|
|
|
| |
| | | |
III
Les sentiments de l'homme sont confus et mélangés; ils se
composent d'une multitude d'impressions variées qui échappent à
l'observation; et la parole, toujours trop grossière et trop générale, peut
bien servir à les désigner, mais ne sert jamais à les définir.
Benjamin Constant
Het citaat uit Constants Adolphe, dat ik boven deze regels
plaatste, drukt heel duidelijk uit, waarom ik de oude, verstarde elitepretenties
evenzeer verafschuw als de voorbarige vormgevingen aan de toekomst, die men bij
zoveel cultuurprofeten kan aantreffen, omdat zij het niet nalaten kunnen hun
confuse en gemelangeerde sentimenten in geruststellende, zo mogelijk daverende
woorden om te zetten. Hitler rekent met duizend jaar, de onnozele, maar hij is
per slot van rekening niet alleen de plompe caricatuur, maar ook de consequente
voortzetter van de ‘normale’ cultuurspeculant. De behoefte om gedachten te
formuleren over een nieuwe elite is in wezen conservatief, schreef ik; welnu,
dat geldt zowel van de ‘oude’ elites, die hun vooroordelen in de toekomst willen
bestendigen als voor de voorbarige eliteconcepties, ‘trop grossières et trop
générales’, waarin een mengsel van ‘oude’ voorstellingen tot een ‘nieuwe’
wensdroom is versmolten. De taal is een conservatief instrument en de definitie
altijd nog een te gemakkelijk middel om zekerheid te scheppen, waar geen
zekerheid heersen kan.
Als ik over een toekomstige Europese elite spreek, doe ik dat dan ook met de
bedoeling vrij te blijven; vrij te blijven zowel ten opzichte
van de ‘oude’ elitepretenties als van de voorbarige ‘nieuwe’. De als vorm en
groep gedachte ‘nieuwe’ elite is immers reeds de dode elite,
de caricatuur van elite, zodra men ‘désigner’ meent te kunnen vervangen door
‘définir’; misschien zal juist het verlangen vrij te blijven, niet de slaaf te
worden van het woord, kenmerkend zijn voor het elitebesef in een onherroepelijk
democratische wereld. De wens om zich niet vast te leggen op een wens betekent
niet, dat men er van afziet wensen te koesteren, maar betekent uitsluitend, dat
| | | | men zich met veel meer wantrouwen aan de definitie van die
wensen waagt dan doorgaans het geval is.
In de christelijke cultuur is de elite vogelvrij geworden, nadat zij lange tijd
plaatsvervangend en ‘administratief’ was: dat is een feit van kapitaal belang,
dat is het feit der democratie. De plaatsvervangende elites, Regnum en
Sacerdotium, hadden nog een betrekkelijke stabiliteit, omdat haar hiërarchie,
hoezeer ook door voorlopigheid bepaald, ‘in de hemel’ werd gewaarborgd; met dat
al hadden zij al een gedeeltelijk fictief karakter, juist toen zij zich in haar
volle heerlijkheid gingen ontplooien... getuige de geschiedenis van het Heilige
Roomse Rijk, getuige het bankroet van de politiek van de grote pausen der
middeleeuwen. Hoeveel sneller echter wordt een vogelvrije elite fictief! De
bourgeoisie was een fictieve elite, toen zij nauwelijks begonnen was
heerschappij uit te oefenen; haar caricaturen liggen vlak naast de eerste
documenten van haar élan op de barricaden; nochtans worden haar elitebegrippen
maatstaf en weet zij zich tegen haar eigen caricatuur in te handhaven, zelfs aan
het rebelse proletariaat haar cultuurnormen op te dringen. Van de adel kon men
overigens hetzelfde zeggen, al is er een belangrijk verschil in tempo. Huizinga
toonde in zijn Herfsttij der Middeleeuwen aan, ‘dat de
adellijke levensnorm zijn heerschappij over de samenleving heeft behouden lang
nadat de adel als maatschappelijke structuur zijn overheerschende beteekenis
verloren had. In den geest der vijftiende eeuw neemt de adel als maatschappelijk
element nog onbetwist de eerste plaats in; zijn beteekenis wordt door den
tijdgenoot veel te hoog, die van de burgerij veel te laag geschat.’ ‘Voor het
kennen van het cultuurleven’, voegt Huizinga er aan toe, ‘behoudt de waan zelf,
waarin de tijdgenooten leefden, de waarde van een waarheid. Ook al was de
adellijke levensvorm niet anders dan een vernis over het leven geweest, dan nog
zou het noodzakelijk zijn, dat de geschiedenis dat leven mèt den glans van dat
vernis wist te zien.’
