden aan het woord. Het zichtbare beeld paart zich aan het woord, en
domineert veelal. Ook wie de meening, dat de advertentie op weg is, litteratuur
| | | | te worden, te paradoxaal vindt, zal het moeten toegeven ten
opzichte van de film. Want het is duidelijk, dat de filmkunst - die niemand meer
als zoodanig loochenen kan en voor welke men eerstdaags een Muze of
schutspatroon zal moeten zoeken - niet bestemd is voor een plaats onder de
beeldende kunsten, maar met de tooneelkunst aan de zijde der litteratuur hoort.
Ondanks al haar nadruk op het visueele werkt de film niet beeldscheppend. Reeds
de slechts oogenblikkelijke duur van haar fantasmen verbiedt, haar dit karakter
toe te kennen. ... Een film zien is als functie veel nader verwant aan het lezen
van een verhaal dan aan het zien van een schilderij.’
Hoewel hier nadrukkelijk het kunstelement in de film toegegeven en terecht de
‘beeldvlakkunst’ zeer scherp van de beeldende kunst gescheiden wordt, schuilt er
niettemin onderschatting in de bewering, dat de film niet beeldscheppend zou
werken en ‘aan de zijde der litteratuur hoort’. Een zelfstandige vormgeving
wordt de film nog niet voluit gegund. ... Want de film werkt wel degelijk
beeldscheppend; hoewel hij met de litteratuur gemeen heeft, dat hij een beroep
moet doen op de herinnering, schept hij beelden in de meest letterlijke zin, visuele beelden, die door de toeschouwer als visuele indrukken
verwerkt worden, terwijl bij het genieten van litteratuur het visuele beeld aan
de lezer zelf, als onvermijdelijk begeleidend verschijnsel, overgelaten wordt.
(In de film, kan men zeggen, wordt de litteratuur aan de toeschouwer
overgelaten.)
Er is geen twijfel mogelijk: steeds algemener zal men de
zelfstandige expressiemogelijkheid van de film moeten erkennen, juist om de
algemene geldigheid der aesthetiek te kunnen behouden. De film, die een
kunstenaar geschapen heeft, is volstrekt niet een ‘korter en gemakkelijker wijze
van opneming’, zoals Huizinga zegt, maar een even moeilijk te bereiken vorm als
welke kunstuiting ook.
Ieder standpunt dus, dat de film hetzij als een minderwaardig
ontspanningsartikel, hetzij als een niet-zelfstandige bijvorm van andere
kunstvormen beschouwt, wijzen wij dus af, moeten wij afwijzen
op grond van de algemene conclusie, dat zijn expressie-middelen zich wel laten
vergelijken, maar geenszins laten identificeren met die van andere kunsten.
| | | |
Even scherp echter hebben wij een tweede houding tegenover het filmvraagstuk te
bestrijden: de sentimentele. Zij is een reactie op de vorige
en minstens even onverdedigbaar; ja, zelfs is zij nog verwerpelijker, omdat zij
gewoonlijk volslagen oncritisch te werk gaat. Men kent het soort lieden, dat
zich himmelhoch jauchzend vastklampt aan het nieuwe, omdat het nieuw is. Men
kent de schare, die, nu de film eenmaal uitgevonden is, met litteratuur en
beeldende kunst meent afgerekend te hebben, die de film als de
specifieke uitingsvorm der twintigste eeuw beschouwt. Het is volkomen overbodig
op deze mentaliteit verder in te gaan; zij culmineert wel in één der gesten van
een vaderlands filmrecensent, die zich niet ontzag uit puur filmfanatisme een
slechts naar ruimtelijke afmetingen groot werk als Metropolis
in de wolken te verheffen, waarbij het hem voortreffelijk gelukte de algehele
leegheid, het ontbreken van ieder spoor van waarachtig gedreven scheppingsdrang
voorbij te zien. ... Karakteristiek voor deze geesteshouding is, dat zij het middel verheerlijkt, omdat zij de creatie
niet begrijpt. Juist is, dat het cinematografisch middel tot de bijzondere
voorrechten van onze tijd behoort; maar primair is, dat de creativiteit van onze
tijd zich over verschillende vormen van kunst verdeelt, dat nooit de
creatiedrang zich zal samentrekken op één vorm. De film is daarom nooit te
verstaan, zonder dat men zich rekenschap geeft van de overige kunstvormen,
waarin de tijd zich uitdrukt. De film is zelfstandig náást, maar niet los ván de
andere kunsten; zij is volstrekt niet interessanter dan een andere vorm, waarin
men de schone orde ontdekt; zij houdt ons alleen dáárom zo intens
propagandistisch bezig, omdat wij haar nog niet algemeen erkende
gelijkwaardigheid opeisen. Dit zal nooit mogen verhinderen, dat men dezelfde
critische scherpte, dezelfde aesthetische methode op haar toepast; want zogoed
als de andere kunsten is zij uitdrukking van de menselijke bewogenheid in de
stof.
