Leven en bedryf van den heere Michiel de Ruiter


auteur: Geeraardt Brandt


bron: Geeraardt Brandt, Leven en bedryf van den heere Michiel de Ruiter (fotografische herdruk). Uitgeverij Van Wijnen, Franeker 1988  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 640]origineel

+Het leven van den heere Michiel de Ruiter,
Hartog, Ridder &c. L. Admiraal Generaal van Hollandt en Westvrieslandt.
Elfde boek.

Nu volght de schrikkelykste en gevaarlykste oorlogh die de Staat der vrye Nederlanden ooit overviel, zoo rampspoedigh te lande, dat alles stondt op het punt van zyn ondergang; maar gelukkig te waater: daar de L. Admiraal de Ruiter een der voornaamste werktuigen strekte van de gemeene behoudenisse. De bekommernis die men hadt, dat Vrankryk en Engelandt tegens de vereenigde Nederlanden zouden t'zaamenspannen, is boven verhaalt, ook het geen tusschen den L. Admiraal van Ghent en 't jacht de Merlin +was voorgevallen. Daar op quam de Heer Georg Downing, wiens komst in deeze Landen nooit iet goedts voorspelde, in 't begin van Januarius des jaars zestienhonderdt tweeëntzeventig, in den Haage, van +zyn Majesteit van Grootbritanje derwaarts gezonden. Zyn aankomste +bekent maakende, toonde hy goedt gelaat, en verklaarde, dat hy quam met volkoomene goede genegentheit om alles ten beste te helpen schikken: dat hy water in wyn en geen wyn in water zou doen. Dat hy voor deezen altydt de taal van zyn Meester hadt moeten spreeken, maar uit zich zelven niet scherp was. Maar deeze goede woorden veranderden eerlang in een scherpe klaghte, over 't weigeren van 't stryken, die hy in geschrift overleverde, en op deezen zin uitquam: dat het schip de Merlin den eenentwintighsten van Augustus een oorlogsschip hadt ontmoet, dat niet wilde stryken: dat de Merlin door hardt weêr niet hadt konnen doen. Dat de Merlin twee daagen daarna een ander oorlogsschip hadt bejegent, dat ook weigerde te stryken: dat de L. Admiraal van Ghent aan zyn boordt was gekoomen, zeggende dat hy geen last hadt, +maar dat die zaak in den Haage moest afgehandelt worden. Dat de Koning ver stondt, in zyn eere hier door zoo gequetst engeschonden te zyn, dat hy daar voor voldoening moest hebben: dat het weigeren van 't stryken streedt tegens het 19 articul van het tractaat van Breda en d'oude practyque: dat hy een publyke en ample satisfactie begeerde, daar hy nu byna vyf maanden vergeefs naa hadt gewacht: dat men 't in tegendeel opnam voor een trotseering. Daar moest een volle en vaardige reparatie geschieden: want die weigering streedt tegens de souverainiteit +van de zee, die Engelandt toequam. Dat alle oorloghscheepen moesten stryken, en dat men van Ghent moest straffen, om anderen te leeren zich van diergelyke overtreeding te wachten. Men tradt daarna +over dit stuk met hem, door eenige Commissarissen, in onderhandeling. Hy bewee de, dat het recht van de vlagh niet moest afgenoom worden +uit het tractaat van Breda, maar uit een overoudt recht dat de Ko-

[p. 641]origineel

ningen +van Engelandt toequam: dat het geen punt van civiliteit of beleeftheit was, maar van recht: dat in civiliteit altydts reciprocatie of wederwisseling van eere viel. Als van der Staaten zyde werdt staande gehouden, dat ze ontrent dit stryken niet meer noch minder behoefden te doen dan voor deezen gebruikelyk was geweest, volgens het 19 artykel van het tractaat van Breda, antwoordde Downing, dat hy niet gekoomen was om te argumenteren of disputeren: dat hy zich met geen schoolsche argumenten kon behelpen. Daarna gaf hy een geschrift over, in 't welk hy rondelyk zeide dat Engelandt de souverainiteit toequam over de zee. Dat een ieder moest stryken, ook gantsche vlooten: dat van Ghent derhalven quaalyk gedaan hadt, en gestraft moest worden. De Commissarissen der Staaten gaven tot antwoordt, dat de Heeren Staaten aan alle hunne Admiraalen een stricte ordre hadden toegezonden, om zich puntuelyk te reguleren naar het 19 artykel van het tractaat te Breda geslooten: Dat het gemelde 19 artykel niet zeide, dat gantsche vlooten voor een enkel schip, veel min een jacht, zouden stryken. Dat daar gezeit werdt, dat men 't doen zou, eo modo quo ullis retro temporibus unquam observatum fuit, dat is: in voegen gelyk als ooit in voorige tyden gebruikelyk is geweest. Dat de Heeren Staaten overboodig waaren te treden tot het onderzoek van 't geene van oudts gebruikelyk was, zelfs mede ten aanzien van gantsche vlooten: en in gevalle men bevondt dat 's Landts vlooten voor een enkel schip hadden gestreeken, zy zouden erkennen dat het recht waare, en daar niet verder over disputeren: dat ze niet liever zouden zien dan dat een reglement op dat stuk gemaakt moght worden. Dat ze te vreeden waaren alle respect te toonen, +doch hoopten dat hun niet nieuws geverght zou worden. Daarna zeide de Raadtpensionaris de Wit in de vergaadering der Heeren Staaten van Hollandt, dat hy des nachts zyn gedachten op 't stuk der vlagge hadt laaten gaan, en, aangemerkt dat men de gemeente in Engelandt indruk zoude geeven dat de Koning den Staaten geen oorlogh aandeedt ten gevalle van de Franschen, maar voor 't recht van de natie en de vlagge, een ontwerp hadt opgestelt, dat voorgeleezen werdt, en van deezen +zin was: dat hunne Hoog. Moog. op het fondament van een redelyke vriendtschap, en mits dat Engelandt het vyfde artykel der Triple alliantie naakoomende, en dienvolgens de Heeren Staaten tegens den Koning van Vrankryk bystandt doende, by aldien hy hen quam beoorloogen, aanbooden, en vrywillig toestonden, dat zoo wel hunne gantsche vloot, als byzondre scheepen, voor een enkel oorlogsschip, voerende des Konings vlagh, zoude stryken: maar dat het stryken zou geschieden om alle respect en eere aan een bondtgenoot en groot Monarch te bewyzen, en over zulks uit enkel respect, en dat daar uit geen argument tot naadeel van de vrye vaart zou getrokken worden. Dees voorslagh werdt ingewillight: maar Downing wou de zelve niet aanneemen, onder voorgeeven, dat ze te laat quam, en hy last hadt te vertrekken. Naa dat afslaan beslooten de Heeren Staaten die aanbieding, door een Ambassadeur, ten dien einde naar Londen gezonden, den Koning bekent te maken: maar alles vergeefs, dewyl de oorlogh alreedts vast stondt. Want men houdt dat het besluit van met Vrankryk aan te spannen al voor etlyke maanden was genoomen, en men kreeg zedert kennis, dat zeeker tractaat tusschen Engelandt en Vrankryk, strekkende om de Staaten te beoorloogen, al den tweeden van Februarius, ouden styl, was geslooten. Van des Konings zyde werdt ook geklaaght over zeekre Pilaa-

[p. 642]origineel

ren +(dit scheen te zien op een gedicht van den Poëet Vondel, over 't werk van Chattam, en de Bredaasche vreede, onder den tytel van Vreepilaar der vrye Nederlanden): en over valsche Medalien, ziende op de gedenkpenning over de vreede te Breda geslooten, boven gemeldt: ook over ongerymde spottelyke Schilderyen: te weeten, d'afbeelding van den Burgermeester en Ruwaart de Wit, ter gedachtenis van 't werk van Chattam te Dordrecht in een groote zaale op 't Stadthuis opgehangen. Daar zeeker uitheemsch Schryver op aanteekent, dat wel eer een Poëet met een steek van zyn pen een oorlog tegens Poolen hadt veroorzaakt: en dat dit d' eerste reize was dat een Schilder met een penceelstreek stof hadt gegeeven tot het verbreeken van een tractaat: en dat, dewyl al 't geen wegens Engelandt tot het wettigen der vreedebreuk werdt bygebraght veel te zwak was, zy deeze Pilaaren van nooden hadden om hunne redenen sterkte, de Medalien om ze gewicht, en de Schilderyen om ze een koleur en glimp te geeven. Men toonde ook misnoegen over zeker boeksken van den Predikant van Dordrecht, Jacobus Lydius, genoemt Belgium gloriosum, Het verheerlykt of verhooght Nederlandt: en ook over 't schip de Royale Charles, dat men, ten trots des Konings, voor elk ten toon liet leggen. D'Ambassadeur der Heeren Staaten zocht den Koning op alles, zoo veel moogelyk was, te voldoen, en vernoeging +te geeven, dan de zaaken waaren te ver gekoomen. By den Koning van Vrankryk werdt ook, door ordre der Heeren Staaten, alle moogelyke vlyt aangewendt om zyne Majesteit voldoening te geeven, en den oorlogh voor te koomen. Ten dien einde verkreeg d'Ambassadeur de Groot, naa veel aanhoudens, den vierden van Januarius, gehoor by zyne Majesteit, die hy een brief der Heeren Staaten, vol beleefde aanbiedingen tot weghneeming van misnoegen en herstelling van vriendtschap, overleverde, en, met een welspreekende en kraghtige redeneering, +zyn Majesteit voordroeg: Dat men de Heeren Staaten, zyne oude bondtgenooten, niet erger behoorde te handelen dan misdaadigen, die niet gestraft worden voor dat men hun de redenen zeght waarom, en hunne ver antwoording hoore. Dat men zonder deegen te trekken, finantie te drukken, troepen te hasarderen en bloedt te storten, satisfactie zou konnen hebben. Voorts strekte zyn reede om den Koning af te vraagen, waar toe en tegens wien zoo groote oorlogsbereitzelen wer den gemaakt. De Koning zeide met een indignatie, of verontwaardiging, op 't ontfangen +van der Staaten brief, dat hy geen brief van doen hadde, nadien hy de copie in zyn zak hadde, die door alle Hoven hadt gewandelt. Daar de Groot op antwoordde, dat de Heeren Staaten altydt gewoon +waaren opentlyk te gaan. Daarna zeide de Koning, dat hy zich hadt gewapent om dat de Staaten zich hadden gewapent. De Groot daar op, dat de Staaten bereidt waaren het krygsvolk af te danken, het verbodt van 't inkoomen der Fransche brandewynen en koele wynen en manufacturen in te trekken: de verbonden heilighlyk naa te koomen, en indien men moght bevinden dat 'er iet tegens de zelve moght begaan zyn, niet weetende wat het zou moogen weezen, dat ze dat wilden vergoeden en herstellen. Doch de Koning, nergens na luisterende, borst eindelyk uit in deeze woorden, dat hy bezich was met het verzaamelen van zyn krygshoopen, en het toerusten van zyn oorlogsvloot, en ondertusschen zoodaanig besluit zou neemen als met zyn interest en glory best zou overeenkoomen. Hier by voegde de Koning een brief aan de Staaten, tot antwoordt op den hunnen, die ook diergelyke taal sprak. Ter

[p. 643]origineel

+zelve tydt schreef de Groot, dat de haat zoo groot was, dat d'oorlog zou voortgaan; ten waare dat de Staaten in zulk een postuur raakten, dat het uitvoeren van des Konings toelegh daar door zwaar moght worden: dat ze hunne hoop bouden, om dat de Staaten geen ordre tot tegenweer stelden, zeggende, dat ze geen ervaaren Krygsoversten en Officieren hadden: maar dat ze de vloot ontzaagen, en bekommert waaren voor hunne kusten. Alle aanbiedingen tot vreede werden dan afgeweezen, of afgesneden. Ook gaven de Heeren Staaten Generaal in zekeren brief, den eenentwintighsten van Februarius geschreeven, d'onbillykheit hunner tegenstreevers met deeze taal te kennen, D'oorlog met den welken wy worden gedreight schynt niet aangevangen te worden om een punt van eere, ofte om iet daar inne wy aan haar behoorden te defereren, of toe te geeven, dewyl wy ons aan onze qualyk geaffectioneerden daar op, met zoo veele demonstratie van eere aan haar te willen bewyzen, en zoo veel te willen toegeeven, hebben verklaart, als eenigzins van ons afgewacht of geëischt hadt konnen worden: zonder echter daar mede maar zoo veel gevordert te hebben, dat men aan ons heeft willen bekent maaken, waar mede zy in het particulier verstonden beledight te zyn en satisfactie te moeten ontfangen: en dat men derhalven voorneemens schynt te zyn om ons van het gebruik der waare Christelyke Gereformeerde Religie, en van onze vryheit, ons en onze voorouderen altoos zoo lief en waardt geweest zynde, t'ontzetten, en onze tydelyke middelen te vermeesteren. Men zagh te deezer tydt te Parys Medalien of penningen met twee zinnebeelden voor den dagh koomen. In d'eene, slaande op Vrankryk, stondt een zon die de dampen uit de moerassen trekt, met dit byschrift, Evexi, sed discutiam, dat is, Ik heb ze in de hooghte opgetrokken, maar ik zal ze weer verstrooijen. In d'andre, slaande op Engelandt, was de maan en de zee verbeelt, met deeze woorden, Mihi soli obtemperat aequor, dat is, My alleen gehoorzaamt de zee. In deezen bekommerlyken toestandt van zaaken bleef men in Hollandt met elkanderen, en d'andere Provincien, noch lang twisten en hairkloven over 't verkiezen van een Kapitein Generaal, 't uitvinden der geldtmiddelen, 't aanstellen van nieuwe wervingen, en 't sluiten van verbonden met andere Moogentheden, tot onderlinge bescherming. +Maar eindelyk werdt zyn Hoogheit Willem Henrik, Prins van Oranje, den vierentwintighsten van Februarius, het gemelde Kapiteingeneraalschap, onder de bepaalingen en inbindingen in andere Historien te leezen, by de gezaamentlyke Provincien, geduurende d'aanstaande veldtoght, opgedraagen, en naa tydts gelegentheit, zoo veel moogelyk was, verdre ordre gestelt om alle vyandtlyk geweldt te wederstaan. Dan hier van zou meer te zeggen vallen, indien 't oogmerk deezer Historie niet meer vereischte te spreeken van de zaaken der zee. Den vierden van Februarius werdt by de Heeren Staaten Generaal vastgestelt, dat men ten oorlogh, voor zeven maanden, zou toerusten achtenveertig kapitale +oorlogscheepen: te weeten, 36 scheepen van de grootste charter, gemonteert van 60 tot 80 stukken, en bemant door den anderen met 320 matroozen en 80 soldaaten; noch 12 scheepen van de grootste charter naast de voorschreeve 36 scheepen, elk bemant met 200 matroo zen en 50 soldaaten; 24 branders, elk bemant met 22 koppen; 24 snaauwen, +of licht vaartuig, elk bemant met 25 koppen, en daar by noch in te huuren 24 galjoots, tot advyzen, aanvoer van water, en anders. Dat ook daar toe van toen af aan geworven zouden worden 10000 matroo-