De waan, die de waarde van een waarheid behoudt, is de elitewaan, is in laatste
instantie altijd weer de waan van het ‘definiërende’ woord, dat geen ‘sentiments
confus et mé- | | | | langés’ erkent; en aangezien die waan even
representatief is voor de mensen als hun z.g. reële economische en politieke
verhoudingen, kan men inderdaad geen geschiedenis schrijven, zonder zich
intensief bezig te houden met die spanning tussen ‘waan’ en ‘leven’; maar
evenmin kan men over de toekomst spreken zonder dat te doen. Alleen door zich
telkens weer voor ogen te stellen, dat de elite niet is, maar
wordt, kan men zijn vrijheid bewaren tegenover de
toekomst. Aan de wordende elite kan men dus bepaalde kenmerken toeschrijven, op
grond van het gewordene en van bepaalde verwachtingen, die iedereen reeds in
zijn definitie van het gewordene neerlegt; maar die kenmerken zijn tevens eisen, die men aan de toekomst stelt, en of eisen worden
ingewilligd, is niet in de laatste plaats een quaestie van eigen activiteit.
Onze elitekenmerken voor de toekomst, anders gezegd onze elite-eisen,
beantwoorden aan een doel; wie eist, wie b.v. van zijn
medemensen eist, dat zij een hiërarchische ordening zullen erkennen, eist ook,
dat zij een doel erkennen, en hij zal telkens weer gedwongen worden dat doel
(‘confus et mélangé’) in woorden te formuleren. Voor de gelovige Christen was
(en is) het doel boven de fluctuaties der begripskoersen verheven; zijn doel was
(en is) ‘de hemelse zaligheid’. Wat hij zich daaronder voorstelt is bijzaak;
hoofdzaak is, dat een definitie de richting bepaalt en dat de onzekerheid
(‘confuse et mélangée’) niet daar optreedt, waar zij een ramp zou kunnen zijn:
in de doelstelling. Regnum en Sacerdotium mogen elkaar hun bevoegdheden
betwisten, hun doel is ‘boven aardse twist verheven’.
Sinds het christelijk doel problematisch is geworden, zijn dus ook de
‘wereldlijke’ en de ‘geestelijke’ macht problematisch geworden. Men oefent macht
uit en men bedient zich van de theorie, zonder dat men weet met welk doel; en
nochtans kan men geen handeling verrichten en geen gedachte formuleren zonder
zich een doel te stellen! Het gevolg van deze paradoxale situatie is, dat handelen en denken, die oorspronkelijk beide
denkend handelen en handelend denken waren in dienst van de hemelse zaligheid,
zich van elkaar verwijderen: de befaamde tragedie der Europese cultuur, die
telkens weer leidt tot gewelddadige en absurde pogingen om de oorspronkelijke
| | | | eenheid te herstellen, die in onze eeuw geleid heeft tot de
antithese bruut-schoolmeester, waardoor de afgrond tussen handelen en denken
manifest geworden is. Zij, die handelen in het groot, zijn thans óók de
‘terribles simplificateurs’, terend op twee of drie gemeenplaatsen, die
Burckhardt, nog midden in de negentiende eeuw, voorspelde; zij, die denken in
het groot, zijn thans óók de verdorde, eigenwijze, ‘weltfremde’
kathederphilosophen, trots op hun objectiviteit en abstractheid; bij de
handelenden is het denken via de gemeenplaats tot beroepsleugen geworden, bij de
denkenden atrophieerde het handelen tot het houden van voordrachten, het bewegen
van de mond en het bewegen van de pen; bij beiden werd het bestaan doelloos,
omdat het oorspronkelijk doel was weggevallen, en kreeg een deel van het bestaan
monstrueuze, schijndoelmatige vormen.