Naast deze twee standpnnten: het afwijzende en het sentimentele, die beide aan de
ware betekenis van de film te kort doen, tenslotte een derde, het laatste en
gewichtigste: het technische. Met de twee vorige was
betrekkelijk gemakkelijk | | | | af te rekenen; al uit de evidentie der
feitelijke gegevens laat zich opmaken, dat de volledige erkenning van de film
als kunstvorm iedere voorbarige verachting en alle critiekloze verheerlijking
uitsluit. Wij bepaalden ons standpunt als orienterend; en orientering is zowel
met verachting als verheerlijking onverenigbaar.
Het is moeilijker en van meer belang het technische standpunt onder ogen te zien.
Want behalve algemeen oriënterend hebben wij de zuiverste ‘film-aesthetische’
houding ook atechnisch genoemd; en dit vraagt enige nadere verklaring. Immers
het spreekt vanzelf, dat de technische beschouwing van de film in een bepaalde
sfeer geldigheid bezit, dat zij b.v. voor de scheppende cineast zelfs de enige
maatstaf moet zijn. In het algemeen: de scheppende kunstenaar beschouwt steeds,
voorzover hij scheppend werkzaam is, de kunst van een technisch standpunt. Het
technisch standpunt is het standpunt der vruchtbaarheid, der activiteit;
technisch een kunstvorm zien betekent: het onderscheid met andere kunstvormen
doorzien, het materiaal kennen, de techniek beheersen. Het technisch standpunt
is bij uitstek het standpunt der kunstenaars, der vaklieden.
In de filmmaterie wil dit zeggen, dat men de cinematografie beschouwt als de nieuwe optische mogelijkheid. Moholy-Nagy heeft deze nieuwe
verhoudingen, waarbij echter te dogmatisch in de eerste plaats fotografie en
schilderkunst tegenover elkaar gesteld worden, als volgt samengevat:
‘Gestaltung der Farbe: Die reinen Beziehungen der Farben und
Helligkeitswerte untereinander, wie wir sie in der Musik als Gestaltung der
Tonbeziehungen kennen;
Gestaltung der Darstellung: Beziehungen des Optisch-Formlichen,
Gegenständlichen mit assoziativen Inhalten, wie in der akustischen Gestaltung
neben der Musik die Sprache existiert.
Durch diese Spaltung wird das vom menschlichen Geiste bisher Errungene nicht
zerstört; im Gegenteil: die reinen Formen des Ausdrucks werden kristallisiert
und in ihrer Eigengesetzmässigkeit zu durchschlagenderer Wirkung gebracht.’1
| | | | Het thema der schilderkunst is, volgens Moholy-Nagy, ‘die Farbe
selbst’; de fotografie heeft haar van de taak ontheven ‘darstellerisch’ te werk
te gaan. En: ‘Die neu erfundenen optischen und technischen Instrumente geben dem
optischen Gestalter wertvolle Anregungen; unter anderem wandeln sie das statische Bild langsam - wenn auch nicht überall - in das kinetische um (Statt Fresken - Filme in allen Dimensionen;
selbstverständlich auch ausserhalb des Filmtheaters).’ Dit alles klinkt
speculatief. Er is over te discussiëren, of de schilderkunst werkelijk door de
uitvinding der fotografie de ‘Darstellung’ kan ontberen; deze opvatting komt in
conflict met de onredelijkheid van de kunstvorm. Maar dit doet hier niet ter
zake; men ziet, hoe de technicus, de vakman, tot de film nadert langs de weg der
technische onderscheiding. Hij zoekt ‘Eigengesetzmässigkeit’.
Hij zoekt het anderszijn van de film. En hij heeft, als creator, daarin volkomen
gelijk; want creatie is het kiezen van beperkte middelen tot het bereiken van
een beperkt doel. Creëren is het verkiezen van de ene uitdrukkingsvorm boven de andere: creëren is het uitbuiten van de stof met
zekere, vastomschreven, bewust gerichte vaardigheid. Creëren is een zich
afwenden van het algemene, een zich toeleggen op het bijzondere.
Ziehier de reden, waarom de ‘film-aesthetiek’ (trouwens alle aesthetische
beschouwing) het technisch standpunt niet als het doorslaggevende kan
beschouwen. Aesthetica, de houding van de achteraf theoretiserende niens
tegenover de kunst, is geen creatie, maar overdenking, meditatie: de aesthetica
brengt nog eens onder woorden, wat de aanschouwende mens instinctief gewaar
werd, toen hij zich tegenover het kunstobject bevond. Vandaar, dat de aesthetica
zich niet, als de kun stenaar, op het bijzondere der technische onderscheiding
richt, maar tracht algemene schoonheidsnormen te ontdekken in
de bijzonderheid der technische onderscheiding.