[p. 644]origineel

zen, +in mindering van het meerder aantal van volk dat tot de geheele bemanning van noode zou zyn, welke vloot voor de gemelde tydt werdt gereekent te zullen kosten 4776248 gulden. Dat aanneemen der gemelde 10000 matroozen werdt beslooten ter aanmaaninge van den L. Admiraal +de Ruiter. Men vondt ook geraaden, op het voorstel van die van Hollandt, de Groenlandtsche vaart en visschery ter walvis voor 't aanstaande saizoen, als ook de vaart op Oosten en Noorweegen, by twee plakkaaten voor dit loopende jaar te verbieden: 't welk geschiedde om de scheepen van oorlogh des te beter met bequaam bootsvolk te konnen +voorzien. Daarna werdt de toerusting ter zee, naar gelang van de noodt en 't gevaar, noch merkelyk vermeerdert, en ordre gestelt om meer +scheepen in zee te brengen. De Heeren Staaten Generaal beslooten den drieëntwintighsten van Februarius, dat de Kollegien ter Admiraaliteit zou worden aangeschreeven dat ze met allen spoedt en meest doenlyken yver de scheepen van oorlog zouden gereedt maaken, en alle bedenkelyke vlyt en voorzorge aanwenden om de matroozen, tot manning +der voorschreeve scheepen vereischt, in dienst aan te neemen. Ook werdt ten zelven daage den L. Admiraal de Ruiter, voor zoo veel de drie Kollegien ter Admiraaliteit in Hollandt en Westvrieslandt, den L. Admiraal Bankert, voor zoo veel het Kollegie ter Admiraaliteit in Zeelandt, en den L. Admiraal van Aylua, voor zoo veel 't Kollegie ter Admiraaliteit in Vrieslandt betrof, gelast, dat zy zich in de gemelde Kollegien zouden vervoegen, aldaar een waakendt oogh laaten gaan over de toerusting met den gevolge en aankleven van dien, toezien of alle d'ordres, by haare Hoog. Moog. daar ontrent gegeven, wel en naaukeurig werden uitgevoert, de zelve uitvoering in den naame en van weegen haare Hoog. Moog. bevorderen, en van tydt tot tydt aan de zelve van hunne ondervinding en verrichting net en omstandig bericht geeven. Deeze last werdt zonder uitstel in 't werk gestelt, en vertrok de Heer de Ruiter ten dien einde van Rotterdam naar Amsterdam, en van daar naar 't Noorderquartier, om dat noodig werk naar vermoogen voort te zetten; doch de harde vorst en 't ys gaven veel verhindering. In de Kollegien ter Admiraaliteit in Hollandt en Westvrieslandt werdt elks aandeel in de 48 groote scheepen, die men in zee zou brengen, wel klaar gemaakt, maar geen van de fregatten noch branders, die men daar by hadt te voegen. Hier op gaf de Heer de Ruiter met een brief aan den Raadtpensionaris de Wit, en met een anderen brief aan hunne Hoog. Moog. te +kennen, dat de fregatten, branders en ander kleenvaartuig, wel voor af dienden klaar gemaakt, om binnen gaats voor zee op de wacht te konnen worden geposteert, tegens alle invasie van den vyandt, die zomwyle met kleene maght de groote scheepen, als de zelve noch ongewapent op stroom voor Hellevoetsluis of onder de Vlieter zouden leggen, onverwacht moght koomen aan te tasten, en die trachten te verbranden of anderzins te ruineren. Derhalven verzoekende dat de Kollegien moght aangeschreeven worden, spoedig met d' equipagie van de gemelde fregatten, branders en kleen vaartuig, voort te gaan; op dat de Staat deezer Landen by manquement van dien in geen ongelegentheit moght vervallen. Deeze raadt van voorzichtigheit werdt in acht genoomen. Maar 't ys bleef noch tot in Maart in 't water. Korts daarna zagh men wat Engelandt in den zin hadt, door d'aankomst van een Hollandtsche koopvaardyvloot van Smirne, en die uit Spanje en Portugaal werdt verwacht, zeer ryk gelaaden, sterk vierendertig zeilen, onder 't geley van

[p. 645]origineel

+vyf of zes oorlogscheepen. De Ridder Robbert Holmes, die wel eer in den jaare zestienhonderdtvierentsestigh de vreede met de Hollanders, door 't neemen van Kapo Verde, en 't pleegen van andre vyandtschap, hadt gebrooken, werdt nu gebruikt tot gelyken einde, en +met etlyke kloeke oorlogscheepen en kitzen afgezonden om de Smirnesche vloot aan te tasten, en zoo groot een buit, daar men de kosten van den oorlogh, die men wilde voeren, ten grooten deele uit zou konnen vervallen, te veroveren. Dus werdt die ryke vloot den drieëntwintighsten +van Maart door Holmes, met acht kloeke scheepen en drie kitzen, ontrent het eilandt Wicht ontmoet en fel bevochten: maar de Nederlanders verweerden zich met zoo groote dapperheit, dat hy, naa een bloedig gevecht van etlyke uuren, tegens den avondt moest afwyken: maar des anderendaaghs werdt hy met vier groote scheepen en eenig minder vaartuig +versterkt, en 't gevecht hervat, maar met geen beter uitkomst: en 't stondt geschaapen dat hun de gantsche vloot zou zyn ontgaan, indien +ze 's naamiddaghs, ten derden maale aanvallende, geen gelegentheit hadden gevonden om 't schip van Kapitein Jan van Nes den ouden t'omringen, +en, naa 't sneuvelen van den Kapitein, te veroveren; maar zoo doorschooten dat het korts daarna zonk. Door dit verlies raakte t'eene esquadre koopvaarders wat in onorde: waar door d'Engelschen vier +scheepen afsneden en weghnaamen, en onder de zelve een Smirnaas- en een Messinaas-vaarder. Met deeze winst mosten ze zich genoegen, en de vloot verlaaten, die voorts behouden in 't vaderlandt aanquam. In dit gevecht hadden zich d'oorlogsscheepen en koopvaarders uitermaaten wel gequeeten: maar de Kapitein Adriaan de Haaze, die 't opperbevel hadt, liet hier, in 't betrachten van zyn plicht, naa 't bewys van groote manhaftigheit, het leven. Hier op werdt de verklaaring, by welke den +Koning van Grootbritanje de Heeren Staaten den oorlogh aanzeide, den negenentwintighsten van Maart in zynen Raadt vastgestelt, en den zevenden van April afgekundight, naa dat de vreede zeventien daagen te vooren, door het aanranden der Smirnesche vloot, was gebrooken: zonder eenige voorgaande waarschouwing of aankunding van vyandtschap. Hier meê laagen nu al de gemaakte verbonden onder de voet: en de vermaarde Triple alliantie, op het aandryven van Engelandt geslooten, hadt de Nederlandtsche Provincien geen voordeel toegebraght, maar een onverzoenlyke vyandtschap van de zyde van Vrankryk op den hals gehaalt. De Heeren Staaten zochten door den Heer Meerman, onlangs te vooren naar Engelandt gezonden, den gedreigden slagh, met den Koning alle billyke voldoening aan te bieden, te breeken: maar 't was te +laat. Voor d'aankunding des oorlogs werden verscheide Nederlandtsche scheepen in d'Engelsche havens aangehouden, of opgebraght; tegens den inhoudt van het 32 artykel van het tractaat te Breda geslooten: mede brengende, dat, in cas van rupture, de scheepen, koopmanschappen en goederen van d'een of d'andre zyde geenzins zouden geconfisqueert, of eenigermaate geincommodeert worden; maar dat aan den onderdaanen en inwoonders van d'een en d'andere zyde den tydt van zes volle maanden zou worden vergunt, om hunne goederen werwaarts het hun +believen zou te vervoeren. Hier op lieten de Heeren Staaten ook etlyke Engelsche en Schotsche scheepen in 's Landts havenen aanhouden: als oordeelende, dat ze niet gehouden waaren aan hunne zyde een tractaat te voldoen, dat de Koning van zyne zyde niet hadt believen t'onderhouden. Doch daarna hebben de Heeren Staaten van Hollandt

[p. 646]origineel

+verstaan, dat het gemelde 32 artykel, al wierdt het by den Koning verbrooken, +evenwel van hunne zyde moest onderhouden worden: en dat men d'aangehoude scheepen dienvolgens vry en vrank moest laten vertrekken, dewyl ze op de publyke trouw van hunne Hoog. Moog. hier te lande gekoomen waaren. Dit werdt ter vergaadering der Staaten Generaal +zoo uitgewerkt, en d'aangehoude scheepen ontslaagen. Waar op +d'Engelschen insgelyks etlyke Nederlandtsche scheepen ontsloegen: doch de vier scheepen, in 't gevecht tegens de Smirnesche vloot verovert, behielden ze voor goeden buit. De Koning van Vrankryk hadt ook den +zevenden van April, den zelven dagh toen Engelandt d'oorlogsverklaaring uitgaf, met openbaare afkundiging, den oorlogh, dien hy tegens de Staaten opnam, te Parys alomme bekent gemaakt. De Bisschop en Vorst van Munster, en de Keurvorst en Bisschop van Keulen hebben +insgelyks, ten gevalle van den Koning van Vrankryk, de Staaten den oorlog aangezeit: en Zweeden, daar de Koning toen noch een kindt was, liet zich door geldt beweegen, om, onaangezien de Triple alliantie, stil te zitten, en de Staaten te verlaaten. Ondertusschen hadden de Heeren Staaten, op de tyding van 't aantasten der Smirnesche vloot, beslooten, dat de Kollegien ter Admiraaliteit noch een meerder getal scheepen, +tot versterking van 's Landts vloot, op het spoedighste zouden uitrusten, en de toerusting over dagh en nacht, zonder een oogenblik te verzuimen, +verhaasten en voortzetten, de gereede scheepen, zonder naa d'ongereede scheepen te wachten, naar d'uiterste zeegaaten zenden, en alle moogelyke vlyt aanwenden om de matroozen, daar toe vereischt, +in dienst aan te neemen: en den L. Admiraal de Ruiter, de L. Admiraalen, Bankert en van Aylua, weer te beveelen zich naar de Kollegien ter Admiraaliteit te begeeven, om de gemelde toerusting met allen bedenkelyken yver te bevorderen. Dit werdt den Raaden ter Admiraaliteit +en den gemelden L. Admiraalen aangeschreeven. Den zesten van April werdt de L. Admiraal de Ruiter weer by de Heeren Staaten Generaal verkooren tot eerste persoon en Opperhooft van 's Landts vloot, en de rang gestelt, gelyk in de volgende resolutie kan worden gezien.

[6 April 1672]

Extract uit het register der resolutien van de Hoog. Moog. Heeren Staaten Generaal der vereenighde Nederlanden.

Woensdagh den 6 April 1672.

 

+Is, na voorgaande deliberatie, goedtgevonden en verstaan, dat als eerste persoon ende Opperhooft over 's Landts vloote, geduurende d'aanstaande expeditie, onder de directie ende superintendentie van de Heeren haar Hoog. Moog. Gedeputeerden ende Gevolmaghtigden op de voorschreeve vloot, commanderen zal de persoon van Michiel Adriaanszoon de Ruiter, L. Admiraal van Hollandt ende Westvrieslandt, de welke gehouden werdt den eedt te doen aan haar Hoog. Moog. van dat hy hem in de voorschreeve charge getrouwelyk zal quyten, en de beveelen, hem by haar Hoog. Moog. albereits gegeeven, ofte noch te geeven, achtervolgen ende naarkoomen. Ende dat onder het voorschreeve Opperhooft zullen zyn Adriaan van Trappen, gezeit Bankert, L. Admiraal van Zeelandt, de L. Admiraal Aart van Nes, de L. Admiraal Willem Joseph van Ghent, Hans Willem van Aylua, L. Admiraal van Vrieslandt; de Viceadmiraalen de Liefde, Sweers, Kornelis Evertszoon, Schram en Enno Doedes; de Schoutenbynacht Jan van Nes, Jan de

[p. 647]origineel

+Haan, Jan Matthyszoon, Vlug en Brunsveldt, doch of het gebeurde dat den gemelden L. Admiraal de Ruiter iets menschelyks moghte over koomen, ofte wel dat hy by ziekte ofte andere ongelegentheit het commando over de voorschreeve vloote niet en zoude konnen exerceren, zal by des zelfs afsterven, dat Godt genadelyk verhoede, ofte in cas van de voorgezeide ongelegentheit ofte absentie, de voornoemde vloote als eerste persoon ofte Opperhooft commanderen de voornoemde L. Admiraal Aart van Nes, en by des zelfs overlyden, ongelegentheit ofte absentie, de L. Admiraal van Ghent.

 

H. VAN GOCKINGA. Vt.

Accordeert met het voorschreeve register.

GASP. FAGEL.

 

Daarna werdt by de Heeren Staaten, op d'aanmaaning van den L. Admiraal de Ruiter, boven gemeldt, een nader ordre gestelt tot verzeekering der zeegaaten: op dat d'Engelschen met geen scheepen en branders in 's Landts havens zouden vallen, en aldaar d'oorlogscheepen verbranden. +Men beval, alle jachten en gewapent vaartuig, 't welk men by der handt kon krygen, ten spoedighste, wel bemant en voorzien, naar 't Goereêsche gat te zenden, om alle beduchte landing der vyanden ontrent +Hellevoetsluis en elders te helpen afweeren en beletten. Ook werdt beslooten, het groote houte baaken, staande op het strandt, ontrent het inkoomen van de Maaze, af te breeken; om daar door het inzeilen van de gemelde riviere aan de vyanden te bezwaarlyker te maaken. Daar werdt ook beraamt, op andere plaatzen alle tonnen op te neemen, en schuitjens in de plaats te leggen, de kaapen en baakens wegh te neemen, een looze kaap op te rechten, om de vyanden te misleiden, en +een deel galjoots en lootsbooten buiten gaats te laaten kruissen. De Heer de Ruiter werdt te deezer tydt door de Heeren Staaten van Hollandt, op zyn verzoek, met een compagnie scheepssoldaaten begunstight, by dispensatie van voorgaande resolutien, houdende dat geene compagnien scheepssoldaaten aan Hooftofficieren, Kommandeurs of gemeene Kapiteinen ter zee zouden moogen vergeeven worden. Ook werdt +goedtgevonden, dat van weegen haare Ed. Groot Moog. (tot vergoeding van 't geen hy anderzins over onkosten moest draagen) de zaake ter Generaaliteit daar heenen zou worden gedirigeert, ten einde den Heer de Ruiter, geduurende d'aanstaande zeetogt, voor extraordinaris moght worden toegevoeght een somme van duizendt Karolus guldens +ter loopende maandt. Dit werdt den negentienden van April by hunne Hoog. Moog. ingewillight. De Heeren Staaten van Hollandt hadden +den tweeden van April goedtgevonden, den Heer Kornelis de Wit, Ruwaart +van Putten, Oudt Burgermeester der stadt Dordrecht, te verzoeken, om van weegen de Provincie van Hollandt ter Generaaliteit te worden voorgedraagen tot Gedeputeerde en Gevolmaghtighde van den Staat op 's Landts vloote in d'aanstaande expeditie ter zee: verzoekende de Heeren Gedeputeerden der stadt Dordrecht, ontrent hunne Heeren en Meesters alle goede officien aan te wenden, ten einde de zelve den gemelden Heere de Wit tot het aanneemen van de voorschreeve commissie moghten dilponeeren. Ook werdt by hunne Hoog. Moog. +den achtsten, commissie op hem, Heere de Wit, ten gemelden einde, +verleent. Daar op werdt de Heer de Wit den zestienden der maandt

