Het schoonste land ter wereld


auteur: Renaat Braem


bron: Renaat Braem, Het schoonste land ter wereld. Uitgeverij Kritak, Leuven 1987  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 4]
Met dank aan Francis Strauven
[p. 7]

Deel I Leren dromen

[p. 9]

29 augustus 1987. Ja, ik ben nu zevenenzeventig! Het is eigenaardig dat ik nu ik deze memoires schrijf de film van mijn leven zie afrollen, het ene beeld na het andere, maar soms zie ik ook alle beelden - ieder eigenlijk een kleine snede tijd en ruimte - tegelijk en naast elkaar. Het lijkt dan een muurschildering op een zeer lange wand. Er zijn beelden die wat vergeeld zijn of in mist gehuld, andere zijn scherp afgelijnd en kleurig. Dat zijn meestal de talrijke schokken, beelden van dood en geweld, ondergang en vernietiging, maar ook die van opperste vreugde. Wel verschijnen ze op een achtergrond waarin de verbeelding altijd een rol blijft spelen. Gelukkig maar.

De film begint met het oudste gebeuren dat in mijn geheugen staat gegrift; het bombardement van Antwerpen, bij het begin van de oorlog 1914-1918. Ik zie het lange perspectief van de Montignystraat, de aaneengesloten rij bleke, witgelakte gevels en boven het vluchtpunt van alle lijnen - voor mij, kleine jongen, eindeloos ver - de ontploffende Duitse schrapnels. Dat was het begin van een nogal bewogen scenario, waarin vallen en opstaan elkaar afwisselen. Wie weet hoe het zal eindigen?

Die helse zomerdag gingen wij op de vlucht, zoals heel veel Antwerpenaars. Mijn vader droeg op zijn schouders een dubbel pak met kleren en beddegoed en mij daartussenin. Ik zie nog mijn moeder met de ontzaglijke hoed, volgens de mode van toen, in de pas met pa. We trokken van de oorlog weg, naar het noorden. We hadden familie in Essen en Nispen en zouden daar vermoedelijk tijdelijk onderdak vinden tot de storm boven Antwerpen wat geluwd was. Naar Essen is het te voet een lange weg, maar gelukkig ontfermde de machinist van een vluchtelingentrein zich over ons. Hij deed de trein stoppen en laadde ons op de locomotief. De spullen in de witte lakens werden op de kolenbunker gesmeten en zo geraakten we aan de grens.

Veel Belgen verbleven de hele oorlog in kampen in Nederland, maar wij konden op tijd terug over de grens en naar huis. We woonden boven een tabakswinkel die niet zo druk beklant was, zodat wij maar af en toe de schel hoorden rinkelen. De wijk was een typisch negentiende-eeuws produkt, door administratieve rechtlijnigheid getemperde speculatieve bebouwing. Smalle bouwpercelen dus, vijf en een halve meter breed, met een uitbating van de ruimte in de diepte: salon, eetkamer, veranda, donkere keuken, pomphuis, wc, smalle gang en steile trap, doodconventioneel. Het toeval had in de straat een kleinburgerlijke bevolkingslaag bijeengebracht, die bovenal stil en fatsoenlijk wilde zijn. Aan de over-

[p. 10]

kant van de straat had de firma Parein een koekjesfabriek opgericht. Nonkel Fee was er overste van de bakovens. Af en toe bracht hij wat koekjes mee. Ik hield en hou nog veel van koekjes en zag tante Jeannette dus graag komen...

Na een moeilijke jeugd had mijn vader het tot hulp-apotheker gebracht. Mijn moeder moest niet uit werken gaan. Zij had de handen vol met haar jonge spruit, die gezond uitviel van oren en poten, maar op wie het zaak was goed te passen. Dit gelukkige paar leidde een kleinburgerlijk bestaan, zonder weelde en zonder risico's. Zelfs de oorlog zou hier geen wijziging in brengen. Mijn moeder had thuis de terreur van een hardvochtige stiefmoeder moeten doorstaan, zodat ze ten slotte met haar zusters het ouderlijk huis was ontvlucht om een onafhankelijk bestaan als naaister te veroveren. Ze was, wat men noemt, van goede familie. Vader Van den Oever had een deftig café onder de Onze-Lieve-Vrouwetoren, maar de dochters mochten zich daar niet vertonen. 's Zondags na de hoogmis kwamen de deftige burgers er een ‘witteke’ degusteren alvorens ze naar huis wandelden, met hoge hoed, handschoenen en wandelstok. Zelfs Jan van Rijswijck behoorde tot de klanten. In de politieke arena waren de liberalen toen hevig antiklerikaal, maar in hun dagelijks en zondags leven gedroegen zij zich zoals iedereen. Een neef van mijn moeder, Karel van den Oever, de latere expressionistische dichter, woonde met zijn zusters in de Steenhouwersvest. Zij hielden er een grote stoffenwinkel. Na de oorlog van 1914-1918 waren ze gespecialiseerd in leeuwevlaggen. Door toedoen van de al vermelde stiefmoeder was er echter een verwijdering ontstaan tussen de twee takken van de Van den Oevers en was de omgang helaas verbroken. Alleszins valt langs moeders kant mijn door en door Antwerpse oorsprong niet te loochenen, althans in directe lijn, want verder terug schijnt de familie - ondanks de Nederlandse naam - haar oorsprong te vinden in Friesland, bij zeekapiteins en steenbakkers rond Bolsward. De familie Braem heeft zijn oorsprong in Gent.

Pa had op zijn vierde zijn vader verloren, een klompenmaker uit Sint-Gillis-Waas. Zijn moeder, Nathalie Drumont, was geboren in De Klinge, maar had Franse voorouders. Ze was noodgedwongen naar de stad getrokken om er te ‘dienen’ en had de kleine jongen aan een religieuze inrichting toevertrouwd. Pa kon veel vertellen over de onrechtvaardigheden die hij daar had ondervonden en die mij aan de belevenissen van Oliver Twist deden denken: zo moest hij op zijn blote knieën met opge-

[p. 11]

heven armen op de koude vloer in de gang urenlang boeten voor zaken die hij helemaal niet gedaan had. Hij is dan ook zijn leven lang hevig antiklerikaal gebleven en heeft zijn zoon en dochter een opvoeding in deze geest gegeven. Zijn moeder is dan in de stad hertrouwd met een metselaar, De Wilde, die een leven leidde zoals dat in de volksklasse toen gebruikelijk was: hard werken voor een onzeker inkomen, 's maandags met de kompanen een pintje pakken in het Spieke op de hoek en soms thuiskomen met eentje te veel op. Er kwamen de gebruikelijke kinderen, die na de lagere school al gauw aan de slag moesten. In de winter werd er niet gemetseld en was er geen normaal inkomen. Dan werd er hout gehakt voor de verkoop. De oudste, mijn vader, moest dan met zware zakken vol stoofaanmaak de trappen op van de kantoren rond de Beurs, die toen met kolenkachels werden verwarmd.

Toch wist mijn vader stilaan de eerste treden van de sociale ladder te bestijgen. Hij vond werk in een grote drogisterij, die veel leverde aan schepen in de haven. Hij studeerde in zijn luttele vrije uren onder andere scheikunde, zodat hij later werd aangenomen in de apotheek De Olifant op de Brouwersvliet, waar hij de onmisbare hulpkracht werd van apotheker Simmers.

Eigenlijk had hij in zekere mate een avontuurlijke geest, gesterkt door een vaste wil. Eens stopte hij een op hol geslagen paard, ik bezit er nog een foto van. Door de contacten die hij had met de bemanningen van de schepen, die ook de voornaamste clientèle vormden van de apotheek, vatte hij het plan op om naar Brazilië te trekken, om daar als planter een toekomst op te bouwen. Had hij daarin volhard, wie weet welke rol hij in dat land der duizend mogelijkheden nog had kunnen spelen, en ook zijn zoon? In deze beeldstrook van de film is er dus een blanke vlek, een vraagteken.

Gaandeweg werd mijn vader een figuur waarover zelfs in Tybaert De Kater, weekblad voor verstandige lieden werd gesproken. Hij toonde toen al zijn eigen aard door een fluwelen plunje en zware laarzen te dragen. Hij kwam in aanraking met de kunstschilder Kurt Peiser, die zich specialiseerde in het konterfeiten van de armoewijken van de haven, de dames achter de rode gordijntjes, enzovoort. Veel later zou ikzelf Kurt Peiser leren kennen op een congres van communistische kunstenaars. Het leven loopt soms langs vele, gecompliceerde draden... Overigens moet pa contacten gehad hebben met de ‘groep van de kapel’, die naar ik me herinner ‘Alvoorder’ genoemd werd. Een reeks schrijvers en kunste-

[p. 12]

naars waren er lid van, zoals Ary Delen en Lode Baekelmans. Ik geloof dat het, evenals ‘De Solidairen’, om een soort mantelorganisatie van de vrijmetselarij ging. Tot inwijding in een loge heeft mijn vader het echter niet kunnen brengen. Vermoedelijk was hij als eenvoudige kleine bediende daar niet chic genoeg voor.

Vader was een toegewijd turner in de liberaal georiënteerde Turn- en Wapenclub van Antwerpen Zuid. Hij heeft zijn leven lang de leuze ‘mens sana in corpore sano’ gehuldigd en deze ook in de apothekerij toegepast. Hij gaf node de gevraagde pillen aan de patiënten, en probeerde ze te overhalen door turnoefeningen hun gezondheid te vrijwaren. Hij was zelf de verpersoonlijking van zijn preken en kon op zestigjarige leeftijd nog grif een correcte handenstand uitvoeren. Dagelijks nog fietste hij de Antwerpse Kempen rond, zijn lange haren wapperend in de wind en met blote voeten in de sandalen, in alle weer. Dit turnen in ‘de club van 't Zuid’ bracht mij als kleine jongen een vriendje bij, de zoon van de feestleider Hendrickx. Later zou ik met hem in de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten studeren tekenplank aan tekenplank, nog later zouden ik als architect en hij als algemeen directeur voor Stedebouw nog heel wat bekvechten!

De lezer heeft zeker al begrepen dat mijn vader een volbloed idealist was en vatbaar voor progressieve strekkingen. Hoewel zijn vader slechts klompenmaker was, was hij een waardige afstammeling van Boudewijn Braem, de ridder wiens naam ik tegenkwam in een supplement achterin Consciences De leeuw van Vlaanderen, als een van de ridders die aan de Guldensporenslag hebben deelgenomen. Op die voorvader Boudewijn ben ik bijzonder fier, omdat hij de goede zijde koos van de gemeenten tegen de koning en de adel van Frankrijk. Dit beeld uit het verleden zie ik dan ook met het nodige verguldsel. Het wapenschild kan nog eens van pas komen! Om maar te zeggen dat mijn vader een onverholen sympathie had voor de activisten. Dat waren Vlamingen die, na tachtig jaar miskenning van onze rechten onder Belgisch regime, eindelijk de kans zagen een Vlaamse universiteit en zelfbestuur te veroveren, zij het onder Duitse bescherming. Een vriend des huizes, Karel de Muynck (broer van Gust de Muynck, die later een rol speelde in de Belgische politiek), liep daar hoog mee op en liet niet af het activisme te verdedigen, tot pa zich liet verleiden om het plechtig Vlaams Onafhankelijkheidsfeest in de Beurs bij te wonen. Wij hoorden toen Borms en aanverwanten Vlaanderen los van België verklaren, terwijl een reusachtige leeuwevlag werd ge-

[p. 13]

hesen en wolken peper door patriottische Belgen vanop de balkons over de vergadering werden gestrooid. Nadien kwam het tot een optocht op de Meir, die weldra in een algemeen gevecht ontaardde, waarbij de activisten door Duitse soldaten werden beschermd. Overigens was de opvallende aanwezigheid van Duitse officieren tijdens de plechtigheid ook voor mijn vader een doorn in het oog en hij had verder geen oren meer naar het activisme. De Vlaamse grieven lieten hem niet onverschillig, maar met ‘den Duits’ wilde hij niets te maken hebben.

Toen we terugkeerden van ‘de vlucht’, gingen wij op de Brouwersvliet wonen, in de apotheek die pa moest bewaken na het overhaaste vertrek van zijn patroon naar Engeland. Het was een ruim en diep negentiendeeuws huis met winkel, magazijn en labo, meestal spaarzaam verlicht. Doordat zoveel scheepsbemanningen klant waren, kwamen er in vredestijd veel kapiteins over de vloer, die als vrienden van heinde en ver souvenirs meebrachten als geschenk. Ik herinner me zo papieren snuisterijen van Bali, krissen en degens, Japanse schermen, waardoor de grote salon op de eerste verdieping veel had van een museum, met een grote bibliotheek. Door de glazen instrumenten en distilleerkolven, verspreid in het halfduister, hing er trouwens in het huis een eigenaardige sfeer, als in een alchimistisch laboratorium. Op de zolder lagen jaargangen van Le Petit Journal Illustré, vol gevechten en charges van kurassiers, die mij dagenlang boeiden, hoewel de ratten uit de rui onder het huis soms overal de rust verstoorden. Zelfs de kat was er bang voor.

Dit alles heeft blijvend op mijn verbeelding ingewerkt. Ik schrijf aan die herinneringen mijn aanleg toe voor surrealistische fantasie. Ik tekende veel en dit trok de aandacht van een kunstschilder die geregeld bij ons langs kwam, Jules Richard. Hij toonde mijn krabbels aan Frans Hens, de Schelde-schilder en die zei: ‘Dat manneke moet schilder worden.’

Intussen zat ik op school in het stedelijk onderwijsgesticht nr. 2 in de Van Maerlantstraat, een van die scholen die ook bouwkundig een pluim op de hoed waren van het liberale gemeentebestuur. Het was een school waar de burgerij betaalde voor de opvoeding van haar kinderen. Dagelijks ging ik, te voet vanzelfsprekend, van de Brouwersvliet naar de Van Maerlantstraat. Ik heb aan die school gemengde herinneringen overgehouden, omdat ik van meet af aan een ongelijkmatige leerling bleek. Ik was beslist geen deugniet of luiwammes, maar ik had zo mijn voorkeur. Ik was goed in Nederlands, Frans, aardrijkskunde en geschiedenis en erg slecht in rekenen. Dat is er later niet op verbeterd, en toch ben ik een re-

[p. 14]

delijk goed architect geworden die, zo meen ik, dit land niet lelijker heeft gemaakt. Verbeelding is steeds van groter belang gebleken dan rekenen, maar mijn gebouwen, zelfs die van twintig verdiepingen - ik ben inderdaad een Vlaamse torenbouwer geworden - zijn tot nog toe niet omgevallen.

Op school kregen we regelmatig versterkingsmiddelen, zoals levertraan, die we slechts met verwrongen gezichten konden binnenslikken. Ik was de zoon van een apotheker en kreeg dus als bijnaam ‘De Pil’.

Om de bevolking niet te laten verhongeren, bestond er een ‘komiteit’ dat van het American Relief for Belgium afkomstige etenswaren verdeelde. Om het gezouten spek te kunnen kopen, moest men echter bewijzen dat men ook de smakeloze soep had afgehaald in het lokaal van het ‘komiteit’ Die klus viel mij te beurt, zeer tegen mijn zin, want in de rij gaan staan tussen een bende haveloze vrouwen beviel mij hoegenaamd niet. Aangenamer was het die keer dat een Duitse soldaat mij alleen op straat zag spelen, en mij een stuk chocolade toestak. De man dacht wellicht aan zijn eigen kind thuis.

De winter van 1917 was bitterkoud. De kolen van onze mijnen werden door de Duitsers voor hun oorlogsindustrie gebruikt en wij zaten in dekens gehuld rond de kolomkachel, gestookt met turf en spriet. Eens vergat ik mijn handschoenen en kwam huilend van de kou op school aan.

Op de Brouwersvliet was voorheen een Deutsches Seemannsheim gevestigd dat in de oorlogsjaren dra als kazerne werd gebruikt. Wij zagen dus dagelijks compagnieën pinhelmen voorbijdefileren, al zingend: ‘Zum Rhein, zum Rhein, zum deutschen Rhein, das Vaterland muss grösser sein’. En zo trokken ze dan op naar het westen, ‘zum frischen, fröhlichen Krieg’. Misschien heeft het schouwspel van die marcherende soldaten zelfs diepe indruk op mij gemaakt. Toen de meester op school vroeg wat we later wilden worden, antwoordde ik alleszins: ‘soldaat!’ Dat is verkeerd afgelopen, want mijn militaire prestaties, eerst als soldaat, later als sergeant, waren werkelijk erbarmelijk. Ik kon niet eens een machinegeweer uiteenhalen en weer monteren en met mijn pistool heb ik nooit geschoten.

De soldaten trokken op, met muziek, maar keerden weldra weer, als gewonden, in lange rijen Beierse boerenwagens, naar het oosten, naar huis toe. Toen zongen ze niet meer. Toch hield het Duitse leger zich aan een strikte discipline en bleef het marcheren. Tot de maat overliep. Op een morgen was ik tussen de natiewagens aan het spelen, toen plotseling

[p. 15]



illustratie

Tekening van de 9-jarige Braem




illustratie
Tekening van de 77-jarige Braem: zijn oudste herinnering, uit 1914


[p. 16]

een ongewone militaire formatie de straat in marcheerde: gewapende matrozen, bajonet op het geweer, achter een rode vlag. Op de hoek van het Falconplein verscheen een chic uitziende officier die met opzet verzuimde de rode vlag te groeten. In minder dan geen tijd was hij van zijn insignes beroofd en tegen de grond gesmeten. Ik kan nog precies aanduiden waar dat gebeurde. Het was de eerste keer dat ik een revolutie beleefde. Het is me sindsdien helaas niet meer overkomen.

De Duitsers trokken inmiddels terug naar de Heimat en een algemene plundering van hun kazernes en magazijnen door de bevolking volgde. Bij ons in de buurt waren verschillende militaire stapelhuizen en als kleine jongen van zeven wilde ik beslist weten of er iets te ‘verhapzakken’ viel. Ik kwam thuis met twee dunne soldatenmatrassen, die nog lang diensten hebben bewezen. 's Anderendaags kregen we de eerste Belgische soldaten te zien, weliswaar achter de hekken die de haven afsloten, als wou men een direct en feestelijk contact met de bevolking verhinderen. Van de latere feestelijkheden herinner ik me niets. Alleen de terugkeer van de baas van mijn vader uit Engeland kan ik me nog goed voor de geest halen. Hij bracht de eerste blikjes inmaakvlees, corned beef, mee. Hij was verwonderd omdat de apotheek uitverkocht was. Dat was voor ons gezin de enige manier geweest om te overleven, want van een loon was er gedurende vier jaar geen sprake geweest, en mijn vader had stukje bij beetje de inboedel aan andere apothekers verkocht.

Van de oorlogsjaren herinner ik me nog dat er niet zoveel vreugde te rapen viel. Wel bezochten we regelmatig de schouwburg Palatinat, die de specialiteit had dat overbekende stukken er werden gepersifleerd, zoals Carmen dat tot Trees Karmel werd omgedoopt en De mezenvangers van Zurenborg dat zelfs Die Meistersinger von Nürenberg niet ontzag. De grote trekpleister was de rondborstige zangeres Reze Venus, die in de algemene trieste stemming een beetje optimisme wist te brengen.

's Zondags sprak mijn vader af met een collega-hulpapotheker, Jonkers, en dan trokken we voor de hele dag naar het Peerdsbos. Beide vrienden waren liefhebbers en kenners van paddestoelen en stilaan werd ook ik in die nuttige kennis ingewijd. Het was trouwens een aanvulling van het magere oorlogsmenu. Die wandelingen hebben mij vermoedelijk ook de liefde voor de natuur bijgebracht die me nooit meer heeft verlaten.

Ik was enige zoon en had niet veel speelkameraadjes en daardoor werd ik een nogal in zichzelf gekeerde knaap, die hoe langer hoe meer plezier vond in het lezen van alle boeken die zich in de bibliotheek van De

[p. 17]

Olifant bevonden. Ik las het volledige werk van Jules Verne, die ik nog altijd hoog aansla, ondanks de naïeve psychologie, omdat hij grote eerbied koesterde voor de technische vooruitgang en menselijke creativiteit en zijn helden als minnaars van de vrijheid afschilderde. Kapitein Nemo was en is mijn grote held!

Ik begon toen al de krant te lezen, waardoor ik me bewust werd van wat er zoal op aarde gebeurde, en dat was nogal schokkend. De diverse oorlogen waren niet gedaan. Overal op de wereld heerste ellende, bij de overwinnaars zowel als bij de overwonnenen.

Wij verhuisden naar Sint-Mariaburg, omdat de gezondheid van mijn moeder zorgen baarde en de lucht haar daar goed zou doen. De apotheek De Olifant was bovendien ter ziele gegaan. Dit bracht mee dat ik dagelijks met de ‘rode tram’ het traject van Sint-Mariaburg naar het Sint-Jansplein aflegde. Er brak een periode aan van stakingen van de slecht betaalde bedienden en arbeiders, zodat ik de afstand vaak te voet moest afleggen met een zware boekentas, eigenlijk wat veel voor zo'n jonge knaap, maar de school mocht niet worden verzuimd. Zonder erbij na te denken ondervond ik toen al de praktische gevolgen van de klassenstrijd, die na een korte periode van hoera-patriottisme onafwendbaar de kop opstak.