In dit geval: de filmtheoreticus kan de technische onderscheidingen aanvaarden
als de noodzakelijke gegevens voor zijn onderzoek; hij moet zelfs bekend zijn
met de technische voorwaarden, waaronder een filmwerk tot stand komt; maar hij
heeft als laatste doel niet het bijzondere, maar het algemene, | | | | niet
de techniek, maar de orde. Deze vallen niet samen; de techniek is het uitwendig
symbool voor de orde, die ook buiten stoffelijke verwerkelijking mogelijk,
denkbaar is.
Tot dusverre beschouwden wij de film vanuit de negatieve gezichtshoek van het
(aesthetisch gesproken) onjuiste standpunt. Zoals gewoonlijk bij een negatief
onderzoek, openbaarden zich daarbij meer positieve resultaten, dan men
aanvankelijk zou denken, omdat geen onjuist standpunt verstoken is van een
gedeeltelijke waarheid. Het afwijzend standpunt heeft deze waarheid, dat het de
inderdaad nog zeer geringe quantitatieve verdiensten van de film onder ogen
ziet; het sentimentele standpunt deze waarheid, dat oncritische geestdrift voor
iedere groeiende kunstvorm onmisbaar is; het technische standpunt tenslotte deze
waarheid, dat geen kunstschepping tot stand komt, zonder dat de technische
onderscheiding als ‘Selbstzweck’ beschouwd wordt. Het belangrijke positieve
resultaat is derhalve, dat de z.g. aesthetische houding tegenover de film thans
niet meer een in de lucht hangende, willekeurige geroerdheid blijkt, maar
slechts de synthese dient te zijn van alle andere houdingen; zoals de kunst in
laatste instantie terugkeert tot het publiek (natuurlijk: tot de ideële
toeschouwer), zo vervult ook de film zijn taak pas dan volledig, wanneer hij
waargenomen, aanschouwd, dóórschouwd is.
‘Affirmons d'abord que, pour toutes les formes cinégraphiques ... la technique
est à la base de la conception’, zegt Léon Moussinac1. Volkomen terecht; maar het
laatste woord blijft dan ook aan de aesthetica, die eigenlijk de bewuste
kristallisering is van de verwondering, die béwondering of afkeer kan zijn. De
aesthetica verloochent nooit, dat zij haar psychologische oorsprong heeft in de
toeschouwer, niet in de kunstenaar, al komt zij pas tot zuivere
onderscheidingen, doordat de toeschouwer zich in de technische worstelingen van
de kunstenaar, en de kunstenaar zich in de ontvankelijkheid van de toeschouwer
verplaatst. Er is een voortdurende wisselwerking tussen het technisch
totstandbrengen en het ontvankelijk aanschouwen; maar het scheppen dient steeds
het aanschouwen, de techniek dient steeds de aesthetiek.
| | | |
Wij gaan dus, ook bij de film, uit van het zo algemeen mogelijk beginsel, dat de
creatieve mens geneigd is een schone orde in de stof tot stand te brengen; dat
de receptieve mens geneigd is deze schone orde in het geschapen kunstwerk, via
hemzelf, te laten herboren worden. Op welke psychische en physische functies dit
proces berust moet in dit verband onbesproken blijven; wij constateren slechts
het feit. De kunstenaar legt aan de stof zekere persoonlijke relaties op, die
men orde kan noemen, omdat zij door een mens in een ogenblik
van scheppingsdrang, d.i. God-imitatie, werden geschapen, die men schoonheid kan noemen, omdat zij door hun persoonlijke samenhang een
ontroering doen ontstaan. In het kunstwerk openbaart zich deze orde, deze
schoonheid, doordat men het als een eenheid voelt; men beseft
daardoor, dat het de kunstenaar gelukt is de samenhang van zijn ideëel beeld
over te dragen op de stof, zodat de toeschouwer dit beeld uit de stof opnieuw
oproepen kan.
Deze algemene principes: orde, schoonheid, eenheid, zijn algemeen-aesthetische
grondbeginselen, waaraan iedere door mensen geschapen vorm, onverschillig welke,
getoetst moet kunnen worden, wanneer hij object van verwondering voor de
toeschouwer is. Het behoeft waarschijnlijk geen nadere uiteenzetting, dat wij
hier met intellectualistische nuchterheid spreken over een oordeel, dat zich steeds eerst als gevoelsoordeel voltrekt en pas secundair
bewust gerationaliseerd wordt; maar daarom is het niet minder belangrijk en
essentieel. Deze algemene beginselen maken het mogelijk het algemene begrip
kunst in stand te houden tegenover de verbijsterende veelheid der
expressievormen; zij gaan uit boven de menselijke drang zich steeds nieuwe
vormen te scheppen; zij geven de maatstaf voor het kunstoordeel, omdat zij
intuïtief ontstaan en zich niettemin als intellectuele onderscheiding kunnen
handhaven. ‘Eine Einteilung der Künste nach den Bedingungen der Sinnenwirkung an
die Spitze stellen, heisst also, das Problem der Form von vornherein
verderben.... Wenn eine Kunst Grenzen hat - Grenzen ihrer formgewordene Seele,
so sind es historische, nicht technische oder physiologische.’