[p. 648]origineel

+uit den naame en van weegen hunne Ed. Groot Moog. gesommeert, zich te verklaaren ontrent het aanneemen van de voorzeide commissie: waar op hy zich met een zonderlinge resoluitheit ter vergadering heeft verklaart, en volvaardig getoont om ter gehoorzaamheit van haare Ed. +Groot Moog. de voorschreeve commissie aan te neemen, en de zelve onder den zegen van Godt almaghtig met alle wakkerheit, yver en getrouwheit, naar zyn vermoogen uit te voeren. Hier over is de zelve niet alleen bedankt en Godts zegen toegewenscht, maar ook, op het voorstel van de Gedeputeerden der stadt Amsterdam, met eenpaarige stemmen van alle de Leden, goedtgevonden en verstaan, dat, in gevalle de voornoemde Heer de Wit, geduurende de tocht, aflyvig quam te worden, +als dan het Ruwaart- Bailliuw- en Opperdykgraafschap van den lande van Putten op des zelfs zoone zou worden gebraght. Ontrent deezen tydt werdt by de Heeren Staaten goedtgevonden, ziende hoe veel zwaarigheden zich van alle kanten op deeden, een uitschryving van een maandelyke bededagh, te houden op den eersten Woensdagh van ieder maandt, aan alle de vereenighde Provincien, Steden en Leden van dien, +af te zenden, om de goddelyke hulpe in den noodt des vaderlandts af +te bidden. De rendevous of verzaamelplaats der vloote werdt in. 't Vlie gestelt, en voorts door de Heeren Staaten bevoolen, dat de grootste en gereedtste scheepen van oorlog uit de Maaze, nevens den L. Admiraal de Ruiter, al waar 't dat 'er aan de scheepen noch vry veel schortte, met den eersten bequaamen windt uit het Goereêsche gat naar 't Vlie zouden verzeilen, en dat het geen hun noch ontbrak binnen door of buiten om +hun zoude worden nagezonden. Dit werdt den Heer de Ruiter door de Raaden ter Admiraaliteit te Rotterdam aangeschreeven. Hy zocht den zevenentwintighsten van April in zee te loopen, maar werdt door harde tegenwindt verhinderdt. Toen riep hy de Kapiteinen der andere scheepen aan boordt, en ordonneerde hoe en op wat wyze 's Landts scheepen, geduurende de tegenwindt, zich zouden rangeren en posteren tegens alle vyandtlyke aanslaagen, om niet onvoorziens overvallen te worden. Hy zondt ook twee lootsbooten om drie myl dwars van de Maas en Goereê in zee op kundtschap te kruissen. Hy hadt ook de Kapiteinen Frans van Nydek en Moyses Wichmans, met de fregatten Schiedam en Harderwyk, etlyke daagen te vooren doen zee kiezen, om, een kenning van den anderen, tot ontdekking der zee, en afbreuk van den +vyandt, te kruissen. Den negenentwintighsten raakte hy in zee met zeven 's Landts scheepen, twee fregatten, drie branders, een advys jacht, en een sluit, van Dordrecht gekoomen met de bagagie van den +Ruwaart van Putten, Gedeputeerde en Volmaghtigde van den Staat op 's Landts vloote. Met die sluit quaamen ook 93 brave matroozen, onder der twee Kommandeurs, tot een zeelyfwacht voor den gemelden Ruwaart, welke matroozen toen op de Ruiters schip overgingen. In zee voegden zich de gemelde fregatten en lootsbooten, die gekruist hadden, en noch een tweede advysjacht en vierde brander, uit de Maas, onder zyn vlagge. Doch hy zondt, op het aanhouden van de Heeren der Admiraaliteit te Rotterdam, de twee kleenste branders weer naar binnen, den eenen binnen Goereê, en den anderen voor de Maaze in de put, met ordre om zich daar op de wacht en tot bescherming der achtergeblevene scheepen te posteeren, en hem met de zelve naar de rendevous te volgen. Den eersten May, op de hooghte van Egmondt gekoomen, ontmoette hem een advysjacht, van den Ruwaart afgezonden, met de volgende ordre.

[p. 649]origineel

[30 April 1672]

+Op de onderrichtinge van de Lootsluiden, dat 's Landts scheepen uit +het Vlie niet in zee gebraght konnen werden dan met een windt aan d'eene zyde Oostennoorden, ofte uiterlyk Oostnoordtoost, en aan de andere zyde Zuiden, ende zulks alleenlyk ten uitersten met tien streeken die goet zyn, tegens tweeëntwintigh streeken daar mede de groote scheepen alhier zouden moeten binnen blyven, ende alvoorens gehoort het advys van de aanweezende Heeren Gecommitteerden van de Kollegien ter Admiraaliteit tot Amsterdam ende in 't Noorderquartier, is, naar voorgaande deliberatie, goetgevonden ende geresolveert, dat alle de scheepen van oorloge, alhier in 't Vliestroom leggende, gereet ofte ongereet, met deeze Oostelyke windt, zoo die continueert, zullen het Vlie uit zeilen, en het Texel weder inloopen, ende aldaar voort van alle noch deficierende behoeften verzien, en ten vollen klaar gemaakt worden, daar naar den L. Admiraal van Ghent ende alle 's Landts Officieren ende Kapiteinen mitsdeezen belast ende geordonneert werden haar te reguleren: en zal hier van ten spoedighsten advertentie gegeeven werden aan den L. Admiraal de Ruiter, om zich met zyne byhebbende scheepen in 't Texel te vervoegen, ende de zelve aldaar te posteeren omtrent de tonnen van de Laan, zoodanigh dat zy, naa beloop van weder en windt, aan wederzyde het Landts Diep, ende aan de andere zyde het Spanjaartsgat konnen uitzeilen, zulks dat haar ook de Sleng altydts open blyve: gelyk ook hier van advertentie gegeeven zal worden aan de vordere drie Kollegien ter Admiraaliteit, om elks in zyn regard mede zoodanige ordre te stellen, en die voorzieninge te doen, ten einde alle de volgende scheepen van haarluider equipagie haar mede op 't spoedighste naar Texel konnen begeeven. Actum in 's Landts schip de Dolphyn, leggende in de Middelgronden van 't Vliestroom, den 30 April 1671.

 

Accordeert met de voorschreeve resolutien.

C. DE WIT.

 

+Volgens deeze ordre liep de Ruiter met de Maasscheepen naar Texel; doch dewyl daar de tonnen en baakens waaren opgenoomen, was 't gevaarlyk zoodaanige zwaare scheepen binnen te lootzen. Dies vondt de L. Admiraal de Ruiter geraaden, twee advysjachten naar den Helder te zenden, met een brief aan den Commissaris Henrik Knyf, ten einde dat hy die jachten, met advys en kennis van de Lootsluiden, in 't inkoomen van de Sleng, of 't Middeldiep, het eene, de Fama genoemt, aan de Zuidt-en 't ander, de Hoope, aan de Noordtwal zou doen leggen, en vervolgens zoo veel kleine schuiten aan wederzyden van het vaarwater, aan beide de kanten van de Sleng, inwaarts aan, zou plaatzen, als hy zou dienstig oordeelen, om 's Landts scheepen voor tonnen en baakens in 't inzeilen te verstrekken: daar by voegende, dat hy zou staat maaken dat het advysjacht de Faam, als ook de schuiten aan de Zuidtkant, het marszeil en de zeiltjes zouden opgeheezen hebben: maar 't jacht de Hoope, en de schuiten aan de Noordtkant, zonder zeilen leggen; op welke kennelyke seinen hy, tusschen beide door, met zyn +byhebbende scheepen zoude inzeilen. De Commissaris Knyf liet dat +middel in 't werk stellen, en zondt daarenboven eenige schuiten om 's Landts scheepen voor te zeilen, die dus binnen liepen, en ontrent de ton of plaats van de Laan den derden May ten anker quaamen. Dien zelven dagh, toen de L. Admiraal de Ruiter noch buiten gaats was, ontmoette hem de Kapitein Kornelis Hollaardt, voerende een snaauw,

[p. 650]origineel

+door den L. Admiraal Bankert uit Zeelandt afgezonden, met last om t'onderzoeken of de zee veylig was, en wat scheepen in de zeegaaten van Hollandt laagen. De Ruiter liet toen aan Bankert weeten, dat hy geen vyandt hadt vernoomen, en zondt hem copye van d'ordre aangaande de rendevous in Texel, boven gemeldt, tot zyne naarichtinge. Des anderendaaghs ontfing de Heer de Ruiter een brief uit het Vlie van de Heeren Gedeputeerden en Gevolmaghtigden der Heeren Staaten tot uitpressing van 's Landts vloote, van deezen inhoudt: dat al eenige zwaare 's Landts scheepen uit het Vlie in zee waaren geraakt, op hoope dat +de rest zou konnen volgen, en niet van meening waaren daar mede weder in 't Texel te koomen, maar dat ze hem, de Ruiter, met zyne byhebbende scheepen, op het spoedighste buiten gaats in zeé zouden verwachten. Hy liet terstondt weer schuiten aan beide de zyden van 't gat leggen: om op gelyke wyze uit te zeilen, als hy was binnen gekoomen, ook beval hy ten dien einde het Spanjaarts gat te peilen: maar de Lootzen zeiden dat ze maar 21 voeten waters hadden gevonden, en daar +mede zoo zwaare scheepen niet dorsten in zee brengen. Den zesten May quaamen de Heeren Gedeputeerden en Gevolmaghtigden der Staaten, en onder de zelve den Raadtpensionaris de Wit, aan de Ruiters boordt, deeden sein om te zeilen, en gaven ordre dat een ieder die maar konde zoude zee kiezen, en zich buiten gaats onder de vlagge van den +L. Admiraal van Ghent vervoegen. Hier op raakten de gemeene scheepen en vaartuigen van de Maaze door 't Spanjaarts gat buiten by 't voorschreeve gros, en ook d'overige scheepen, die uit het Goereêsche gat verwacht werden, en anders insgelyks binnen Texel zouden zyn ingeloopen, en nu, aankoomende, last kreegen om buiten te blyven. Maar +de L. Admiraal de Ruiter bleef met zyn schip en d'andre drie vlaggescheepen van den L. Admiraal van Nes, de Viceadmiraal de Liefde en den Schoutbynacht van Nes, met noch een advysjacht, leggen: door verzuim van de Lootsluiden, die styfzinniglyk staande hielden, dat 'er +voor hen te weinig water in 't voorschreeve gat was. Waar op de Raadtpensionaris de Wit en de L. Admiraal de Ruiter, zelfs met een jacht naar 't Spanjaarts gat vaarende, en de diepte peilende, het tegendeel aanweezen, en de Lootsluiden over hunne dommigheit scherpelyk overhaalden; dewyl ze 21 of 22 Maasvoeten waters vonden. Dan midlerwyl verliep de tydt: daarna werden ze door hardt weder en tegenwindt verhindert +tot den negenden May. Toen schoot de windt met een barst Noordtnoordtwest, +en toen zeilde de L. Admiraal de Ruiter met de Maasscheepen en den Viceadmiraal Enno Doedes Star, en eenig kleen vaartuig door het Landts diep in zee. De Heer Kornelis de Wit, Ruwaart van Putten, quam toen uit van Ghents schip over aan de Ruiters boordt: om d'aanstaande zeetoght als Gedeputeerde en Gevolmaghtigde der Heeren Staaten by te woonen. De Raadtpensionaris de Wit nam te dier tydt met een byzondere blygeestigheit zyn afscheidt van zyn broeder den Ruwaart, den Admiraal de Ruiter en d'andere Bevelhebbers, hun wenschende Godts zeegen ten goede van 't lieve Vaderlandt. Hy voer daar op met d'andre Heeren Gedeputeerden van boordt: dan voor hun vertrek werdt het volgende besluit genoomen.

[p. 651]origineel

[9 Mei 1672]

+Maandagh 's voormiddaghs den 9 May 1672. In 's Landts schip de zeven Provincien, zeilende even buiten gaats van Texel.

Present de Heeren Cornelis de Wit Ruwaart van Putten, M. Merens, Mauregnault en Starkenburgh, L. Admiraal de Ruiter, Van der Dussen, de Wildt, Ockertzen en Sonk.

+De Gedeputeerden en Gevolmaghtighden van de Hoog. Moog. Heeren Staaten Generaal der vereenighde Nederlanden tot d'expeditie ende over 't employ van 's Landts vloote, hebben, naar voorgaande rype deliberatie, conform d'advyzen van den L. Admiraal de Ruiter, als Generaal van de zelve vloote, mitsgaders de Heeren Gedeputeerden uit de Kollegien ter Admiraaliteit, alhier aanweezende, eenparighlyk goedtgevonden ende geresolveert, dat de voorschreeve vloote, weder ende windt dienende, haar koers zal stellen Zuidtwestelyk aan, ende onderwegen, gelyk verhoopt werdt, by haar bekoomen hebbende d'oorloghscheepen, branders ende ander vaartuig, van Zeelandt verwacht werdende, voorts zal loopen naar de riviere van Londen, of wel daar anderszins, volgens nader in te koomen kondtschappen, de navale maght van Engelandt zoude konnen werden aangetroffen: zynde d'intentie ende resolutie, dat met de voorschreeve vloote, onder Godes toelatinge, de voorschreeve riviere van Londen zal worden in gezeilt, en de vyandt aldaar aangegreepen, ook den zelven, onder Godes zegen, alle moogelyke af breuk gedaan, by zoo verre eenige Engelsche oorloghscheepen in de voorschreeve riviere moghten werden gevonden; ende dat anderszins het zelve zal werden getenteert, ende onder Godes to laatinge uitgevoert op haare rendevousplaatzen in de Gunfliet, in Soulsbaay, in Duins, of elders, daar de verzaamelinge van haare zeemaght zoude moogen geschieden: doch in gevalle, buiten vermoeden, de Fransche vloote met die van Engelandt moghte weezen geconjungeert, dat in zulken cas, ende daar van zeekerlyk consterende, een hooftbattaille met die geconjungeerde maghten zal werden geeviteert, ten waare de Gedeputeerden en Gevolmaghtighden van haar Hoog. Moog. op de zelve vloote, met advys van den gemelten L. Admiraal de Ruiter, als Generaal van de zelve vloote, door eenige toevallen, occasien of circumstantien, moghten oordeelen, dien onaangezien, op de gecombineerde vyanden eenige advantagie te konnen doen: alles met dien verstande nochtans, dat aan de volkoomene ende absolute dispositie van de gemelte Heeren haare Hoog. Moog. Gedeputeerden ende Gevolmaghtighden in de vloote, volgens den text ende de teneur van haare commissie, zal worden gelaten, gelyk gelaten werdt mits deezen, om met advys van den meergemelten L. Admiraal de Ruiter, in qualité voorschreeve, ende, des noodt zynde, ook van de andere Hoofden der zelve vloote, zoo over de zaake zelfs in het generaal, als over alle de particulariteiten van dien, inzonderheit mede aangaande de ordre, forme ende maniere van executie, alles te doen in 't werk stellen 't gunt zy luiden ten meesten dienste van den Lande bevinden zullen te behooren; ende generaalyk haar met de voorschreeve vloote, geconjungeert ofte verdeelt, te vervoegen ende t'onthouden werwaarts, ende daar zy luiden zullen achten 't zelve met de intentie van haar Hoog. Moog. best over een te koomen, ende oirbaarlykst te zyn.

 

Accordeert met de voorschreeve resolutie.