Urbanistische entree

In dat klimaat ontstond ook een politieke beweging die haar oorsprong vond bij de frontsoldaten, die de hele oorlog onder Franstalig commando hun bloed hadden gegeven voor een België dat hun elementairste rechten miskende. De opkomst van de Frontpartij betekende de voortzetting van het activisme, maar ditmaal wortelde de beweging in de brede massa en stoelde ze op algemeen erkende volkse eisen i.v.m. gerecht, leger, onderwijs in de eigen taal van laag tot hoog, antimilitarisme en democratie. De Frontpartij was politiek een minderheid, maar erg actief en groeide gestadig. Haar dagblad, De Schelde, stak fris af tegen het aftandse proza van de andere kranten (een aantal daarvan verscheen zelfs in Antwerpen in het Frans: de liberale, Fransdolle Matin, de aartsconservatieve Métropole en de beurskrant Echo de la Bourse), die zich tot de Fransbrabbelende bourgeoisie wendden; voorts waren er Het Handelschblad en De Nieuwe Gazet, beide conservatief, respectievelijk katholiek en liberaal.

[p. 18]

Ik zie ze nog voor me, de grote betogingen van de Frontpartij, naar aanleiding van de verkiezingen. Met duizenden trokken geestdriftige Vlamingen door de stad, 's avonds bij het licht van fakkels. Toen konden de mensen nog zingen ‘Omdat ik Vlaming ben’, ‘Wij willen wat was recht’, of ‘De Vlaamse leeuw’. Bij iedere stemronde vermeerderde het aantal verkozenen van de Frontpartij en de Belgische staat begon op zijn Franstalige grondvesten te sidderen. Hij doet dat nog altijd!

Wonen in het naargeestige Sint-Mariaburg begon stilaan op mijn ziekelijke moeder te wegen en wij verhuisden naar de stad, naar de inmiddels verdwenen Wapperstraat, bij de Meir. We werden er allemaal getroffen door de griepepidemie, die op dat moment in de hele door de oorlog getroffen wereld slachtoffers eiste. Die ziekte veroorzaakte een ware verdwazing, zodat mijn zieke moeder moest beletten dat ik uit het raam zou springen. Ik herinner me ook een cinema tegenover ons huis waarvoor een invalide zanger dagelijks dezelfde liedjes ten gehore bracht.

Ik had de lagere school achter de rug en ging ook naar het Koninklijk Atheneum, waar de tucht minder streng was dan in de Van Maerlantstraat en waar het me ook beter beviel omdat de verschillende vakken door verschillende leraren werden gegeven. Dat nam niet weg dat ik ook daar een onregelmatig student was: als de leraar de stof attractief voorstelde, werkte ik goed mee, anders was ik een eerder middelmatige leerling. En weer was ik slecht in exacte vakken en goed als de verbeelding een rol kon spelen, bijvoorbeeld bij opstel. De leerlingen waren verdeeld in flaminganten, die vanaf de vierde klas lid werden van Ontwikkeling, en franskiljons, die aangesloten waren bij een Fransgezinde vereniging. Het kwam vaak tot schermutselingen op de speelplaats en er waren soms conflicten tussen Ontwikkeling en de franskiljonse prefect Loos, waarbij onze voorzitter, Maurice Naessens - de latere socialistische bankdirecteur - het moest ontgelden. Jarenlang heb ik later naast de man gezeten in de Commissie voor Monumenten en ben ik vriendschappelijk met hem omgegaan, ondanks zijn twijfelachtige houding tijdens de bezetting.

Ons gezin werd vergroot met een zusje, Paula, die acht jaar jonger is dan ik. Het appartementje in de Wapperstraat werd te klein. Mijn vader kon inmiddels dank zij tips van zijn baas, apotheker Six, vruchtbaar speculeren, wat ons van een klein bediendegezin verhief tot het peil van het kleinburgerdom. Dit bracht ook een royalere levenswijze met zich mee

[p. 19]

en de aankoop van een pas gebouwd huis op de Gitschotellei.

Ik sloot vriendschap met enkele jongens en meisjes uit de buurt, van ongeveer elf jaar. Er was toen nog speelruimte te over in de velden achter onze woning. Als het regende lagen er grote plassen, waarop wij met balken konden varen en die bij vorst tot ijsvermaak leidden. Door de stakingen in het bouwbedrijf lag het werk op vele werven lang stil en dat leverde allerlei materialen op voor ons spel. Ik nam het initiatief om op de weide dicht bij huis een ‘dorp’ op te richten van kleine hutten, gebouwd van struiken en afval van de bouwwerven. Het heette Tsjikabovla. Ik verzon bovendien een geheimtaal die weldra door alle jongens van de straat werd beheerst: aan de stam van een woord moest de klank ‘ee’ worden toegevoegd en de medeklinkers moesten van plaats worden verwisseld, zodat ‘gij zijt zot’ klonk als ‘ijgee ijtzee otzee’. We hebben dat taaltje jarenlang gebruikt. Weldra hadden jongens van een andere straat ook een dorp gesticht. Ik had dus mijn loopbaan als urbanist ingezet met een praktische verwezenlijking.

's Zondags trokken mijn vader en ik naar de stad, waar we tentoonstellingen van schilderijen bezochten en ons diverse tijdschriften aanschaften (financiële voor pa, bijvoorbeeld Le Home voor mij en Bécassine voor mijn zus) en natuurlijk taartjes voor 's namiddags. Die interieurtijdschriften brachten mij in contact met de laatste trends inzake huizen en villa's. Ik begon schetsen te maken met het oog op mijn aanstaande studies, want ik had besloten architect te worden. Tekenen zat mij in het bloed. Maar mijn vader zette bij schilderen als beroep een groot vraagteken en zag in architectuur de mogelijkheid om het dagelijks brood te verdienen en toch te blijven tekenen. Dus ben ik architect geworden en ik ben mijn vader oprecht dankbaar dat hij mijn beroepskeuze aldus georiënteerd heeft, want voor iets anders had ik wellicht niet gedeugd.

Mijn eerste projecten, nog voor ik de lessen aan de academie begon te volgen, waren in een soort Weense geest opgevat, naar voorbeelden die ik ontdekte in publikaties van Robert Mallet-Stevens, een soort versuikerd kubisme à la Hoffmann. Dat was mijn eerste inspiratiebron, want goed uitgevoerde voorbeelden op straat kende ik niet, die zou ik pas later opsporen.

Tijdens mijn laatste jaar aan het atheneum, de derde wetenschappelijke, behaalde ik allesbehalve schitterende resultaten. Ik volgde al de avondcursus ‘tekenen van blokken’ aan de academie en die eiste mijn aandacht volledig op. Ik werd er primus door mijn uiterst verzorgde

[p. 20]

tekenwijze met buskool. Ik tekende, gewonnen, verloren, kleine en grote perspectieven van denkbeeldige gebouwen, ook naar aanleiding van bezoeken aan de jaarlijkse tentoonstelling van de academie, toen nog een evenement in de stad. De voorbeelden die mij aangrepen waren de eindwerken van de laatstejaars. Ik herinner mij nog de modernistische creaties van Walter van den Broeck en Laforce, die later in de praktijk tot de beste architecten behoorden. Van den Broeck stierf jammer genoeg tijdens dens de tweede wereldoorlog en heeft slechts een tiental creaties nagelaten.

Toen ik zestien was begon ik mijn architectuurstudies aan de Antwerpse Koninklijke Academie voor Schone Kunsten. Het begin van de studie was een tegenvaller. Er werden tot mijn spijt geen ontwerpen gemaakt. Pol Berger volgde het vanouds bekende systeem: het tekenen van de ordes, eerst Toscaans, dan Dorisch, dan Ionisch en ten slotte Korinthisch. De objecten werden dan in overhoekse projecties getekend en van schaduwen voorzien. Dat duurde twee jaar lang en ik heb er een grondige hekel aan alles wat naar classicisme zweemt aan overgehouden. Het kwam er natuurlijk op aan een degelijke beheersing van het tekenen te verwerven, wat erop neerkwam vijf lijnen te kunnen trekken op een millimeter.

Ter gelegenheid van mijn inschrijving in de academie had mijn vader mij een boek geschonken: Geschiedenis van de bouwstijlen van Gugel, waar ik druk in studeerde, zodat ik een overzicht kreeg van de evoluties in de architectuur, want daarover werd geen cursus gegeven. Ik specialiseerde mij verder in de begeleidende teksten bij mijn tekenwerk, die hoe langer hoe kubistischer en onleesbaarder uitvielen. Dat was een schandaal voor de professoren, die hierin mijn vijandigheid tegenover net systeem konden aanvoelen. Ik was een middelmatige leerling, maar was wel het sterkst in de lessen van Herman Teirlinck (letterkunde) en van Ary Delen (kunstgeschiedenis). Buiten de cursussen gaf ik mij volledig over aan fantastische projecten waarbij ik mijn verbeelding in vrijheid kon botvieren. Pol Berger, aan wie ik mijn gewrochten toonde, was ervan onder de indruk en riep zijn collega's samen om te tonen wat voor vlees hij in de kuip had. Sindsdien was ik persona grata geworden en kon ik mij een en ander veroorloven.

Het volgende schooljaar was gewijd aan de grondbeginselen van de constructie, een heel wat boeiender onderwerp dan het loutere tekenen. Professor De Mol gaf een bijzonder belangwekkende cursus, die mij

[p. 21]

later in de praktijk voortdurend van pas is gekomen. Wij tekenden details van ramen en deuren, gebinten, metselverbanden, enzovoort, toegepast op gevelgedeelten, inkompartijen e.d. De esthetische compositie speelde daarbij al een zekere rol, zodat ik mij stilaan in mijn sas begon te voelen. Het dochtertje van De Mol en mijn zus zaten in dezelfde klas, zodat mijn professor soms het speelkameraadje van mijn zusje bij ons thuis kwam afhalen. Zijn blik viel bij toeval op Monde, het blad van Henri Barbusse, dat ik wekelijks las. ‘Mijnheer Braem, dat moet gij uw zoon niet laten lezen, hoor, het is te pessimistisch!’ Het kwaad was echter geschied en ik verdiepte mij hoe langer hoe meer in linkse literatuur, hoewel ik nog een paar jaar het vlaams-nationaal ideaal trouw bleef en elk jaar op 11 juli de leeuwevlag aan ons huis wapperde.

Tussen English en Engels

Voor mijn ontluikende socialistische overtuiging was een episode uit de beruchte Borms-verkiezingsstrijd van belang. Die voorman van het activisme zat in de Leuvense gevangenis, maar hij was kandidaat bij de tussentijdse verkiezing in 1928, tegenover de franskiljonse liberaal Baelde. Borms haalde het met een overweldigende meerderheid. De Fronters, maar ook de socialisten, een deel van de katholieken en zelfs de Vlaamsgezinde liberalen hadden voor hem gestemd. Hij werd in vrijheid gesteld, en toen volgde een onvergetelijke feestelijke intocht in Antwerpen, waarover La Libre Belgique schreef: ‘Anvers n'est plus en Belgique!’ Een mensenzee vulde de Frankrijklei om te luisteren naar Borms, die sprak vanop het balkon van Malpertuus, het Vlaams huis. Mijn vader en ik bevonden ons tussen de menigte. Maar er was meer dan één spreker. Vanop een stootkar in de Geuzenhofkens voerde ook een communist het woord, Jef van Extergem. Hij was ook activist geweest, maar had het nationalisme laten vallen voor de strijd voor de sociale ontvoogding van het Vlaamse volk. Zijn moedig optreden had niet veel succes. Het was de eerste keer dat ik een communist hoorde spreken, het was een eerste vonk, die me pas veel later in vuur en vlam zou zetten.

In hetzelfde jaar stichtten we op de academie met enkele studenten een groep die aangesloten was bij het Algemeen Vlaams Studentenverbond, waarvan ik via Ontwikkeling in het atheneum al lid was geweest. Het was een gemengde groep van architectuurstudenten en aanstaande schilders,

[p. 22]

met als naam Joe English Gilde. Joe English was onder de Fronters bekend als een Vlaamse schilder van Ierse afkomst, die tijdens de eerste wereldoorlog tekeningen leverde voor Vlaamse acties. Hij tekende o.m. grafzerken voor gesneuvelde frontsoldaten, met een Iers kruis, en die zerken werden door de legeroverheden verbrijzeld. Hij was opgeleid aan de Koninklijke Academie van Antwerpen en behaalde de Godecharleprijs in 1907 (die ik zelf in 1936 zou behalen). De glasramen in de huidige kapel van de IJzertoren werden uitgevoerd naar overgebleven tekeningen van zijn hand. Zijn werk was Vlaams en zeer christelijk geïnspireerd, maar hij was voor ons het symbool van de kunstenaar in dienst van zijn volk.

Onze gilde zette de traditie van de Jugendbewegung voort. Die was voor 1914 ontstaan in de marge van de grote opgang van de arbeiderspartij sdp, die meende dat een sociale vernieuwing te bereiken zou zijn langs de weg van de overreding, de weg van het parlementarisme. De jeugd dacht een levensvernieuwing te bereiken door zich af te keren van de bourgeoiscultuur, door één te worden met de natuur. Weldra zag men Wandergruppen opmarcheren in frisse kleuren, ze cultiveerden rijdansen, stichtten jeugdherbergen, wars van de militaire discipline die de ‘hitlerianen’ er later aan zouden toevoegen.

Iedere zaterdag trokken we erop uit, per trein, fiets of te voet, met de tent, meestal naar de Kalmthoutse heide, waar wij met toestemming van de burgemeester overal mochten kamperen. Dat deden we zomer en winter. In de winter braken we 's morgens het ijs van het ven om ons te wassen. Wij waren ervan overtuigd dat Vlaanderen een sterk geslacht nodig had om zich te bevrijden, dat de maatschappij nood had aan sterke persoonlijkheden en de kunst nood had aan nieuwe mensen. Wij handelden en dachten als het ware Wagneriaans!

Het was een erg gemengd gezelschap en sommigen hebben nog van zich laten horen. Zo werd Bert Brauns regisseur bij de brt, Huib van Hellem bij de Brusselse kns, Leopold Hendrickx werd algemeen directeur van stedebouw. En dan zijn er de talrijke schilders, als Marc Mendelson, Jos Wils, Georges Sels, Henk van Landeghem, en architecten als Karel Tielemans en Oktaaf de Koninckx. Er zijn ook twee huwelijken uit voortgekomen, twee gelukkige huwelijken :de architect Jul de Roover leerde er de lerares mode Frieda Severin kennen, ikzelf haar zus Elza Severin, die hout graveerde en schilderde.

We hielden ook tentoonstellingen, o.a. in Malpertuus op de Frankrijk-

[p. 23]

lei, van schilderijen, tekeningen en architectuurprojecten. Een van die tekeningen trok de aandacht van de gebroeders Ackermans, communistische militanten, omdat er rode vlaggen in voorkwamen. Zij lieten niet na me aan te spreken en dit was een eerste contact met deze volbloed idealisten, die later in dienst van de Spaanse republiek in de Internationale Brigade hun jonge leven hebben geofferd.

Sommigen onder ons evolueerden mee naar links, maar na 1933 bezweken anderen voor de verleiding van het in Duitsland triomferende fascisme. Er werd steeds heftiger gediscussieerd. Vlaanderen verlossen bleef het gemeenschappelijke doel, maar de enen wilden dit via een sociale revolutie, de anderen door achter een leider, een Führer, aan te marcheren. Het kon niet anders of de gilde moest uiteenvallen. Kort voor de mobilisatie was er van de Joe English Gilde geen spoor meer. Nochtans waren er in dit milieu, dat een actief onderdeel van het avs vormde, diepgaande discussies over kunst en maatschappij gevoerd. Toen wij met de Joe English Gilde van start gingen, vingen wij nog de laatste windstoten op van de intensieve ideeënstorm die op de eerste wereldoorlog is gevolgd. Antwerpen was daarbij een cycloongebied. Het was een eminent centrum van de abstracte kunst, met internationaal vermaarde tijdschriften als Het Overzicht, met een zeer linkse tendens, en Clarté, meer pacifistisch-humanitair. Er werden congressen gehouden over moderne kunst. Van Ostaijen was er werkzaam en ook expressionistische schrijvers als Karel van den Oever, architecten als Fons Francken en Eduard van Steenbergen. Er heerste een sfeer van creativiteit die alle gebieden doordrong, ook de politiek. Wij bouwden als kleine groep daarop voort, en hebben wellicht als individuen later wat gepresteerd in verschillende sectoren.

Zelf had ik me zonder aarzelen afgekeerd van het eng-kleinburgerlijk nationalisme dat tot fascisme kon leiden, en er de studie van het marxisme voor in de plaats gesteld. Ik verslond de boeken van Barbusse, Clarté en andere linkse literatuur en was niet afwezig als men eindelijk Sovjetfilms begon te vertonen zoals De aarde en Pantserkruiser Potemkin. Er werden ook steeds meer zanggroepen opgericht, zoals Wendingen, die als agit-propgroepen fungeerden.

Er verschenen steeds meer rode vlaggen in mijn tekeningen. Er school heel wat romantiek in die rode vanen en marcherende proleten, maar er was ook het doorbrekende besef dat het heersende regime door iets anders moest worden vervangen. Ik werd daarbij gedreven door mijn nei-

[p. 24]

ging elke idee tot de uiterste consequentie door te denken. Het werd me duidelijk dat het slechts mogelijk was de rechten van de Vlamingen te doen zegevieren door de bestaande orde volledig om te keren. Een nieuwe mens leek me noodzakelijk, bevrijd van de verouderde vooroordelen die de maatschappij beheersten. Dat werd de synthese waarnaar ik mij richtte.

Botsende invloeden

Mijn opvattingen inzake architectuur bleven in die periode geen geïsoleerde weg volgen, hoewel ze in het begin verschillende esthetische invloeden ondergingen. Ik zei al dat mijn eerste opus zowat als Weense Mallet-Stevens was opgevat. Dat was eigenlijk niet meer dan een kennismaking met wat er in de lucht hing in Parijs in de tijd van de Arts Décoratifs, waarvan ook in ons land hier en daar een weerschijn te bespeuren viel. Mijn oud-professor Jos Smolderen decoreerde bijvoorbeeld in die stijl de wereldtentoonstelling van 1930 in Antwerpen.

In de academie maakte ik mezelf vertrouwd met de hedendaagse literatuur en stootte zo op de verzameling van het tijdschrift Wendingen, dat voor mij een ware openbaring betekende en waarvan ik de volledige uitgave in de stedelijke bibliotheek kon consulteren. De werken van M. de Klerk, J.M. van der Mey, Kramer, Blaauw, Wydeveld en van de beeldhouwers Hildo Krop en Vanden Eynde, troffen mij als een verlossende stenen zang in de ruimte. Het was ook een architectuur die de vorm in dienst van de sociale functie stelde, en die de vervoering van de architect door zijn opdracht liet aanvoelen. Deze absolute dienstbaarheid van de vorm aan de functie maakte mij tot een enthousiaste navolger van de Amsterdamse school. Ik maakte tal van schetsen in die geest.

Intussen stelde ik mij onder de invloed van het constructivisme allerlei vragen over de constructieve opvattingen van de Amsterdamse school, die - dwepend met de sculptuur - de structuur achteruitschoof en soms verkrachtte. Dwalend tussen de romantische opvattingen van de Amsterdamse school en het constructivisme, leek het me soms dat Dudok het bij het rechte eind had. Niettemin was ook zijn architectuur niet van decoratieve neigingen ontbloot, wat mij, in mijn streven naar een absoluut verantwoorde vorm die op een structurele logica moest gebaseerd zijn, niet beviel. Ook De Stijl, die als een reactie tegen de

[p. 25]

Amsterdamse school werd opgevat, leek mij in wezen een louter formeel spel, en beantwoordde dus niet aan mijn wensen. Dan bleek voorlopig de enige uitweg de veroordeling van iedere kunstbetrachting, iedere bewust nagestreefde vormencompositie om via functionele berekening en structurele materiaalkeuze tot een zogenaamd wetenschappelijke vorm te komen. Eigenlijk stemde dit overeen met de grondbegrippen van de bouwkunst die H.P. Berlage eertijds verdedigd had, al schatte ik het kunstgehalte van Berlage niet hoog.