Dit woord van Spengler1 formuleert beknopt en dui- | | | | delijk, hoe men zich als beschouwend mens tegenover de kunst heeft
te verhouden. Inderdaad, een film, als Dr Caligari heeft meer
uitstaande met de ongeveer gelijktijdige storm van expressionisme in de
litteratuur, dan met de Nibelungen; technische en
physiologische problemen hebben slechts waarde als symbolen; zij drukken zekere
stoffelijke verhoudingen uit, maar tot de laatste vraag: wat dreef de scheppende
mens? wat ontroerde de genietende mens? dringt geen technische formulering door.
Wij legden reeds de nadruk op het aanvankelijk volkomen intuïtieve karakter van
ieder schoonheidsoordeel. Wanneer wij nu de voorafgaande algemene principes
willen toepassen op het film-vraagstuk, moeten wij eerst constateren, dat de
tijd nog niet voorbij is, waarin men zich zelf dat intuïtieve schoonheidsoordeel
nog niet waagde te bekennen. Er is op het gebied der aesthetische ontroering
oneindig meer conventionele remming dan men gewoonlijk geneigd is aan te nemen,
zo ook bij de film; toen men zich dan eindelijk aan de intuïtief besefte invloed
van de filmschoonheid niet meer kon onttrekken, verzette men zich toch nog tegen
de bewuste waarmaking van die invloed. Men behoeft slechts nog eens de vermaarde
Stem-enquête in de herinnering terug teroepen, om de
evidentie van deze intellectuele weerzin te demonstreren. Men voelde zich
onrustig worden, men begreep, dat het moeilijk ging de emoties van de film nog
langer onder te brengen bij de detective-romans ... en juist daarom verzette
zich de intellectuele trots, die zich steeds het veiligst voelt bij een
welingedeelde, volgens van ouds bekende normen geklassificeerde wereldorde.
Dit alles is uiterst menselijk; maar niettemin, wij hebben het onloochenbaar
intuïtief oordeel in zijn volle omvang te aanvaarden en thans ook te analyseren.
Ook de leek op filmgebied, zelfs de bevooroordeelde, ervaart bij het zien van
een werk als De Moeder van de russische cineast Poedowkin de
machtige orde, de tragische schoonheid, de gesloten eenheid; ook al beseft hij
niets van de grote technische overwinningen, waarvan die film het resultaat is,
hij zal zich niet kunnen verzetten tegen de suggestie van het beeldvlak, dat
voor hem | | | | plotseling het onstoffelijk wonder schijnt, omdat de stof
door een groot kunstenaar beheerst wordt. De ‘film-aesthetiek’ heeft geen andere
taak, dan deze ontroering, nadat zij intuïtief aanvaard is, ook in de sfeer der
bewustheid aanvaardbaar te maken, door haar oorsprong op te sporen, te
beschrijven en te verklaren.
Orde, schoonheid, eenheid veronderstellen een scheppend centrum, een het gehele
werk omvattende persoonlijkheid. Zodra ergens orde, schoonheid, eenheid in de
stof ontdekt wordt, betekent dit, dat de aanschouwende persoonlijkheid een
scheppende persoonlijkheid in de stof terugvindt. Wanneer men in de film dit
scheppend centrum zoekt, vindt men dat in de regisseur. Men
vermijde overigens dit afschuwelijkonjuiste woord, hoewel het nog vrijwel
algemeen gebruikelijk is; het duidt slechts zeer onvoldoende aan, in welke
verhouding deze persoonlijkheid tot het filmopus staat. ‘Regisseur’ is een
toneelterm, een toneel-functie, die een geheel andere ontwikkelingsgang achter
de rug heeft. De toneelregisseur kan zich opwerken tot een
zeer zelfstandig kunstenaar, voor wie de dramatext niet veel meer dan
eenvoorwendsel is. (Een voorbeeld van een dergelijke zelfstandigheid is b.v.
Erwin Piscator, de sensatie van een berlijns toneelseizoen. De toeschouwer voelt
onmiddellijk, dat zijn toneelregie nauwelijks meer een vertolking blijft, maar
veeleer ‘Selbstzweck’ geworden is; en, merkwaardig genoeg, maakt Piscator
daarbij een overvloedig gebruik van de ... film!) Maar voor de toneelregisseur
is deze zelfstandigheid geen vereiste; hij kan ook een zuiver bemiddelende
factor zijn.