In kennisse van my ondergeschreeve Secretaris,

J. ANDRINGA.

[p. 652]origineel

+'S Landts vloot, gelyk die nu voor Texel was verzaamelt, bestondt +uit 12 groote scheepen uit de Maas, 18 van Amsterdam, 4 uit het Noorderquartier, 1 uit Vrieslandt, 11 fregatten, 12 branders, en 9 advysjachten, t'zaamen ontrent 67 zeilen: welk getal binnen weinig daagen, door verscheide scheepen uit 's Landts zeegaaten, merkelyk werdt vermeerderdt. +In d'eerste verdeeling in drie esquadres, den negenden van May geschiedt, waaren ook de Zeeuwsche en etlyke andere scheepen, die men in 't kort verwachtte, begreepen, gelyk de volgende lyst uitwyst.

Esquadre onder den L. Admiraal Generaal de Ruiter.

Officieren. Scheepen. mat. sold. stukk.
+R.L. Admiraal de Ruiter. De zeven Provincien. 420. 90. 80.
R.L. Admiraal A. van Nes. D'Eendraght. 335. 85. 70.
R. Viceadmiraal de Liefde. De Maaght van Dordr. 320. 80. 68.
R. Schoutbynacht van Nes. De Ridder schap v. Holl. 290. 75. 66.
R. Kap Laurens Dav. v. Konv. Gelderlandt --- -- 64.
R. Jan van Braakel. Groot Hollandia. --- -- 60.
A. Engel de Ruiter. Deventer. 250. 60. 66.
A. Jan van Gelder. De Provincie van Vitr. 230. 50. 60.
A. Jan Davids Bont. De stadt Uitrecht. --- -- 66.
R. Philips van Almonde. Wassenaar. 230. 60. 60.
A. Pieter Jakobsz de Sitter. D'Agatha. --- -- --
A. David Swerius. De Beschermer. 200. 45. 50.
R. Joan Jakob de Laucourt. Zeelandia. 150. 38. 44.
R. François van Aarssen. 'T fregat Uitrecht. --- -- 36.
N. Jan Dik. Josua. --- -- --
R. Moises Wichmans. 'T fregat Harderwyk. 90. 30. 24.
A. Kornelis van der Zaan. 'T fregat de Brak. --- -- 24.
V. Joost Michielsz. v. Kuik. 'T fregat de Windthondt. --- -- --
A. Roemer Vlak. De Postiljon. --- -- 24.
N. Klaas Anker. Alkmaar. --- -- --
  Advysjachten.      
A. Huibrecht Geel. De Triton. --- -- --
A. Klaas Jansz. v. Portug. Mercurius. --- -- --
R. Korn. Jakobz. v. der Hoev. De Fama. 47. -- 12.
R. Wynant van Meurs. Rotterdam. 25. -- 8.
  Branders.      
R. Dirk de Munnik. Gornichem. 30. - 4.
R. Jan Danielsz. v. den Ryn. De Vreede. 34. -- 2.
R. Abraham Schryver. Swol. 20. -- --
R. Pieter Besançon. D'Eenhoorn. 19. -- --
A. Andries Randel. St. Salvador. -- -- --
A. Klaas Pietersz. Schuit. Sollenburgh. -- -- --

Esquadre onder den L. Admiraal van Ghent.

+A.L. Admiraal van Ghent. De Dolphyn. 420. 120. 82.
A. Viceadmir. Isaak Sweers. D'Olyfant. 380. 100. 82.
N. Viceadm. Volkert Schram. De Pacificatie --- -- 76.
A.S. bynacht Jan de Haan. Gouda. 315. 90. 72.
A. Kapiteinen Jakob Binkes. Woerden. 270. 70. 70.
A. Hendrik van Tol. De Komeetstar. 270. 70. 70.

[p. 653]origineel

+A. Jakob Berkhout. D'Akerboom. 230. 50. 60.
A. Anske Fokkes. Amsterdam. 230. 50. 60.
A. Volkert Swart. Oosterwyk. 230. 50. 60.
A. Philips de Munnik. Essen. 200. 45. 50.
A. Jan Gyzels van Lier. De Leeuwen. 200. 45. 50.
A. Daniel Elsevier. Staveren. - - -
A. Barent Hals. 'T fregat Asperen. - - 30.
A. Titus van Nassau. 'T fregat de Haas. - - -
N. Jan Hek. Justina. - - 64.
A. Pieter Klaasz. Dekker. 'T fregat Bommel. - - -
A. Kornelis Tyloos. 'T fregat Overyssel. - - 30.
N. Jan Maauw. 'T Noorderquartier. - - 60.
  Advysjachten.      
A. Marc. Willemsz. v. Roye. De Galey. - - -
A. Jan Klaasz. v. Oosthuiz. De Walvis. - - -
A. Jakob Stadtlander. D'Eenhoorn. - - -
A. Jan Bogaart. Egmondt. - - -
R. Isaak Teunisz. v. Anten. De Hoop. - - -
N. Jan Pyper. De Mossel. - - -
  Branders.      
A. Hendrik Hendrikszoon. Velsen. 22. - -
A. Willem Willemszoon. De Windthondt. 22. - -
A. Henrik Rosaeus. De Beemster. 22. - -
A. Jan Janszoon Bout. De Sollenburg. - - -
A. Pieter van Grootveldt. De Draak. - - -
A. Sybrant Barentszoon. De Leydtstar. - - -

Esquadre onder den L. Admiraal Bankert.

+Z.L. Admiraal Bankert. Walcheren. - - 70.
Z. Viceadm. Kornelis Evertsz. Zierixzee. - - 60.
V. Viceadm. Enno Doed. Star. Groeningen. - - 70.
Z.S. bynacht Jan Matthysz. Oranje. - - -
Z. Kap. Willem Hendrikszoon. Middelburgh. - - 50.
A. Thomas Tobiaszoon. Oudtshoorn. 290. 70. 70.
A. Hendrik Brouwer. Kalant soog. 270. 70. 70.
A. Pieter van Middelandt. De Gideon. - - 60.
Z. Adriaan van Kruiningen. Veere. - - 50.
R. Niklaas Naalhout. Schielandt. 230. 60. 60.
Z. Karel van der Putten. 'T fregat Ter Goes. - - -
A. Jan Roetering. Steenbergen. - - -
A. Balthazar van de Voorde. Kruiningen. - - 56.
A. Jan de Jong. Damiaten. - - -
N. Klaas Valehen. De drie Helden Davids. - - 50.
N. Marten de Boer. Gelderlandt. - - -
R. Frans van Nydek. 'T fregat Schiedam. 70. 20. 20.
A. Mattheus Meegangk. 'T fregat Popkensburg. - - -
Z. Salomon le Sage. Vlissingen. - - 50.
N. Pieter Kersseboom. 'T Wapen van Nassau. - - 62.
-- Barent Maartenszoon. 'T fregat de Viss. Harder. - - -
Z. Simon Lonk. 'T fregat Delft. - - -
-- Passchier de Witte. 'T fregat Schakerloo. - - -

[p. 654]origineel

  +Advysjachten.      
Z. Kornelis Hollaardt. De Bruinvis. - - -
A. Abraham Taalman. De Kat. - - -
A. Jan Kraamer. De Kater. - - -
  Branders.      
Z. Willem Meerman. Middelburgh. - - -
Z. Kornelis Ewouts. Het Prinsje. - - -
Z. Heiman Adriaanszoon.   - - -
Z. Antony Janszoon. De Hoop. - - -
N. Pieter Syvertsz. Bokkes. Helena Leonora. - - -

Naa 't formeeren der esquadres by maniere van voorraadt, beriep men den Krygsraadt aan de Ruiters boordt, en deelde de seinboeken uit, en de naarder ordres, ook de plakkaaten der Heeren Staaten, tot aanmoediging van 't volk uitgegeeven. De Ruwaart van Putten en den L. Admiraal Generaal de Ruiter vermaanden ieder tot het betrachten van zyn +plicht. Ook werdt de generaale ordre waarna zich elk hadt te richten, vervattende verscheide zaaken van gewichte, uitgegeeven: wat esquadre aan 't stuurboordt, en wat esquadre aan 't bakboordt van het Hooftesquadre hadt te zeilen als men voor de windt zeilde, en hoe men by de windt zou zeilen, en wat ordre elk esquadre in 't wenden zoude houden. Hoe zich elk esquadre in drie smaldeelen zou verdeelen, en etlyke fregats ordonneeren om 't volk van de scheepen, die in den grondt of in brandt zouden geraaken, te bergen. Voorts dat men elkanderen ruimte zou geeven om uit elkanders geschut te blyven, zonder nochtans te groote afscheiding te maaken, op dat de vyandt niet tusschen beide moght inbreeken: ook wel letten op den brandt, die door 't schieten van 's vyandts of eige proppen in 's Landts scheepen zou konnen worden veroorzaakt. Wat ordre men zou houden wanneer 's Landts vloot den vyandt te loefwaart, en in 't tegendeel, wanneer men den vyandt te lywaart moght bejegenen, hoe dan elk esquadre en smaldeel zou zeilen en volgen, en d'ordre naa tydts gelegentheit veranderen. Dat elk Kapitein op zyn Hooft, daar hy onder bescheiden was, zou passen, zonder van den vyandt af te wyken of draagende te houden, dan door hoogdringenden noodt, al waar 't dat hy zaage dat iemant, die voor hem gerangeert was, door noodt of verzuim zyn post niet hielde, op peene daar toe gestelt. Daarenboven werdt belast dat ieder, schoon men by den vyandt niet en waare, op zyn rang en by zyn Hooft zou blyven, en dat de Hooftofficieren van elk esquadre drie van hunne bezeilste fregatten, benevens eenige galjoots, rondtsom de vloot ordonneeren zouden, om door de zelve alle moogelyke kundtschap te bekoomen. Ontrent de L. Admiraal de Ruiters esquadre, en des zelfs drie smaldeelen, was de volgende ordre beraamt.

[9 Mei 1672]

+Ordre ende instructie beraamt ende gegeeven door den L. Admiraal de Ruiter aan de naar genoemde Officieren, resorterende onder 't Hooftesquadre van 's Landts vloote, gelyk dat hier volgens in drie smaldeelen staat gerangeert, waar naa hun striktelyk zullen hebben te reguleeren.

Smaldeel van den L. Admiraal van Nes.
Braakel Sittert.
Klaas Anker. L. Admiraal van Nes.

[p. 655]origineel

+Laucourt.  
Joost Michielszoon, Branders.
Wighmans. Dirk de Munnik.
Advysjacht. Klaas Pieterszoon.
Wynandt Meurs.  

Smaldeel van den L. Admiraal de Ruiter.

Jan Pauluszoon van Gelder. Vlak.
Aartzen. Advysjacht.
Schoutbynacht van Nes. Kornelis van der Hoeve.
L. Admiraal de Ruiter. Branders.
Laurens Davidszoon. Jan Danielszoon.
Engel de Ruiter. Andries Gandel.

Smaldeel van den Viceadmiraal de Liefde.

Jan Davids Bont. Advysjachten.
Kornelis van der Zaan. Huibrecht Geel.
Philip van Almonde. Klaas Portugaal.
Viceadmiraal de Liefde. Branders.
Jan Dik. Abraham Schryver.
David Sweers. Pieter Besançon.

Voor de windt ofte met ruime windt zeilende, zoo zal de L. Admiraal van Nes met zyn smaldeel hem aan Stuurboordt van den L. Admiraal de Ruiter onthouden.

Op gelyke maniere zal de Viceadmiraal de Liefde hem als dan aan bakboordt van den L. Admiraal de Ruiter onthouden.

Maar by de windt zeilende, zal de L. Admiraal van Nes met zyn smaldeel hem voor den L. Admiraal de Ruiter begeeven, en den Viceadmiraal de Liefde met zyn smaldeel hem achter den L. Admiraal de Ruiter onthouden.

In 't wenden zullen de achterste scheepen altydt eerst wenden, conform het vyfde articul in de generaale seinen, alzoo dat de Viceadmiraal de Liefde als dan met zyn smaldeel voor den L. Admiraal de Ruiter zal verblyven, ende de L. Admiraal van Nes met zyn smaldeel hem achter den L. Admiraal de Ruiter onthouden, zulks dat in 't wenden altydt de voorste de achterste, ende de achterste de voorste zullen worden, ende elk in zyn rangh verblyven.

Ook zal in 't wenden onder ieder smaldeel apart de zelve ordre gehouden worden als van 't geheele esquadre is gezeidt.

Doch de brandtscheepen ende advysjachten zullen haar altydt weder dicht achter 's Landts scheepen vervoegen, gelyk zy in deezen gerangeert staan, de eerste op dat zy onder 't faveur van de kracht ende rook van der zelver kanon aan een ofte meer vyandts kapitaale schip of scheepen, die den anderen aan boordt moghten raaken, resoluit ende met een goedt succes moogen werden besteedt, en d'andere om advyzen af ende aan te brengen, ende 's vyandts branders rigoureuselyk te resisteren ende trachten te ruineren, als mede zoo'er eenige scheepen in de grondt ofte in brandt geraakten, het volk daar van te bergen, op peene van, contrarie doende, exemplairlyk aan den lyve gestraft te werden.

Actum in 's Landts schip de zeven Provincien, zeilende voor gaats van Texel Zuidtwesttenzuiden aan, den 9 May 1672.

 

C. de Wit, Michiel Adriaanszoon de Ruiter.

[p. 656]origineel

+Daarna werdt een galjoot naar 't Veersche gat gezonden, met een brief aan den L. Admiraal Bankert, om de Zeeusche scheepen uit te pressen: en verscheide andre galjoots liet men kruissen, om alle aankoomende scheepen, die by de vlagh waaren bescheiden, bekent te maaken waar ze de vloot zouden konnen aantreffen. Etlyke fregatten gingen insgelyks +op kundtschap, en de Kapitein Philips de Munnik werdt met het schip Essen, en de fregatten Harderwyk en Schiedam, en 't jacht Rotterdam, belast naar d'Engelsche wal te zeilen, en van Olphernes af t'onderzoeken wat getal van vyandtlyke scheepen in Soulsbaay, Harwits, Konings Diep, Gunfliet, en tot in Duins toe moghten leggen: met verdre last, dat hy, door 't verspreeken van neutrale scheepen, of door 't neemen van Engelsche of Fransche scheepen, of visschers, eenige kundtschap van 's vyandts vloot, en der zelver staat en gelegentheit, zou konnen trachten te bekoomen, en zyn wedervaaren aan de vlagh bekent maaken, die hy ter halver zee, de Maas Oost van haar, of recht van daar naar 't Konings Diep, zou opzoeken. 'S Landts vloot liep Zuidtwest aan, de windt Noordtoost, met vast vertrouwen van 't Zeeuwsche esquadre den tienden van May te zullen bejegenen. Men hoopte, zich by de Zeeuwen gevoeght hebbende, ten eersten naar Engelandt over te steeken, en d'Engelsche vloot voor d'aankomste der Fransche te bevechten. De Heeren van Zeelandt hadden vaste toezegging gedaan, dat de L. Admiraal Bankert met de Zeeuwsche scheepen den negenden zoude zee kiezen: doch des niet tegenstaande hadden ze door een al te bekommerlyke voorzichtigheit, of door eenigh heimelyk beleidt, den gemelden Bankert last en ordre toegezonden, mede brengende, dat hy niet zoude uitloopen voor dat hy nader zeekerheit hadt ontfangen dat 's Landts vloot uit Texel was gezeilt, en in der daadt zee hadt gekoozen. Hy zondt dan een snaauw om de Ruiter met de vloot op te zoeken, die hem den tienden tegens den avondt aantrof, en korts daarna ontfing de Ruiter met eenigh ander vaartuig een brief van de Gedeputeerden der Heeren Staaten Generaal, die in Zeelandt Bankert en zyn +esquadre zochten uit te pressen, meldende, dat de Heeren van Zeelandt hunne scheepen hadden opgehouden, om de reden straks gemeldt. Door dit vertoeven verloor 's Landt vloot twee daagen tydts, en het voordeel van een gunstige Ooste windt, tot merkelyken ondienst van den Staat. Want indien Bankert den negenden waar in zee gesteeken, dan zou men d'Engelsche vloot veellicht hebben konnen aantreffen en aantasten, eer dat ze zich by de Fransche hadt gevoeght. Den tienden werdt de Krygsraadt aan de L. Admiraal de Ruiters boordt geseint, daar de seinboeken, en naarder ordres, en plakkaaten tot aanmoediging van +'t volk, werden uitgedeelt. De Heer Ruwaart vermaande met eenen de L. Admiraalen, en andre Hooftofficieren en Kapiteinen, met ernstige woorden tot hunnen plicht. Den elfden quam 's Landts vloot in 't gezicht van 't eilandt Walcheren en Westkappel. Men zondt terstondt brieven af, op dat Bankert zonder verzuim t'zeil moght gaan. Den Kapitein Jan van Gelder werdt belast, met de Kapiteinen van Lier en Middelandt, zich te vervoegen ter halver zee, de Maas tien mylen Oost van hun, 't welk het rendevous was voor de oorlogscheepen, die noch uit het vaderlandt zouden koomen, met last om die daar te verzaamelen en op te houden, ten einde dat ze daar de vlagge zouden inwachten. Den twaalfden ging d'Admiraal Bankert, meest door 't sneedigh beleidt, en op 't aanpressen van zeeker Amsterdamsch Heer, die wegens Hollandt