De bibliotheek van de school bevatte de gezamenlijke geschriften van Berlage en Henry van de Velde. Beiden wezen het gebruik van historische stijlen af en geloofden dat een nieuwe bouwkunst op komst was die de nieuwe maatschappij zou begeleiden. Berlage wilde vóór alles een eerlijke vormgeving, die haar functie en haar constructie duidelijk toonde. Ongeacht de ambachtelijke zorg waarmee ze gedemonstreerd werd, leidde dat tot nogal droge resultaten. Mij stonden vele werken van Berlage niet aan. Ik vond ze vervelend, als concept verbrokkeld en kleintjes. Alleen de Amsterdamse Beurs verhief zich tot monumentaliteit door de beheerste, eenvoudige vorm. In zijn andere werken leek de inspiratie teruggedrongen tot stilzwijgendheid. Alleen in zijn ontwerpen voor een Beethoven-huis en later voor een Lenin-monument liet Berlage de verbeelding vrijere teugel, en deze scheppingen konden mij met hem verzoenen.

Henry van de Velde daarentegen was een lyrisch kunstenaar die zowel naar een expressieve lijn als naar een logische constructie streefde. Aanvankelijk zat in zijn werk naar mijn gevoel een toegeving aan de zucht naar ornament en daar was ik, zoals elke functionalist, wars van. Maar later liet ook Van de Velde alle ornament varen en gebruikte hij ‘de lijn als een kracht’. Naast de zwierige opbouw van Henry van de Velde lijkt de systematische constructie van Berlage bijna stuntelig, droog, en alleen door redenering bepaald. Berlage moet een rechtlijnig karakter hebben gehad, hij moet een door en door eerlijk mens en kunstenaar zijn geweest, gebonden aan de basistheorieën van een dogmatisch socialisme, terwijl de elegante Van de Velde er slechts mee koketteerde.

Op dat ogenblik had ik nog maar weinig belangstelling voor het werk van Horta en voor de Art Nouveau. Die zou pas later komen als ik de plastische functie als zodanig erkend had, na de tweede wereldoorlog. Tijdens de constructivistische periode veroordeelde ik die doorbraak van de creatieve verbeelding als decadent, maar geleidelijk begon ik Horta en

[p. 26]

de Art Nouveau als een sprong voorwaarts te begrijpen. Dat was ook het gevolg van een ruimere kennismaking met het werk van Horta. Tot dat inzicht kwam ik nadat ik in Brussel het werk van Horta voor hij zijn Paleis voor Schone Kunsten realiseerde bekeken had. Ik werd in Horta's woningen geïntroduceerd door Jean Delhaye, een oud-leerling en groot bewonderaar van Horta, die mij in voeling bracht met de oneindige fantasie van zijn meester, zowel in de woning Van Eertvelde als in het museumhuis in de Rue Américaine, Horta's voormalige woning.

De Art Nouveau was een fenomeen dat het hoogtepunt van de macht van de bourgeoisie begeleidde, terwijl Berlage uitdrukking wilde geven aan de opkomst van de arbeidersklasse als actieve sociale factor. Henry van de Velde gaf dan weer vorm aan de overgang van een progressief deel van de bourgeoisie naar het reformistisch socialisme. De Art Nouveau vond in de negentiende-eeuwse ingenieursconstructies de elementen voor een nieuwe architectuur. Hij zette zich af tegen het eclecticisme en gebruikte een geheel nieuwe vormtaal. Meestal beperkte dit streven zich tot het tekenen van nieuwe ornamenten, maar voor de besten, onder wie Horta, openden de nieuwe metaalconstructies nieuwe mogelijkheden voor de opbouw van vrije plattegronden, nieuwe ruimtelijke vondsten, die het vrijgevochten modernisme van Le Corbusier aankondigden. Dat is zichtbaar in het interieur van de grote woning aan de Louisalaan in Brussel, waar met opendraaiende panelen het hele binnenste van het gebouw gemakkelijk op nieuwe behoeften kon worden afgestemd. Horta brak ook met de stereotiepe planindeling van het burgerlijke huis en introduceerde zo in de woonarchitectuur de bevrijdende ruimte van de moderne bouwkunst. Ik beschouw Horta als een der grote wegbereiders voor een volwaardige hedendaagse architectuur, hoewel zijn werk nog beladen is met de zware steenfaçaden die ons passé lijken en ons - met het Paleis voor Schone Kunsten en het Centraal Station van Brussel als bekendste voorbeelden - terdege storen. Horta was van zijn tijd, in zover deze onvoldragen was, sociaal en cultureel. Hij werkte niet voor de toekomst, en als zodanig ontpopte hij zich later ook als een uitgesproken vijand van Le Corbusier.

De Art Nouveau had voor mij vele charmes, ik ging graag een wandelingetje maken in Zurenborg en heb later met succes de Cogels Osylei in de Commissie voor Monumenten ter klassering voorgesteld.

Maar terug nu naar Berlage en Van de Velde, die ik las en herlas. Zo kwam ik uit de warwinkel van mijn uit tegengestelde hoeken beïnvloede

[p. 27]

architectuurschetsen en -ontwerpen tot min of meer samenhangende stellingen, die ongeveer overeenkwamen met het Duitse functionalisme van Gropius en het Bauhaus en ook het constructivisme van de Russen. Zo werkte ik de opgelegde ontwerpen in de academie uit: ik wou vorm en functie in een klare constructie doen overeenstemmen, en de eenvoudige vorm wou de geest van eenvoud uitdrukken die m.i. in een socialistische gemeenschap moet heersen.

Academische loopbaan

Na mijn derde jaar in de academie kon ik als stagiair aan het werk in het bureau van architect Arthur Smet in de Oude Waag, waar ik de theorie aan de praktijk leerde toetsen. Vanaf het derde jaar werden de lessen alleen nog 's avonds gegeven en werd de studenten aangeraden de opleiding aan te vullen met tekenarbeid bij een praktizerend architect.

Arthur Smet, destijds Prijs Godecharle, was een zeer ernstig man die een praktijk had van wat men toen ‘goedkope woningen’ noemde en daarbij de functie uitoefende van inspecteur voor de Nationale Maatschappij voor Goedkope Woningen. Hij hechtte veel belang aan goede, duidelijke detailtekeningen. Hij had voor de oorlog enkele landhuizen gebouwd, verwant aan het werk van Flor van Reeth, maar had door de oorlog niet de gelegenheid gehad grotere werken uit te voeren. Naar aanleiding van een wedstrijd voor een zeevaartschool in Antwerpen, stelde hij me voor samen te werken. Door zijn praktische werkzaamheden als inspecteur kwam dit erop neer dat ik het hele ontwerp opmaakte in een niet te opvallende architectuur, die echter insloeg, zodat wij de derde prijs behaalden. Dit was - op mijn twintigste - mijn eerste bekroning bij een officiële wedstrijd, terwijl ik nog de hoogste klassen van de academie volgde.

Hoogtepunten tijdens die studies waren zoals gezegd de lessen van Herman Teirlinck en Ary Delen. Officieel behandelde Teirlinck voor de verzamelde leerlingen in de grote leszaal de Vlaamse letterkunde, maar hij sprak tijdens de les over alles en nog wat. Dat ging van negerkunst tot Prosper van Langendonck, van het wezen der kunst tot de tachtigers. Teirlinck had een bijzonder vinnige manier om zich uit te drukken. De studenten hingen aan zijn lippen. Meestal ging hij op de rand van de bank zitten van de studentinnen die hij de moeite van het bekijken waard

[p. 28]

vond. Van Teirlinck is de bepaling van kunst die mij altijd is bijgebleven: kunst is een beeld van het leven, gewekt in de aandoening van de ontvankelijke mens. Dat is een onomstootbare bepaling die op alle kunstrichtingen toepasselijk is, ook op architectuur. Bij het examen was ik de eerste van de hele school.

Ary Delen gaf geschiedenis van de kunst, van de oorsprong tot het impressionisme. De uren volstonden niet om tot onze tijd door te dringen. Delen kon bijzonder scherp zijn in zijn uitdrukkingen. Hij speelde het klaar om vrienden-mecenassen een reis te doen betalen voor vijf leerlingen. We voeren naar Engeland met een fruitboot en konden dus de National Gallery en het British Museum bezoeken, de grote doeken van Van Dyck, de Elgin Marbles van het Parthenon en de onvergetelijke Egyptische meesterwerken. In Parijs zagen we het Louvre met zijn ontelbare schatten, zoals de Venus van Milo. Wat mij het diepste aangreep was een tentoonstelling van de Deutsche Werkbund, ontworpen door Walter Gropius en zijn discipelen van het Bauhaus. Er waren composities te zien in aluminium, plexiglas, meubelen van Brever, affiches, architectuurmodellen. Delen vond het wat hard en zakelijk, maar ik vond het de werkelijke materialisatie van de nieuwe geest. Ik bewaar nog altijd de catalogus.

Het groepje studenten in kwestie maakte inmiddels wel naam, met o.m. De Saeger, later minister van openbare werken, toen een brave kajotter die zijn mond nauwelijks open deed, terwijl Pol Hendrickx en ik des te meer lawaai maakten. We trokken ook naar Brugge en Gent; altijd met het deskundig commentaar van Delen, die ik nu, postuum, niet genoeg mijn dankbaarheid kan betuigen. Ik heb later met hem samengewerkt in de Anti-Oorlogsliga. Bij zijn ambtsjubileum vermeldde hij mij in zijn toespraak als ‘Braem, organisator der ruimte’! Enige tijd later maakten we zijn begrafenis mee.

Het vierde jaar stond onder de hoede van professor Evrard. Hij was een conservatief architect, auteur van o.m. de kerk aan de Mechelsesteenweg, een doodernstig, nietszeggend gebouw, maar zoals veel nietszeggende gebouwen goed geconstrueerd. Wij begonnen in dat jaar met kleine composities: een tuinhuisje, een jachtpaviljoen, een school. Ik zette er alles op om aantrekkelijke tekeningen voort te brengen en ik meen dat ik daarin ben geslaagd, want ze hebben later gediend als omslagillustratie voor de boeken Renaat Braem. Architect en René Braem. Architecture, die in 1980 en 1984 verschenen zijn.

[p. 29]



illustratie

Academiewerk: ‘Radio Telefonis Uitzend Stasion’ (1927) en een ontwerp voor het Brusselse Centraal Station (1931)




illustratie

[p. 30]

Ik begon ook mijn ontwerpen voor te stellen met witte lijnen op een zwarte ondergrond, terwijl men in de architectuur van oudsher andersom tekende. In navolging van het Bauhaus, het Duitse centrum voor vormgeving, gebruikte ik ook een nieuwe typografie, waaruit de hoofdletters gebannen waren. Dit was echter niet naar de zin van Evrard. Ik had nochtans hard gewerkt aan zijn opgaven, maar instinctmatig ervoer deze ultra-katholieke architect in mijn werk de absolute negatie van wat hem heilig was en hij deed dat bij de examenontwerpen in de puntentoekenning doorwegen.

Volgde nog de hoogste klas, onder leiding van professor Huygh. Hij was een erg sympathieke man. Hij bouwde ettelijke kerken en was een diepgelovig christen. Ik herinner me zijn projecten als lid van De Pelgrim, een vereniging van christelijke kunstenaars. Eens bracht hij het ontwerp mee waarmee hij deelnam aan een wedstrijd voor een paleis van de Volkenbond in Genève. Het was een door en door romantische schepping - de grote zaal was overdekt met zware houten gebinten waartussen o.a. de boze krachten van deze wereld als dragende figuren waren aangebracht - wat ons, die volledig in de Bauhaus-ban verkeerden, hoegenaamd niet beviel. Maar toch konden we in dit ontwerp de hand en de geest van een waar kunstenaar erkennen. Volgens mij stond hij onder de invloed van de hier weinig bekende Schotse architect Mackintosh, wat o.a. te merken is aan zijn eigen woning aan de Boekenberglei in Deurne. In de klas van Huygh zaten niet de eerste de beste studenten samen. Er waren voortdurend discussies gaande tussen Pol Hendrickx, Nachman Kaplanski, Jules Wellner (beiden waren joden en overleefden de tweede wereldoorlog niet, de eerste stierf in Israël, de tweede in een Duits kamp) en mezelf; Louis Stynen hield zich afzijdig. Wij waren geabonneerd op Das Neue Frankfurt en Die Form, het blad van de Werkbund en wij waren even creatief als wij kunnen veronderstellen dat de studenten van het Bauhaus dat waren. Ieder ontwerp werd grondig ontleed en tot zijn essentie gebracht. Wij waren enthousiast over Gropius, May, Scharoun en hun talrijke medestrijders voor een zuiver functionele bouwstijl. Pol Hendrickx en ik reden in onze vrije uren met de fiets rond in de stad, op zoek naar geestverwante werken, die wij vonden bij Eduard van Steenbergen, Alfons Francken, Walter van den Broeck en Laforce. Wij wensten de architecten van de meerderheid van de nieuwe banale bouwsels naar de hel waar zij, en dat vind ik nu nog, thuishoorden omdat ze de cultuur vergiftigden. Eigenaardig genoeg waardeerden wij Le Corbusier

[p. 31]

niet erg. Hij was ons te formalistisch!

De crisis sloeg toe, ook in de bouwwereld, en de bedrijvigheid bij Arthur Smet verslapte zo dat ik mij moest bezighouden met het ontwerp van een kerk waarvoor de opdrachtgever nog niet bestond. Er was geen werk meer en ik ging over naar het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten, atelier Jozef Smolderen, in afwachting van mijn militaire dienst. Dit atelier behelsde een hogere opleiding in de architectuur, met aangepaste cursussen kunstgeschiedenis, letterkunde e.d. en verplicht tekenen naar levend model en het tekenen van waarachtig grote ontwerpen. Mijn opleiding werd van juli 1932 tot september 1933 onderbroken door mijn legerdienst in de schoolcompagnie van de 5de linie, gelukkig in Antwerpen gevestigd.

Mijn succes in het vijfde jaar - bekroond met de grote prijs voor bouwkunst - had mij in aanraking gebracht met een buur, de operazanger Van Kuyck, die in Antwerpen nog Wagner-stukken had gezongen, want hij bleek een echte maître chanteur te zijn. Ik had inmiddels een soort associatie aangevat met een stagiair die ook bij Arthur Smet werkte, Marcel Segers, en wij zouden samen voor Van Kuyk een opdracht uitwerken die voor beginnelingen erg groot was. Het ging om het Hôtel de Lohan, in La Roche en Ardennes. Het hele concept werd aan ons overgelaten. Wij gingen samen voor Van Kuyck en zijn vrouw het terrein verkennen en dat viel erg mee. Het terrein was ruim, op een helling naar de Semois toe, waar echt iets van te maken viel. Wij dus aan het werk. Op dat ogenblik vervulde ik mijn militaire dienst, dus moest ik dagelijks thuis tekenen van 6u tot 9u30 tijdens de ‘avondpermissie’, of bij Segers, in Burcht, de tekeningen volgen. Het ontwerp werd aanvaard en Van Kuyck ging op zoek naar een aannemer. Die vond hij en de werken werden aangevat. De betonstructuur stond al overeind, toen de bom barstte: de grond was niet betaald, de aannemer had nog geen cent ontvangen en de architecten natuurlijk evenmin. Zo kregen we al bij het begin van onze carrière een kijk op alle onheilen die een architect in deze geldmaatschappij boven het hoofd hangen. Vanzelfsprekend zijn we nooit betaald. Het onafgewerkte betonnen skelet staat er nog, als een monument voor een onvoldragen droom. Het zou een mooi opus zijn geweest.

Dit grote project werd gevolgd door verschillende ontwerpen die in Burcht mogelijk waren geweest, als de eigenaars de suggesties van Segers senior hadden gevolgd. Maar dat deden ze niet, en het bleven dus papieren scheppingen zonder gevolg en zonder vergoeding.

[p. 32]

Dat er een crisis heerste werd ook mijn ouders duidelijk. Door de beurscrisis van 1929 kreeg mijn vader harde klappen. Hij had zich aan speculaties à terme gewaagd en leed grote verliezen. Met sommige beurswaarden kon hij nog het best de muren behangen. Hij had heel vroeg zijn werk in de apotheek opgegeven, en zich uitsluitend met de beurs onledig gehouden. Financieel ging het hem steeds slechter en het huisgezin werd tot spaarzaamheid gedwongen. Gelukkig hadden we nooit ‘met geld gegooid’, maar van reizen - zoals het bezoek met mijn vader aan Amsterdam en Hilversum in mijn expressionistische periode - was er nu geen sprake meer.

Socialistisch enthousiasme

Ik had parallel met de klas architectuur van De Mol de lessen decoratief tekenen en perspectief bij professor Albert de Roover gevolgd, omdat daar 's avonds de tijd toe overbleef. Ik was er de uitblinker en had buiten de lessen diepgaande gedachtenwisselingen met De Roover, die ons via de relatie tussen kunst en maatschappij naar de sociale relaties zelf brachten. De Roover begon mij boeken uit te lenen over het marxisme, o.m. Het wezen van de menselijke hoofdarbeid van Dietzgen en verscheidene werken van Henriëtte Roland-Holst en brochures van Pannekoek en Gorter. De poëtische achtergrond van die sociale bevrijdingsinstrumenten had een sterke impact op mijn enthousiaste geest. Ik vereer nog steeds de figuur van Henriëtte Roland-Holst.

 
Ik zou zo graag de wereld beelden
 
de mensen hoe ze nu groeien
 
naar de Eenheid, met al haar weelde
 
zou ik ze doen willen opgroeien
 
als bloemen van muziek.

Uit een gesprek in het atelier van De Roover bleek dat wij op dezelfde rode golflengte waren afgestemd en voortaan was ik een vriend des huizes in zijn kroostrijk gezin. Hij vroeg mij o.m. raad toen zijn zoon Jul architectuurstudies wou beginnen. Ik kende Jul via de Joe English Gilde en zei geruststellend dat hij het wel zou aankunnen. Hij is intussen een van de beste Vlaamse architecten geworden. De Roover stelde me voor aan sommige Nederlandse vrienden, onder wie schrijvers en kunstenaars. Onder hen was Piet Zwart, de bekende graficus, die Jul en mij uit-

[p. 33]

nodigde in Wassenaar. Hij zou zijn best doen om ons de villa Kröller-Müller te tonen, die Henry van de Velde had gebouwd, mede om de uitgebreide collectie van deze familie een passend onderdak te verschaffen. We stapten op de fiets en reden in bar slecht weer naar Rotterdam, waar we logeerden bij architect Verbeek. We bezochten de fabriek van Van Nelle, even buiten Rotterdam, een belangrijk werk van de functionalistische school, een feest van licht en kleur.

In hetzelfde rotweer fietsten we verder naar Wassenaar, waar we bij Piet Zwart vriendelijk werden ontvangen. Piet Zwart was een prettige gastheer en een plezierige vader. Zijn zoontje stond te balanceren op het hoofd van zijn vader, haalde allerlei guitigheden uit en noemde zijn vader ‘Piet’. Later is Zwart ons, ook per fiets, nog komen opzoeken, maar wij waren net zelf op reis. De volgende dag werd ons door toedoen van Zwart toegang verleend tot de villa Kröller-Müller. We werden ontvangen door een majordomus, in gepaste kleding, die niets liet merken van wat hij dacht van die twee verfomfaaide en doorweekte Belgen en ons rondleidde in wat wij als een ware tempel van kunst aanvoelden. Van de Velde had een hal geprojecteerd waarin een prachtig Boeddha-beeld de toon aangaf. Door prachtige salons, maar ook een keuken met decoraties van Van der Lek, een lid van De Stijlbeweging, werden we geleid naar een lange gaanderij, gevuld met meesterwerken van de Franse impressionisten en vele Van Goghs. Deze schatten zouden naderhand het hoofdbezit uitmaken van het Rijksmuseum in de Hoge Veluwe.

Door de ramen zagen we mevrouw Kröller-Müller in de tuin wandelen en met haar staf aan de ‘hoofdtuinier’ instructies verstrekken. Ze was niet gemakkelijk tevreden te stellen, zo vernamen we, want zij had voor haar museumproject in de Hoge Veluwe achtereenvolgens Peter Behrens, Mies van der Rohe, Berlage en Van de Velde onder de arm genomen. Berlage had inmiddels voor haar familie een kantoor in Londen gebouwd, een boerderij en het groot jachtslot Sint-Hubertus in Otterlo. Berlage kon het, met zijn karakter, echter niet eens worden met mevrouw Kröller-Müller, die feodale dienstbaarheid gewoon was. Ik ben ervan overtuigd dat Van de Velde, die gewoon was met groothertogen en baronnen om te gaan en zich helemaal thuis voelde op adellijke recepties en fancy fairs, zich meer naar haar stijl gedroeg dan Berlage. Die voelde zich waarschijnlijk meer op zijn gemak tijdens onderhandelingen met socialistische gemeentebestuurders en vakbondsmensen. Hij zou later een monument voor Lenin ontwerpen, uit verering voor deze voorvechter

[p. 34]

van het socialisme. Dit mochten wij van de elegante en charmante Van de Velde niet verwachten. Het was dus Van de Velde die het museum uiteindelijk mocht uitvoeren. Hij maakte er inderdaad weer een meesterwerk van. Ik ben er later dikwijls geweest.