‘Regie’ is niet datgene, waaraan wij het wezen van de scheppende filmkunstenaar
herkennen. Iemand kan een voortreffelijk filmregisseur zijn en een zeer slecht
‘cineast’ (om weer het betere woord van Delluc te gebruiken). Een zeer treffend
exempel vindt men in Fritz Lang en zijn laatste werk, Metropolis. Niemand zal kunnen ontkennen, dat Lang ook hier een
filmregisseur met grote capaciteiten is; maar, texwijl hij zich in de Nibelungen bovendien een goed cineast toonde, keerde hij in
Metropolis tot de bombast van één zijner vroegere
experimenten, Der Müde Tod, terug. Dit zijn geen detail- | | | | quaesties, zoals men wel gemeend heeft; dit is een doodzonde. Wat
bij Der Müde Tod verklaarbaar en daarom te verontschuldigen
was (men proeft het experiment, de worsteling om de vorm, die nog geen
voorgeschiedenis heeft!), wordt in Metropolis ondraaglijk,
omdat deze misvatting in het huidige stadium niet meer verontschuldigd kán
worden. De oorzaak: in de Nibelungen verwerkte Lang een
gegeven, dat in zichzelf, thematisch reeds, de orde bevatte; Lang, de eminente
regisseur, had dit gegeven via een alleen voor de film omgewerkt scenario te verstoffelijken; de idee, het grote verderf, dat de
Nibelungenschat om zich zaait, wist hij daarbij zeer gelukkig te bewaren. Dit
was een groot voordeel. In Metropolis echter stond hem slechts
het meer dan middelmatige manuscript van Thea von Harbou ten dienste, dat
bovendien ook en passant nog als middelmatige roman verscheen. Er was geen idee;
en het blijkt, dat Lang te enen male de kracht gemist heeft om hier, waar hij al
zijn regisseurstalenten de vrije teugel kon laten, die idee zelf te creëren en
over de stof te doen heersen.
In dit verband dringt zich onmiddellijk de vraag op: is dan niet de
scenarioschrijver het scheppend centrum? Is niet het moment, waar de algemene
aesthetische principes voor de film geldigheid verkrijgen, in het filmmanuscript
te zoeken? ... Men kan die vraag nog eens met het voorbeeld Fritz Lang
beantwoorden. In de Nibelungen was Lang een goed cineast,
omdat hij een gegeven idee adaequaat vermocht te materialiseren; hij voldeed aan
zijn filmkunstenaarschap door een goede film te maken, door eerst het
Nibelungendrama als film te zien en het daarna als film te scheppen. Lang had ook Metropolis als
film kunnen zien, wanneer hij in staat geweest was het belachelijk-schematische,
cerebraal in elkaar gestampte manuscript in zijn vormgeving te verloochenen.
Maar hij sloeg het zien over; Metropolis, dat voelt men aan
alle kanten, is nooit als totaliteit door een cineast gezien;
het is overgebracht van het scenario in de stof, het essentiële moment der
scheppende omzetting is vergeten.
Het blijkt dus dat wij, wanneer wij uitgaan van het algemene aesthetische
principe: de eenheid van het kunstwerk, het uitstralingspunt vinden in de
cineast. Hij voltrekt de door | | | | hem geziene totaliteit tot een
stoffelijk resultaat: het typisch criterium voor de kunstenaar, die het
kunstwerk tot stand brengt. Hij is te onderscheiden zowel van de regisseur als
van de scenarioschrijver, al is het mogelijk, waarschijnlijk en misschien
wenselijk, dat zijn persoon met één van beide functies samenvalt (er zijn echter
films denkbaar, die een regisseur en scenarioschrijver in de gewone zin kunnen
missen). In de cineast wordt de film een orde, een gematerialiseerde schoonheid,
een besloten eenheid; en in de cineast tevens (hier blijkt de ondergeschikte
waarheid van het technische standpunt!) verovert de film het recht op een eigen,
zelfstandige vormgeving, op een eigen technische basis. De mogelijkheid algemene
aesthetische principes op de film toe te passen, vindt men dus in het scheppend
centrum, de cineast. Met de ontwikkeling van de film als kunstuiting gaat de
ontwikkeling van dit eenheidsbesef parallel. Het is onnodig hier nog eens de
geschiedenis van de cinematografie vanaf de gebroeders Lumière op te halen; er
bestaat over deze materie reeds een ganse litteratuur en deze evolutie mist
inderdaad niets van de romantiek, die aan een dergelijk proces gewoonlijk
verbonden is. Men ziet het bewegende plaatje al heel spoedig onder de machtige
suggestie van het toneel komen; men zoekt een tijdlang, geleid door
begripsverwarring, dat actie, dynamiek gelijk te stellen is met toneelspelen,
het begeerde centrum in de acteur, van wie men nu verlossing van het
verlitteratuurde toneel in de zuivere actie verwacht. (De massaproductie der
filmindustrie vertoont ook tegenwoordig nog alle sporen van die verwachting.) En
gedeeltelijk hebben zij, die hun hoop richten op het menselijk organisme gelijk;
het bewegend gezicht, het tragisch gebaar, zoals het instrument worden kan onder
de steeds variërende waarneming door de fotografische lens, is één der
bruikbaarste middelen gebleken, waarmee de dynamisch-visuele vorm gediend kon
worden. Zelfs kan de acteur het gehele aesthetische effect van een film zó in
zich opzuigen (men denke aan Charlie Chaplin!), dat de toeschouwer de eenheid
alleen in hem vertegenwoordigd ziet; Kean zou nergens genoemd
zijn, wanneer Mosjoukine de orde, die buiten hem, overal zeer problematisch is,
niet in zijn trekken | | | | had geconcentreerd. Maar dit neemt niet weg,
dat de acteur nooit het centrale punt kan uitmaken, waaraan wij het recht
ontlenen, niet alleen schoonheid in de film te ontdekken (die ontdekking
geschiedt immers, zonder enige theorie, intuïtief), maar ook haar
zelfstandigheid te verdedigen.