[p. 657]origineel

+in 't Kollegie ter Admiraaliteit van Zeelandt was gecommitteert, met +zyn esquadre 's morgens vroeg onder zeil, en quam ten zes uuren voor den middagh by de Hooftvlagge. Zyn esquadre bestondt uit zes kloeke scheepen van oorloge, twee fregatten, vier branders en twee snaauwen, +in de bovengemelde lyst, die den negenden geformeert werdt, aangeweezen. Met d'aankomst der Zeeuwsche scheepen raakten nu de drie esquadres, elk onder zyn L. Admiraal en Opperhooft, in ordre en rang. +Dien zelven dagh heeft de Ruwaart van Putten alle de Hooftofficieren en d'andere Kapiteinen in 't gemeen, en ieder in 't byzonder, op nieuw tot het betrachten van eer en eedt opgewekt; op dat zich elk in d'aanstaande bejegening van den vyandt naa behooren moght quyten: zich in zyn aanspraak dienende van zoodaanige redenen, die op den bekommerlyken toestandt van de tegenwoordige tyden en zaaken pasten. Hy toonde, hoe zeer dat men gehouden was, wat hen behoorde en moest beweegen, om ten dienst van den Staat, en tot voorstandt van 's Landts wettige regeering en vryheit, nu alles op te zetten, en d'uiterste proeven van manhaftigheit te geeven: dewyl aan den uitslagh van dit eerste hoofttreffen ter zee de welstandt der Republyk, de vryheit en 't welvaaren van al 's Landts ingezetenen, t'eenemaal hing. Hy vergat ook niet de reden van loon en straf krachtelyk in te boezemen. Ook werdt zyn aanspraak, van allen die hem hoorden, met een rustig gelaat beantwoordt, en elk toonde zich wel gemoedt en bereidt om voor 't vaderlandt te vechten. Daar op ging de vloot weêr t'zeil Noordtwest aan naar de rendevous, boven genoemt, op hoope van noch eenige achtergeblevene +scheepen onder de vlag te krygen. Des anderendaaghs quam de Kommandeur Marcus Willems, met het jacht de Galey, en de Kapitein de Munnik, met zyn drie fregatten, die alle op kundtschap naar d'Engelsche kust waaren geweest, te rugh by de vlag. D'eerste zeide, dat hy in Duins geen raazeilen hadt gezien: maar dat hy den elfden van twee Engelsche fregatten, koomende uit de riviere van Londen, was gejaaght. Doch dat ze hem, op het aannaderen van Kapitein de Munnik met zyn fregatten, hadden verlaaten. De Munnik verhaalde, dat hy ten zelven daage een Zweed hadt gesprooken, koomende van Sint Maarten, en zeggende, dat van daar den 24 April zestien Fransche oorlogscheepen en acht branders naar Boelyn, of Belle Isle, waaren vertrokken, om zich by de scheepen, die uit andre havens werden verwacht, te voegen. Hy vertelde ook, dat hy, zes daagen geleden, vier Engelsche fregatten hadt ontmoet, en den elfden noch een, die hem alle eenpaarighlyk hadden bericht, dat hunne vloot op den elfden uit de riviere van Londen naar Duins zoude vertrekken, en dat de scheepen in Portsmuiden +ook gereedt laagen om naar Duins te zeilen. Voorts verhaalde de Munnik, dat hy den twaalfden tegens den avondt, naar het Konings Diep zeilende, jacht op een Engelsch fregat hadt gemaakt, en dar hy straks daar aan d'Engelsche vloot, sterk ontrent vyftig zeilen, uit de riviere en 't Konings Diep in zee geloopen, hadt gezien. Op dit bericht werdt by den Ruwaart, den L. Admiraal Generaal de Ruiter en d'andere Hooftofficieren, eenpaarigh goedtgevonden en beslooten, zonder uitstel naar Duins te loopen, en d'Engelsche vloot op te zoeken +en aan te tasten. Doch groote stilte, en geduurige mist, gaf eenigh belet. Maar de windt den veertienden May Noordtnoordtwest loopende, kon men 't Noordtvoorlandt bezeilen, en vorderde reis, met redelyke +koelte en in goede ordre: voerende de L. Admiraal Bankert d'a-

[p. 658]origineel

vantgarde, +de L. Admiraal Generaal de Ruiter de batailje, en de L. Admiraal van Ghent d'arrieregarde. Doch des avondts met de vloedt beliep hun een dikke duistre mist, zoo dat ze genoodtzaakt waaren vyf of zes mylen van de hoek van 't Noordtvoorlandt (die Westtenzuiden en Westzuidtwest van hun lagh) te ankeren, en daar dien nacht te blyven +leggen. In den morgenstondt, hoewel 't noch vry mistig was, ging men weêr t'zeil, met een styve Noordelyke koelte. Twee uuren daarna kreegen de Neêrlanders een Engelsch fregat, en twee kitzen, in 't gezicht. De Ruiter deed terstondt sein, dat de naaste scheepen daar jacht op zouden maaken. De L. Admiraal van Nes toen op 't fregat aanhoudende, en ziende dat d'Engelsman het voor hem zocht over te haalen, hieldt daarom wat af: de Kapitein Laucourt was toen wat in de windt van hun, en schoot nevens van Nes eenige schooten op 't fregat. De Kommandeur Kornelis Jakobszoon van der Hoeven, of anders Kees van Overschie, quam met het jacht de Faam van onderen opsteeken, hem den pas afsnydende, en schoot zes of zeven schooten op hem. Daarna zette van Nes naar hem toe, en hy streek zyn vlagh. Maar de sloep van Laucourt was 't eerst aan zyn boordt: zoo dat 'er daarna geschil viel over +'t recht van de prys. Dus werdt dat fregat, genoemt de Fransche Victorie, gemonteert met achtendertig stukken, en bemant met honderdtenveertig man, doch meest geprest volk, zonder veel weêr te bieden, na dat hy twee of drie schooten hadt gedaan, zoo loffelyk verovert als schandelyk overeegeeven. De twee kitzen ontliepen 't. Maar 't verovert fregat raakte vast aan de grondt: waar op straks ordre werdt gegeeven, om 'er 't volk uit over te neemen, en, in gevalle men 't zelve met dat gety niet kon afbrengen, daar zonder tydtverzuim den brandt in te steeken; doch men kreegh 't noch los, en 't werdt zedert naar Goereê opgezonden, daar 't behouden aanquam. Men vraagde den Engelschen Kapitein van 't gemelde fregat, genoemt Flytser, waar de Engelsche vloot was verzeilt? Hy verklaarde dat niet te weeten; maar te vertrouwen, dat ze voor Duins aan de Noordtkant van 't Noordtvoorlandt +lagh, en dat hy ze daar meende op te zoeken. Daar op zeilde 's Landts vloot voort, maakende sterken vaart, en quam ontrent ten een uur naa middagh voor Duins, met vast besluit van voorts daar binnen te zeilen, en zonder uitstel den vyandt met kracht op 't lyf te vallen: daar toe alles vervaardight, de noodige ordre gestelt, en 't handtgeweer alreedts uitgedeelt was. Want men hadt beslooten, zonder lang schutgevaar te houden, straks aan boordt te klampen en te enteren. Doch nader +by Duins koomende, vondt men daar geen Engelsche vloot, en niet dan zes kleene scheepkens. Daar op zeilde de Ruiter weer benoorden boven de drooghte van de Goenge of Goodwinzand, en ley weer t'zeewaarts over. Toen liet men de Hooftofficieren aan de Ruiters boordt seinen, en by den Ruwaart, de Ruiter en den gantschen Krygsraadt, werdt beslooten, d'Engelschen tot binnen Wicht te vervolgen, en aldaar aan te tasten. Maar ontrent twee uuren, naa 't neemen van dat +besluit, gezeilt hebbende, quam Kapitein Lonke, voerende het Zeeuwsch fregat Delft, den Ruwaart en de Ruiter aandienen, dat hy een Deensch +koopvaarder, koomende van Sint Malo, hadt opgeloopen en bejegent; die hem bekent hadt gemaakt, dat zich de Fransche vloot verleden Saterdagh, den veertienden May, beoosten het eilandt Wicht by d'Engelsche vloot hadt gevoeght. Men vernam zedert dat ze t'zaamen sterk waaren drieëntachtig oorlogscheepen, eenige kleene fregat-

[p. 659]origineel

ten, +en zes- of achtentwintigh branders. Hier op oordeelde de Ruiter dat men de scheepen van 's Landts vloot diende te verzaamelen en by een te trekken, en daarna te beraadtslaagen wat verder stondt te doen. Hy deed toen sein van te verzaamelen, en wierp het anker recht voor +de stadt Doeveren. Maar de windt stak zoo hardt op uit den Noordtoosten dat men geen Hooftofficieren aan boordt kon krygen: etlyke +scheepen zyn met hunne ankers een groot einde voortgesleept. In dien storm leden wel achtien scheepen schaade aan ankers en touwen, of aan beide: onder anderen verloor de Ruiter een anker, Bankert twee ankers, en Evertszoon een kabel, en Laucourt twee ankers en twee kabels. Dit harde weder wat afneemende quam de Krygsraadt eerst den zeventienden op 't Admiraalschip, de zeven Provincien, by een. Men sprak met den Deenschen Schipper, die toen verklaarde, dat hy 's Vrydaghs te vooren zelfs door de Fransche vloot hadt gezeilt, die beoosten 't eilandt Wicht het anker hadt geworpen en zich daar gezet: en dat hy op Saterdagh d'Engelsche vloot hadt ontmoet, die de Hoofden was gepasseert, en haaren koers West aan stelde. Zoo dat men aan de zamenvoeging der twee vyandtlyke vlooten niet hadt te twyffelen. 'T viel den Ruwaart, de Ruiter, en andere Officieren, zeer verdrietigh, dat, +door het lang vertoeven der Zeeuwen, de vyanden zoo veel tydts en gelegentheit was gegeeven, om zich by een te zaamelen. In den Krygsraadt werdt by alle de Leden eenpaarighlyk verstaan, dat, dewyl de maght der vyanden door die zamenvoeging zoo merkelyk was +versterkt, het voor den dienst van den Staat in geenen deele geraaden zou zyn, in 't Kanaal of by 't eilandt Wicht met de vyanden slagh te waagen: dewyl daar voor 's Landts scheepen, die reddeloos of maste loos moghten worden geschooten, geen havens zouden zyn te bekoomen of te bezeilen, dan ontrent Sint Sebastiaan, of Corunna, twee Spaansche havens, die byna honderdtenvyftig mylen van Wicht waaren +verscheiden. Voorts werdt goedtgevonden de vloot te posteeren tusschen de Wielingen en de Maaze, ontrent vyf of zes mylen van de wal, om aldaar de resteerende scheepen van oorloge, die in de Kollegien ter Admiraaliteit werden gereedt gemaakt, in te wachten, en daarna den vyanden 't hooft te bieden. Dit besluit werdt aan hunne Hoog. Moog. door +brieven, met een vaartuigh afgezonden, bekent gemaakt, met verzoek dat de toerusting, straks gemeldt, moght werden vervordert, en de scheepen die noch te koomen stonden ten spoedighste naar 's Landts vloot verzonden: inzonderheit de branders, die noch ontbraken, en in korten tydt gereedt konden zyn; dewyl men daar merkelyke dienst +van verwachtte. Ondertusschen was Kapitein Wytze Beyma, met 't schip +de Steden, by 's Landts vloot gekoomen. Daarna zyn noch by de vlagh aangekoomen de navolgende scheepen.

+V. De Schoutbynacht Brunsveldt. Prins Hendrik Kasimir.
V. Kapiteinen Christiaan Ebels. De zeven Wolden.
V. Ide Hilkes Kolaart. Westergo.
A. Kommandeur en Kap. van Meeuwen. De Reiger.
A. Kapitein Nikolaas Boes. Jaarsveldt.

Met twee branders.

V. Ysbrandt Ulbertszoon. De Welkomst.
V. Jakob Schenk. De Papiermoolen.

[p. 660]origineel

+Voorts noch drie advysjachten, en zes branders uit Zeelandt.

  Advysjachten.
+Z. Teunis Matthyszoon. Een Snaauw.
Z. Tieleman Jakobszoon. St. Joris.
Z. Andries de Boer. De Tonyn.
  Brandtscheepen.
Z. Pieter Harmenszoon. St. Anna.
Z. Benjamin Stevens. St. Jan.
Z. Adriaan Janszoon. Ste. Catharina.
Z. Antony Janszoon. D'Appelkaa.
Z. Marten Andrieszoon. D'Eendraght.
Z. Jan van Ede. De Haas.