Tussen deze monstrueuze uitersten, bruut en schoolmeester, zijn allerlei
overgangswezens (wij allen, zoals wij zijn), compromissen tussen handelen en
denken, en onder hen zijn ontelbare babbelaars, rooms en onrooms, over een
eenheid, die moet worden hersteld; alsof men het bestaan door zeuren een zin kon afdwingen, alsof men een doel, verloren gegaan
omdat een ‘definitie’ bezweek aan de ‘sentiments confus et mélangés’ van de
Europese mens, weer zou kunnen restaureren als een omgevallen kerktoren!
Inderdaad, men zou het kunnen, maar het gerestaureerde doel zou een slecht
geweten hebben, zoals de imitatiegothiek een slecht geweten heeft! Een ander
kenmerk van toekomstig elitebesef is, dat men zich niet met dergelijke
verzoeningspogingen inlaat; de komende, wordende elite in Europa zal opportunistisch zijn, of zij zal geen elite zijn. De eenheid
van het opportunisme is de enige eenheid, die voor onze cultuur nog mogelijk is
zonder romantiek, zonder ‘gelijkschakeling’ en zonder het geweld als ultima
ratio.
Het is derhalve op zijn minst voorbarig, om, zoals Marsman, het opportunisme
uitsluitend te beschouwen als een vorm van lijdzaam berusten, waardoor verdere
perspectieven worden afgesloten. Het opportunisme houdt wel een element van
berusting in, omdat de opportunist rekening houdt met het | | | | conservatieve karakter der taal en de betrekkelijkheid van iedere
toekomstvoorspelling; maar het is tevens reeds zelf een perspectief, omdat het
ons een wereld aankondigt, waarin de tot dusverre als contrasten gebruikte
begrippen ‘aristocratisch’ en ‘democratisch’ (met de daaraan onvermijdelijk
inhaerente doelstellingen) hun geldigheid hebben verloren; wij staan immers voor
deze paradox, dat in de laatste jaren de democraat aristocratische waarden heeft
moeten verdedigen tegenover een zogenaamd aristocratisch
‘Führerprinzip’! Hoe zou men zich ten opzichte van een dergelijke paradox anders
dan opportunistisch kunnen verhouden? En hoe zou een toekomstige elite, zowel de
handelende als de denkende, zich anders kunnen vormen om aan de
demo-aristocratische politiek leiding te kunnen geven, dan in de leerschool van
het opportunisme? Het gezicht dezer elite zal daarom een nieuw gezicht zijn, al
zullen bepaalde trekken herinneren aan de aristocratische en democratische
gedragingen van weleer; het zal niet nieuw zijn, omdat het zonder verleden uit
de lucht komt vallen, maar omdat een nieuwe doelstelling ook een nieuwe
physionomie schept. Demo-aristocratisch: wellicht heeft men in twintig of dertig
jaar weer een woord gemobiliseerd, dat ons niet meer het recht zal geven van
opportunisme te spreken; want opportunisme is een houding, die allerminst
onzekerheid uitdrukt, maar alleen het voorlopig ontbreken van een woord (begrip)
voor bepaalde handelingen, gevolg van of verbonden met bepaalde gedachten.