Zelfstandig zijn is anders zijn. Van orde, schoonheid, eenheid komt men tot de
vraag: hoe werd die orde tot stand gebracht, hoe werkt die schoonheid op de
receptieve mens in, hoe openbaart zich die eenheid? Of, met andere woorden: waar
een kunstvorm zelfstandigheid voor zich opeist, moet zij een technische
autonomie bezitten. Terwijl de aesthetica voor de geaardheid van orde,
schoonheid, eenheid onverschillig is, zolang zij zich met het schoonheidsoordeel
op zichzelf bezig houdt, dat immers in de veelheid der vormen steeds de eenheid
opzoekt, moet zij de technische hoedanigheden wel degelijk overwegen, zodra zij
de kunstuitingen in hun verscheidenheid beschouwt. Waar de kunsten uiteengaan,
zoekt men de ‘Eigengesetzmässigkeit’; wij drukten dit vroeger uit door de
omschrijving, dat het technisch standpunt in een bepaalde sfeer geldigheid
bezit. De psychologische gang der aesthetische bewustwording is deze:
schoonheids-emotie (waarom vind ik mijn indrukken schoon?), rationalisering van
de schoonheid zelf (wat is schoonheid?). Het psychologische
rationaliseringsproces is dus het omgekeerde van de hier gevolgde gedachtengang;
wij kwamen van algemene aesthetische principes tot de bijzondere principes van
iedere kunstuiting op zichzelf, terwijl psychologisch de bewustwording van het
bijzondere tot het algemene komt. Door deze omkering kon de nadruk vallen op de
samenhang van alle schoonheidsuiting; pas nadat wij die samenhang ook in de
film, in haar eenheid, in haar scheppend centrum, de cineast, geconstateerd
hebben, kunnen wij de begrenzing der filmkunst tegenover de andere kunsten, haar
autonomie dus, analyseren.
Door het algemeen aesthetisch oordeel over de film is eigenlijk al de onhoudbare
mening, als zou hij een ‘korter en gemakkelijker wijze van opneming’ zijn,
weerlegd. Iedere vorm, die door de termen orde, schoonheid, eenheid
gequalificeerd kan worden, dus ook de cinegrafische vorm, veronderstelt | | | | bij het receptief individu een orgaan voor die orde, schoonheid,
eenheid. Men zou dus hoogstens kunnen zeggen, dat de film in dit overwegend
industrieel stadium door de verregaande oppervlakkigheid van het merendeel
zijner producten de meeste aanleiding geeft tot korte en gemakkelijke opneming;
maar dit is geen kenmerk van de cinegrafische vormgeving. Het is bekend genoeg,
dat oudere, met de film niet vertrouwde individuen, die zich geheel aangepast
hadden aan de wereld-zonder-film, zelfs dikwijls de grootste moeite hebben
enigszins met de andere optische dispositie vertrouwd te worden. De fabelachtige
popularitiet van Movies en Kientopp is geenszins een gevolg van een bijzondere
toegankelijkheid der cinegrafische expressie, maar van de simplistische
sentimentaliteit, de goedkope moraal en de tweede-rangs perversiteit, waarmee de
industrie die expressie hoofdzakelijk opvulde. Principieel echter staat de film
ook in dit opzicht als gelijkwaardige naast de andere kunsten, dat hij van de
receptieve mens een aesthetisch ontwikkelde ontvankelijkheid vergt. De
geestelijke plebejer ziet werkelijk niet alleen in de film het
plebeïsche!
‘Le cinéma ..., nous oblige à imaginer ou à deviner l'intérieur par
l'extérieur.’1 De innerlijke bewogenheid opsporen door het
uitwendig rhythme: ziedaar het elementaire vermogen van de filmkunstenaar. De
vormen, waaronder de film dit programma tracht te verwerkelijken, zijn enig; of
zij superieur zijn aan andere vormen is een vraag van zuiver tijdelijk karakter.