Hier door werdt 's Landts vloot merkelyk versterkt, die den negentienden, met een windt uit den Noordtoosttennoorde, Oostzuidtoost aan zeilde, en, over en weer laveerende, om weer in de Noordtzee te geraaken, ontrent Kalis, ruim twee mylen Zuidtzuidtoost van haar leggende, ten anker quam: daar eenig vaartuig van Nieupoort tyding braght, dat 'er drie genoome Hollandtsche Sint Uvesvaarders, met zout gelaaden, voor Duinkerken laagen: daar terstondt de Kapiteinen Aarssen en Kornelis van der Zaan, met twee fregatten, naar toe werden gezonden, om de zelve, waar 't moogelyk, t'ontzetten of te herneemen. Daar by koomende, joegen ze twee Hollandtsche genoome fluitscheepen aan strandt, doch konden met hunne sloepen daar niet by koomen, vermits de fluiten vol muskettiers waaren, en de Fransche kapers daar dicht by +tegens de grondt zaaten. Den twintighsten tegens den avondt quaamen +de Kapiteinen Barent Rees en Ysselmuiden, met de scheepen Dordrecht en Delft, uit de Maaze, by de vloot. Op dien zelven dagh werdt beslooten, eenige van de lichtste scheepen, onder den L. Admiraal van Ghent, de riviere van Londen op te zenden, om te zien of men daar den vyandt niet eenigen afbreuk zou konnen doen. Doch dat voorneemen +werdt noch uitgestelt. Den volgenden dagh ging men weer t'zeil Noordtwesttennoorden aan, en zagh het Noordtvoorlandt zes mylen Westelyk van de vloot leggen, die tegens de middagh weêr ten anker moest koomen. Men beval toen Kapitein Braakel, met zes scheepen, als buitewachten, van de Duinkerksche banken tot het Noordtvoorlandt toe, tot den vierentwintighsten der maandt, op kundtschap te blyven kruissen. +De Ruwaart verstondt dat men noch dien zelven avondt ten zes uuren zou onder zeil gaan, 't welk de L. Admiraal Generaal de Ruiter te vergeefs +afriedt. Maar men hadt d'ankers naau opgewonden, of daar quam schielyk een zwaare dikke mist op, die den dagh in een nacht veranderde. Men kon geen twee scheeps lenghte van zich af zien. De Ruiter zeilde met kleen zeil Noordtwest aan, en, zich zelven met al de scheepen in gevaar vindende om tegens elkanderen aan te stooten, moest eindelyk met schieten uit geschut en musketten, en met trommelen, sein doen dat men weêr ten anker zou koomen: 't geen ter naauwer noodt +werdt naagekoomen. Den drieëntwintighsten hadt men 't Noordtvoorlandt in 't West noch al in 't gezicht, toen de volgende scheepen uit Texel by de vloot quaamen.

+N. De Schoutbynacht Vlug. 'T Wapen van Enkhuizen.
N. Graaf Jan van Hoorne. Westvrieslandt.
A. L. Kornel François Palm. Waasdorp.
N. Kornelis Stoffelszoon Mik. Twee Snaauwen De zwarte Ruiter, een brander.

[p. 661]origineel

+Tegens den avondt quam de vloot ontrent het Konings Diep, en de +Ruiter zeilde op vier vadem over de Galper, dat gevaarlyk zandt: doch eer 't klemde ontging men 't gevaar. Daarna zagh men neegen Engelsche Konings scheepen met eenigh kleen vaartuig, daar men jacht op maakte: maar d'Engelschen liepen 't Konings Diep op, en de duisternis +des nachts belette hen te vervolgen. Doch men maakte den zelven avondt een esquadre van vyftien scheepen en fregatten uit, met zeven advysjachten, acht branders en zes galjoots, onder den L. Admiraal van Ghent, Viceadmiraal Evertszoon en Schoutbynacht van Nes: met last om de gemelde Engelsche scheepen met het aanbreeken van den dagh straks te volgen, en alle moogelyke afbreuk te doen. De Ruwaart toon de zich zeer genegen om met van Ghent de riviere op te loopen: maar de Ruiter en d'andre Hooftofficieren verstonden gezaamentlyk, dat hy, in een tydt in welke men de vyandtlyke vlooten alle uuren te verwachten hadt, van de Hooftvlagge niet behoorde af te gaan. De L. Admiraal van Ghent ging over op 't schip de Leeuwen, 't welk gevoert werdt door den Kapitein van Lier, en bestondt zyn esquadre uit de volgende scheepen.

L. Admiraal van Ghent, op't schip De Leeuwen.
Viceadmiraal Evertszoon. Zierixzee.
Schoutbynacht Jan van Nes. De Ridderschap van Hollandt.
Engel de Ruiter. Deventer.
David Swerius. De Beschermer.
Philips de Munnik. Essen.
Karel van der Putten. Ter Goes.
Adriaan van Kruiningen. Ter Veere.
François van Aarssen. Uitrecht.
Simon Lonke. Delft.
Moises Wichmans. Harderwyk.
Pieter Klaaszoon Dekker. Bommel.
Titus van Nassau. De Haas.
Marcus Willemszoon van Roye. De Galey.
Kornelis Tyloos. Overyssel.

+Men ging met zonnen opgang onder zeil. De Viceadmiraal Evertszoon met zyn smaldeeling hadt de voortoght, van Ghent zeilde in 't midden, en de Schoutbynacht van Nes voerde d'arrieregarde. 'T wierdt recht op d Engelschen aangezet, die met elf zeilen, en daar onder zes of zeven kloeke scheepen, (de rest waaren branders) noch ten deele ten anker laagen, en zommige dreeven in de mondt van 't Konings Diep pas binnen de gronden. Zy rangeerden zich in goede ordre, sein geevende +als of zy van Ghent wilden wachten. Doch ziende dat het recht op hen aanging, naamen ze de vlucht, en liepen, met een voorvloedt en ruimen windt, de riviere op. De Nederlanders volgden hen in goede ordre, en met zoo veel spoedts als moogelyk was, in de gronden: maar toen men voorby de middelplaat en houte baakens was gepasleert, liet van Ghent de roode vlag waaijen, 't welk het sein en teeken was dat elk zyn best zou doen met jaagen en aan boordt klampen. Maar zy wilden niet eens gieren, alhoewel zommige van hunne scheepen zoo wel bezeilt waaren dat ze hun marszeils ter halver steng voerden. Zy schooten al loopende achter uit op Kapitein Lonk: die de voorste der Nederlanders was, en, zonder een schoot te schieten, zyn best deed om iemant van hun aan boordt te koomen. Men joegh hen tot dicht on-

[p. 662]origineel

der +'t kasteel van Charnesse, achter 't welk noch twee groote scheepen ten anker laagen. Ook was noch een groot fregat, met twee kitzen, die in 't gat van Harwits hadden gelegen, by hen gekoomen. Onder 't geschut van 't gemelde kasteel koomende staaken eenige by, en schooten sterk, doch van verre, op de Kapiteinen Lonk, Wichmans, en andre van de voorste scheepen; insgelyks uit het kasteel. Van Ghent deedt daar op sein, om die lichte te doen afkoomen, en met eenige der zwaarste scheepen hun naast te blyven, meenende dat ze met de ebbe, die +toen begost in te breeken, op hem zouden afkoomen. Doch d'Engelschen hebben zich al t'zaamen dicht achter 't kasteel gezet, 't welk, zedert dat het de Hollanders hadden bemaghtight, in zulk een staat was gebraght, en met zoo veel zwaar geschut voorzien, dat van Ghent oordeelde dat men daar geen voordeel kon doen, of, met de minste hoope van iet te verrichten, de vyanden aantasten, wegens hun veilig verblyf en 't geschut van 't kasteel. Derhalven besloot hy met zyn scheepen weêr af te laveeren, en zich, volgens zyn ordre, ten spoedighsten wederom +onder de vlagge te vervoegen. Maar in 't afzeilen raakten eerst de Kapitein de Munnik, en daarna de Viceadmiraal Evertszoon, en 't brandtschip de Vreede van Rotterdam, aan de grondt: doch zonder schaade, en met het inbreeken van de vloedt raakten ze weêr klaar. D'Engelschen hadden de ton van de Middelplaat verleidt, dat de Nederlandtsche scheepen in gevaar braght van op de drooghten te stooten: doch toen ze 't gewaar wierden beval van Ghent de ton in de grondt te booren, en eenige baakens, staande op de Noordtwal, af te hakken. +Den zesentwintighsten quam hy, zoo lang door tegenwindt opgehouden, +weêr by 's Landts vloot: daar men hem met verlangen te gemoet zagh; dewyl men d'Engelsche en Fransche vlooten t'aller uure verwachtte. Ten zelven daage quaamen noch drie oorloghscheepen, vyf branders en twee snaauwen onder de vlagh, te weeten:

+N. Pieter Klaaszoon Wynbergen. 'T Wapen van Hoorn.
N. Kornelis Jakobszoon de Boer. Jupiter.
Z. Kornelis Evertszoon. Swaanenburgh.
Vier branders uit Zeelandt, een uit het Noorderquartier, en twee Snaauwen uit Vrieslandt.  

Midlerwyl hadt men met den L. Admiraal Generaal de Ruiter en den +Krygsraadt weer beraadtslaaght, en overleidt waar dat men de vyandtlyke vlooten met het meeste voordeel zoude inwachten, of trachten te bejegenen. Hier over zyn verscheide redenen gewisselt en inzichten overwoogen, en hoewel de meeste in 't begin verstonden, dat men de vyanden ter halver zee dwars van Duinkerken, het Noordtvoorlandt Westzuidtwest en Westtenzuiden van 's Landts vloot, behoorde te verwachten: zoo werdt, met genoeghzaam eenpaarig goedtvinden, beslooten, +zich nu voor 't Konings Diep, de hoek van Olphernes benoorden van 's Landts vloot, voor eerst te posteeren. Dit scheen toen de voordeelighste post voor de vloot te zyn: eerstelyk, om dat, daar leggende, alle winden van het Noorden den Nederlanderen uit het Westen de loef +zouden geven; daar in 't tegendeel, indien ze zich ter halver zee posteerden en onthielden, alle winden, die de vyanden door de Hoofden zouden helpen, ook noodtzaakelyk het voordeel des windts, of de loef, hun zouden toebrengen: maar nu, genoodtzaakt wordende buiten de zanden om te zeilen, zou dat veellicht den Nederlanderen 't voordeel van den windt verschaffen: 't welk van groot gewicht is, inzonderheit om de

[p. 663]origineel

+branders met vrucht te besteeden. Ten anderen, meende de Ruwaart dat de Nederlanders immers zoo wel ontrent d'Engelsche kust dan ontrent de hunne zouden vechten: doch de reden van dat gevoelen werdt niet uitgedrukt. De vloot, zedert eenige daagen met een goedt aantal +van scheepen versterkt, ontbrak noch een merkelyk getal van matroozen, waar over aan de Kollegien ter Admiraaliteit met grooten ernst werdt geschreeven, ten einde dat ze dat gebrek, door 't spoedig aanneemen van volk, zonder uitstel moghten vervullen. By d'Admiraaliteiten werdt met onophoudelyke vlyt aan de toerusting van scheepen en branders gearbeidt: en men zondt van dagh tot dagh al 't volk dat men bekoomen kon naar de vloot, om de gebrekkelyke scheepen te beeter te bemannen. +Ter middernacht naa den zevenentwintighsten quam Kapitein Almonde van de buitenwacht aan de Ruiters boordt, met tyding, +dat hy den zesentwintighsten 's avondts by de Engelsche en Fransche vloot was geweest, tusschen de Goenge, of Goodwinzand, en Duinkerksche banken, sterk ontrent tachtigh scheepen. De L. Admiraal Generaal daar op met 's Landts vloot onder zeil gaande Oost over, dachte +de vyanden 's anderendaaghs t'ontmoeten: maar in goede order ontrent den Galpar gekoomen, zagh men niemant: hoewel de L. Admiraal Bankert ook verklaarde, dat hy den vyandt 's avondts te vooren +hadt gezien. Den negenentwintighsten wende de Nederlandtsche vloot +Zuidtwest aan, en zagh ontrent ten negen uuren voor den middagh de vyandtlyke vlooten, die in de windt van hun waaren, en de loef hadden, op haar aankoomen. De Ruiter wende ook het hooft naa haar toe: houdende de vloot zoo veel moogelyk was in goede ordre en rang. Ontrent den middagh waaren de vyanden zoo naa gekoomen, dat men ze bescheidelyk kon onderkennen, en de vlaggen onderscheiden. Men telde +ontrent honderdt en in de dertig zeilen, zoo groot als kleen. Doch hoe groot ook het voordeel van den windt was dat zy hadden, zy staaken, toen ze tot op een kleen myle na de Nederlanders waaren genaaderdt, weêr by den windt, en bleeven nevens hen een zelven koers zeilen. De windt was toen Westzuidtwest, met een redelyke koelte, en Oostende lagh ontrent vyf myl Zuidtoosttenzuiden van de Nederlanders af, die, 's avondts ten negen uuren tot ontrent de banken van Nieupoort genadert zynde, op de Ruiters sein Noordtwesttenwesten over den anderen boegh wendden: d'Engelschen zyn insgelyks gewendt, zy zeilden in drie esquadres wel in ordre, gelyk ook de Nederlanders deeden. +Onder de vyanden werdt d'avantgarde gevoert by de witte vlag, die men vermoedde de Fransche te zyn, de batailje by de roode, en d'arrieregarde by de blaauwe vlagh. Zy bleeven den gantschen nacht te loefwaart dicht boven de Nederlandtsche vloote, zoo dat men hunne vuuren kon zien. Ontrent middernacht zyn de Nederlanders weer Zuidtzuidtoost gewendt: waar op de vyanden ook sein deeden om van gelyken te wenden. Dus heeft men aan wederzyden sterk gepranght, d'eene om de loef te krygen, d'ander om ze te behouden. Ontrent twee uuren in de morgenstondt hadt men een zeer deyzige lucht, en de Ruiter deedt weêr sein om Noordtwesttenwesten over te wenden, en toen zagh men niet een Engelsch of Fransch schip, 't geen den Nederlanderen vremdt +dacht. Naa 't wenden beviel hun een zeer zwaare mist. Zy pooghden +evenwel, zoo veel moogelyk was, op te laveren; om by de vyanden te blyven. Ten tien uuren voor de middagh begost het op te klaaren, en +zoo hardt te waaijen, dat 's Landts vloot vry veel werdt verspreidt: men

[p. 664]origineel

+deedt daar op sein om de scheepen in hunnen rang te verzaamelen, en +zagh toen dat de vyandtlyke vlooten ook merkelyk waaren verstrooit, en eenige boven de Nederlandtsche geankert, en ontrent twintig, meest met witte vlaggen, een half myl boven hen ongeankert lagen. Ondertusschen stak de windt zoo hevigh op, dat men de marszeils moest inreven, +en met de fok en schooverzeils zeilen. De L. Admiraal Generaal de Ruiter verstondt, dat men onder zeil moest blyven, en zoo dicht en beneeden de vyanden niet moght ankeren, dewyl zy boven windt en stroom van 's Landts scheepen waaren, die alle, hadden ze 't anker geworpen, zouden genoodtzaakt zyn geweest hunne kabels te kappen, indien de vyanden hadden goedtgevonden op hen af te koomen. Ontrent den middagh nam de windt noch toe uit den Zuidtwesten, en ten vier uuren zyn de Nederlanders voor windt omgewendt. Hun groot marszeil naamen ze in, en zeilden Noordwesttenwesten. Dus af en aan houdende, zyn ze, door den sterken windt en inkoomende vloedt, hoewel ze alle vlyt hebben aangewendt om op te koomen, zeer verre afgezakt: zoo dat ze 's avondts ten vyven tusschen de kust van Vlaanderen en Walcheren quaamen, en Brugge ontrent twee myl en een half Zuidtoost van hun lagh. Hier hielden ze zoo veel af en aan als ze konden, tot dat hun beter gelegentheit en kans van voordeel op de vyanden zou voorkoomen. De volgende nacht stilde de windt, zoo dat ze +niet verder afdreeven. Des anderendaaghs woey de windt uit den Westnoordtwesten met weinig koelte, en ze zaagen des morgens de vyanden +in 't Westen twee mylen boven hun. Waar op zich de Nederlanders in ordre rangeerden, en zeilden Zuidtzuidtoost van zeven tot elf uuren voor den middagh, en toen weêr wendende zaagen ze Oostende drie mylen Zuidtzuidtoost van hun, en stelden hun koers Westnoordtwest, niet twyffelende of 't gevecht zou dien dagh hebben begonnen. Maar +de vyanden, gestaadig boven windt zeilende, vonden niet geraaden op hun af te koomen, maar hebben 't weêr afgewendt. De Ruwaart, de Ruiter en de Krygsraadt beslooten, dat men van de vyanden niet zou afwyken, en alle vlyt doen om de zelve te bezeilen. Men kon niet bedenken wat de vyanden bewoogh om 't gevecht weêr te schuwen: daar de windt hun zoo gunstig was als zy 't van den heemel konden wenschen, en dienvolgens de Nederlanders met merkelyk voordeel konden +aantasten. Eenige oordeelden dat hun moedt gebrak: 't welk aan d'andere zyde de Nederlandtsche Officieren en matroozen te meer aanmoedighde om 't gevecht te zoeken; want geduurig boven windt te zyn en niet af te koomen, jaa tot tweemaal, als men hun naaderde, af te wenden, hielden ze voor vertzaaghtheit. Anderen meenden, dat ze zwaarigheit maakten om zoo dicht op de Vlaamsche kust te vechten. Ook ontfing de Ruwaart eenige tydingen uit Engelandt, hem door zyn broeder den Raadtpensionaris de Wit toegezonden, meldende, dat 'er op d'Engelsche vloot veel zieken waaren, die noch daagelyks vermeerderden: dat ook d'Engelschen de Fransche scheepen zoodaanig niet bevonden als ze wel hadden verwacht. Hier uit hadt men bedenken dat 'er licht eenigh misnoegen, misvertrouwen en oneenigheit tusschen beide kon ontstaan. De Ruiter deed midlerwyl gestaadig zyn best om by de vyanden te koomen: en zondt eenige van de bezeilste advysjachten op kondtschap, om te verneemen werwaarts dat ze waaren verzeilt. Men hadt dien dagh weêr sterken windt, en als de Ruiter, tegens den +avondt Zuidt over wendde, braaken zyn groote ree en grootmars-