Opportunisme is dus niet doelloos; de opportunist is zich juist zeer helder
bewust van het risico ener cultuur, die tussen bruut en schoolmeester geen
midden meer heeft, althans in woorden geen midden erkennen kan. Voor de ‘oude’
begrippensystemen valt derhalve het doel der opportunistische elite uiteen in
een aantal onsamenhangende ‘doelpunten’ op de zeer korte baan; een observatie,
die ook juist en intelligent zou zijn, wanneer men er niet de pretentie aan
ontleende de opportunistische elite een doel te ontzeggen. Dit
doel was er n.l. eerder dan de woorden, die het zullen moeten conserveren voor
de bruikbaarheid en de propaganda; het werd geboren uit het verachte
‘schipperen’... een typisch-nationale werkzaamheid overi- | | | | gens, die
men ten onrechte uit de hoogte behandelt. Onze elite, die niet is, maar wordt,
is de ‘schipperende’ elite, de elite der geboren schippers of schipperaars
tussen Scylla en Charybdis.
Ontdek het gezicht der schipperaars in plaats van naar het herstel van oude
leuzen te zoeken of romantische dwaasheden als geestelijke herbewapening te
cultiveren: dat is het eerste gebod. Ontdek degenen, die niet, zoals de ‘oude’
elites, met een slecht geweten schipperen; het schipperen tussen de leuzen van
de bruut en de schoolmeester is een taak, die ik bijna verheven zou willen
noemen, als men bij het woord verhevenheid niet weer dadelijk denkt aan het
uitgestreken gezicht, dat de nieuwe elite zeker vreemd is. Heeft de schipperaar
soms geen doel, terwijl hij bezig is zijn schuit tussen de perikelen van de wal
(waar de beste stuurlui staan) door te loodsen? Of is zijn doel, op het moment
van het schipperen, de veilige haven? Neen, gedurende het schipperen is het
schipperen zijn doel, wordt dat doel bij iedere bocht en kreek anders
geformuleerd; aangekomen in de veilige haven zal hem wellicht zelfs een gevoel
van ontgoocheling bekruipen, omdat dit nu de plaats is, waarover hij zijn
fantasieën heeft gehad, al schipperende, opgaande in de techniek van het labiele
evenwicht; zijn grootste voldoening zal ook dan zijn, dat hij gedurende de vaart
een goed schipper was. Misschien gaat hij aan de bereikte haven rentenieren,
nemen anderen zijn schuit over, wordt zijn schuit gesloopt; weemoed zal zijn
deel zijn, ook ouderdom met euphorie of gebreken, en daarna de dood. Van dat
Grote Doel weten alle schipperaars; is het in strijd met de opportunistische
doelstellingen der schipperaars?
Het Christendom schipperde naar de hemel, d.w.z. het schipperde de mens naar de
dood met de illusie van een Hemel, van een Wederopstanding, later van een
Evolutie (humanistisch), van een Hemel op Aarde (socialistisch), van een
Wederopstanding van het Volk (nationaal-socialistisch). Wij, de erfgenamen van
dit alles, kunnen met deze doelstellingen niets meer aanvangen; meer nog, wij
weten, dat zij reeds zozeer aan de phrase en de propagandaleugen zijn vervallen,
dat zij het schipperen nauwelijks meer vermogen te maskeren. Voor ons | | | | is het absolute einde de dood, het leven altijd een relatief doel;
voor ons vervult zich het schipperen in de tactiek, voorzover
wij handelen, in het toelaten der relativerende doodsgedachte,
voorzover wij denken. Het ene is het noodzakelijke complement van het andere;
een Regnum, dat zich in niets anders dan tactiek verwerkelijkt, veronderstelt
een Sacerdotium, dat zijn waardigheid ontleent aan de openlijk erkende
relativiteit van alle handelen door de dood.