Men heeft het vermoeden uitgesproken, dat de uitvinding der cinematografie
eenzelfde revolutie in het wereldbeeld zou betekenen als vroeger de
boekdrukkunst2. Aan deze speculatieve droomgezichten, die op zichzelf zeer
interessant kunnen zijn, heeft de aesthetica echter geen behoefte; zij kan
volstaan met aesthetische gelijkwaardigheid. Zij vraagt niet naar een hoger
zijn, maar uitsluitend naar een anders-zijn.
In welk criterium vindt men nu dit anders-zijn, dat de film onverbiddelijk op
zichzelf aanwijst?
Wij noemden de film de dynamisch-visuele kunstvorm; haar
expressie noemen wij het visueel rhythme. In deze termen ligt
| | | | de zelfstandigheid opgesloten, waaraan geen vage
overeenstemming met andere kunsten iets kan, veranderen; ja, juist in deze
gedeeltelijke verwantschapskenmerken vindt men steeds ondubbelzinniger het
anders-zijn der cinematografie als geheel uitgedrukt.
Het woord ‘rhythme’ behoeft, op de film toegepast, een nadere verklaring. Niet
iedere opeenvolging van beelden, zelfs niet de nauwkeurigst afgewogene,
manifesteert als totaliteit datgene, wat men onder het filmrhythme verstaat.
Filmrhythme is de stofuitdrukking in de film van menselijke bewogenheid; het
betekent dus opeenvolging van beelden, binnen het raam van het
beeldvlak (physisch), maar ook samenhang van voorstellingen
(psychisch). Deze twee factoren zijn te onderscheiden, maar evenzeer
onscheidbaar. De litteratuur heeft dezelfde vrijheid, dezelfde mogelijkheid
ruimtelijke beperkingen te overwinnen; maar zij laat juist het visuele beeld,
dat zich onvermijdelijk ook als begeleidend verschijnsel bij de lezer voordoet,
aan de fantasie over. Het woord is een medium, dat in de eerste plaats aan een
intellectuele, conventionele verstaanbaarheid gebonden is en pas daarnaast
schoonheidsemotie overbrengt. De film daarentegen spreekt onmiddellijk door het
beeld; het intellectuele werk wordt aan de toeschouwer overgelaten. Vergroting,
langzaam werkend apparaat, ‘flou’, zijn derhalve stoffelijke analogievormen van
aaneengeschakelde zielstoestanden; zij materialiseren datgene, wat de
kunstenaar, het scheppend centrum, aan spanning, aan traagheid, aan onaardsheid
of wat ook in zijn objecten ontdekte.
Filmrhythme is dus steeds visueel, en daarom geen litteratuur. Meer onvolledig
dan onjuist is het, het filmrhythme een dramatische uiting te noemen; de
geschiedenis van het woord ‘drama’ beperkt de beweging zozeer tot de mens, dat
een begripsverwarring ontstaat, wanneer men ook de film, waarin het levenloze
ding evenveel handelingswaarde heeft, onder deze naam tracht te vangen.
Dramatisch in de technische zin van ‘toneel-dramatisch’, dit behoeft nauwelijks
nog eens herhaald te worden, is de film natuurlijk nooit en nergens; maar ook
daarom verdient het de voorkeur niet van ‘filmdramatiek’, maar van
‘filmdynamiek’ te spreken.
| | | |
Tenslotte: de film en de beeldende kunst. Men behoeft niet meer aan te tonen, dat
de definitie: film is beeldende kunst, geheel zinneloos is, omdat men daarbij
het moment der beweging totaal negeert. Nogmaals ziet men hier de
cinematografische vormgeving krachtig haar eigen rechten vragen. Tussen
statische fotografie en kinetische fotografie ligt de scheidslijn: in de
beweging pas, in de rhythmische opeenvolging, krijgt het oog de beschikking over
een nieuw stoffelijk symbool voor een zielsproces. Het filmbeeld bestaat alleen
als symbool in afhankelijklieid van het voorafgaande en het volgende; want
hierin bereikt de film de illusie, dat een reeks van statische momenten een
kinetische golf is geworden. Ook de scherpzinnige Moholy-Nagy in zijn boven
aangehaald boek (dat op het standpunt der ‘Gegenstandslose’ schilderkunst staat
en dus, qua talis, reeds andere onderscheidingen dan de onze schept) brengt dit
probleem vaag en onduidelijk onder woorden, wanneer hij schrijft dat de nieuwe
optische en technische instrumenten ‘das statische Bild langsam - wenn auch nicht überall - in das kinetische um(wandeln)’. Dit
‘langsam’ (en het gehele, verder zeer merkwaardige boek schiet hier te kort)
drukt volstrekt niet uit, hoe essentieel de scheiding tussen fotografie en film
is. Ook al wil men in de statische fotografie het kunstelement ontdekken: voor
de film is fotografie middel; zij kan niet meer zijn dan de zichtbare
uitstippeling van de beweging; kinetisch en statisch sluiten
elkaar, als vormsymboliek, uit. De ‘Eigengesetzmässigkeit’ komt niet
aan de twee door Moholy gefixeerde polen ‘Gestaltung’ en ‘Darstellung’ toe, maar
aan het statische en het kinetische.