Na ons bezoek aan Wassenaar fietsten wij naar Hoek van Holland om er de Kiefhoek van J.J.P. Oud te gaan bezoeken. Dat was een woningengroep die als geheel weer een stap was naar de gemeenschapskunst van morgen, gedragen door een socialistisch enthousiasme. Moe en verkleumd geraakten we terug in Antwerpen, vervuld van wat wij hadden gezien.

De lijn(stad)

Eigenlijk loopt er een vaste lijn door de studies die mij tot de titel van architect moesten leiden. Overigens loopt die lijn nog verder door mijn hele leven en streven. Er was de absolute behoefte aan vormgeving, ‘Gestaltung’, die mijn bezigheden altijd bepaalde, van de lagere school, via het atheneum, tot in de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten. Dat tekenen was er niet op gericht de werkelijkheid min of meer getrouw weer te geven, maar volgde creatieve wegen. In het begin tekende ik boten en veldslagen, later fantastische gebouwen zonder enige functie, ten slotte gingen mijn tekeningen volledig op in hun sociale functie en de daaruit resulterende vorm. In de academie moest dat tekenen gebeuren volgens schoolse opgaven die ik naar best vermogen trachtte te vertolken, maar in het atelier Smolderen was ik vrijgevochten en kon ik de onderwerpen zelf bepalen.

Ik was de eerste in deze school om werkelijk stedebouwkundige ontwerpen op te zetten. Voortbordurend op een idee van een kolonel van de genie nam ik het Albertkanaal, dat in die tijd zijn voltooiing naderde, als basis voor een concept van een stad Antwerpen-Luik. Het was een lijnstad, opgebouwd volgens ideeën die destijds in de Sovjetunie opgang maakten. Het ging om een reeks parallelle banden: verkeer per snelweg, verkeer per spoor, verkeer te water, een strook industrie, een brede strook groen en dan de woonwijken, met hun sociale voorzieningen, scholen, volkshuizen, restaurants, sport- en ontspanningsgelegenheden. De diverse ontwerpen van gebouwen waren erg schematisch en theoretisch opgevat. Zo was de oriëntatie voor alle woongebouwen hetzelfde,

[p. 35]



illustratie

Ontwerp Hôtel de Lohan in la Roche-en-Ardenne (1931): de eerste opdracht, nooit betaald, nooit uitgevoerd




illustratie
Ontwerp lijnstad: zicht op het centrale stadsplein, bij het Totaaltheater (1934)


[p. 36]

oost voor de slaapzijde, west voor de woonzijde. Alle woningen hadden een vrij uitzicht op het oorspronkelijke landschap. De wijken waren zo gepland dat de arbeiders en bedienden op korte fietsafstand werk zouden vinden in de industriezone die zich langs het Albertkanaal zou ontwikkelen.

Later zou ik het hele geval hernemen, vertrekkend vanuit een marxistische analyse, in de zin van een werkelijke synthese van het hele complex van produktie, sociale verhoudingen, cultuur en kunst, om te besluiten met een ontwerp van een socialistische stad. Nog later ontwikkelde ik vanuit deze denkbeelden de Bandstad België, waarmee ik tot voor enkele jaren bezig was en die menigmaal gepubliceerd werd. De algemene lijn vertrok dus vanuit woningbouw-ontwerpen in de academie, en liep via de lijnstad Antwerpen-Luik tot bij de lijnstad België, als onderdeel van een sociaal georganiseerd Europa. Want nationale grenzen weerhielden me nooit in mijn dromen.

Mijn stedebouwkundig deskundige confraters, en mijn eigen studenten hebben deze voorstellen altijd verworpen als wilde utopie. Maar volgens mij zijn utopieën de eigenlijke bouwstenen voor de tempel van de toekomstige gemeenschap.

In de prijzen

In die magere tijd kwam nu een verademing door mijn deelname aan de Prijs Godecharle, een officiële prijsvraag voor een bedrag van 36.000 frank, terwijl de vergelijkbare Romeprijs slechts 20.000 frank bedroeg. Men moest een zelfgekozen programma uitwerken, dan een technisch examen doorstaan en ten slotte, in loge, een opgegeven ontwerp tot een goed einde brengen.

Ik koos een onderwerp dat toen actueel was, de Albertina-Bibliotheek. Bewust werkte ik mijn ontwerp uit in prachtige platen, met de titel in goud: het was een presentatie om te winnen, in een voor officiële instanties aanvaardbare vormgeving, weliswaar zonder klassieke stijlelementen, maar monumentaal opgezet. Ik was dus voor een keer opportunistisch, terwille van het smeer likte de kat de kandeleer! Ik mocht aan de opsluiting in loge deelnemen. Het opgelegde onderwerp was een Belgische ambassade op een groot terrein in een vreemde hoofdstad. Ik maakte er een zeer statige, strenge compositie van, absolute architectuur. De

[p. 37]

wedstrijd vond plaats op de zolder van de Brusselse academie, 's avonds met suizend gaslicht en tijdens de heetste zomer die men zich kan voorstellen. De zes concurrenten, ieder opgesloten in een hok, stonden in pyjama te tekenen, met de voeten in een kom water om wakker te blijven, veertien dagen lang. 's Zondags mochten wij even buiten om mis te horen of een luchtje te scheppen. Het was werkelijk een beproeving.

Daarna silentium, en een ongeduldig wachten op de uitslag. Tot eindelijk het telegram binnenviel: Braem was eerste geklasseerd en werd de Prijs Godecharle toegekend. Blijdschap in mijn familie en blijdschap van mijn verloofde Elza, die had meegeholpen om de keurige gouden titels te vervaardigen en op te plakken. De toekomst was althans voor een paar jaren veiliggesteld en wij waren gelukkig. Wij konden nu zelfs aan huwelijksplannen denken, want wij hadden van onze ouders geen bruidschat te verwachten. Bovendien werd mij door tussenkomst van Van Averbeke, de stadsarchitect, de Rubensprijs toegekend voor mijn gezamenlijk schoolwerk, nog eens 20.000 frank. Dat was samen met de Godecharleprijs een hele som en wij waren voor een tijd uit de brand. Ik moest dat geld gebruiken om op kunstreis te gaan, maar zo'n reis kan men zuinig of royaal aanpakken en wij waren absoluut geen bourgeois...

Neen, wij waren geen bourgeois! Ik nam deel aan alle architectuurprijskampen, maar deed ondertussen allerlei werkjes. Zo reed ik een paar maanden dagelijks met de fiets naar Beveren-Waas om er voor mijn vroegere patroon Smet rioleringswerken te surveilleren. Mijn aanstaande illustreerde werken van A. Hans en allerlei kinderboeken en graveerde ex-librissen voor kunstliefhebbers.

Om de loopbaan van zijn zoon een goede start te geven kocht mijn vader een bouwgrond achter het Te Boelaerpark, waarop een woning voor twee gezinnen en een atelier zouden worden gebouwd. Wij zagen toen echter de oorlog naderen en het bleef bij een plan.

Met Huib Hoste maakte ik in 1935 een aantal studies voor de vernieuwing van Antwerpen, maar zonder enig praktisch gevolg. Hoste was na een spijtig ongeval op een werf in Brugge naar Antwerpen verhuisd en hij verkeerde er in nogal benarde materiële omstandigheden. Ik bezocht hem herhaaldelijk in zijn bescheiden woning in de Cobdenstraat en wij werkten samen aan het saneringsplan voor Antwerpen. Als jongere collega was ik het die de ideeën moest optekenen, en vanzelfsprekend gebeurde dat op de Bauhaus-manier. Wij maakten korte metten met de krottenbuurten die drie vierde van de stad overdekten, maar bewaarden wat

[p. 38]

wij als cultureel belangrijk beschouwden, de historische kern en sommige aanvaardbare woonwijken, zoals Zurenborg. Volgens de strikte Hilberseimer-manier plaatsten we de gebouwen in lange parallelle stroken, naar de zon georiënteerd, en brachten daartussen brede groenstroken met sociale voorzieningen aan. We planden een verkeersring rond de kernstad. Die ring werd getrokken binnen de wallen door de afbraak van de daartegen leunende, meestal negentiende-eeuwse bebouwing. Op de oude wallen zelf werd een brede parkaanleg voorzien. Het is gelukkig te noemen dat de nieuwe bebouwing die wij ontwierpen niet tot uitvoering is gekomen, de tijden waren er inderdaad niet rijp voor, maar de aanleg van een cirkelvormig park zou zeker een betere oplossing geweest zijn dan de huidige alles aan het verkeer opofferende autoweg.

Wat later werd er een grote prijsvraag voor de aanleg van de linkeroever uitgeschreven. Le Corbusier deed eraan mee met medewerking van Huib Hoste en Fé Locquet. Ik werd erbuiten gelaten. Trouwens, het ingediende ontwerp vertoonde, zoals altijd wanneer Le Corbusier met anderen samenwerkte, uitsluitend het cachet van Le Corbusier. Hoste en Locquet deden slechts dienst als informanten. Aan deze prijsvraag werd door alle groten meegedaan, o.a. Fahrenkamp. Het ontwerp van Le Corbusier werd zelfs geen tien minuten aandacht gegund door de jury, maar het werd achteraf door vele publikaties aan de algemene aandacht opgedrongen. Uit de vele inzendingen werd, hoe is het anders mogelijk, het insipide ontwerp bekroond dat met de medewerking van de stadsdiensten - onder leiding van een ingenieur - was opgemaakt. Die ingenieur had wel verstand van dokken, kaden en rioleringen, maar het resultaat dat men op de Antwerpse Linkeroever kan bewonderen is ernaar, een volstrekt notarisachtige indeling, volkomen vreemd aan enig vooruitstrevend stedebouwkundig begrip.

Antwerpen heeft de specialiteit af en toe politieke genieën met stedebouwkundige aanleg te kweken. Voor de eerste wereldoorlog was dat een zekere Coulier, die plannen verdedigde om de hele haven met glas te overdekken zodat de dokwerkers nooit in de regen moesten werken. Ook Le Corbusiers medewerker Fé Locquet was zo'n genie. Hij liet, tijdens de besprekingen over de wenselijkheid van een tunnel onder de Schelde, hele projecten drukken en deelde die op de hoek van de Meirbrug in het openbaar uit. Hij wendde zich ook tot mij en ik heb sommige ideeën van hem grafisch uitgebeeld. Helaas zijn er geen exemplaren meer van overgebleven.

[p. 39]

Later leerde ik Frenssen kennen, die zich voor het ontwerp Wereldstad van architect Julien Schillemans spande en er een politieke partij, de Kosmokraten, voor stichtte, die bij de gemeenteverkiezingen ettelijke verkozenen heeft behaald. De stedebouwkundige ideeën hadden dus duidelijk een grote vooruitgang geboekt, want Coulier had nooit meer dan 600 stemmen gehaald, terwijl Frenssen een hele partij uit de grond stampte.

De schil

Wij hadden een jongerenafdeling van de Maatschappij van Bouwmeesters van Antwerpen opgericht. Iedere maand vergaderden wij met jonge architecten, waarbij Walter van den Broeck en Julien Schillemans de toon aangaven. Er werden diverse architectuuronderwerpen behandeld. Ik herinner mij alleen dat wij ongeveer over alles van mening verschilden met de kmba, de moedermaatschappij. Later werd de jongerenafdeling echter met de kmba versmolten.

Via de Maatschappij van Bouwmeesters maakte ik kennis met Julien Schillemans, die toen al een volbloed communist was en 's zondags met een groep jongeren regelmatig naar de buiten trok. Hij was toen bezig eigenhandig een woning te bouwen met zelfgevonden bouwsystemen. De muren waren van beton die hij in benzinebussen stortte. Hij werkte als tekenaar bij het architectenbureau Cols en De Roeck en volgde ook nog het atelier Opsomer in het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten.

Schillemans was een uiterst energieke idealist en werkte toen al aan de plannen voor een utopische wereldstad. Hij verdedigde dit ontwerp op basis van de overweging dat er slechts zes plaatsen op aarde een ideaal klimaat bezaten en dat de mensen daar dus moesten gaan wonen en werken. Zijn stad bestond uit een immense cirkelbouw in hoge woonblokken, alle verbonden door een ringmetro, die ook een produktiesector en een vliegveld bediende. Aan de woontorens waren de nodige sociale voorzieningen, klinieken, scholen en zelfs eetfabrieken toegevoegd, want in zijn stad was alles, ook de maaltijden, gecollectiviseerd. De ‘Schil’, want zo noemden wij hem, kon deze utopie uitmuntend verdedigen tegenover het in het algemeen sceptische publiek. Hij bekeerde Frenssen tot zijn ideeën, in zulke mate dat deze zich als een overtuigde

[p. 40]

propagandist ontpopte en een politieke beweging stichtte om de wereldstad te verwezenlijken.

Ikzelf bewonderde de monumentale ideeënconstructie van Schillemans, zonder er de praktische mogelijkheid, en zelfs het nut van in te zien. Zijn utopie was m.i. te utopisch, zelfs in een volkomen communistisch georganiseerde wereld. De denkbeelden van Schillemans liepen wel parallel met sommige urbanistische ideeën in de Sovjetunie, maar daar had men de handen zo vol met het opbouwen van een functionerende economie, dat de geweldige voorstellen van lijnsteden en superwoonblokken papier bleven. Men was al tevreden met een dak boven het hoofd.

Vanaf het moment dat ik Schillemans leerde kennen tot hij uiteindelijk uit mijn leven verdween, heb ik met hem een doorlopende discussie gevoerd over het functionalisme in de architectuur. Wij raakten nooit akkoord, maar konden het goed met mekaar vinden. Ik verdedigde de stelling dat het functionalisme met verbeelding moest worden gehanteerd. Een plan van een gebouw beschouwde ik als een scenario van de levensfilm die er door de schikking van de ruimten tot uiting komt. Die ordening van de ruimten hangt af van de opvattingen van de organisator van het leven in het gebouw, de architect dus. Hij kan ruimtelijke spanningen oproepen die verschillende stemmingen bij de gebruiker veroorzaken. Hetzelfde probleem krijgt van verschillende architecten heel andere oplossingen. De ene oplossing is niet noodzakelijk beter dan de andere, maar de gevoelsinhoud kan niet anders dan verschillen en daarom ontroert de ene architectuur ons en laat de andere ons koud, al naargelang van het bevattingsvermogen van de toeschouwer en de intensiteit van de gevoelsinhoud. Ik hield dus in het debat met Schillemans principieel vol dat het op de ontwerper aankwam en op zijn gevoels- en ideologische achtergrond. Ik was en ben nog een volkomen individualist.

Schillemans redeneerde eigenlijk schematisch. Als de oplossing goed is, dus functioneel, zo zei hij, wordt de vorm vanzelf goed en expressief. De gevoelselementen die bij de schikking van de ruimten aan bod komen moesten volgens hem eigenlijk naar het achterplan worden gedrukt, want zij vormden een voorwendsel voor willekeur en losse fantasie. Nochtans waren de enkele gebouwen die Schillemans zelf ontwierp, zijn beide zelf gebouwde woningen en enkele bungalows, heel gevoelig gevormde composities. In de praktijk overwon ook bij hem het gevoel de harde theorie.

[p. 41]

CIAM

Reeds als studenten aan de academie kregen wij voeling met ciam, de Congrès Internationaux d' Architecture Moderne. Op een congres in Brussel leerden wij verscheidene protagonisten kennen, De Koninck, Bourgeois en Hoste.

ciam was ontstaan op een bijeenkomst van gelijkgezinde architecten op een kasteel in La Sarraz. Het congres was samengeroepen als gevolg van het geknoei bij de prijskamp voor het paleis van de Volkenbond in Genève. Le Corbusier was eerste geklasseerd, maar concurrenten waren erin geslaagd hem van de uitvoering te laten uitsluiten. Op de eerste bijeenkomst in La Sarraz was zelfs Berlage aanwezig, Hoste en Bourgeois voor België en verder jeugdige architecten uit heel Europa. Er werd geprotesteerd tegen de valse maneuvers van sommige traditionalistische collega's en hun vrienden-diplomaten, maar ook werd het besluit genomen voortaan af en toe bijeen te komen om zich te bezinnen over een actueel onderwerp. Het derde congres werd in Brussel georganiseerd door Victor Bourgeois en zijn collega's De Koninck en Verwilghen. Wij jongeren woonden de vergaderingen bij en werden zo ook bekende gezichten voor de oudere Brusselse collega's, zodat de kiem gelegd werd van een latere Belgische ciam-groep.

Het eerste onderwerp van discussie was de woning voor het bestaansminimum. Er werden tal van plannen van kleine woningen vergeleken. Het accent lag daarbij op de goedkoopst mogelijke realisatie van bescheiden maar goede woningen. Plannen voor middenstandswoningen of villa's bleven buiten beschouwing. Er werd eigenlijk naar een antwoord gezocht op de noden van de arbeidersklasse, wat een politieke tendens inhield die ciam bijgebleven is.

Later, toen naar aanleiding van de Parijse tentoonstelling in 1937 het vijfde ciam-congres gewijd aan l'habitat plaatsvond, werd ik als lid van ciam voorgedragen op voorstel van Le Corbusier himself. Maar zo ver ben ik nog niet in mijn verhaal.

Vooraleer ik naar Parijs vertrok had ik met Marcel Segers enkele woningen ontworpen en uitgevoerd. De eerste opdracht was een huis voor een oude vriend van mijn vader in de Statielei in Mortsel. Inzake plan en gevel was de smaak van zijn vrouw richtinggevend: ze moest een inkom hebben zoals de commandant van de gendarmerie, en een balkon met loggia zoals de pastoor. Ik lukte er nochtans in een ernstige gevel te ont-

[p. 42]

werpen met wit-stenen omlijstingen en pilasters. Ik ben er nog niet beschaamd over. Spijtig genoeg heeft men onlangs het gelijkvloers tot een winkelpui omgebouwd.

Daarna kwam de opdracht voor een kleine woning in de Dichtersstraat in Wilrijk. Deze opdrachtgever, ook een kennis van den huize, was meer geneigd om een modern concept te aanvaarden, maar had financieel beperkte mogelijkheden. Het ging om een smalle gevel tussen banale arbeiderswoningen. Wij voorzagen een bruine bezetting, om de gevel niet te veel te laten opvallen en letten op een aantal functionele details, bijvoorbeeld aan de voordeur, die het geval een zeker cachet gaven.

Daarna kregen we een interessante opgave. Kennissen van Segers wilden een tweewoonst met een collectieve fietsstalling. De bouwsom was zo beperkt dat wij ons tevreden stelden met een deel van het normale honorarium. We voorzagen effen witte gevels in een glaskorrelbezetting, die wij daarna ook aanwendden bij een winkelhuis met kleine appartementen in de buurt van het Jezuïetencollege van Borgerhout.

De jaarlijkse schooltentoonstelling op de Meir leverde mij een interessante bestelling op: een kleine woning in de Van Erstenstraat die werkelijk overeenstemde met de normen van Die Wohnung für das Existenzminimum. Het werd een goed plan, zeer compact en toch met ruime woonkamer op de tuin. Het plan is later gepubliceerd in een Duits standaardwerk over modelplannen. Wij stuurden het in voor de jaarlijkse prijskamp Van de Ven, de enige prijskamp waar je toen moderne ontwerpen kwijt kon. Wij behaalden die prijs en dat was een grote eer voor zulke jeugdige architecten als wij. Hoewel ik met Segers slechts enkele woningen kon ontwerpen, werd ik stilaan bekend als coming man. Het jaar daarop werden wij derde gerangschikt met een woning in de Gitschotellei met een gevel in baksteen, want bezetting was daar verboden. Voor het nazicht van die bouwwerken onderbrak ik telkens mijn verblijf in Parijs en mijn werkzaamheden in het atelier Le Corbusier.

Atelier Le Corbusier

Het spreekt vanzelf dat Parijs op mij de grootste aantrekkingskracht uitoefende. Het Front Populaire was daar juist aan de macht gekomen en bovendien was er Le Corbusier. Ondanks de kritieken die ik op hem had uitgeoefend, omdat zijn architectuur geen hechte sociale basis had, was

[p. 43]



illustratie

Ontwerp Koninklijke Albertina-Bibliotheek in Brussel (1935)




illustratie
Perspectieftekening van Renaat Braem voor Le Corbusiers ontwerp Musées de la Ville et de l'Etat au Quai de Tokyo in Parijs (1936)


[p. 44]

ik toch onder de indruk gekomen van de uitstraling van zijn artistieke persoonlijkheid. Ik wist dat hij leerlingen aanvaardde, waarom zou ik daar niet bij zijn? Ik vroeg en kreeg een aanbevelingsbrief van Huib Hoste.

Ik vertrok met een nachttrein derde klas naar Parijs, op harde houten banken dus. Mijn brave vader vergezelde mij tot in de trein. Hij was eigenlijk wat bezorgd om zijn zoon, die hij aan de gevaren van de grootstad moest blootstellen. Het liep echter af naar wens. Ik nam, met mijn pover koffertje, een taxi bij de gare du Nord naar de Fondation Biermans-Lapôtre, het Belgisch paviljoen in de Cité Universitaire, waar voor mij een prachtige hoekkamer gereserveerd was.