Vraag: wat houdt een tactiek in zonder absoluut gesteld (eind)doel, zonder een
premie op de dood, zonder een hemelse of aardse Heilstaat? Antwoord: niets, dat
men onder woorden kan brengen; niets, dat ons voorgoed zou kunnen verlossen van
de onzekerheid, waarin wij leven. Daarom is de blik van de opportunistische
elite achterwaarts gericht, als zij aan haar doel denkt; want achter haar liggen
de woorden, die de illusie van zekerheid gaven, en uit wier conflict het gevaar
ontstond van vernietiging en verstarring. Op de bruut reageert de
opportunistische elite dus met de woorden van het oude humanisme en de oude
democratie, op de schoolmeester reageert zij met de woorden van Macchiavelli en
andere tactici, die zich aan ‘heilige’ principes niet stoorden. Dat is het ook,
waardoor de nieuwe elite de meeste aanstoot zal geven, links en rechts: dat zij
bij het denken aan het doel niet vooruit ziet, of beter gezegd: de toekomst niet
door een woord wil bannen, opdat de wereld van de verbale onzekerheid verlost
worde. Het vooruitzien op korte termijn, de ‘balance of power’-tactiek, zij zijn
in de practische staatkunde weliswaar zeer gebruikelijk, maar zij gelden toch
ook als onzedelijk, wanneer zich daarachter, daaronder of daarboven niet een
‘hoger doel’ manifesteert. De nieuwe elite echter zal van het labiele evenwicht
een erezaak maken; zij zal op korte termijn vooruit zien en bij het formuleren
van haar doelstellingen steeds achteruit, hetgeen ongeveer op hetzelfde
neerkomt. De leuze: ‘gevaarlijk leven’, is weliswaar door de bruten zo bevuild,
dat men aarzelt haar in deze tijd nog te gebruiken en zelfs aan het
gemakkelijke, comfortabele leven gaarne de voorkeur zou willen geven boven deze
nieuwe vorm van hysterie; nochtans, ook zonder Mussolini en zijn
piratenpolitiek, blijft het leven ge- | | | | vaarlijk, onzeker,
oncomfortabel. Zolang het om mensen gaat, die in een cultuurverband samenleven,
maar hun cultuur niet meer onder het patronaat vermogen te stellen van een
bindend doel (woord), zolang zal het gevaar van de vernietiging door de bruut en
van de verstarring door de schoolmeester aan de orde zijn. Men zou van de nieuwe
elite kunnen zeggen, dat zij het tweezijdige gevaar als een noodzakelijkheid
erkent (denkend) en tevens voortdurend doende is het te bezweren (handelend);
daaruit volgt haar ‘balance of power’-tactiek, haar schipperen, haar
opportunisme.
Als ik op korte termijn vooruitzie (en dus achteruit om de doelstelling der
nieuwe elite te formuleren), dan zie ik daarom bij deze elite een grote verering
voor de banale veiligheid, die de cultuur in dit democratische stadium inhoudt
(zelfs nu nog inhoudt, nu zij haar eigen barbaren heeft gekweekt en haar laatste
oorlogsspelregels heeft afgeschaft); want het gevaar van de bruut, die over de
middelen der techniek beschikt om te vernietigen, kan men niet anders bezweren
dan door de veiligheid te vergroten. Cultuur betekende steeds een zekere mate
van veiligheid, en men zocht tijdelijk de onveiligheid om nieuwe veiligheid
mogelijk te maken. In deze eeuw, nu de techniek de permanente onveiligheid
betekent, kan de exaltatie van het gevaar slechts verleidelijk zijn voor degene,
die zich niet van het werkelijke gevaar bewust is; dat werkelijke gevaar behoeft
men niet door exaltatie op te roepen, het is er steeds, het is door geen
veiligheidsmaatregelen te doden. Juist hij, die ‘gevaarlijk leven’ wil, zal
daarom naar veiligheid streven, naar de platte, banale veiligheid der
democratie, naar nationale en internationale ‘rechtsorde’, naar het verenigde
Europa in plaats van de ‘erbärmliche Kleinstaaterei’; kon vroeger deze
veiligheid een verstikking zijn, in onze dagen is zij een minimum; zij valt niet
meer samen met de zelfvoldaanheid en de reactie, zij is slechts een ander woord
voor bestaan en cultuur beide. (Zij is dus allerminst een panacee; wij weten
niets van de tijd, die na de korte termijn komt, wij weten niet, of een
verstarde veiligheid erger zal zijn dan de heersende onveiligheid van het
internationale struikroverwezen.)
