|
|
|
| |
| | | |
Perspectief
Er rest thans nog een uiteraard vage en subjectieve commentaar op de absolute
film als mogelijke filmvorm der toekomst. In het eerste hoofdstuk werd een
poging gedaan, een omschrijving te vinden, die de term absolute film en zijn
bepaaldheid door het spraakgebruik aannemelijk kon vastleggen. Eèn vraag blijft
daardoor nog onbeantwoord: Heeft de absolute film een toekomst, zullen de
associatief gecompliceerder vormen niet steeds meer de overhand krijgen?
Het antwoord moet noodzakelijkerwijs veel speling laten. Gespecificeerde
toekomstvisioenen zijn aantrekkelijk, omdat zij nog gevaarlijker zijn dan
visioenen van het verleden; maar men doet toch verstandiger, ze aan de politici
over te laten, die er althans direct profijt van trekken. Voor de aesthetica
zijn zij meestal vertroebelende factoren, omdat de geduldige, nog ongeboren
toekomst alles lijdzaam op zich neemt, wat het heden terstond als phrase
afschudt. Een perspectief, mits niet naïef als aangekondigde werkelijkheid
gesteld, heeft echter dit voordeel, dat het zich openlijk als persoonlijk
aandient en daardoor te duidelijker de partij van de auteur verraadt; bovendien
laat het zich ieder ogenblik herroepen wegens ‘onvoorziene omstandigheden’... .
De kans op vruchtbaarheid van de absolute film in zijn meest abstracte gedaante
schijnt voorlopig gering1. Het is
opvallend, dat Ruttmann en Richter, die hun eerste experimenten waagden in een
abstracte, geometrische taal, van deze schrale zuiverheid zijn afgeweken. Dit
pleit op zichzelf nog niet tegen de abstracte film, en onze bewondering voor de
kleine opera van Ruttmann wordt er geenszins minder om. Het bewijst alleen, dat
de mogelijkheid van gecompliceerder associaties in | | | | dit stadium der
filmkunst voor de cineast een te verleidelijke attractie bezit, dan dat hij aan
het naturalistische aspect weerstand zou kunnen bieden. Er is inderdaad iets
schraals in het abstracte motief; daarom vereist het een feilloze beheersing,
een nuchtere romantiek, die weinigen zullen aandurven, waar er zoveel andere
middelen voor het grijpen liggen. Maar, zoals wij al zeiden, in de overgang van
opus 4 naar Berlin gaat, bij allerlei
winst, iets verloren, iets onlichamelijks, ongevormds, dat zijn eigen bekoring
heeft, dat misschien ook zijn eigen toekomst heeft. Waar die toekomst zou moeten
liggen, blijve in het midden.
De overgang van de abstractie naar het gebruik der naturalistische aspecten is
niet scherp te begrenzen (Emak Bakia), maar is daarom niet
minder belangrijk als symptoom van de heersende neiging tot associatieve
complicatie. Men zou zich een tijd kunnen denken, waarin juist de omgekeerde
tendentie viel te constateren, waarin de cineasten zich afkeerden van het ding,
om terug te gaan tot de lijn en het vlak, waarin dientengevolge de critiek zich
zou haasten te verklaren, dat dit nu de richting van de filmkunst was; maar deze
denkbeeldige tijd is niet de onze. Men haakt naar de complicatie; een man als
Eisenstein verandert bij iedere film van programma, ziet steeds nieuwe
complicaties, die hem de moeite waard schijnen1. Het is moeilijk zich in deze onze tijd het beeld voor de geest
te roepen van een soort Ruttmann, die zonder dagelijkse wisseling der leuzen,
zelfs zonder vèrziende theorie over de geluidsfilm, honderd opera schept in één
stijl, één persoonlijke, onafhankelijke stijl, die nochtans alle op zichzelf hun
eigen waarde hebben. De jacht op nieuwe complicaties in de filmwereld is
uitputtend, maar meer sportief dan artistiek uitputtend; om met de
allereenvoudigste middelen, zoals de abstracte, een film te maken, terwijl de
nieuwste apparaten voor de geluidsproductie de nieuwste sensaties waarborgen,
behoeft men een geestelijke zelftucht, die in de vervalste milieu's der
filmmaatschappij tegenwoordig bijna ondenkbaar en onverwachtbaar is. Sedert de
ontdekking der filmkunst zijn de grote | | | | trusts bovendien de
kunstenaars gaan appreciëren, zodat men Ruttmann in een kapperswinkel aan het
werk zag en Eisenstein coquetteerde met de dollars van Amerika. Vanwaar zal dan
de ‘absolute’ concentratie komen, die bij het ontstaan van iedere schepping van
mensenhanden te enenmale noodzakelijk is?
Aan de overgang van abstractie naar naturalistisch aspect, die incidenteel
volstrekt geen concessie aan de middelmaat behoeft te betekenen (Ruttmanns Berlin), zitten niettemin alle gevaren vast, die de filmkunst
als zuivere vormgeving aan houdend bedreigen. Het naturalisme is het ernstigste
gevaar, dat men zich denken kan. Het is, in zijn vulgaire zin, constante
verleiding tot rhythmische en psychologische vergroving; het is dat in het
beeld, maar evenzeer in het geluid. Louter en alleen daarom is er bezwaar te
maken tegen de plaats, die de geluidsfilm in de hedendaagse belangstelling
inneemt; immers verder is de geluidsfilm een stoffelijk en dus bruikbaar middel
als ieder ander.
Overigens is de associatieve complicatie door het naturalistisch aspect
natuurlijk volstrekt te aanvaarden. Het is duidelijk, dat men Berlin en De Brug niet terug zal willen dringen tot
hun abstracte schema's; het is een eenvoudig feit, dat het naturalistisch
aspect, wanneer het door de cineast zo gewild is, een verrijking betekent. Voor
de film, die psychologische en intellectuele associaties vraagt, is het zelfs
volkomen onmisbaar. Dit perspectief is geen verengde apologie voor de abstracte
film; het wil slechts de waarde van het abstracte, juist in de huidige
omstandigheden, verduidelijken en verdedigen, omdat ook in het naturalistisch
aspect de enige waardevolle richting steeds in abstrahering van de naïeve,
imitatieve werkelijkheid moet worden gezocht. In dit opzicht is de geometrisch
geabstraheerde film de gelijke van de speelfilm.
De tijd schijnt ongunstig voor de absolute, in het bijzonder voor de abstracte
film. Wanneer andere filmcategorieën met even ‘absolute’ zuiverheid en even
‘abstracte’ doelbewustheid in hun plaats komen, zal niemand daarom rouwig
behoeven te zijn. Persoonlijkheid en cultuur zijn aan geen vormbepalingen
gebonden. Het staat echter te bezien, of de dreigende triomf van het
talkie-instinct niet voor alles, wat op filmgebied ‘absolute’ eisen stelt,
noodlottig zal worden.
1930
|
1Het werk van Fischinger is
voorlopig de eerste onvoorziene omstandigheid! - Noot 1931.
1Of de
geluidsfilm Romance Sentimentale, met het prachtige
absolute begin, geheel voor zijn rekening komt, is twijfelachtig. - Noot
1931.
|
|