[p. 665]origineel

zeilsree +te midden door. Zyn zeil en groot marszeil scheurden van boven tot beneden: het boevenet raakte geheel in stukken, en de stukken van de rees met de zeilen vielen te gelyk om laagh, naauwlyks een mans langhte van den L. Admiraal, zonder dat hy, of iemant anders, hoewel 't op die plaats gemeenlyk vol volks was, werdt geraakt of bezeert. Dees ramp gaf eenige ontsteltenis by zommigen, vreezende dat men 't schip zou moeten opzenden, of te veel volks en tydts zou moeten +hebben om alles te herstellen. Maar de L. Admiraal braght, door zyn kennis en wakkerheit, met zyn eigen volk te weegh, dat binnen weinig uuren alles weêr kant en klaar was. Doch dien nacht stak hy met de fok en bezaanen Zuidtzuidtwest over; tot den eersten van Junius, toen hy in staat was dat hy d'andre scheepen kon byhouden. Hy vervolgde zyn koers, en zagh Duinkerken naa den middagh Zuidttenoosten van zich leggen, en zeilde Westnoordtwest tot middernacht. Toen scherpte de windt, en men kon maar Noordtnoordtoost zeilen. Twee +uuren daarna zagh men eenige scheepen, die men in den duister niet kon onderscheiden en voor Engelschen of Franschen aanzagh. De Ruiter deedt daar op sein als op vyandtlyke scheepen, en elk maakte zich slagvaardig, meenende midden onder de vyanden te zyn: maar met den dagh zagh men dat het van Ghent met zyn esquadre was, die eenighzins zyn koers hadt veranderdt. Dus heeft men van dagh tot dagh +alle vlyt aangewendt om de vyanden t'ontdekken. Doch hoe zeer dat men de vyandtlyke vlooten zocht te naderen, men was echter niet van meening 't gevecht met tastelyk naadeel, en groot voordeel der vyanden, te zoeken: maar men verstondt, (gelyk ook al de resolutien, zoo wel by den gantschen Krygsraadt, als met de L. Admiraalen genoomen, inhielden) dat men zou trachten 't voordeel van den windt te bekoomen, ofte, beneden den windt blyvende, ontrent de Zeeuwsche of Vlaamsche kust te vechten; op dat alle reddelooze vyandtlyke scheepen op de gronden en zanden, tegens de laage wal, zouden vervallen. Den +tweeden van Junius was men met 's Landts vloot opgelaveert tot ontrent acht mylen van 't Noordtvoorlandt, zonder d'Engelsche of Fransche vlooten te verneemen. Doch de Kapitein Titus van Nassou, voerende het fregat de Haas, en voor uit kruissende, maakte den Ruwaart bekent, dat hy de vyanden voor 't opkoomen van den dagh ontrent vier +mylen van 't Noordtvoorlandt hadt gezien. Den derden der zelve maandt werdt 's Landts vloot noch versterkt met vyf brandtscheepen, uit Texel, t'Amsterdam toegerust: ook noch met honderdtendertig matroozen, +om op d'Amsterdamsche scheepen 't gebrek van zeevolk te vervullen. Te vooren was ook de Kapitein Jan Krook, met het schip de Kaleb, van Hoorn, by de vlagh gekoomen. Voorts werdt beraadtslaaght om, naar 't exempel van 't jaar mdclxvii, eenige fluitscheepen met vivres en +bier naar 's Landts vloot te zenden, op dat men by gebrek van levensmiddelen niet genoodtzaakt zou zyn t'ontyde in te vallen: ten welken einde de Ruwaart ordre gaf, dat alle de Bevelhebbers der scheepen zouden opgeeven voor hoe lang zy, van dees tydt af te reekenen, van victualie, bier en waater waaren voorzien, om daar uit overslagh te maaken +wat men uit het vaderlandt hadt t'ontbieden. Den vyfden quam de Kapitein Henrik Visscher, met het schip het wapen van Medenblik, uit Noordthollandt, by de vloot, en noch achtendertig matroozen van +Rotterdam, en den zesten noch een fregat van Rotterdam, genoemt de Graaf van Hollandt, en noch vier Rotterdamsche brandtscheepen. Naa

[p. 666]origineel

+'t aankoomen deezer scheepen bestondt nu 's Landts vloot in ontrent +91 scheepen en fregatten van oorlogh, 54, of, zoo anderen zeggen, 44 brandtscheepen, en 23 advysjachten, t'zaamen 168 of 158 zeilen. Ook was de vloot, door 't volk van tydt tot tydt toegezonden, nu redelyk wel bemant, en alle de Bevelhebbers, matroozen en soldaaten uitermaaten wel gemoedt, en verlangden, naar 't uiterlyk scheen, om den slagh, onder Godts zeegen, aan te gaan en te waagen. Dien zelven dagh +zyn de twee advysjachten, te vooren afgezonden om de vyanden op te zoeken, te rugh gekeert, verhaalende dat ze op Vrydagh, den derden van Junius, d'Engelsche en Fransche vlooten in Soulsbaay hadden gezien, die daar ten zelven daage waaren geankert. Ook braghten de Kommandeurs der gemelde jachten drie Schippers van Noorweegen aan de Ruiters boordt, die 't zelve betuighden: en een der zelve verklaarde, dat hy zelf op 't schip van den Hartogh van Jork was geweest, en met zyn Hoogheit hadt gesprooken. Op deeze kundtschap riep men den +Krygsraadt by een, en besloot met eenpaarige stemmen, dewyl de windt nu uit den Noordtoosten woey, en 's Landts vloot naar alle waarschynlykheit den loef zou hebben, dat men dat voordeel moest waarneemen, +en d'Engelschen en Franschen in Soulsbaay slagh leveren. Men heeft toen, op 't goedtvinden van den L. Admiraal Generaal de Ruiter, uit ieder smaaldeel van zyn esquadre twee scheepen van oorloge en twee branders uitgekooren, met last, dat de zelve, wanneer men by de vyanden zou zyn gekoomen, een weinig voor uit zouden steeken, en trachten, onder faveur van de kracht en rook van hun kanon, en van dat der andere scheepen, de gemelde branders wel te besteeden. Ook zondt men ordre aan de L. Admiraalen Bankert en van Ghent, om elk in hunne smaldeelen van gelyken te doen. Uit het Hooftesquadre zyn daar toe geschikt de volgende scheepen.

Uit het smaldeel van den L. Admiraal van Nes.

Kapiteinen. Branders.
Jan van Braakel. Dirk de Munnik.
Pieter Tomaszoon Sitter. Kornelis Pieterszoon Schuit.

Uit het smaldeel van den L. Admiraal de Ruiter.

Kapiteinen. Branders.
Engel de Ruiter. Andries Randel.
L. Kornel Palm. Jan Danielszoon van Ryn.

Uit het smaldeel van den Viceadmiraal de Liefde.

Kapiteinen. Branders.
Yde Hilkes Kolaart. Pieter Besançon.
Philips van Almonde. Abraham Schryver.

De vloot ging ten zelven daage ten negen uuren voor middagh onder zeil, en de Ruiter deed sein om in rang te zeilen, eerst Noordtoost over, en daarna Noordtwest, den gantschen dagh, en vervolgde dien +koers den geheelen nacht, tot den zevenden van Junius, een gedenkwaardigen dagh, op den welken, met een grouwzaam en bloedigh gevecht, +het groot geschil tusschen de twee vyandtlyke Koningen en den Staat der vereenighde Nederlanden werdt betwist, en daar 't aan hing of de Hollanders en hunne bontgenooten vrye luiden zouden blyven, of onder 't juk van Engelschen en Franschen vervallen. Met het aanbreeken van dien dagh quam 's Landts vloot voor Souwlsbaay, een haven of inham tusschen Harwits en Jarmuiden, met een Oostnoordtoosten windt,

[p. 667]origineel

+en kreegh de Engelsche en Fransche vlooten ten vyf uuren in 't gezicht, +sterk ontrent honderdtdertig zeilen. Doch eenigen melden dat d'Engelschen 116 oorlogscheepen in getaale waaren, behalven 24 kitzen: en de Franschen 48 scheepen, of, gelyk anderen willen, 33, en 8 branders, met 4 fluiten: voorts dat d'Engelschen bemant waaren met 23530 koppen, en gemonteert met 4092 stukken geschuts, de Franschen bemant met ontrent 11000 man, en gemonteert met 1926 stukken. D'Engelsche en Fransche vlooten laagen ten anker, en de Nederlandtsche vertoonde zich zoo onverwacht en schielyk voor de baay, dat veele hunne ankers moesten kappen, om onder zeil te gaan, en zich in ordre +te stellen: dat in der yl geschiedde. Zy waaren, gelyk de Nederlanders, in drie esquadres verdeelt, en de Hartogh van Jork, die, als Admiraal des Ryks, het opperbevel hadt, voerde 't esquadre der roode vlagge in 't midde. De rechter vleugel bestondt uit het esquadre der witte vlagge, daar de Fransche scheepen waaren geplaatst, onder 't gebiedt van Johan, Graaf van Estrees, Viceadmiraal van Vrankryk: en 't esquadre der blaauwe vlagh, onder 't gebiedt van den Admiraal Eduard Montagu, Graaf van Sandwich, maakte de slinker vleugel. De Hartogh van Jork voerde het schip de Prins, of, zoo 't anderen noemen, de Sint Michiel, met een Koningklyke vlagh van boven. D'Engelschen en Franschen, +onder zeil geraakt, leiden 't om de Noordt. De Nederlandtsche vloot, die nu 't voordeel des windts hadt, doch met kleene koelte, zakte allengs naar de vyanden toe. De L. Admiraal de Ruiter liet de roode vlagh onder de bezaansroe waaijen, tot een teeken om aan te vallen. Hy ley het met zyn esquadre om de Zuidt, om by 't Engelsch Hooftesquadre der roode vlagh te koomen. De L. Admiraal Bankert liep ook om de Zuidt, om de witte vlagh, of de Franschen, aan te tasten. De L. Admiraal van Ghent stelde zyn koers naar 't esquadre der blaauwe vlagge, dat het Noordelykste was. De drie esquadres zeilden, elk in den rang van hun drie smaldeelen, byna als in een rechte linie benevens malkanderen: de Ruiter in 't midden, Bankert aan de slinker en van Ghent aan de rechter zyde. De twee oorlogscheepen, elk met twee branders, uit elk smaldeel gekooren, gelyk verhaalt is, maakende t'zaamen een getal van achtien scheepen en achtien branders, zeilden voor elk +esquadre een weinig voor uit, van d'andere gevolght. De Ruiter hadt de zynen met weinig woorden tot dapperheit aangemoedight, en elk in gescherpt hoe zeer zy verplicht waaren om 't lieve vaderlandt, om 's Landts vryheit, en aller lyf en leeven, goedt en bloedt, tegens t'ongerechtig geweldt der vyandtlyke Koningen met kloekmoedigheit te beschermen. +Ontrent ten zeven of acht uuren voor middagh raakten de twee vlooten in een zwaar gevecht. De Ruiter, met zyn esquadre op de roode vlag toezettende, zeide tot zyn Opperstuurman, Stuurman Zeger, dat 's onze man, wyzende met zyn vinger op den Hartog van Jork. De Stuurman, zyn muts lichtende, antwoordde op zyn zeemans, Myn Heer, dat zal u gebeuren, en liep tot op een pistoolschoot recht +op hem toe; maar toen wendde het schip met zyn zyde tegens de zyne, en gaf hem de laage, daar hy met zyn geschut op antwoordde, en daar meê was 't gezicht door de dikke rook genoeghzaam wegh, en de weinig windt, die men hadde, werdt terstondt gelyk als doodtgeschooten. D'ysselykheit van 't gevecht dat daar op volgde kan men zich bezwaarlyk in zyn eigen gedaante verbeelden. Het schip de zeven Provincien lag den Hartogh ontrent twee uuren op zyde, en zy schooten elkan-