De zelfstandigheid valt voor de film, dit laat zich niet meer loochenen, samen
met de omschrijving van zijn vormgeving als een dynamisch-visuele. Het oog vangt
de tijd op in het beeldenrhythme; deze beeldorde geworden tijd is het materiaal
van de cineast; hij maakt de tijd tot zijn
tijd, door aan de opeenvolging der beelden zijn dynamische spanning te geven. De
cineast is de ideële, de cinematografie de materiële voorwaarde tot het ontstaan
van de dynamisch-visuele kunstvorm.
Wij legden erin den beginne de nadruk op, dat een ‘film-aesthe- | | | | tiek’ iedere filmrichting behoort te omvatten. In de technische veelheid
streeft de aesthetica naar eenheid; zij zoekt in de kunstuitingen de kunstvorm,
in de kunstvormen de kunst. Daarom heeft de aesthetische beschouwing niet van
technische verschillen uit te gaan, maar deze slechts als normen op te nemen in
haar gedachtengang. Een cowboy-drama en een experiment van Viking Eggeling
staan, beoordeeld naar de algemeen-aesthetische principes, waaruit zij geboren
werden, oneindig verder van elkaar af, dan Dr Caligari en het
litteraire expressionisme; dit is de eerste (of, als men wil, de laatste)
gevolgtrekking, waartoe de aesthetica komt, een gevolgtrekking, die dus boven de
technische onderscheidingen uitgaat. Pas daarna vindt men in het anders-zijn van
de cinematografische vorm het gemeenschappelijke, waardoor de uiteenlopendste
filmphaenomenen zich tegenover de andere kunsten onderscheiden.
Zo blijkt de aesthetica datgene, wat men gemakshalve dan letterlijk en in het
bijzonder ‘film-aesthetiek’ zou kunnen noemen, als het moment der technische
onderscheiding in zich te bevatten.
Men heeft waarschijnlijk onder deze grensbepalingen een kunstvorm gemist, die
juist met de film parallel pleegt te gaan in zijn spectatoriale verwerkelijking:
de muziek. Dit thema is echter een afzonderlijke behandeling waard1. Men herinnere
zich in dit verband slechts de woorden, die Moussinac aan dit vraagstuk wijdde:
‘En attendant l'heureux avènement du poème cinégraphique il est, et même après
cet avènement, il restera légitime qu'on tente d'associer la
musique et l'image, qu'on crée le film musical.’2 Associatie; in deze uitdrukking ligt
opgesloten, dat men het samengaan van film en muziek, dat op een
primitief-sensuele, maar ook op een bewust artistieke basis kan berusten, bij
een principieel onderzoek naar aesthetische verhoudingen in de cinematografie
moet afscheiden van de zuivere filmproblemen. Het spreekt vanzelf, dat dit
alleen geldt voor een theoretische beschouwing achteraf, zoals de aesthetica die
wil geven; deze houdt slechts reke- | | | | ning met mogelijkheden, niet
met de huidige realiteit, waarin dat samengaan doorgaans onmisbaar schijnt en
zelfs, als bij Potemkin, tot schone resultaten leidt. Het
ideaal van een ‘zuivere kunst’, waaraan de aesthetica haar principes ontleent,
zal, ook wat de film betreft, steeds slechts een richtinggevend parool blijven
voor de kunstenaar, maar ook daarom steeds een levenscheppend contrast met de
werkelijkheid. Hoe het ook zij: de rhythmen van film en muziek hebben alleen in
dit opzicht overeenkomst, dat zij ... rhythme zijn. Het is waarschijnlijk, dat
deze elementaire overeenkomst het samengaan vergemakkelijkt; maar dit is nog
geen motief om visueel en acoustisch rhythme, die volgens geheel verschillende
wetten psychische verhoudingen symboliseren, over één kam te scheren. Ook
tegenover de muziek geldt het beginsel, dat de film, om aan zijn aesthetische
roeping te kunnen voldoen, uiteindelijk op zichzelf is aangewezen.
|
1Gevaren en
toekomstmogelijkheden van de Bioscoop (De Smidse I, 9, p. 274).
2Amerika, levend en denkend (Haarlem, z.j.),
p. 46 en 47.
1Malerei. Photographie Film (A. Langen, München 1927, 2e
Auflage) p. 5 en 6.
1Naissance du Cinéma (Parijs 1925 p. 25).
1Untergang des Abendlandes
(München 1924, 2e Aufl.) p. 285, 286.
1Lionel Landry in ‘Cinema’ (Les Cahiers
du Mois 16/17) p. 49.
2Dominique Braga in ‘Cinema’ p.
136.
1Vgl. het hoofdstuk ‘Rhythme’ en ‘Vorm’.
2Naissance du Cinéma, p. 43.
|
|