De eerste dagen van mijn verblijf besteedde ik aan wandelingen in het centrum, ik meldde mij bij de ambassade, en bezocht de man die voor de Rubensstichting verantwoordelijk was. Het was een respectabel grijs heerschap in redingote, die mij naar de Ecole des Beaux Arts wenste te loodsen. Maar ik had daar geen oren naar. Ik heb mij dan niet meer bij dit academisch personage laten zien, al had hij dat eigenlijk wel gevraagd.

Nadat ik het klimaat van Parijs wat geproefd had durfde ik mij met de brief van Hoste en een rol tekeningen bij Le Corbusier aanmelden. Zijn atelier was gevestigd in een vleugel van een oud klooster, rue de Sèvres, 35. Men ging een donkere gang binnen en een draaitrap op, en kwam dan voor een deur te staan waarop in de bekende schabloonletters stond: Le Corbusier. Ik werd vriendelijk ontvangen door Pierre Jeanneret, de associé van Le Corbu. Ik gaf hem mijn aanbeveling en mijn tekeningen. Hij vroeg me 's anderendaags terug te komen, Le Corbusier zou er dan zijn. Ik meldde mij op het afgesproken uur en vond mijn tekeningen tegen de muur gespeld. Ik moest er de uitleg bij geven, terwijl Le Corbu af en toe goedkeurend knikte. Alleen bij het ontwerp van een dodenstad, dat behoorde bij de lijnstad Antwerpen-Luik, gromde hij: ‘Mais comment est-ce qu'un jeune homme peut s'occuper de la mort?’ Ik wist daarop niets te antwoorden.

Ik werd niettemin aanvaard en kon 's anderendaags beginnen. De volgende dagen bleven mijn ontwerpen aan de muur tentoongesteld. Er waren toen niet veel stagiairs, maar de weinigen die er waren hadden nogal wat aandacht voor mijn produkten. Het atelier bestond uit een secretaresse en een vast tekenaar, de Oostenrijker Polak, en een aantal wisselende medewerkers die zich op onregelmatige uren lieten zien en door

[p. 45]

Pierre Jeanneret aan het werk werden gehouden. Het atelier was een echt Parijs geval. De inkomdeur gaf uit op een ruime plaats waar men dia's kon tonen. Er was een klein bureau afgetimmerd voor Le Corbu. Dan volgde een lange gang waar aan de inkomzijde de secretaresse en Jeanneret werkten en waarin verder een aantal tekenplanken opgesteld stonden. Tussenin was er een hok met een ontzaglijke hoop opgerolde tekeningen, zomaar zonder orde opeengestapeld. Het was dan ook onmogelijk er iets te vinden! Op het einde van de gang was er een schutting waarachter de kolen werden bewaard voor de verschillende kachels die het atelier in de winter min of meer verwarmden.

Ik kreeg een plank toegewezen en begon met het bestuderen van constructiesystemen voor het Musée à croissance illimitée. Ik vergeleek de mogelijkheden die gingen van paddestoelconstructies tot de schematische vierkante kolom met opgelegde balken. Dit werd uitvoerig besproken met Jeanneret. Le Corbusier gaf de voorkeur aan de eenvoudigste constructie, die trouwens tot prefabricatie aanleiding kon geven: rechte palen en rechte balken. Organische constructievormen waren hem vreemd. Hij had trouwens een zuiver gevoel voor gewapend beton: de afmetingen die hij aangaf konden door de ingenieurs nooit worden verbeterd.

In het algemeen hield Jeanneret het bureau draaiende. Le Corbu passeerde 's namiddags alle tekenaars en besprak met hen het werk. Hij haalde als voorbeelden van vormgeving daarbij de klassieken aan. Moderne werken van collega's bleven onbesproken.

Eens nam Le Corbu mij mee naar het huis Laroche, waar thans de Corbusierstichting gevestigd is. Zijn auto, een Voisin, had betere dagen gekend. De deur sloot met een touwtje. Het gebouw beviel mij zeer. Bij dezelfde gelegenheid mocht ik zijn privé-woning bezoeken op de bovenste verdieping van een door hem gebouwd appartementsblok in de rue Nungesser et Colli, een zeer mooie ruimtelijke compositie. Le Corbu had ook alle meubelen zelf ontworpen. De daktuin bekeerde mij definitief tot deze oplossing voor de groenvoorziening in de stad.

In het schildersatelier stonden verschillende werken op het getouw. Te voren wist ik daar niet van. Alleszins waren het zichtbaar scheppingen van een architect, door de zuivere vormgeving, de klare kleuren en het energieke lijnenspel. Later hadden wij discussies over architectuur en schilderkunst, in verband met een nieuwe synthese der kunsten. Le Corbu zei mij resoluut: ‘L'architecture peut, à elle seule, tout exprimer!

[p. 46]

Hij bekeerde zich echter tot een integratie van de beeldende kunsten. Dat bleek toen hij in het Zwitsers paviljoen van de cité universitaire een muurschilderij aanbracht, en later op de deuren van de kerk van Ronchamps, en in reliëfs van verschillende gebouwen. Het ging hem dan niet vooral om een ideologische expressie, maar om louter plastische compositie, hij wou kleur in het gebouwde brengen.

In het atelier had ik eens een perspectief getekend van het ontwerp voor het Musée de la Ville de Paris van Le Corbu. Het is ook gepubliceerd in zijn verzamelde werken. Hij zei mij waarderend: ‘On voit bien que vous êtes flamand, dans le style de vos arbres.’ Dán was ik fier Vlaming te zijn.

Le Corbusier zorgde er bovendien voor dat het ontwerp van Lijnstad dat ik hem ter inzage had meegebracht verscheen in l'Architecture d'Aujourd'hui, met een welwillend commentaar. Toen ik hem sommige vrije tekeningen toonde, die inderdaad nogal pessimistisch opgevat waren (een gehangene bij een gasketel o.a.) zei hij: ‘Oui, les jeunes sont tristes, surtout ceux qui viennent des grands ports, comme votre Anvers, mais soyez tranquille, plus on devient vieux, plus on devient joyeux.’ Dat heb ik dan in mijn oren geknoopt en ondanks alle miserie in de praktijk gebracht!

In het atelier waren slechts enkele mensen aan het werk. Buiten de vaste staf was er een Joegoslaaf en een Nederlander, Lengkeek. Nu en dan kwamen wel oud-leerlingen goeiedag zeggen en kwam er een forse Zweed die met niemand sprak en ons zelfs geen goeiedag waardig achtte! Later kwam er nog een Zwitser, Mercier, met wie ik o.a. de school van Lurçat ben gaan bezichtigen. In het algemeen waren de Fransen niet gezellig van aard en lieten ze de buitenlanders links liggen.

Een voorname rol vervulde Matta Esschauren voor mij. Met deze Chileen kwam ik voortreffelijk overeen. Hij was architectuurmoe en stond toen op de drempel van het surrealisme als schilder. Wij discussieerden over deze zaken ‘bis zum bitteren Ende’ en het einde was dat hij de architectuur opgaf en begon te schilderen. Hij maakte aanstalten om een reis te ondernemen en ik nam zijn kamer over in de Passage de la Petite Boucherie, bij L'Odéon, in de schaduw van Saint Germain des Prés. Hij bleef echter nog hangen in Parijs wegens de tentoonstelling van 1937, waarop in het Spaans paviljoen Picasso's Guernica tentoongesteld werd.

Eens tekenden wij voor mekaar een ideaal huis. Het was voor beiden een hele stap voorbij Le Corbu. Op een dag stelde Matta mij voor samen naar New York te trekken om er een decoratiezaak op te zetten. Ik werkte

[p. 47]

toen echter al samen met mijn aanstaande vrouw. Tijdens het ciam-congres van 1937 zagen wij elkaar weer en kon ik mijn echtgenote aan hem voorstellen. We ontmoetten hem ook in Firenze, waar wij een ‘door de staat gefinancierde’ huwelijksreis maakten. Wij logeerden er in een hotel waar nogal veel Engelse dames verbleven. Mijn vrouw schandaliseerde hen door korte rode kousen te dragen, en Matta deed hetzelfde door aan tafel een appel ongeschild op te eten. Door de mobilisatie en de oorlog werd deze vriendschap afgebroken, maar het toeval bracht ons nu en dan in contact met zijn werk, in Brussel, in het Paleis voor Schone Kunsten, zelfs in Mexico en West-Berlijn. Telkens weer bleek hij zich ontwikkeld te hebben tot een kunstenaar die bij de groten hoorde, een auteur van werkelijk monumentale werken. Uit een interview in een Mexicaanse krant bleek overigens dat hij helemaal geen bewonderaar is van zijn landgenoot Pinochet. Hij heeft ook muurschilderingen gemaakt voor de Unesco in Parijs en naar ik meen ook voor de UNO. Muurschilderingen van hem in de universiteit van Santiago de Chili werden door de fascisten vernietigd. Ik moet eens trachten opnieuw met hem in contact te komen!

Woningen alsjeblief

Op de tentoonstelling van 1937 had Le Corbusier een tent opgericht met vele panelen waarop hij zijn denkbeelden illustreerde. Hij gaf ook een boek uit met de toen actuele titel Des munitions, merci... des habitations s.v.p. Er werden ook clichés aangewend van mijn ontwerp van de lijnstad Antwerpen-Luik, maar natuurlijk in een Corbusiaanse context. Het boek zou geen passend antwoord krijgen, want drie jaar later was Hitler in Parijs met zijn bende, eigenlijk met de medewerking van de heersende klasse van Frankrijk: plutôt Hitler qu'un nouveau Front Populaire! Het ciam-congres was echter op dat moment een moedgevend element te midden van de oorlogsdreiging. Een groot aantal architecten zette zich aan het werk om een charte de l'habitat op te stellen en kon daardoor Franco, Mussolini en Hitler vergeten.

De ciam-doctrine, want zo kon men ze noemen, was vooral onder de invloed van Le Corbusier geformuleerd in sprekende teksten, en hield zich hoofdzakelijk bezig met de stedebouwkundige zijde van het probleem. Men moest vertrekken van een duidelijk begrip van de functies

[p. 48]

van een stad: arbeid, verkeer, wonen en wat Le Corbu noemde ‘cultiver le corps et l'esprit’, en ik meende daaraan toe te moeten voegen: het tot uitdrukking brengen van het leven der gemeenschap. Want dit was het juist wat Le Corbu over het hoofd leek te zien, de verankering van het bouwen in de sociale organisatie van de gemeenschap. Hij bekeek deze kwestie vanuit een koel, zakelijk standpunt, maar verwaarloosde de rol van de architectuur als sociale hefboom in een maatschappij in volle evolutie. Hij maakte een ideaal plan voor de stad, la ville contemporaine, die toch niet mogelijk was in de huidige kapitalistische stand van de evolutie, met een zakencentrum voor trusts en banken, instellingen waar wij in de toekomst toch hoopten van verlost te worden. Alle woningen waren van hetzelfde type. Daar vergat hij dan weer dat wij in een klassenmaatschappij leven en zijn utopie liep dus mank.

Er waren wel leden van ciam die realistischer dachten, vooral de Nederlander Stam, en de Duitsers rond het Bauhaus, maar in de discussies kon Le Corbu het steeds halen dankzij de ‘Latijnse fractie’, de Zuidamerikanen, de Fransen, Italianen, enzovoort. Lurçat was wel bij de stichting van ciam betrokken geweest, maar hield er zich nu ver van verwijderd. In de conclusies van het congres werd andermaal de noodzaak onderstreept van een ruimtelijke ordening van de verschillende functies, het apart houden bijvoorbeeld van woningen en fabrieken, woningen en verkeerswegen, het zinvol integreren van sport en cultuur tussen de wooneenheden in een organisch geheel. Dit is echter slechts mogelijk als de grond het bezit is van de gemeenschap. Dat bouwen een privé-zaak is kan alleen maar de anarchie die de huidige stad kenmerkt bestendigen, omdat die het resultaat is van met elkaar botsende privébelangen, die niet tot harmonie te brengen zijn. Het privé-belang primeert immers altijd, ondanks de reglementeringen. Kijk maar wat bij ons met de streekplannen gebeurt! Daarom stelde ik voor, en dit werd in de commissie aangenomen, dat er een artikel in de resoluties zou voorkomen dat stelde dat de grond gemeenschapseigendom moest worden. Dit verontrustte de Italiaanse leden. Zij vreesden dat zij bij hun terugkeer naar Italië zouden worden aangehouden. (Inderdaad werd Rogers later, bij de Italiaanse debâcle, aangehouden als lid van het verzet.) Sert, die de algemene besluiten mocht opstellen, heeft toen deze gevaarlijke passus ontkracht, of onder woorden bedolven. Deze eerder slappe houding kon echter niet beletten dat vooraanstaande Duitse leden van ciam spoedig zouden moeten emigreren. Gropius vluchtte naar Engeland en

[p. 49]

vervolgens naar de vs, May en zijn medewerkers naar de Sovjetunie en vervolgens naar Turkije en Afrika.

Binnen ciam botsten er echter geen onverzoenlijke principes tegen mekaar, zoals in de gelijktijdig gehouden Expo. Er heerste een algemeen humanistisch idealisme dat ook typisch was voor Le Corbusier. In de Expo-paviljoenen van Duitsland en de Sovjetunie stond men met getrokken messen tegenover elkaar. De Duitse adelaar bedreigde a.h.w. de twee arbeidersfiguren die het Sovjetpaviljoen bekroonden. Het fatale gevolg liet zich voorspellen, maar ten slotte hebben de mensen het toch gewonnen van de fiere adelaar!

Er waren gelukkig ook paviljoenen met een vredelievende inhoud, het Finse bijvoorbeeld, van de hand van Alvar Aalto. Het grote Belgische paviljoen, onder de Eiffeltoren, was niet overtuigend, ondanks de medewerking van Stijnen en Bourgeois, aan de zijde van Henri van de Velde. Het was de expressie van het establishment van toen, de middelmatige Belg op zijn middelmatigst, zonder verbeelding en zonder visie. Architectuur mag niet in commissies worden bepaald en daar had het in dit geval alle schijn van. Stijnen en Bourgeois konden daar geen leven in brengen.

Rood en zwart

Intussen waren Elza en ik in alle stilte gehuwd, sans tambour ni trompette en in stadskleding. Mijn schoonvader kende de ‘klerken van het stadhuis’ en had de zaken zo geregeld dat wij als eersten voor de schepen werden geleid en het jawoord konden uitbrengen. Daarna verlieten wij het stadhuis langs een zijpoortje, zodat de vrienden die met bloemen aan de grote deur stonden dachten dat we nooit getrouwd geraakt waren! Alleszins droegen wij de conventionele trouwring niet! Na een bescheiden festijn met mijn schoonouders en ouders vertrokken wij met de Etoile Bleue naar Parijs, waar we in mijn kamer, overgeërfd van Matta, zouden logeren.

Er kwam nu een einde aan mijn solitaire wandelingen door Parijs, waarbij ik een vierkanten tracé over het stadsplan trok en dan zoveel mogelijk die denkbeeldige lijnen volgde. Ik had zo het niet-toeristische Parijs een beetje leren kennen. Tot mijn verbazing ontdekte ik dan delen van die stad die nog aan een dorp deden denken, met stille en bochtige

[p. 50]

straten, allesbehalve monumentaal. Wij hadden nu samen meer aandacht voor het oneindig aantal musea en belangrijke monumenten, maar genoten boven alles van de sfeer van Parijs, op de grote boulevards, langs de Seine, de Champs Elysées en natuurlijk op de Expo zelf. Door de vele manifestaties en meetings die wij bijwoonden waren wij meer dan ooit overtuigd dat ook voor Vlamingen Parijs het centrum van de beschaafde wereld was en ik meen dat nu nog altijd ondanks de Franse politieke capriolen. Geen week ging voorbij of er was een massavergadering, waarop wij de Internationale in het Frans leerden zingen!

Eens hield Le Corbu een voordracht in het Maison de la Culture en ik mocht de dia's in- en uitschuiven voor een publiek waaronder Aragon, Eluard, Elsa Triolet en vele andere sommiteiten aanwezig waren. Men kan zich voorstellen dat ik niet weinig fier was.

Het was mijn vriend Julien Schillemans die me aanzette lid te worden van de Kommunistische Partij, maar ook het enthousiasme dat ik putte uit mijn Parijs verblijf in de periode van het Front populaire was van groot gewicht om die stap ook te zetten. Alles leek mogelijk. Vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid leken hun verwezenlijking nabij. Alle goede schrijvers waren uiterst links, alle goede schilders waren links, de kunst was links, de architectuur was links, de toekomst was links. We werden gedragen door de grote golf van de Spaanse revolutie. ‘Des avions pour l'Espagne’ riepen we op manifestaties. We konden niet anders dan ons aansluiten, hoewel de krachten van het licht in Vlaanderen niet in talrijke gelederen optrokken. In Antwerpen waren er zo'n driehonderd partijleden, in België drieduizend. Ons lidmaatschap bracht regelmatige vergaderingen met zich, gewijd aan de theorie van het marxisme en de sociale strijd. In de praktijk stonden wij door ons beroep eigenlijk nogal ver van die strijd af en waren we eigenlijk zowat fellow-travellers.

Vanuit Parijs vertrokken wij in de lente van 1937 naar Firenze, Venetië en Rome om de ‘grote kunst’ te gaan bewonderen. We kwamen terecht in het Italië van Mussolini, maar buiten de overal geschilderde agressieve leuzen was er niet veel van het regime te merken: ‘vivere pericolosamente’, ‘het is beter een ogenblik een arend te zijn dan zijn hele leven een kip’, enzovoort. In de hotels moest men zijn hele stamboom opgeven: vader, grootvader en overgrootvader. Omdat wij onze genealogie zo ver niet kenden, schreven wij dan maar een fantasie-overgrootvader op.

Wij legden de voorgeschreven rituele bezoeken af aan de musea en,

[p. 51]

met meer toewijding, aan de schitterende monumenten, waarbij de vroege renaissance de diepste indruk op ons maakte. Maar ook de nieuwe architectuur kreeg onze bijzondere aandacht. Mussolini had geweldige stations doen bouwen, bijvoorbeeld in Firenze, Rome en Pisa. Het Foro Italico maakte ook een sterke indruk op ons. Op de schermacademie, volledig in wit marmer, keken wij onze ogen uit.

Het fascisme had geen moeite gespaard om representatieve bouwwerken op te trekken waar dit enigszins voor zijn propaganda nodig werd geacht. Wij werden daardoor niet tot het fascisme bekeerd, op verre na niet. Maar men moet niet de autocratie van de Tsaren goedkeuren om hun gebouwen mooi te vinden. Of, om verder terug te keren: men moet de barbaarsheid van de Assyriërs en Babyloniërs niet waarderen om van hun bouwkunst te kunnen genieten. Soms hangt schoonheid a.h.w. in de lucht en leidt ze de handen van de bouwers, ondanks de verschrikkingen die hen omringen. Een raar verschijnsel dat indruist tegen het determinisme! De creativiteit splitst zich hier af, alsof de kunstenaars het zich kunnen veroorloven in een andere werkelijkheid te leven. Maar dit was niet zo in het Derde Rijk, daar droop de tirannie overal af en waren de bouwsels stenen verschrikkingen, vooral ook door het hatelijke classicisme. Geen wonder dat de nazi's de progressieve architectuur als Duitsvijandig cultuurbolsjevisme doodverfden en de protagonisten ervan als pestlijders vervolgden. Ikzelf heb nog altijd de pest aan Speer.

Albertina-Bibliotheek

In 1937 nam ik deel aan de eerste nationale prijskamp voor de Albertina-Bibliotheek, samen met Julien Schillemans. Ons werk werd gefinancierd door Cols en De Rouck, maar die heren hielden zich erbuiten, tot de naam van de mededingers moest worden vermeld. Toen hebben ze ons ‘vergeten’, omdat er maar twee namen op het formulier konden worden ingevuld: Cols en De Rouck! Professioneel fatsoen? Het ontwerp werd zevende geklasseerd op een honderdtal deelnemers. Le Corbusier bezocht de tentoonstelling van de ingezonden werken, en hij verklapte me achteraf dat hij mijn werk herkend had.

In 1938 was er een nieuwe prijskamp voor dezelfde bibliotheek op een andere plaats. Ditmaal deed ik met Arthur Smet mee en werd andermaal zevende gerangschikt.