Permanent onveilig werd Europa door de techniek (uitwen- | | | | dig), maar
niet minder door het schromelijk misverstaan der techniek. In de eeuw der
machine, die de handenarbeid en zelfs een deel van de geestelijke arbeid
overbodig gaat maken, vereerde en vereert men notabene het afgodsbeeld Werk,
ontnam men de werkeloze zijn waardigheid door hem te ‘steunen’. Zoals het de
taak der elite zal zijn om op de moorddadigheid der techniek de veiligheid te
heroveren, ‘ferro’, zo zal het de taak der elite zijn de Werkman te onttronen,
‘verbo’, en voor hem in de plaats te stellen de waardigheid van de onproductieve
mens, die de arbeid slechts als een noodzakelijk kwaad of een stalende
discipline (sport) in ere houdt. Zij zal de wereld een sprookje moeten vertellen
van de Éne Werkman, die in zijn centrale handles overhaalt en robots dirigeert,
die voor allen het werk doet, dat gedaan moet worden, terwijl allen zich
vermeien in het feit van het bestaan, spelen. Dat zal dan het sprookje der
nieuwe veiligheid zijn, waarin de machines als de troetelkinderen der mensen
verschijnen en de werkelozen niet langer onder de ontering lijden; misschien zal
er een zo magische betovering van uitgaan, dat men de luisteraars er tegen
waarschuwen moet, opdat zij het niet als een utopie gaan beschouwen en lui
worden; want het sprookje is niet de utopie en de lediggang is niet de luiheid.
De veiligheid is de democratie, de democratie is de nivellering; de nieuwe elite
zal de nivellering willen, omdat zij zelf uit de nivellering is voortgekomen en
weet, dat de oude pretenties geen geldigheid meer hebben. Zij zal dus ook de
‘vooruitgang’ willen, ook de ‘internationale solidariteit’, ook de ‘algemene
ontwikkeling’, ook, met andere woorden, de halfbeschaving; niet echter, om in de
begeleidende phraseologie te zwelgen, maar omdat deze disposities niet ongedaan
zijn te maken. Voor iedere elite was de bestaande wereld een springplank; welnu,
men dient van de sprinkplank uit te gaan, wanneer men in het water wil springen.
Het nieuwe elitebesef is niet gebonden aan een van de oude standen of klassen;
het kan, dank zij de nivellering, overal ontwaken (zoals het nergens behoeft te ontwaken, noch bij de burger, noch bij de arbeider,
die op weg zijn hun klassekenmerken te verliezen). Uit dien hoofde is de nieuwe
elite een democratische elite; haar | | | | ‘aristocratie’ zal van een
democratische springplank duiken. Betekent dit liefde voor de
democratie? Ja, want de duiker weet, dat hij zonder zijn springplank niet duiken
kan; neen, want hij duikt niet om de springplank, maar om het water. Veiligheid,
orde en democratie worden schoolmeestersattributen, zodra zij gebruikt worden om
het ‘gevaarlijke leven’ uit te schakelen ten behoeve van een
formule-veiligheid, een formule-orde, een formule-democratie; maar men behoeft
daarop niet de nadruk te leggen, zolang een democratie van het water nog
regelmatig aangewreven wordt aan hen, die niets anders doen dan de democratie
van de springplank erkennen.
Ook de nieuwe elite zal uiteenvallen in een denkende en een handelende elite. Het
gezicht van de denkende elite beginnen wij te onderscheiden; eigenlijk betreft
alles, wat wij over een toekomstige elite schrijven, de denkende elite, het
denken in de elite. Maar zoals het Sacerdotium het Regnum
veronderstelde als ‘partner’, zo veronderstelt een denkende nieuwe elite een
handelende nieuwe elite. Wij zien het gezicht nog niet van deze tactici, die hun
aandeel in de bruutheid zullen hebben, die waarschijnlijk weinig met volle
bewustheid zullen weten van het dilemma der denkenden en hen misschien zullen
respecteren met een nuance van verachting (zoals iedere wereldlijke macht naast
respect iets van verachting heeft gevoeld voor de clercken en philosophen). Er
zal in de christelijke cultuur altijd een spanning bestaan tussen de handelende
en de denkende, tussen de machtsuitoefening en de waardigheid; de handelende
zoekt zijn waardigheid (àls hij haar zoekt) in de machtsuitoefening zelf, de
rechtvaardiging van zijn spontane tactiek door de denkenden heeft voor hem
steeds iets van overbodige aanmatiging... zoals, omgekeerd, de denkende de
machtsuitoefening in het groot en zonder scrupules steeds ondergaat als een vorm
van tyrannie;1 zulk een spanning
sluit samenwerking echter niet uit, omdat zij iets anders is dan de
onverzoenlijke vijandschap tussen de bruut en de | | | | schoolmeester,
waarvan wij getuige zijn en die wij helpen aanwakkeren, omdat zij ondraaglijk is
geworden.
