|
|
|
| |
| | | |
Démasqué der schoonheid
| | | |
Carissimo Fratri J.W.G. ter Braak
| |
| | | |
Voorrede
Ik hoû van dikke vrouwen,
Met zoo een zal 'k dus trouwen,
Al schaadt het mijn fatsoen!
Er bestaat geen moeilijker opgave wellicht dan een rechtvaardiging van de eigen
voorkeur. Dit nu onderneemt het hier volgende essay. In de ijver van zijn betoog
is het bijna gaan lijken op een anti-aesthetica; maar de afwezigheid van een
werkelijke vijand (welkspel-met-de-blinde is iedere monoloog!) of de verwijtende
stem van een oude liefde, bracht het terug, trok het om, wierp het met dezelfde
vaart tegen de rangen der logici. In laatste instantie werd het de verdediging
van het grensgebied. Dat van de Amateur, zegt Ter Braak, maar dat van de
riskerende, de strijdbare, of zelfs strijdlustige, amateur. De amateurs van sofa
en clubfauteuil, van de eclectische bibliotheek waarin de schoonheid van papier
en letter een onderzoek van de tekst quasi-overbodig maakt, heeft men hier zelfs
met de gedachte niet aangeroerd. Men heeft Stendhal en Nietzsche hier opgesteld,
als de amateurs-typen bij uitstek voor de strijdende kunstenaar en dito
filosoof, en met zorg de verstandige lieden vergeten, voor wie de helden van
Homerus een vermaard literair genre vertegenwoordigen naast de snotterige
kindertjes van mevrouw Zoomers-Vermeer.
Maar het betoog voor de eigen voorkeur, voor het recht van de eigen smaak, blijft
moeilijk een rechtvaardiging alleen; ook hier het gevaar der grenzen:
rechtvaardiging, verdediging, lofrede, aanval. Men strijdt, met een zeker
temperament, niet altijd defensief. De rechtvaardiging van de eigen voorkeur
wordt uiteraard en voor men het weet, de aanval op andermans voorkeur, en het
zou vreemd zijn indien de wèrkelijke bewonderaar van Nietzsche en Stendhal de
verachter niet was van Carlyle en papa France. Aldus geraakt de essayist soms
tot een nieuwe laakbare liefhebberij: de weinig gedistingeerde lust voor het
literaire duel en de polemiek.
O, vergankelijk soort! Paul-Louis Courier kan zijn beroemde | | | | brief
hebben geschreven aan de heer Renouard, Multatuli in zijn woede tegen Duymaer
van Twist het gloedrijkste proza van Nederland, Nietzsche Der Fall
Wagner en Stendhal zijn uitvallen tegen de vereerders van Racine: het
polemische genre is niet gedistingeerd. Het doet de mensen
terugverlangen naar de golvende phrasen, waarin de hogere wijsheid, de oplossing
van alle dingen, zoal niet vervat is, dan toch voor de ziel wordt gesuggereerd.
De liefde, maar dan de ware liefde voor het Opstel - weg met de gedachte, weg
met de inhoud, leve het Opstel, want het Opstel is alles! - deze liefde, waartoe
men niet veel meer nodig heeft dan een zekere drang naar Schoonheid en enige
vertrouwdheid met de syntaxis, precies zoals de gedistingeerde heer niet véél
meer nodig heeft dan een vermaard tailleur en enige vertrouwdheid met het
protokol van de ‘betere stand’; deze liefde kan wonderen doen: zij glijdt in de
zielen der vaag-intellectuelen met onafwendbare zekerheid. Ook de
gentleman-verleider is niet al te vaak een heros van de geest, maar zijn,
‘manieren’ zijn zo overtuigend. ... De polemist daarentegen is een minderwaardig
individu in de literatuur; zijn bewonderaars zijn de ééndags-vrienden van de
politiek. Voorzover dit essay van Ter Braak polemisch heten mag, is het dus van
dinstinctie ontbloot.