[p. 52]

Beide ontwerpen waren functioneel opgevat, maar hadden onmiskenbaar een monumentale bedoeling. In deze gevallen was dat geen opportunistisch opzet. Het functionalisme had zich tot dan toe hoofdzakelijk met woningbouw beziggehouden, maar werd her en der geplaatst voor opgaven die een hooggestemde vormgeving vereisten. Bouwwerken met een bredere sociale functie kunnen niet de gevraagde ‘feestelijke’ stemming oproepen als zij slechts een directe aanpassing aan de louter utilitaire vorm zijn. Een gebouw kan wel vertellen waartoe het dient, maar soms is het wenselijk dat het zou kunnen zingen. Hoe kan men dit bekomen? Natuurlijk door de taal der verhoudingen, maar die dwingt, los van de utiliteit en de constructie, tot expressieve onderstreping van bepaalde bouwonderdelen: de vorm van de steunpunten, de verhouding tussen de ramen en steunende gesloten muurdelen, de hoogte tegenover de oppervlakte, enzovoort. Sommige Italianen waren erin gelukt die taal te spreken en genoten mijn bewondering, ondanks de klassieke onderstroom. Alleen Le Corbusier is aan die onderstroom ontsnapt en gaf het voorbeeld van een totaal bevrijde vormgeving.

Tijdens de jaren 1936-1939 hadden sommige goede geesten, zoals Avermaete, Stijnen, Brosens, Grosemans en enige schilders als Minne, Albert en Carl de Roover en Guiette, een vereniging gesticht die een jaarlijkse manifestatie in de Stedelijke Feestzaal Meir inrichtte. De bedoeling was te tonen dat er ook in Antwerpen kunstenaars waren die streefden naar de samenwerking van de kunsten. Men bracht architecten, schilders en decorateurs samen rond ontwerpen voor interieurs, en probeerde zelfs de synthese verder uit te bouwen met ballet, muziek, enzovoort.

De eerste manifestatie was een groot succes. Ze behelsde niet alleen interieurs van Stijnen e.a., maar ook een ballet van Avermaete, met kostuums van May Nehama en muziek van Renier van de Velde; Willem Elsschot las voor uit eigen werk. Het materiaal en het handwerk moesten allemaal worden bijeengebedeld. De stad maakte een grote ruimte met opgehangen voile, en de aannemers die voor de diverse architecten werkten werden allen met het oprichten van de stands gelast, pro deo. Burgemeester Camille Huysmans huldigde de manifestatie in en het comité dronk de erewijn...

Het jaar daarop mocht ik zelf meedoen. Het werd een totaal wit interieur waar ik sommige onderdelen van had ontworpen, een kast, buizenstoelen, een zeer bijzondere staanlamp. Er moest een muurschildering

[p. 53]

komen van Carl de Roover. Maar deze moeilijke mens liet het op het laatste ogenblik afweten, omdat ik zijn ontwerp in perspectief had getekend om ons van het effect te vergewissen. Dat was voor hem een majesteitsschennis. Ik vond dan nog iemand die gauw iets op de muur penseelde om de zaak te redden. De tentoonstelling was weer een meevaller; er werd veel over geschreven en al dan niet verstandig over geredeneerd, waardoor sommige meningsverschillen o.a. tussen Stijnen en Avermaete hoog opliepen. Naast de onvermijdelijke persoonlijke tegenstellingen kwamen ook theoretische verschillen te berde. Wie zou de toon aangeven, de architecten of de zogenaamde deskundige kunstcritici, die alles weten maar niks kunnen?

Die kunstcritici lijken in België steeds het hoge woord te voeren. De scheppende kunstenaars moeten daar maar braaf naar luisteren en doen wat hun gezegd wordt. Die tegenstelling tussen zeggen en doen bestaat overal, maar bijvoorbeeld in Nederland is Berlage steeds een gezag toegekend dat bij ons nooit een architect te beurt is gevallen. In ons land weet iedereen alles over kunst en zeker over bouwkunst. Als een nieuw gebouw ingehuldigd wordt stuurt men er de verslaggever van het voetbal of het wielrennen naartoe. Trouwens, bijna nooit wordt de naam van de architect vermeld. Architectuur maakt geen deel uit van de cultuur, die er trouwens niet is in Vlaanderen. De eventuele discussies blijven laag bij de grond. Op de essentie van bouwen en schilderen wordt nooit ingegaan.

CIAM-België

Intussen was een ciam-België tot stand gekomen onder aanvoering van de groep L'Equerre uit Luik, die het Franstalig secretariaat waarnam en Huib Hoste die verantwoordelijk was voor de Vlaamse afdeling. Tot deze Belgische afdeling behoorden van bij het begin Bourgeois, Hoste, Hanekroot, Fitschy, Herbosch, Michel, Klutz, Franssen, Eysselinck, Wijnants en Braem. Er was een drukke activiteit, wat zich vooral uitte in vergaderingen, meestal in Brussel, en in rapporten over en weer met de algemene secretaris Giedion in Zürich.

De Belgische ciam groepeerde de weinigen die voeling hielden met de internationale beweging voor een nieuwe opvatting inzake bouwen en de reorganisatie van stad en platteland. We illustreerden dit met voor-

[p. 54]

stellen en plannen en af en toe met realisaties, maar door de stompzinnigheid van het Belgische publiek en de openbare besturen bereikten we nooit een voldoende uitstraling. We bereidden met name een volgend congres voor, dat naar aanleiding van de internationale tentoonstelling over het water in Luik zou plaats hebben. Door de algemene mobilisatie werd het naar een mistige toekomst verschoven en het viel dus figuurlijk in het water. Jammer voor het actieprogramma dat ik voor de Antwerpse afdeling had opgesteld. ‘Propageren van gezonde principes inzake urbanisme en architectuur,’ luidde de ‘algemene tendens’ bovenaan dat programma, dat een totaaloplossing voorstond vanuit ‘een zuiver menselijk standpunt’, een totaaloplossing die rekening hield zowel met de ‘zuiver fysiologische als de psychologische vereisten en ook de wenselijkheid het meest waardevolle van de culturele erfenis op eerbare wijze te bewaren’. Het schema spitste zich toe op het geval Antwerpen. De bedoeling was het stadsorganisme progressief te saneren en te hervormen tot ‘een bruikbaar levensinstrument’. De praktische uitwerking hield in: een analyse van het totaalorganisme Antwerpen, het vervaardigen van propagandamateriaal ter demonstratie van de noodzaak van een urbanistische politiek en het uittekenen van de voorstellen op schaal.

Dezelfde oorlog die het Luikse congres verijdelde, zou overigens uiteindelijk Huib Hoste uit de Belgische ciam-rangen doen verdwijnen. Hoste was wegens zijn uitgesproken Vlaamsgezindheid (niet Duitsgezindheid!) onmiddellijk na de bevrijding niet langer welkom in het ciam-milieu, samen met een lid van L'Equerre, die wel duidelijk met de Duitsers gecollaboreerd had.

Op 27 augustus 1946 zocht Huib Hoste opnieuw contact met ciam, waar hij sinds het begin van de oorlog niets meer van gehoord had. ‘Om persoonlijke redenen’ verlangde hij een antwoord per kerende post. Op 2 september schreef Fitschy hem: ‘Cher confrère, Nous avons le regret de porter à votre connaissance que, pour ne pas provoquer au sein de la section des polémiques et des tiraillements préjudiciables à la bonne marche de nos travaux, le Comité Directeur de la Section Belge des ciam a, à la demande de divers confrères, tenu en suspens le cas d'un certain nombre de membres dont l'attitude pendant l'occupation demande, à tort ou à raison, prêter le flanc à la critique. Les membres visés ne furent plus invités aux quelques réunions qui eurent déjà lieu. En raison de la grande sympathie qui présida toujours à nos rapports antérieurs nous avons été particulièrement affectés de voir figurer votre nom sur cette liste. Votre cas sera porté à l'ordre du jour de

[p. 55]

la prochaine réunion de la section et nous souhaitons de tout coeur que ce que nous ne voulons considérer que comme un malentendu sera dissipé.’

Uiteindelijk heeft er geen onderzoek over het gedrag van Hoste plaatsgehad. Hoste heeft zich vrijwillig teruggetrokken. Ikzelf heb geen contact meer met hem gehad. En zo is de enige man die tijdens de bezetting een ondubbelzinnige houding in de verdediging van de moderne architectuur heeft aangenomen uit de beweging verdwenen, tot een studie over zijn werk verscheen van Marcel Smets.

Buiten het conservatisme van Hoste was, hoe kon het anders, de algemene strekking van ciam links. Een objectief wetenschappelijk onderzoek naar de redenen waarom het levensmilieu mensvijandig was en de essentiële rechten van de mens op licht, lucht, zon, natuur, rust, veiligheid niet kon verschaffen, moest via de oplossingen van stedebouwkundige en architecturale aard uitlopen op een aantal sociale hervormingseisen. De vrije beschikking over de grond, verkeersveiligheid, planmatige bestemming van het grondgebruik, de juiste sociale voorzieningen, dat alles kan slechts worden verwezenlijkt in een economie die bijna totaal in handen is van de gemeenschap. De lelijkheid van onze steden vloeit voort uit het economisch liberalisme: ieder voor zich en de duivel voor allen. Men moet dan ook niet verwonderd zijn dat de besluiten van de ciam-congressen slechts een minderheid van ruimdenkende geesten kon aanspreken, want de meerderheid is eigenlijk door de duivel bezeten! De meerderheid heeft haar oordeelsvermogen onderdrukt onder de loden druk van de routine en de reactionaire propaganda van de grondspeculanten, huisjesbouwers, appartementenbouwers en meubelfabrikanten. En daar de bestuursorganen door die meerderheid worden verkozen, kan het niet anders of de overgeleverde, dode sociale, economische en culturele vormen blijven de te bewaren normen. De architecten die de noodzaak van hervormingen erkennen en voorstellen doen worden als wereldvreemde dromers geklasseerd. Zelfs mensen als Le Corbusier, die oppassen geen te revolutionaire ingrepen in de maatschappij te propageren, worden in een deel van de vakliteratuur niet alleen als utopisten maar regelrecht als ondermijners van de heilige principes van moraal, traditie en fatsoen aangeklaagd. In een reeks boeken heeft Le Corbu zelf de onafwendbaarheid van de door hem voorgestelde hervormingen aangetoond onder het motto ‘architecture ou révolution!’. Deze hervormingen worden gedicteerd door het gezond verstand en de rede zelf.

L'architecture, c'est avec des matériaux bruts, établir des rapports émou-

[p. 56]

vants,’ heeft Le Corbusier geschreven, en tot zijn laatste ademtocht heeft hij volgehouden dat architectuur vooral te maken heeft met emotie en poëzie. En dat heeft ten slotte van mij een discipel van hem gemaakt, zij het een discipel met vaak contraire principes.

Moderne architectuur

Door mijn activiteit in het atelier Le Corbu en mijn bezoeken aan zijn uitgevoerde werken had ik ruimschoots de gelegenheid theorie en praktijk aan mekaar te toetsen. Mij viel de vanzelfsprekendheid van de geboden oplossingen op. Binnen het kader van het ciam-functionalisme tekenden zich echter stilaan verschillende tendensen af, zowel inzake principes als realisaties. Dat was een natuurlijk gevolg van de aantrekkingskracht van deze principes op sommige krachtige persoonlijkheden die niet anders konden dan zich van mekaar onderscheiden.

Dit geldt in de eerste plaats voor Le Corbusier zelf, die zich in zijn eigen concrete werken wel het minst liet leiden door de slogans die hij zelf zo luid proclameerde. ‘La machine à habiter’ heeft hij nooit gebouwd. Steeds was voor hem de architectonische expressie een einddoel, zij het verborgen achter ‘humanistische’ doelstellingen. Hij hield het altijd bij een klare expressieve bouwkunst. Wanneer hij ter wille van de compositie sommige constructie-eisen aan zijn zolen lapte, wreekte dit zich door een snelle sleet, maar intussen stonden zijn gebouwen er als manifesten voor een andere levenswijze, als akten van geloof in de komende nieuwe tijd. Hoe die eruit zou zien werd door hem niet scherp afgelijnd, maar lag wel besloten in de negatie van het onmiddellijke verleden. Ware het Paleis van de Volkenbond door hem gebouwd, met de passende materialen en constructies, dan had de twintigste eeuw een belichaming van het geloof in vrede en vooruitgang gekregen, het geloof van de elite der dichters, kunstenaars, geleerden, zoekers en bouwers. Het gebouw dat er nu staat is niet meer dan het bureaucratische symbool van de heerschappij van de financiers, generaals, wapenhandelaars en politici in hun dienst.

Tegenover Le Corbusier kan men de naam van Gropius plaatsen, directeur van het Bauhaus. Het Bauhaus van Dessau was een opvolger van de gelijkgerichte school van Weimar, die door Henry van de Velde, onze beroemde Antwerpenaar, voor de eerste wereldoorlog was gesticht. Het

[p. 57]

nieuwe Bauhaus was echter veel duidelijker op het nieuwe georiënteerd door de erkenning van de specifieke mogelijkheden van nieuwe materialen en de dwang van sociale overwegingen. Henry van de Velde dacht nog in stenen ‘façades’, de volbloed functionalisten dachten in zuivere skeletbouw met muurvlakken en glasramen van peiler tot peiler. De bouw tekende zich ruimtelijk af, in plaats van de ruimte met volle massa's te vullen. In dit opzicht knoopte Henry van de Velde aan bij de historische stijlen, terwijl de functionalisten een volledig nieuw concept brachten. Dit was zakelijk, maar vindingrijk en bewust sociaal gericht. Creaties als het ontwerp voor een totaaltheater van Gropius waren in een bewust vooruitstrevende overtuiging verankerd: het theater, en dus ook zijn architectuur, was dienstbaar aan een wil tot verandering van het leven. Architectuur was bovendien slechts één van de kunstmodaliteiten, die alle gericht waren op hetzelfde sociale doel: bevrijding!

In 1930 lokte zo'n houding woeste reacties uit in de conservatieve milieus. Het Beierse blad Süddeutschen Monatschriften voer destijds uit tegen de ‘steriele Weltstadtliteraten, die geen huis, geen vaderland, geen ideaal kennen’ en wier ‘vernielingszucht het grootste deel van het Berlijnse toneelrepertorium, de films en romans aantast’. Er is vanaf 1918 een kloof die een Beiers en Oostpruisisch conservatisme scheidt van het progressisme van het Rijnland, Frankfurt en Berlijn. Met het aan de macht komen van het Hitlerregime werd dan al wat links was ausgerottet. In ons land was de situatie merkelijk anders. Het modernisme werd er wel met argwaan bekeken, maar in het algemeen had de katholieke meerderheid er zich meester van gemaakt. Denk aan het Vlaamse Volkstoneel, het Vlaamse expressionisme in schilder- en dichtkunst. Zelfs de architectuur had hier leidende katholieke persoonlijkheden, zoals Hoste.

Vlaamse linkse jongeren, want die waren er ook naast de massale katholieke studentenorganisaties, keken op naar het Berlijn van vóór 1933 als naar het Mekka van de moderne geest. Architectennamen als die van Gropius, Hilberseimer, Hannes Meyer, Mies van der Rohe, Häring Scharoun, Hebebrand, May lagen dagelijks op onze lippen, naast die van de theatermensen Erwin Piscator, Bert Brecht, de schilders Baumeister, Schlemmer. Ook in andere landen kenden wij enige namen: Simon Szyrkus in Polen, Bohuslau Fuchs en Mokar Farkas in Tsjechoslowakije, Lissitsky, Meierhold, Vesnin, Melnikov en Leonidov in de Sovjetunie. Maar vanaf 1933 daalde er over al deze landen, zowel Duits-

[p. 58]

land en Oostenrijk als de Oosteuropese landen een alles verstikkende duisternis neer.

Enkele van deze namen kwamen voor in de Werkbundsiedlung van Stuttgart, waar een bouwstaalkaart verwezenlijkt werd met Le Corbusier, Bourgeois, Mart Stam, Hans Scharoun e.a. Een aantal jaren is deze Siedlung verwaarloosd, maar na de bevrijding is ze weer opgefrist, en nu is ze zelfs tot geklasseerd monument bevorderd. Sommige ontwerpers zijn na de oorlog weer opgedoken, o.a. Hans Scharoun, die even in Oost-Berlijn en later in West-Berlijn grootse ontwerpen heeft uitgevoerd. Het is opvallend hoe de gebruikte tegenargumenten vandaag dikwijls gelijken op die van de naar het fascisme neigende conservatieven van 1930. De huidige inzinking van de architectuur met het opwarmen van een oudbakken classicisme lijkt sterk op de nationaliseringskuur die de Hitlerianen aan de bouwkunst hebben opgedrongen. Het lijkt er wel op dat de cultuur fataal aan ebbe en vloed onderhevig is. Niet voor niets luidt de Internationale: ‘Sterft gij oude vormen en gedachten...’.

War for our time

We voelden de naderende holocaust en de toekomst was zwart en rood. We zaten samen te luisteren naar het gebral van Adolf Hitler en het woeste gehuil van de menigten in het Sportpaleis. Wij waren ervan overtuigd dat een volk klaargestoomd werd voor een aanval op andere volkeren. Wij waren er bovendien van overtuigd dat wij zelf niet buiten schot zouden blijven, ondanks de officiële neutraliteitspolitiek van onze regering. Ons volk wilde vanzelfsprekend van geen oorlog weten. Er was een Anti-Oorlogsliga onder socialistische leiding, geüniformeerd en al, als tegenwicht voor de fascistische benden. Er waren ook het Wereldvrouwenverbond voor Vrede en de waarschuwende acties van de talrijke vluchtelingen uit nazi-Duitsland.

De dreiging van rechts dreef ons te zamen naar uiterst links. De enige partij met zuivere handen leek ons de Kommunistische Partij, want Spaak en de Man waren toen al volksverraders die heulden met Franco en Hitler.

Er ontstond een sfeer van hopeloze verwarring: het Duits-Russische verdrag, de Russisch-Finse oorlog... De internationale komedianten Chamberlain en Daladier kochten zogenaamd de vrede door Tsjechoslo-

[p. 59]

wakije en Oostenrijk aan Hitler over te leveren. ‘It is peace for our time!’ De massa's in de westelijke democratieën zuchtten, oef, en meenden naast Hitler vredig te kunnen voortleven. Ook in Vlaanderen torsten de simpele mensen het zware juk van een reactionair bewind, dat in het nazisme de gendarm waardeerde die vrijheid en socialisme een definitief halt zou toeroepen. In de colleges en patronages stoomde men de toekomstige oostfrontstrijders klaar voor gebruik. De bankiers en monopolisten wreven zich in de handen, want Hitler zou overal de vakbonden muilkorven.

Een zware druk woog op ons. Als architect ontwaarde ik niets dan sombere perspectieven: wonen in een klein appartementje en moeizaam de eindjes aaneenknopen.

Tot een Duits vliegtuig moest landen in België en een aanvalsplan in handen viel van onze legerleiding. Toen zag men ook van officiële zijde vanwaar het gevaar kwam. De mobilisatie volgde heel snel: een bom uit de heldere Chamberlain-hemel! Er was niets klaar.

Met mijn metgezellen gemobiliseerden zat ik op een septemberavond in 1939 plots voor het Rivierenhof bij een vuurtje een zelfgekocht maal te eten. Ik weet niet meer waar wij 's nachts werden ondergebracht. De volgende dag belandden we in de kazerne van de Luchtbal. Begon dan de dagelijkse vlucht naar de stad, met alle mogelijke verkeersmiddelen, fiets, tram, autostop, camions, legaal en illegaal. Stilaan kwam de routine van de avondpermissies, de wachtbeurten en een routine om eraan te ontsnappen. Stilaan groeide ook de wrok, omdat wij niet inzagen waarom wij onze tijd verknoeiden met dat kazernegedoe.

Men vond dan een wisselbeurt uit. Om de week of om de twee weken marcheerden we naar een ander dorp, waar onze familie ons dan maar moest komen zoeken en waar wij bij de bewoners tegen hun en onze zin ingekwartierd werden. Af en toe verbleven wij in Turnhout of in Antwerpen in een kazerne en deed men pogingen om ons bezig te houden met een amusementsstichting waarin Rik de Man, de toekomstige overloper, de plak zwaaide. Verder gebeurde er niets om de soldaat te doen begrijpen waarom hij doelloos de Kempen rondmarcheerde. Geen spoor van civiele opvoeding om enigszins klaar te zien in het gebeuren. Wel waren er wachtbeurten, waarbij niets te bewaken viel. Het resultaat was een hopeloze verwarring, een volledige demoralisatie tegenover het toch reële gevaar dat aan de oostgrens met de dag groeide. Zelf hield ik me in de vrije uren bezig met pentekeningen, die steeds triester uitvielen. Ten

[p. 60]

slotte waren we compleet gedesinteresseerd. Wat kon het ons schelen als onze corrupte regering slaags geraakte met andere corrupte regeringen?

Zo was het toen wij op een mooie meimorgen in de zon Duitse eskaders als zwermen schitterende zilveren vogels zagen overtrekken. De verloven waren juist opnieuw ingesteld! De Duitsers vlogen over ons met zichtbaar misprijzen, wij waren geen bom waard, althans zo scheen het. Later schoot een Belgisch vliegtuig in razende snelheid vlak boven de bomen voorbij, ogenschijnlijk van nergens naar nergens. Eigenlijk konden wij het niet geloven, tot de radio ons van de werkelijkheid overtuigde. Het was oorlog!