Na de nivellering door de democratie kan de denkende zich niet meer in de ivoren
toren terugtrekken zonder belachelijk te worden en kan de handelende niet meer
de pure brutaliteit bedrijven zonder te vervallen in onverlichte despotie, de
moderne vorm van barbarendom. De denkende elite zal dat beseffen en niets meer
verafschuwen dan de allures van de kunstmatige afzondering; wat zal de
handelende elite doen? Is er in Europa nog een heerser denkbaar, die de
democratie veracht? Ik bedoel niet het respect voor haar phraseologie, haar
paskwillige ‘rechten van de mens en van de burger’, haar scholastische
partijverschillen; ik bedoel niet, dat een democratische heerser zich anders dan
‘schipperend’ zal ophouden met historische spitsvondigheden als daar zijn het
onderscheid en de overeenkomst tussen liberalen en vrijzinnig-democraten, de
overeenkomst en het onderscheid tussen anti-revolutionnairen en
christelijk-historischen. Ik bedoel de democratie, die bewerkstelligt, dat ieder
mens een kiezer is, de vertegenwoordiger van de kleine
volstrekt niet belangrijke menselijke waardigheid, die zo nu en dan uitgedrukt
wordt door ‘verschuivingen in de publieke opinie’, door veranderde
getalsverhoudingen als resultaat van de stembus. ‘De stembus heeft gesproken’:
dat wil zeggen, dat ongelijke mannen en vrouwen met ongelijke gezichten en
gedachten door een eigenaardige uitvinding van de christelijke cultuur op één
dag worden afgerond tot de zuivere cirkelvorm van evenveel rode stippen. Niet
hun blonde of bruine ogen, niet hun originele of platvloerse bespiegelingen over
leven en dood, maar een grof mathematisch principe, toegepast op een
onoverzichtelijke werkelijkheid, geeft dan de doorslag. De doorslag? Zelfs dat
niet; want na de stembus komen de politieke mannen, die het hunne denken van dit
resultaat en naar combinaties gaan zoeken, die ten dele op het stembusresultaat
zijn gebaseerd en het ten dele weer ongedaan maken. De afronding tot gelijkheid
is geen doel van dit systeem, maar middel; doel zijn (of zouden moeten zijn) de
mannen van het Regnum, de ware kiezers, de uitvoerders van onuitvoerbare
wilsbesluiten der gedifferen | | | | tieerde massa, doel is (of zou moeten
zijn) het regeren van die massa door haar talloze kleine opvattingen van
menselijke waardigheid in balans te houden. Ongetwijfeld, daarvoor is nodig een
goede dosis geringschatting; een staatsman, die zijn kiezers au sérieux neemt
als waren zij ook staatslieden (in het klein), is een onmogelijke staatsman.
Zijn geringschatting heeft echter niet te treffen de kiezende mensen als
zodanig, op straffe van om te slaan in de mensenverachting van de bruut, die
zichzelf isoleert door zijn tyrannie; want wat is de waardigheid van een
staatsman zonder het voortdurend contact met de kleine waardigheidsopvattingen
van zijn onderdanen?