Waarom die andere mensen, de beroeps-aestheten, de beroeps-logici en filosofen,
de beroepskenners van het woord, de argeloze lezers ook van alles wat hun in druk onder de ogen komt, waarom al deze ware liefhebbers
toch ook niet hùn smaak te gunnen, hun systematisch geëtiketteerde, òf
nooitgeanalyseerde, maar tenslotte even ‘eigen’ smaak? Waarom deze afbakening
van een grensgebied, dat noodzakelijkerwijs een stropen langs de kust betekent
van minstens twee gebieden tegelijk? Het is of Ter Braak koketteert met zijn
vermogens: de begrippen op te drijven, in het nauw te brengen, te vangen zelfs,
- om zich daarna des te groter vrijheid van zondigen tegenover deze begrippen te
verzekeren.
Toch vindt men in dit essay de definitie, de enig-juiste voorwaar! van het ‘bon
genre’, het ene-en-enige, het genre waarvoor hij - op het ogenblik waarop dit
essay verschijnt, waarde lezer - sneuvelen wil. Ik heb niet voor niets een
kwatrijntje | | | | boven mijn voorrede gezet waarop men misschien
meesmuilend heeft gekeken. De voorkeur van de Perzische haremhouder is nu
eenmaal anders dan die van de Engelse lord; en zo Baudelaire een magere vrouw
obscener vond dan een dikke, er zijn verstokte zondaars die terugdeinzen voor de
te grote obsceniteit van het skelet. Wij, de Perzen van de literatuur,
verdedigen onze smaak voor de dikke vrouw: le bon genre en de
polemiek, tegen de distinctie van alle doorschijnende vrouwen in Engeland.
Men zal, in het volgende essay, niettemin enige bladzijden aantreffen vol gezond
verstand, betreffende de vele aesthetica's, welke men nog zou kunnen schrijven,
en de mogelijkheid van kunstvormen, zowel voor de parfumeur
als voor de kok. Waarom niet de aesthetica van de kookschool? vraagt Ter Braak.
Inderdaad: voor de erotiek althans werden dergelijke werken sinds eeuwen
samengesteld. Noch van de heroïsche kok Vatel, noch van de, overigens oudere,
proever Lucullus kwam helaas zulk een geschrift tot ons, maar de erotiek heeft
een onafgebroken lijst van bezielde leerwerken, waartoe Het
Volkomen Huwelijk van de heer Van de Velde zich verhoudt als de keuken
van een dorpsherberg tot die van Royal: de Ananga
Ranga naast de Kama-Soetra, de Doorgeurde Tuin van de sheikh Nefzawi naast de Handleiding der Klassieke Erotologie van de geleerde Forberg. Waarom
geen aesthetica voor de reukorganen, dus? Men verlustigt zich op de nieuwe
mogelijkheden die hierdoor geopend zouden worden voor de meesters ook van het
woord: de glorieuze taak om alle geuren te beschrijven, zó, dat men ze op het
papier herkent. De golving van een bepaalde zin, om ons te vullen met rozengeur;
de scherpte van een bijzondere reeks syllaben om ons te doorsnijden met
citronella alleen! Het is jammer dat de heer Des Esseintes nooit practische
navolgers heeft gehad, dat zijn bestaan een literaire fantasie moest blijven en
dat zovele kunstenaars op verschillend gebied nog steeds in het duister
verkeren, zonder hun Dirk Coster zelfs, die althans in dikke zaligheid de drang
naar Charitas van hùn organen bezingt.
Overal waar Ter Braak niet polemisch is, meen ik de lezer zijn essay intussen te
kunnen aanbevelen. Het gezond ver- | | | | stand, waarvan ik hierboven een
staaltje gaf, spreekt voor zichzelf; maar ook de ongedistingeerdheid wordt hier
wel eens goedgemaakt door wat men noemt talent. Men spreekt niet over de eigen
smaak zonder over zichzelf te spreken, en deze amateur van het grensgebied is
niet zo intelligent alléén, dat hij onmachtig werd tot het leveren van eigen
‘muziek’. Bovendien kan men niet nalaten een zeker respect te koesteren voor
zovele geserreerde bladzijden over onverschillig welk onderwerp. ‘Een klein
talent moet hard werken’, zei Albert Helman. Ik had deze uitspraak hier niet
aangehaald, indien ik niet zeker was dat, volgens Ter Braaks overtuiging, een
klein talent direct te zwijgen had. Maar ook dit is minder een argument tegen de
‘gepaste bescheidenheid’, dan wel vóór de ‘geest waarin men overwint’.
E. du Perron
|
|
|