Wij betrokken onze stellingen achter het Albertkanaal. Voor wij een vijand gezien hadden trokken wij ons terug. De Fransen zouden ons komen vervangen! Wij lieten al wat zwaar was liggen, bijlen en schoppen, dat zouden de zuiderlingen wel kunnen gebruiken. De compagnie had de beschikking over één wagen om de ‘blauwe zakken’ met de privé-bezittingen te vervoeren. Wij hadden daar veel te veel ingestopt, dan maar de vlam erin! In mijn blauwe zak zat Les Chants de Maldoror. Het boek ging in vlammen op. Wij marcheerden de hele nacht westwaarts. In de verte vlamden de petroleumtanks. Hier en daar waren er verdedigingsposten van Ardeense Jagers, verder alleen een amorfe, zich traag voortslepende massa.

Ik was sergeant van een gevechtsgroep granaatwerpers. Van die groep waren nog voor de morgen al enkele manschappen verdwenen, de anderen onvindbaar. De verzamelde compagnie vertoonde grote gaten. De reserveluitenant die het appèl deed, stond te schuimbekken. Die deserteurs hadden de oorlog op eigen houtje al een einde toebereid en wij zouden ze niet meer zien.

Ergens bij Willebroek werden wij in autobussen geladen en naar de omgeving van Tielt gebracht, om daar een laatste verzetslinie op te bouwen. Ik hou daar slechts indrukken aan over van boven ons hoofd instortende daken, muren en gevels, puin en geharrewar.

Landwirtschaft

In een boerderij waar wij binnen waren gevlucht, hoorden we plotseling Duitse commando's. Wij waren gevangen. Met enige honderden werden we op een hoop gedreven, de mitrailleurkogels van een eenheid die nog

[p. 61]



illustratie

‘Gazetten lezen’, de hoofdactiviteit van de gemobiliseerde troepen (1939)




illustratie
Koewachter Braem als krijgsgevangene in het Duitse Bokeloh (1940)


[p. 62]

verzet bood floten boven ons hoofd, tot ook die de wapens neerlegde: het was wapenstilstand, het Belgische leger gaf zich volledig over. We werden achter prikkeldraad opgesloten en aan ons lot overgelaten. We moesten voor eigen rekening van de toekijkende inboorlingen een brood zien te verkrijgen. Wij sliepen ineengedoken tegen een boom de slaap der verslagenen.

De volgende dag gingen wij weer op mars, een eindeloze stoet, geflankeerd door de fiere overwinnaars. 's Avonds mochten we van de grote boeren niet in hun schuren logeren! Dan maar op de kasseien geslapen. De volgende dag liepen we richting Sint-Niklaas en dan noordwaarts, naar Walsoorden bij de Schelde. Proviand moesten wij zelf kopen in winkels langs de weg. Enkele slimmeriken verdwenen langs zijwegen, en trokken weer naar huis toe. De meerderheid geloofde de Duitsers, die het parool uitstrooiden ‘Die Flamen gehen nach Hause’, tot wij in Walsoorden in rijnkassen geladen werden. We stonden allemaal recht en als er geen meer bij kon werd de ladder opgetrokken. Er bleef ons niets over dan kriskras op en over mekaar te gaan liggen.

Dan vertrokken de boten. Eén is er op een mijn gelopen, enige honderden sukkelaars verdronken. Langs de Waal ging het naar de Rijn en dan Duitsland in. 's Avonds ontscheepten we en werden we naar een inderhaast ontruimd concentratiekamp gebracht. In grote tenten vonden we er een onderkomen, allen dooreen, Fransen, Senegalezen, Walen, Vlamingen. Hier maakten we kennis met de gevangenensoep en werd een oppervlakkige telling gehouden. We moesten alle schrijfgerief afgeven. Dat kon ik niet over mijn hart krijgen en ik stopte mijn geperfectioneerd vier-kleurenpotlood weg in mijn binnenzak. Ik had het tijdens de mobilisatie van de kameraden als geschenk ontvangen. Bovendien stond er voor zover ik wist niks vermeld over het afgeven van schrijfgerief in de Conventie van Genève over krijgsgevangenen.

Van hieruit gingen wij op transport per trein, met goederenwagons. Wij kregen dus een tweede laag vuil: de boot zat vol kolenstof en de wagons vol cementstof. Wij geraakten zo in Altengrabow, dicht bij Berlijn, waar we in barakken werden ondergebracht. Omdat vóór ons hier Polen hadden verbleven zaten de barakken gründlich onder de luizen, zodat wij boven onze lagen kolen en cement nog een bevolking kriebelachtige diertjes kregen. Er stonden normaal dan ook een stuk of wat Vlamingen in hun blootje bij de kachel die onplezierige beestjes te vangen. De Polen, onze buren in het kamp, waren heel artistiek aangelegd. Van stuk-

[p. 63]

ken plank die zij uit de barakken braken wisten zij zeer artistieke werkstukken te maken in de stijl van hun volkskunst: ze hielden erg van adelaars. Ik heb een van hun vogels meegebracht die zijn sierfunctie in mijn huis nog steeds vervult.

Met de voeding was het maar krap gesteld en voor de boerenjongens onder de Belgen was het een harde tijd. Omdat ik een mondjevol Duits sprak werd ik Vertrauensmann en moest ik de bevolking van mijn barak ettelijke keren per dag buiten verzamelen om nog maar eens geteld te worden. Dat scheen voor de Duitse administratie van buitengewoon belang, hoewel er toch geen middel was om het kamp te ontvluchten.

Om het moreel enigszins op peil te houden richtten de Duitsers af en toe een feestavond in, waarop de gevangenen van iedere nationaliteit met hun specialiteit konden optreden. De Polen hadden een zangkoor van de bovenste plank, met prachtige zware stemmen; ze brachten meerstemmige volkszangen. De Fransen speelden luchtige komedies, waarbij zij ongemerkt de spot dreven met de aanwezige Duitse officieren. De Belgen deden niets! De Vlamingen merkten dat sommige groepen buiten het kamp de boeren gingen helpen en zij daardoor wat extra eten bekwamen, en mij werd opgedragen bij het kampbestuur aan te dringen dat wij aan de Erntehilfe zouden kunnen deelnemen. Men zou dat overwegen.

Er werkte in het bureau een Waal, een rexist, die tekenaar was. Wij maakten kennis en zo geraakte ik aan papier en kon dan tekenen. Die man, een idealist die het goed meende en geloofde in de Nieuwe Orde, is later naar het oostfront getrokken en heeft er zijn leven gelaten.

Het verzamelen van de mensen van mijn barak was telkens een pijnlijke geschiedenis. Ik moest het aantreden commanderen, ‘die Augen links, die Augen rechts, stilgestanden’, als de luitenant verscheen. Dat was niet moeilijk, maar telkens vielen sommige soldaten, de grootsten uiteraard, van de honger plat tegen de stenen.

Uiteindelijk kwamen wij in een trein richting Niedersaksen terecht, dus meer naar het westen. Wij werden in groepen ingedeeld, en een ervan belandde in Bokeloh, een dorpje niet ver van Wunstorf. Wij werden op de markt opgesteld ten aanschouwe van de bevolking en die mocht dan kiezen. Ik zag de een na de ander door een boer meegetroond worden en ik zelf bleef als laatste over. Dat was te wijten aan de zilveren kwispel aan mijn muts. Men dacht dat ik een officier was en dus geen ideale hulp in de Landwirtschaft. Men had me al werk in een varkensslachterij toebedeeld, maar een boer-slachter ontfermde zich over mij. Ik sprak immers

[p. 64]

Duits, zodat hij dacht met mij overweg te kunnen.

Ik mee naar de hoeve Wischhöfer. De baas was Führer van de sa van het dorp, maar daar had ik niets mee te maken. Overal hingen trouwens plakkaten ‘Kriegsgefängene sind nicht achtbar!’. Dit dorp vormde een typisch Nedersaksische agglomeratie, met hoeven met een puntgevel, die op de straatweg uitgaven. Het land was licht glooiend met hier en daar struikgewas. De gevels waren bekroond met een dubbele paardenkop en bestonden verder uit een zichtbare houtconstructie. Voor sommige hoeven waren eiken geplant. Het was een echt landelijke gemeente, maar toen ik er na de oorlog eens een kijkje ging nemen was ze al erg verbasterd door steedse bebouwing en het Wirtschaftswunder.

De Belgen logeerden in een oude paardestal waarin men houten britsen had getimmerd. Wij werden bewaakt door twee soldaten die iedere dag bij een andere boer gingen eten. Het waren oorlogsinvaliden, maar m.i. karottentrekkers, want er viel niets aan te merken. Ze hadden misschien goede relaties?

Wij werden gewekt als het nog donker was en ieder wandelde naar zijn hoeve. Daar haalde ik de mest tussen de koeien vandaan, en daarna roskamde ik Max, het paard. Dan kon ik mij wassen en mee aanzitten aan tafel. Het gezin bestond uit de baas, een massieve Duitser, zijn magere vrouw en een knaap van ongeveer zes jaar. 's Morgens was het menu brood en een siroop die zij zelf van appelen maakten. Dan begon het werk op het veld, dat wel een kwartier ver lag en waar men met paard en kar naartoe ging.

Voor ik er kon beginnen werken, moest ik een vuurproef doorstaan. Wij haalden in het bos een lading dikke eikestronken en daar moest ik klein hout van maken voor de winterprovisie. Ik had nog nooit zo'n zware bijl gehanteerd. Het was het soort strijdbijl waarmee mijn ridderlijke voorvader in de Guldensporenslag vermoedelijk staan zwaaien heeft. Al gauw waren mijn vingers rauw vlees, helemaal opengebarsten. Het viel niet mee, maar aan alles komt een einde. Toen ik nadien de beerput onder de koestal moest helpen leegscheppen (de pomp was stuk en zou zeker tijdens de Krieg nooit gerepareerd geraken), was de koeienurine het heilmiddel dat mijn vingers in één dag heeft genezen.

Daarna kwam de graanoogst. Dat was een kwestie van haast en spoed. Een maaimachine reed rond en eer ze weer een ronde had gedaan moesten de schoven recht op hun plaats gezet zijn. Deze oogst gebeurde collectief. De boeren hielpen mekaar om beurt, de machine ging van het

[p. 65]

ene veld naar het andere. Zo ongeveer ging het ook met de aardappeloogst, maar dan moesten de losgerukte aardappelen vóór de machine haar ronde gemaakt had in zakken verzameld zijn! Men vergat niet op tijd duchtig te eten. De bazin stelde er haar eer in geen enkele helper honger te laten lijden. Eigenlijk waren de boeren te benijden. Zij kweekten alles wat ze nodig hadden. Ik veronderstel dat de stedelingen het niet breed hadden. Onze bewakers leefden in luilekkerland.

Alleszins was het hier een werkzaam maar gezond leven. Ik heb me nooit zo fit gevoeld. Alleen voelden wij er onze eenzaamheid, ver van huis, ver van onze vrouw, met wie we slechts af en toe een briefje konden wisselen waarin niet veel meer stond dan: ik ben gezond, ik hoop u weer te zien, we weten niet wanneer de Flamen eindelijk nach Hause zullen vertrekken. De andere jongens valt het even zwaar en de thuis is het enige onderwerp van gesprek als wij 's avonds of 's zondags in onze paardestal bijeenzitten.

Wie het best luisterde naar mijn klachten was Max, mijn paard. Max schudde meewarig het hoofd, en kon er verder niets aan doen.

De koeien moest ik 's morgens naar de gemeenschappelijke weide brengen. Dat was een moeilijke karwei. Die beesten waren erg eigenzinnig en wilden de hele tijd ergens anders heen dan waar ik ze brengen moest. Aan iedere zijweg liepen er een paar weg. Die moest ik dan weer op het goede pad brengen, maar intussen waren de anderen ook uiteengelopen! Naar huis gaan deden ze gewillig, want dan kenden ze de weg naar de stal. Ik ben in die tijd geen propagandist geweest voor de dierenbescherming, zeker niet voor de koeienbescherming. Ik ging er met de zweep op los. Het ging niet anders.

's Zondags moest ik als architect de mesthoop voor de deur tot een correcte parallellogram opbouwen waarop de boer fier kon zijn. Splendeur de la géométrie! Na de middag kregen wij vrij en kon ik een en ander in tekeningen vereeuwigen. Een familielid kwam de boer eens bezoeken, ik meen een gemeentearchitect van Hannover. Ik toonde mijn schetsen en hij voorspelde de boer: ‘Renat wird später ein bedeutungsvoller Architekt werden.’ Goed gezien?

Na de aardappeloogst kwamen de bieten aan de beurt. Daarbij kwam het erop aan het loof eraf te steken zonder veel van de knol op te offeren. Ik deed het niet slecht. Intussen was dat niet met alle werkzaamheden het geval en de boer schuddebolde dikwijls: ‘Renat, du bist doch völlig kopflos!’ Hij deed mij dus terugsturen naar het kamp, vanwaar geruch-

[p. 66]



illustratie

Barakkenleven in Fallingbostel (1940)


[p. 67]

ten kwamen dat we terug naar huis zouden kunnen. De boer kon in mijn plaats een Poolse boer krijgen, die natuurlijk handiger was.

Na een kort afscheid, dat mij niet zwaar viel, en de beste wensen aan mijn soortgenoten spoorde ik naar Fallingbostel. Na een paar dagen begon het te sneeuwen. Deze streek maakte deel uit van de Lüneburger heide. Maar het kamp was zo groot en zo afgesloten dat van de natuur weinig te genieten viel, al maakte de sneeuw veel goed. De Polen, altijd even grote kunstenaars, hadden een geweldig beeld van Pilsudski in sneeuw geboetseerd, maar ze moesten het afbreken.

Ik werd als sergeant weer Vertrauensmann. Dat betekende dat ik met een groep het proviand moest gaan afhalen. Er stond een Duitser voor een raam die broden doorgaf aan mijn mannen, die mee telden. Zij sloegen bij het tellen al eens een brood over. De Duitser had het niet ver gebracht in het rekenen, zoals ik, maar zo hadden wij meer broden te verdelen dan waar we recht op hadden!

Nagels, een medesergeant met wie ik de mobilisatie en de oorlog had meegemaakt, was met een eerste konvooi naar België afgereisd. Ik werd naar het bureau geroepen en daar bracht een officier mij Nagels' groeten over en die van mijn vrouw en de boodschap dat ik snel naar huis zou mogen met alle Vlamingen. Het viel mij te beurt dat ik de Vlamingen en Walen moest sorteren. Ik maakte er gebruik van om enige Walen voor Vlamingen te doen doorgaan door hun enige woorden Vlaams bij te brengen. Ik heb nooit Walen zo hun best weten doen om Vlaams te spreken. Het lukte niet altijd, maar een aantal Walen is toch gepasseerd.

Op een mooie dag werden wij op een onafzienbaar lange trein geladen, die na vele haltes eindelijk in het middenstation van Antwerpen aankwam. Voorzien van een Entlassungsschein werden we de donkere stad ingestuurd. Dat is weer een onvergetelijk beeld: de zwarte De Keyzerlei, de zwarte Meir, de zwarte Eiermarkt. Eenzaam marcheerde ik naar Elza, in een duisternis die men kon snijden. Iedere stap bracht mij dichter bij huis na een afwezigheid van negen maanden. Het was een wandeling van de duisternis naar het licht. De elektrische bel klonk alsof ze heel de straat moest wakker maken en na wat te lang wachten deed Elza open en viel in mijn armen. Het is melodramatisch, dit beeld, maar wij hadden echt gedacht elkaar nooit meer weer te zien. Boven zag ik mijn schoonmoeder weer en op zolder raakte ik mijn militair uniform kwijt in een bad water waar de luizen wel het tijdelijke met het eeuwige verwisseld zullen hebben. Dan na de wasbeurt een burgerpakje aan

[p. 68]

pakje aan en daarna vertellen, vertellen...

De volgende dag verhuisden we weer naar de Cruyslei 9. De wereld was eens zo mooi als zij ooit geweest was, ondanks de Duitse uniformen. Die was ik trouwens al gewoon. Maar hoe gingen wij iets verdienen?

Urbanist in oorlogstijd

De redding kwam spoedig: ik deed mee aan een prijskamp urbanisatie voor Edingen en Lettelingen, uitgeschreven door het Commissariaat-Generaal voor 's lands wederopbouw. Ik werd eerste geklasseerd, en werd daarom aangesteld als urbanist van Edingen-Lettelingen, met een vast loon!

Ik begon met het op papier zetten van de survey en de wekelijkse consultaties van eventuele bouwlustigen. Ik kon bij twee oude juffrouwen in Edingen gaan eten en bracht telkens bloedworst mee naar huis! Mijn opdracht bestond erin de ruïnes op de markt te vervangen. Ik wou in plaats van de karakterloze bebouwing die in puin lag iets met karakter bouwen. Mijn voorstel was een rij winkels van hetzelfde type, met een galerij ervoor gelijkvloers. Dan kon men er altijd markt houden, weer of geen weer. Ik maakte er een perspectieftekening van, gekleurd en al, en ging ermee naar de dienst wederopbouw in Brussel. (Ik had geen schoenen meer die erdoor konden en deed de sportschoenen van Elza dan maar aan! De arme edelman van Hendrik Conscience was weer op stap.)

Henry van de Velde, hoofd van het Esthetisch Toezicht, ontving mij zeer vriendelijk en verontschuldigde zich dat hij geen feilloos Nederlands meer sprak. Hij vond het goed dat ik gezocht had naar een typewinkel, maar directeur-generaal Raphaël Verwilghen veroordeelde mijn project als bolsjevisme. Hij vond dat alle huizen hun vroegere gedaante, zij het wat vereenvoudigd, moesten terugvinden. Match nul! Afwachten dus.

Dan vroeg de oorlogsgouverneur van de provincie, Wildiers, me om een tentoonstelling in te richten: ‘Stedebouw in Stad en Dorp’. Ik riep de hulp in van Mark Macken, Remy Cornelissen en op de provincie zelf Jul de Roover, allen samen een cel van het Onafhankelijkheidsfront! Het was een goede camouflage en bovendien deden wij iets positiefs in de zin van de esthetische verbetering van ons afschuwelijk land. Dat dit gebeurde op initiatief van een halfzwart bestuur doet niets ter zake. De

[p. 69]

tentoonstelling was politiek onzijdig, maar kantte zich wel scherp tegen de traditie der lelijkheid.

Wij maakten van allerlei bouwmaterialen monsters van lelijkheid en plaatsten daarnaast foto's van de Vlaamse realiteit. Ik tekende de evolutie van een denkbeeldige stad, Turnhals, van in de voorhistorische tijd tot vandaag en ik eindigde met een toekomstvisie die een aantal wenselijkheden bijeenbracht. Bovendien verzamelden we nog foto's van buitenlandse verwezenlijkingen. Alles samen was het een mooie tentoonstelling, gepresenteerd met aanwending van esthetische avant-gardetechnieken.

De opdrachtgever was tevreden, maar zijn medewerkers-bedienden helemaal niet. De provinciale architect Schellekens viel ons aan omdat het geheel niet de Nieuwe Orde vertegenwoordigde, maar het verderfelijke functionalisme. Er werd druk gediscussieerd en zelfs contra en pro geschreven in het blad Reconstruction-Wederopbouw. Schellekens contra, Hoste pro en ikzelf natuurlijk pro. Twee concepten stonden fundamenteel tegenover mekaar, wat eigenlijk al het geval was lang voor de oorlog. Ik herinner me de kritiek van Bonduelle in l'Emulation, het architectuurtijdschrift van de Société Centrale des Architectes belges, op de tentoonstelling van het Nationaal Hoger Instituut op de Meir. In de ogen van Bonduelle vonden alleen genade de brave conservatieve projecten van Schellekens (een romaans aandoende kerk), Laporta (een Zweeds aandoend stadhuis), Blommaert (een brave wolkenkrabber), maar de inzending van Braem bedolf hij onder onwelwillende epitheta: slechte invloed van Le Corbusier, verderfelijke invloed van de constructivisten (‘démodé!’). De fronten stonden toen al duidelijk tegenover elkaar. Een volgzaam voortborduren op oude voorbeelden, tegenover mijn negatie van het verleden. En toch is het zo dat mijn negatieve instelling de ware traditie volgde. De barok brak toch ook met de gotiek, het classicisme brak met de barok, de romantiek en het eclecticisme braken met het classicisme, enzovoort, enzovoort. De levende traditie bestrijdt telkens de dode. Het leven bestrijdt de dood, dat is de wet van het leven zelf. De verheerlijkers van de traditie knielen voor de dood, tot ze zelf levende doden zijn.