Wij zien nog niet het gezicht van een handelende elite, maar wij zien de
gezichten der democratische politici, die half en half in hun eigen phraseologie
geloven (naar boven gevallen kiezers), en wij zien, met meer afgrijzen nog, de
gezichten der tyrannen, die zich verbeelden heersers te zijn, omdat zij heersen
met een apparaat van geheime politie, schreeuwende rhetoren en stille
verklikkers; de eersten vleien, de laatsten verachten het wezen kiezer, en zo
leveren zij beiden weer iets van het portret en ontzaglijk veel van de
caricatuur ener handelende elite. Niet alleen de caricatuur;
wie zich inbeeldt, dat een handelende elite uit modelmannen zal bestaan die
gedienstig idealen van stemgerechtigde utopisten zullen uitvoeren, doet er beter
aan over hun voorkomen niet te fantaseren. Handelen en heersen veronderstelt
compromissen en combinaties, veronderstelt ook onderdrukking. De
partij-democraat echter sluit compromissen, omdat hij in het compromis een
ideaal verwerkelijkt, de tyran onderdrukt, omdat hij in de onderdrukking zijn
doel meent te bereiken, en dat juist ziet men aan hun portret.
Is een handelende elite dan niet een contradictio in terminis? Niet meer dan een
denkende elite. Men kan het elitebegrip alleen gebruiken, wanneer men het doel
van handelen en denken voor ogen heeft; men kan het elitebegrip van een
christelijke cultuur alleen gebruiken, wanneer men zich er rekenschap van geeft,
dat het voormalige absolute doel is opgelost in het opportunisme en dat de
voormalige plaatsvervangende | | | | elites, Regnum en Sacerdotium,
schipperend een paradoxale beschaving moeten beheren. De paradox in
plaats van de eenheid: dat is het ‘geheim’ der nieuwe elite. Zij zal
met dat ‘geheim’ overigens niet geheimzinnig behoeven om te gaan, want het
esoterische is hier geen clubmysterie; geen nieuwe riddermystiek, geen
‘Pfaffentum’ onder het motto: ‘A Roma si fa la fede - fuori ci si crede’! Wie
met exoterische woorden ‘cultuur’, ‘beschaving’, ‘macht’, ‘waardigheid’, ‘doel’
zegt, maakt zich verstaanbaar in een taal, die voor de propaganda bruikbaar is:
eenheid door democratie, maar die tevens, esoterisch, het geheim bewaart. De
christelijke cultuur kan in dit stadium nog slechts een geheim bewaren door het
op straat te brengen, zoals de nieuwe elite haar eenzaamheid alleen zal kunnen
handhaven in het gewoel van een genivelleerde samenleving. Dat sluit iedere
romantische opvatting van geheim en eenzaamheid uit; waar de retraiteplaatsen in
een toekomstig Europa zullen zijn, weten wij niet, want wij weten niet, hoe en
waar de elite de stilte zal scheppen, die door de radio van de natuur is
afgegrist, tot in de stille boerendorpen toe.
Nochtans zal de nieuwe elite elite zijn door het geheim, dat in de dubbele
functie der taal ligt opgesloten. Het geheim ligt op straat, maar de straat is
ook een plaats, waar men voorbijgaat, waar men dóórlopend en
doorlópend voorbijgaat. Die situatie, en geen andere, zal beslissend zijn voor
de verhouding tussen ‘elite’ en ‘massa’; de elite zal daar, waar men aan het
geheim voorbijgaat, ‘definiëren’ in plaats van ‘designeren’, volgens de
onderscheiding van Benjamin Constant; in die tweeledigheid ligt ook haar dubbele
werkzaamheid van handelende en denkende elite, ligt ook de spanning tussen beide
opgesloten.
Europa zal voortaan moeten leven met dit geheim, of het zal ondergaan.
Maart-April 1939
|
1De afgrijselijke caricatuur (en dus ook
reeds iets van het portret!) van zulk een moderne
verhouding tussen Regnum en Sacerdotium vindt men in de samenwerking tussen
de bruut Mussolini en zijn ‘verbale’ lakei Gayda.
|
|