Eigenaardig was dat Hoste mijn verdediging opnam. Hij was zelf een conservatief gelovige, maar hij stond ook aan de zijde van het leven. Daar valt uit te besluiten dat hij zijn geloof als een levende werkelijkheid ervoer, terwijl de anderen slechts bij sociale conventies bleven zweren. In

[p. 70]

mijn artikel wees ik op het Italiaanse voorbeeld, een gemeenschapskunst die wortelde in een collectieve wil, hoe verdraaid dan ook. Ik liet verstaan dat ik de Italiaanse bewust moderne architectuur hoog boven de autochtoon-Duitse folklore stelde. Na de oorlog bleef mijn belagers niets over dan zich onder de vleugels van de vergevingsgezinde Kerk te verschuilen. Dezelfde Kerk die zich zo vergevingsgezind toonde jegens de door haar schuld mislopen collaborateurs.

Dit waren eigenlijk maar ideologische schermutselingen. In het Onafhankelijkheidsfront werden ernstiger acties overwogen en uitgevoerd. Wij maakten deel uit van een soort propagandacel van het gewapende verzet. Macken leidde een gevaarlijk bestaan als hoofd van het Brabantse Geheime Leger, tot hij door de Gestapo naar het helse Breendonk werd gevoerd. Onze taak bestond erin anti-nazipropaganda te tekenen en te verspreiden. We hebben bijvoorbeeld een persiflage van Mein Kampf gemaakt: ‘het duizendjarig rijk van de vrede’ stelden we voor als een wereld vol lijken; onder de leuze ‘Arbeit macht frei’ toonden we een beeld van algemene slavernij. Elza sneed in lino wat wij tekenden. Het werd gedrukt bij Remy Cornelissen op een spitsvondig omgebouwde wasmachine. Elza moest als koerier druksels afhalen aan de tramhalte bij het zuidstation. Ik verdeelde die dan 's avonds in alle straten van Zurenborg.

Gestapo

Op een morgen gaat om zeven uur de bel. Onze huisbaas doet open. Hij roept: ‘Mijnheer Braem, de Duitsers!’ Pitz en Von Hören komen naar boven. ‘Anziehen, mitkommen.’ Ze kijken eens rond. ‘Ja, du hast ja alles verbrennt. Kennst du Leo Michielsen?’ Ja, die ken ik. Dat mocht worden geweten, omdat Leo's vader een vriend is van mijn schoonvader, die trouwens lid is van DeVlag! Zonder verder omhaal neem ik afscheid van Elza. ‘Niks zeggen, René!’ fluistert ze me nog in het oor. Trap af. Auto in, er zit nog een gevangene in, en naar de Begijnenstraat. Ik beleef nog de weg daarheen.

We worden op een rij gezet en aangebruld omdat we proberen de namen op een bord te ontcijferen. Die nacht, 6 december 1941, werden 70 man aangehouden. Ik word ingeschreven en vlieg dan een cel in, alleen. Een ruimte van 1,7 m op 3. Een bed dat overdag als tafel dienst doet. Een hoekschapraai met een blikken pot voor het eten en een emmer voor het

[p. 71]

omgekeerde. De eetpot moet ik proper houden met het gruis van twee bakstenen die ik over elkaar moet wrijven. Ik ontdek spoedig dat het tegen mekaar wrijven van twee bakstenen aanleiding geeft tot een vorm. Ik begin dus al wrijvend een klein masker te maken!

's Avonds klap ik het bed uiteen en strek me uit op een zak met strokapsel, dat onuitstaanbare jeuk verwekt. Ik moet af en toe 's nachts over en weer wandelen om die jeuk enigszins te kalmeren. 's Morgens word ik gewekt door de roep ‘Kübel d'raus’ van de gewone gevangenen die de urine ophalen. Dan krijg ik een beetje zwart vocht dat lijkt op koffie en wat brood. En dan wachten, de hele dag wachten.

Ik wachtte zo drie maanden lang, alleen. 31 januari gaf rijksmaarschalk Paulus het op in Stalingrad. Rond die tijd riep een van de gevangenen door zijn raampje: ‘Stalingrad is gevallen, leve het Rode Leger!’ Er vond een plotselinge dooi plaats in de houding van de bewakers. We werden niet meer afgesnauwd. Verwachtten die dat de Russen tot hier zouden doorbreken?

Mijn vrouw had een communicatiemiddel gevonden. Zij liet de briefwisseling afkomstig van het Commissariaat voor de Wederopbouw door mij ondertekenen, na nazicht van de gevangenisdirectie vanzelfsprekend. De bewaker gaf ik dan een baksteenfiguurtje mee, die dat dan aan mijn vrouw doorgaf. Nut van de beeldhouwkunst! Af en toe kreeg ik een pakje, maar door in sneeuw en koude voor de gevangenis aan te schuiven deed Elza een zware longontsteking op. Ze moest haar ziekte thuis alleen doormaken. Gelukkig droeg de huisbaas dagelijks de emmer uit.

Na drie maanden kreeg ik in mijn cel gezelschap, en wel van vijf man ineens. Wij hadden juist plaats om naast elkaar op de grond te liggen. We vertelden elkaar ons wedervaren. Een van hen was als werkweigeraar door de Feldgendarmen gesnapt. Hij werd later naar Duitsland gestuurd. Een ander was lid van de Witte Brigade en was gepakt met een revolver in zijn bezit. Men kwam hem na enige dagen halen om hem terecht te stellen. De bewakers waren bleek en beefden op hun benen.

141, ausser Hause!’ Eindelijk zou ik onderhoord worden door de Gestapo. Ik werd per auto naar de Delafaillelaan gebracht. Mijn bewaker stapte voor mij binnen. Ik had dus ruim de gelegenheid aan de haal te gaan, maar ik trapte niet in die truuk, want dat zou betekend hebben dat ik schuld bekende! Men stopte mij in de kelder. Ik zag nog dat een vrouw met haar kind in een andere kelder opgesloten werd. Na een half uur werd ik naar boven gebracht in een bureau. De man die mij zou onder-

[p. 72]

vragen had ik nooit ontmoet. Een dactylo zat klaar om al wat ik zei te typen. Van in de verte klonk het: Du bist Kommunist! Ik: neen, dat is een vergissing. Enig gescharrel in een kaartensysteem. Niets meer. De stem: Hast du Arbeit? Ik: ja, urbanist aan het Commissariaat voor de Wederopbouw. ‘Gut, wird entlassen!

Ik had weer eens bijzonder veel geluk gehad. Die Von Hören, die me gearresteerd had, had een vrouw vermoord, een uit de hand gelopen liefdeshistorie. Hij werd zelf in de gevangenis gestopt en kampbewoners beweerden later dat zij hem in Dachau ontmoet hebben. Ordnung muss sein! Men mag iemand doodranselen tijdens de diensturen, maar privémoorden, dat mag niet! Zo zijn de zeventig aangehoudenen van Von Hören en Pitz bijna allen vrijgelaten. Ik vermoed trouwens dat die namen door onze eigen veiligheid aan de Gestapo overgemaakt waren!

Terug naar de Begijnenstraat. Ik vertrouwde het nog niet. Maar echt, om 2u werd nummer 141 vrijgelaten! Ik kreeg mijn geld en paspoort terug en werd uitgeschreven. ‘Religion? Keine? Das kann doch nicht.’ Weer stapte ik solitair door de Begijnenstraat naar de tram. Naar huis, naar huis! Het werd een nog verrassender weerzien dan na het Duitse gevangenenkamp. Ik kon nu aan mijn memoires beginnen, Mes prisons, mi carceri, zoals Silvio Pellico.

Met mijn vriend Julien Schillemans liep het minder goed af. We hadden alle contact met hem verloren. Op een dag vernamen we dat hij door de Gestapo opgepakt was, daarna dat hij in Brasschaat gefusilleerd was. Een geniaal kunstenaar, die nog geweldige dingen in petto had, was niet meer. De herinnering aan hem begeleidt me nog alle dagen bij mijn werk.

Ik hernam mijn bezigheden als urbanist, maar dat leverde weinig tastbaars op. Er kon toch niet worden gebouwd. Ik begon aan fantasieontwerpen, waarvan ik veronderstelde dat ze mij na de oorlog te beurt zouden vallen: een villa in Brabant bijvoorbeeld, een spiraalvormig plan, zoals later ook Bruce Goff er nog zou ontwerpen.

Nog tijdens de oorlog kon ik een degelijk gebouw optrekken in de Coquilhatstraat, een likeurstokerij. Een likeurstoker was in die tijd een man met veel invloed, via zijn flessen. Ik kreeg van de stad Antwerpen een bouwvergunning, zonder die van de wederopbouwadministratie! Het gebouw was utilitair zonder meer, maar de gevel had een zeker raffinement en vertoonde een bas-reliëf van Macken.

In 1943 richtte de kmba een prijskamp in voor de stedebouwkundige

[p. 73]

oplossing voor een moeilijk driehoekig terrein nabij het stadion van Antwerp. Ik werd eerste geklasseerd, maar het plan werd nooit uitgevoerd. Mijn wijk heette Nieuw Kruyningen en het plan had allerlei goede kanten, praktische en esthetische. Ik kon toen al prat gaan op een zeker architecturaal savoir faire.

Naar 1944 toe brokkelde het duizendjarig rijk zienderogen af. De Sovjetlegers naderden de grens en immer grotere eskaders zag men oostwaarts vliegen, met ontzetting nageoogd door de Duitsers. Zij brachten de dood naar Berlijn, Hamburg, Dresden...

Op een meidag ging mijn huisbaas zoals gewoonlijk naar zijn werk in Brussel. Hij zou niet terugkeren. De trein werd gebombardeerd door geallieerde vliegtuigen. Ik ging met de fiets horen wat er gebeurd was. In Mechelen bij het Rode Kruis waren er lijsten met de doden. Onder hen mijnheer Nollet. Het was een zware tocht terug naar Antwerpen. Hij was een goed mens. Zijn dood was volslagen nutteloos.

De Amerikanen lieten ook een bommentapijt vallen op de Oude God, naast het doel, met eveneens talrijke doelloze doden. Wij waren echter geen Berlijn of Dresden...

Bevrijd, tenzij van de bommen

Antwerpen werd bliksemsnel bevrijd door Canadezen en Polen, sneller dan wij, verspreide verzetslieden, voorzien hadden. Het georganiseerde verzet zorgde wel voor de redding van de haven. Onze cel van het Onafhankelijkheidsfront heeft het wellicht aan de nodige verbindingen ontbroken. Zohaast de vrachtwagens met moffen, met hun opschrift ‘Wir kommen zurück’ verdwenen waren, gingen wij een kijkje nemen in de luchthaven. Wij maakten ons meester van wapens - een privé-initiatief - en van een zak suiker en een doos kaas -ook een privé-initiatief. Dan hebben we ons gemeld in het centrum van het verzet, aan het stadspark.

Ons propagandawerk ging voort, zij het niet meer in het geheim. Wij moesten elke week een tekening klaar hebben ter publikatie. Dat was telkens kopbrekens! Weldra moesten we daarover vergaderen terwijl de V1- en V2-bommen rondom ons neerploften.

Mij werd als architect door de stad Antwerpen een missie opgedragen voor de hele V-periode. Wanneer er een bom viel moest ik binnen de

[p. 74]

24 uur de schade inschatten: A totaal vernield, B af te breken, C te repareren, D kleine herstellingen. Ik had telkens te maken met de geteisterden, die allen de schade maximaal getaxeerd wilden zien. Terwijl ik op weg was naar een getroffen zone vielen er soms andere bommen dichtbij. Dan kwam ik terecht in de ware ellende van gewonden en doden die men van onder het puin probeerde te halen. Soms viel een balkon neer op een plek waar ik een moment te voren nog stond te schrijven. Dikwijls vielen hele panelen glas van de verdiepingen naar beneden, rakelings langs mijn hoofd. Het was een gevaarlijk leven. Thuis kropen wij meermaals per dag onder tafel om ons te beschermen tegen de rondvliegende scherven. Velen hebben aan die scherven blijvende littekens overgehouden.

Dan kwam rond Kerstmis met het Ardennenoffensief de ultieme doorbraakpoging richting Antwerpen. Ditmaal was het Onafhankelijkheidsfront op tijd om ons te mobiliseren, maar na enige dagen vol angst voor een terugkomst van de barbaren werd het Duitse elan gebroken en werd de opmars naar de Rijn hernomen.

Toen wij terugkwamen van een congres in Brussel was het dak van onze woning weggezakt en de ramen waren uit de gevels weggeblazen. Weer eens brak een periode aan van puin en miserie. Zou het de laatste zijn?

Toen de bommenperiode voorbij was kon ik weer aan het werk. De communistische minister Terfve, belast met de wederopbouw, vroeg me lid te worden van zijn kabinet. Maar ik wilde liever concrete architectuur verwezenlijken dan mijn dagen te slijten met ijdele politieke actie.

Ik werd samen met Brosens en Laforce aangesteld om woningen voor de geteisterden te ontwerpen in Deurne en Borgerhout. Dat moest snel gaan. Wij ontwierpen een eenvoudig huistype met één verdieping. Het type week erg af van wat de mensen gewoon waren: een smal huis van zo'n 5,5 m, met een pseudo-salon, een donkere eetkamer, een koude veranda, een donkere keuken, een pomphuis en een WC daarachter; boven: een entresol en twee slaapkamers. Dat vonden wij de tegenpool van een goede woning. Wij ontwierpen een grote woonkamer die uitgaf op de voor- en de achtergevel, keuken op de tuin, WC in de hal. Boven: drie slaapkamers en een stortbadcel. In het algemeen waren de bewoners er tevreden over. De burgemeester van Deurne, De Boey, echter niet. Die vond dat wij krotten gebouwd hadden, omdat zij in de breedte gebouwd waren. Een fatsoenlijke woning was volgens hem in de diepte gebouwd, in de duisternis, ‘zoals voor de oorlog’!

[p. 75]



illustratie

Antwerpen: bevrijd, tenzij van de V-bommen (1945)




illustratie

Nog in de ban van de naoorlogse hoop: schets voor de organisatie van een communistische betoging in Antwerpen (1948)


[p. 76]

Ik was intussen ook urbanist van Deurne geworden samen met ingenieur Mennes. Ik stelde voor berken te planten voor de huizen, maar de burgervader stelde zijn veto: berken waren bomen die stof verspreiden en bovendien slechts geschikt zijn voor kerkhoven! De cultuur van zo'n burgemeester had slechts vaste voeten in de vloer van zijn diverse stamcafés! Ik heb dan ook in die gemeente niet veel verwezenlijkt. Gelukkig heb ik bij De Boeys opvolger De Queecker meer begrip gevonden en heb ik een aantal sociale woningen kunnen bouwen.

Bij de inhuldiging van de woningen voor geteisterden in Deurne en Borgerhout deed zich een grappig incident voor. Wij hadden slechts één gedenksteen klaar voor de inhuldiging door de minister. Wij hebben dan de steen plechtig ingewijd in Borgerhout en vervolgens vliegensvlug naar Deurne getransporteerd, waar hij een half uur later nog eens de ‘primeur’ kreeg van een officiële plechtigheid!

Oorlogsdromen

Mijn moeder was de laatste jaren altijd zwak en ziekelijk geweest. Toen ik in de gevangenis zat had ze veel schrik uitgestaan, en nu kwam ze zo onder de indruk van de V-bommen dat zij er niet meer bovenop kwam. Door opeenvolgende hersenbloedingen is ze aan haar eind gekomen. Zij had niet de wil om zich tegen priesterbezoek te verzetten en is met kerkceremonieel begraven. Dat was voor mijn vader een harde slag en ook voor mij een morele nederlaag. Als dit de laatste ogenblikken van de brave vrouw verzacht heeft, zij het zo.

Wij hadden de lange oorlogsjaren kunnen doorstaan door ons vast te houden aan een schitterend toekomstvisioen. Le Corbusier noemde dat, een beetje naïef ‘les temps nouveaux’. En voor ons, weerstanders, ging het inderdaad om een nieuwe tijd die zou worden opgebouwd op de ruïnes van het verleden. Le Corbusier dacht dan aan het toepassen van nieuwe technieken, het verwerpen van de routine en de versleten formules van leven en bouwen. Voor ons was die stralende nieuwe tijd nog veelzijdiger. En om die te verwezenlijken hadden we ons met duizenden in de concentratiekampen geslachtofferd. Steeds meer hadden wij ons gesloten opgesteld tegenover de ‘oude’ mensen van Londen, de uitgeweken bewindslui. Onze argwaan bleek niet misplaatst. Wij wensten een nieuwe lichting politici aan de macht en wij waren ons bewust van de

[p. 77]

macht die wij veroverd hadden door ons geloof en met de wapens.

Er opende zich voor onze verbeelding een wereld waarin de beslissingen zouden vallen volgens het oordeel en naar de stem van verkozen raden, van onder naar boven, zonder de valse maneuvers van geïnteresseerde machten, zonder dat een inerte administratie stokken in de wielen stak. Directe Democratie! Wij zouden de produktie organiseren op maat van de reële behoeften en niet meer naargelang van de kracht van het reclamewezen, alleen gericht op winst, op basis van illusoire behoeften. Wij zouden het milieu organiseren op basis van de essentiële behoeften aan licht, lucht, zon en groen en bovenal aan schoonheid. Wij zouden het recht bieden volgens de belangen van de grote meerderheid en niet in dienst van een klasse. Wij zouden iedereen meester maken over zijn lot, in overeenstemming met het lot van allen.

Dit alles zou worden bekroond door de gedaante van de nieuwe stad. De stad waar niet het grondbezit bepalend zou zijn, maar het plan in dienst van de gemeenschap, die eindelijk vrij is, want niet onderworpen aan particuliere belangen. Eindelijk zou een architectuur kunnen worden geschapen in het kader van de alomaanwezige en allesbepalende natuur. Want de mens zou worden erkend als een stuk bewuste natuur, levend in betrachting van een totale harmonie, niet uit schrik voor een straf in een denkbeeldig hiernamaals, maar uit zelfopgelegde plicht tot het meebouwen aan een mooiere werkelijkheid.

Zou... Want de bevrijding van het schrikbewind van Hitler ging dra gepaard met het instellen van de volstrekte heerschappij van het geld, de trusts, de banken, de dieven allerhande. Waar men zich een ogenblik vrij waande, in Griekenland, in Frankrijk, in België, grepen de oude mannen naar de macht en stelden met behulp van hun gendarmes (Amerikaanse en Engelse legers) het verzet buiten spel. Wij leverden onze wapens in en verloren daardoor alle gezag! Door een ontzaglijke vergiftigingsonderneming konden de idealisten weldra niets anders meer doen dan het hoofd in de schoot leggen. Alles bleef bij het oude, onder de belofte van meer welstand, auto's, t.v.'s, radio's, wasmachines, ijskasten.

Er moest iets tegen gedaan worden. We mochten toch niet verzinken in het moeras. Van verschillende kanten poogde men de stem te verheffen. Er was ten eerste de lawaaierige stem van het revolutionaire surrealisme van Dotremont en diverse Walen, waaronder de architect Bourguignon, maar in België vond die stem geen weerklank. Voor de kp was het surrealisme niet sociaal-realistisch genoeg. Die partij deed zelf

[p. 78]

een inspanning om zoveel mogelijk waardevolle kunstenaars rond de vooruitstrevende sociale ideeën te verzamelen. Die poging liep weldra spaak doordat de leidende communistische figuren wel sociaal vooruitstrevend waren, maar de taal der kunstenaars niet begrepen. De waarachtige kunstenaar is steeds revolutionair, maar drukt zijn revolutionaire inhoud uit in een min of meer gesloten taal. Hij wordt dan voor een individualistische fantast versleten en trekt zich in zijn vermaarde ivoren toren terug.

Schepen Ekelers vroeg na de oorlog aan Macken en mij een bevrijdingsmonument te ontwerpen in de bocht van de Schelde, in de volksmond ‘kakkershoek’ genaamd, waar vroeger onttakelde boten lagen te vergaan. Wij ontwierpen een naald, 100 m hoog, aan de basis ingesloten door bronzen figuren van weerstanders en soldaten. Het brons zou afkomstig zijn van een monument voor Staf de Clercq dat de zwarten tijdens de bezetting van plan waren op te richten. Om technische redenen werd dit ontwerp verworpen en wij maakten een tweede: een elliptisch reliëf, zwevend boven een geweldig terras met zicht op de Schelde. Tussen deze ellips bewogen zich Tijl en Nele, die na de bevrijding verdwenen om in geval van nood ons volk nog eens ter hulp te komen, zoals het einde van het boek van Charles de Coster luidt. Wij hadden mooie maquetten gemaakt en ik had mezelf overtroffen bij het tekenen van gouache-perspectieven, maar er is niets van terechtgekomen. Alleen de perspectieven heb ik ergens op een zolder van de stadsdiensten kunnen recupereren! Van het verzet bleef zelfs geen monument meer over!

In Diest hebben wij dan toch een monument voor de weerstand gerealiseerd, met ijzerzandsteen die ook voor een monument voor Staf de Clercq bestemd was geweest. Macken werkte nog in zijn eerste, krachtige stijl en was nog niet aan zijn latere Italiaanse verwijfdheid toe. Ik geloof dat het monument niet banaal is uitgevallen.