[p. 668]origineel

deren +zeer reddeloos. De Ruiters geschut ging zoo gezwindt af, als of men met musketten hadt geschooten: en eindelyk werdt ontrent ten +negen uuren des Hartoghs groote steng, met de roode vlagh, afgeschooten, en hy zou groot gevaar geloopen hebben van door de branders aangesteeken te worden, hadt het de stilte niet belet. De Hartog van Jork hieldt het ondertusschen draagende, en week van de Ruiter af, doch meer dan een Konings schip vervulde straks zyn plaats: en hy vondt zich genoodtzaakt om met zyn persoon en vlag over te gaan op 't schip Londen, daar men d'Admiraals vlagh of Koningklyken standert zedert zagh af waaijen, zonder dat hy de Ruiter daarna weer naderde. Ontrent +den zelven tydt werdt de Kapitein Jonker Engel de Ruiter, die op zyn post in zyn vaders smaldeel vocht, door een groote splinter op de borst gequetst, zoo dat hy in twee of drie daagen naaulyks kon spreeken of geluidt slaan. Zyn kardoeskisten raakten in 't gevecht tweemaalen leeg. Hy schoot een Engelsch oorlogschip de groote steng af, en hadt dien dagh elf dooden, tien zwaare en vyf mindre gequetsten, zes schooten onder waater, drie van zyne stukken werden de trompen afgeschooten, +en de groote steng en bezaansree zeer beschaadight. Twee jonge Heeren, van Amsterdam herkomstig, en noch een Rechtsgeleerde van de zelve stadt, betoonden in dit gevecht hunne kloekmoedigheit en liefde tot het vaderlandt. Zy hadden zich als vrywilligen op 's Landts vloot begeeven, elk met een goedt getal bootsgezellen, op eigen koste +geworven. D'eerste, Geeraardt Hasselaar, uit het Burgermeesterlyk en manhaftig geslacht der Hasselaaren gesprooten, die twee moederlooze dochterkens, geteelt by een dochter van den Burgermeester en Schout Geeraardt Hasselaar, aan landt liet, vocht met veertig matroozen, alle met Engelsche mutzen met roodt fluweel gestoffeert, op het schip de Beschermer, onder den Kapitein David Swerius, in 't esquadre van den L. Admiraal de Ruiter: maar bekocht zyn yver met zyn bloedt, en hadt d'eere van met een edele doodt, door een koegel getroffen, voor 't vaderlandt +op 't bedt van glory te sterven. De tweede, Koenraadt van Heemskerk, een zoon van wylen den geleerden Raadtsheere Johan van Heemskerk, en een zuster van den Burgermeester Koenraadt van Beuningen, door zyn welspreekentheit en verscheide Gezantschappen vermaardt, was met vyftig bootsgezellen, alle met Engelsche mutzen met blaau fluweel gevoert, op het schip van den L. Admiraal van Ghent, de Dolphyn, daar hy zyn manhaft toonde, en 'er 't leven ongequetst af +braght. De derde, Johan Bergh, Rechtsgeleerde, uit eerlyken stamme van Naarden afkomstig, maar een inwoonder en Vaandrig der burgery t'Amsterdam, hieldt zich met acht matroozen, alle met groen of graauw gestoffeerde Engelsche mutzen, op het schip de stadt Uitrecht, gevoert by den Kapitein Johan Bont, onder 't smaldeel van den Viceadmiraal de Liefde. Dees hadt ook het geluk van zyn stoutheit t'overleven en 't gevecht na te vertellen. De Ruwaart van Putten, die, zoo lang hy in zee was geweest, met zinkingen werdt gequelt, hadt te deezer tydt +eenig ongemak aan zyn been. Hy liet derhalve een groen fluweele leenstoel voor de bovenhut brengen, daar hy zich, op een fluweel kussen, (daar 't wapen van den Staat op stondt geborduurt) als hy vermoeit van staan was, neder zette. Hier hieldt hy zich den gantschen dagh, om alles t'aanschouwen, en op elks bedryf te letten: doch de geduurige rook belette 't gezicht, zoo dat hy naauwlyks een schips lenghte van zich kon zien. Ondertusschen waaghde hy zyn leven voor 't vader-

[p. 669]origineel

landt, +zoo wel als de minste matroos, en de koegels haagelden rondtsom hem heenen. Hy hadt te dier tydt twaalf soldaaten tot Helbardiers, in roode rokken met geele voering, het livrey van Hollandt, gekleedt, by zich, die ontrent hem of op de bovenhut by 't hakkebort stonden, als'er een kanonkoegel, dicht by zyn hooft voorby snorrende, drie van die lyfwachten met een schoot ter nedervelden: twee of drie zyner andere Helbar-diers werden doodelyk gequetst, zonder hoop van leeven, en een van hun zyn beenen afgeschooten. Hy beval, in al dat gevaar even onvertzaaght, den Kapitein der zeesoldaaten, Johan de Witte, de Ruiters schoon-zoon, die by hem stondt, dat men de lichaamen der drie dooden, met hunne roode rokken, in zee zou werpen, 't welk terstondt werdt nagekoomen. Nu staat te melden 't geen ook elders in den strydt voorviel. +De L. Admiraal van Nes liep met etlyke scheepen van zyn smalverdeeling, in 't begin van 't gevecht, naar den Viceadmiraal, en Schoutbynacht der roode vlagge, en ley 't toen met hun mede al schietende om de Noordt. Maar 't werdt daar zoo doodt-kalm, dat ze by malkanderen heen dreeven, en dat men geen scheepen kon verleggen. De gemelde van Nes en d'Engelsche Viceadmiraal der roode vlagge waaren wel anderhalf uur dicht op malkanders zyde, en gaaven wederzydts dapper vuur. Te dier tydt miste de L. Admiraal van Nes den Kapitein Braakel, dewyl de rook en damp hem 't gezicht benam; maar toen 't wat op klaarde zagh hy etlyke gezonke scheepen, en vermoedde toen dat Braakel +in den grondt was geschooten. De L. Kornel Palm en de Schoutbynacht van Nes raakten toen by ongeval aan elkanders boordt, en dreeven zoo rondtsom, want ze konden door stilte niet van een koomen. Doch Palm quam ten anker, en toen raakten ze van een. Ontrent den middagh viel het Engels schip de Koningklyke Catharina, gemonteert met 80 stukken, en gevoert door den Kapitein Johan Chichely, voor 't schip van den L. Admiraal van Nes over staag: zoo dat hy daar niet beneden, of +qualyk boven kon koomen: dies dreeven ze naar elkanderen toe, en hielden lang schutgevecht. Daar quam een brander uit het smaaldeel van Van Nes, roeijende en boechzeerende den Engelsman aan boordt, die de vlagh van achteren streek, en zich zocht op te geeven. Maar +de brander raakte in brandt, en de L. Admiraal van Nes dreef met zyn achter schip tegens den brander aan, en liep groot gevaar van te verbranden, dewyl de brander tusschen hem en den Engelsman lagh. Doch hy liet alle vlyt aan wenden om van den brander af te schaveelen, en dreef zoo langs de zyde van den Engelsman af, eenige grondtschooten op hem schietende. Ook zette Chichely den brander weêr van zyn schip af. Van Nes, toen ziende dat zyn geschutpoorten aan stuurboordt aan 't water laagen, zondt den Kapitein François van Aarssen, met het fregat Uitrecht, en den Kommandeur Wynant van Meurs, met het advysjacht Rotterdam, naar hem toe, met last, om 't volk daar uit te haalen, +en 't schip in den grondt te helpen, of in den brandt te steeken. Zy liepen daar naar toe, en haalden een deel volks, met den Kapitein Chichely, uit het schip. Doch de L. Admiraal van Nes ley 't weer om de Zuidt, en raakte weer in den vyandt: zoo dat hy toen niet wist waar dat dat Engels schip belandde. Maar daarna verstondt men uit Engelandt, dat de Nederlanders, die op 't schip waaren, zich zoo verre in 't ontydig plonderen vergaaten, en zoo weinig ordre hielden, dat d'overige Engelschen hun slagh waarnaamen, hen overvielen, eenige van hun doodtsloegen, 't schip hernaamen en naar Engelandt braghten. De Kapitein

[p. 670]origineel

+Jan van Braakel, voerende het schip Groot Hollandia, zynde, gelyk verhalt +is, een van die zes, die gelast waaren elk met een brander voor de Ruiters esquadre wat voor uit te zeilen, om de branders aan te brengen, deed op dees dagh een' daadt van d'uiterste stoutmoedigheit, die byna nooit in eenigh zeegevecht was gezien, doch wat buiten ordre, dan niet min van nadruk. Volgens de gestelde ordre moest hy uit de Ruiters esquadre, en het smaldeel van Van Nes, tegens de scheepen der roode vlagh vechten. Maar hy, in 't begin van den strydt ter rechter handt uitspattende, met den brander Dirk de Munnik, zette zyn koers om de Noordt naar den Admiraal der blaauwe vlagge Montagu, en zeilde recht op hem aan, zonder een schoot te schieten, hoe zeer ook etlyke Engelsche scheepen op hem schooten, om 't naderen te beletten. Ook schoot Montagu, om hem af te weeren, zoo vreesselyk, dat het koegels scheen te haagelen, en de zee, door 't vallen van koegels en bouten, opstoof, als of ze vol walvisschen waar geweest. Maar Braakel, schoon hem veel volks werdt afgeschooten, wachtte met schieten tot dat hy Montagus schip, de Royale James, 't welk al zyn geschut +hadt gelost, aan boordt ley, en zich daar aan vast maakte. Toen gaf hy hem de volle laage, met een nederlaagh van meenighte van menschen, en ysselyk geschreeuw van noch grooter getal gequetsten. Hier ontstondt +toen een grouwzaam gevecht tusschen ongelyke partyen. Braakel lagh aan Montagus boordt als een boot tegens een groot schip: want hy voerde niet meer dan ontrent 300 mannen, en 62 stukken, en Montagu over de 1000 mannen, en 104 stukken. Doch echter lagh hem Braakel wel anderhalf uure aan boordt, schoot zonder ophouden, en bracht Montagu in zulk een staat, dat hy zyn schip zou hebben opgegeeven, (gelyk zedert zyn Luitenant verklaarde) indien Braakel een vlag hadt gevoert. Hy kreegh wel etlyke sloepen met versch volk, en zocht met enteren, door overtal van volk, zyn vyandts schip te vermeesteren: maar als d'Engelschen 't schip boven in hadden, verweerde zich Braakel met zyn volk van onderen, zonder te kreuken: doch echter werdt zyn schip en wandt zoo doorschooten, dat het geen zeil kon voeren. Ook schoot Montagu twee of drie branders, die op hem afquaamen, in den grondt. De Ruwaart van Putten, ziende hoe Braakel, tegens zyn ordre, in plaats van by de Ruiter en van Nes tegens 't esquadre der roode vlagge te vechten, zich zoo stout tegens Montagu in 't gevecht begaf, nam dat over-treeden zyner ordre (een punt van 't grootste gewicht in alle zeegevechten) zeer quaalyk, en hieldt zyn daadt strafbaar te zyn: doch hy kon echter niet nalaaten zyn stoute dapperheit ten hooghsten te roemen: wenschende dat hy zich in dier voegen tegens Jork hadt aangewendt, en niet straf en roem maar lof en loon verdient. Ondertusschen quaamen noch etlyke andre scheepen (dewyl het esquadre van den L. Admiraal van Ghent ook aan den vyandt was gekoomen) op den Admiraal Montagu af: waar op hy, om zich te beter te konnen redden, Braakels schip liet los hakken, 't welk daar toen reddeloos heenen dreef. Montagu, van Braakel ontslaagen, was in geen staat om zich langer tegens andre scheepen te konnen verweeren. Hy gaf evenwel d'uiterste proeven van rampspoedige manhaftigheit tot ontrent den middag. Toen meende de Viceadmiraal Sweers hem aan boordt te léggen; maar ziende dat de Kommandeur Jan Danielszoon van den Ryn, met het brandtschip genoemt de Vreede, op hem afquam, veranderde van voorneemen, hieldt, naa dat hy hem de laagh hadt gegeeven, van hem af, en liet de gemelde brander

[p. 671]origineel

+daar aan koomen, die daar straks aan vast hechtte, en dat Koningklyk +schip in een oogenblik in den brandt stak, tot een deerlyk schouspel van vrienden en vyanden. Dit schip verbrandde zonder inde locht te springen; dewyl 't door Braakel zoo was doorboort, dat het kruidt nat was, en 't schip aan 't zinken. Het volk sprong by honderden buiten boordt, en poogde 't vuur in 't water t'ontgaan. D'Admiraal Montagu meende zich met zyn zoon in een sloep of boot te bergen, maar die werdt door de meenighte van 't volk in de grondt geloopen, zoo dat hy nevens zyn zoon, of, gelyk anderen verhaalen, met twee zoonen, jammerlyk verdronk. +Dit was het deerlyk einde van Eduard Montagu, Graaf van Sandwich, Viceadmiraal van Engelandt, een Heer van dapperen bedryve, kloek verstandt en beleidt, heusch van zeeden, aanminnig en vriendelyk van gelaat en taal, die zynen Koning, niet alleen in den oorlogh, maar ook in slaatzaaken, en gezandtschappen, treffelyke diensten hadt gedaan. Hy was een der schoonste mannen zyner eeuwe, bloozend van weezen, verciert met blondt lang hair, en werdt van den Koning en 't gantsche Hof, om zyn deughden en diensten, zeer beklaaght. Zyn lichaam was, onder d'andre dooden dryvende, uit de zee gevischt, maar zyn aangezicht, schoon hair, en borst, waaren door den brandt van 't schip zoo verzenght dat hy niet kenbaar was, dan alleen aan zyn gewaadt. Men voerde 't lyk naar Londen, en braght het met een treffelyke lykstaatsy ter aarde. Verscheide andere mannen van aanzien moesten met hem sneuvelen. Zyn Kapitein, Haddok, hoewel gequetst, ontquam 't met zwemmen, en werdt geberght. Zyn Luitenant was door de sloep van den brander, die hem hadt aangesteeken, uit het waater gehaalt, en noch voor de middagh in de Ruiters schip gebraght, +die hem kleederen deed geven, en beval om laag te gaan, op dat hy geen ongeluk kreege. Doch hy verzocht boven te moogen blyven, om te zien hoe 't zou afloopen, zeggende tot den L. Admiraal de Ruiter, Myn Heer, is dat vechten? 'T en is noch geen middagh, en daar is alreeds meer gedaan dan in den jaare mdclxvi in alle vier de daagen. Hy bleef dan boven, en ongequetst. De Kommandeur Jan Daniels-zoon van den Ryn, die met zyn brander het Admiraalsschip van Montagu hadt aangesteeken, bequam daarna met zyn matroozen het loongeldt van tien duizendt gulden. De Kapitein Luitenant van Ewyk, die met eenige matroozen van den Kommandeur van Meeuwen een vyandtlyk brandtschip veroverde en vernielde, ontfing met de zynen het loon van zes duizendt gulden. De L. Admiraal van Ghent, getergt door den eisch der Engelschen, die hem, om 't weigeren van 't stryken der vlagge voor 't jacht de Merlin, ter straffe hadden gevordert, was met een groote drift van kloekmoedigheit tegens de blaauwe vlagh aangewendt, daar hy dapper op in viel, en groote schrik maakte: maar een half uur +na den aanvang van 't gevecht werdt hy door een kanonkoegel getroffen, en liet 'er 't leven; tot groot verlies van den Staat der vereenigde Nederlanden. Dus sneuvelde de dappre Willem Joseph, Baron van Ghent, L. Admiraal van Hollandt, onder 't Kollegie ter Admiraaliteit tot Amsterdam, en Kornel van 't eerste regiment zeesoldaaten ten +dienst van den Staat: uit een zeer oude edele stam in Gelderlandt gebooren, die den vermaarden Marten van Rossem, dien blixem van oorlogh, onder zyn voorouders reekende, en tot oomen hadt Walraven en Ottho, Baronnen van Ghent, door hunne heldendaaden in den oorlog tegens Spanje wydt beroemt, inzonderheit de leste, bekent onder den

[p. 672]origineel

+tytel van Heer van Dieden, en door 't inneemen van Weezel, in den +jaare mdcxxix geschiedt. Hy was van een landtsoldaat in korte jaaren een treffelyk Zeeoverste geworden, die in verscheide zeeslaagen, onder d'oogen van den L. Admiraal de Ruiter, en op zyn voorgang, ongemeene proeven van manhaftigheit en beleidt hadt gegeeven, den toelegh op de riviere van Rochester, by Chattam, gelukkigh uitgevoert, en daarna in den zeetocht tegens de Turksche rovers geen minder eer ingeleidt: zoo dat men, met reeden, iet groots van hem verwachtte. Zyn doodt werdt van alle liefhebbers des vaderlandts te meer betreurt, om dat hy storf in de kracht van zyn leven, en in een ouderdom waar in hy zyn +vaderlandt noch veel diensten hadt konnen bewyzen. Zyn lyk werdt met een galjoot naar Hollandt gevoert, in den Haage gebalzemt, en daar na t'Uitrecht in de Domkerk, met de praal der gewoonlyke eerteekenen, begraaven. Ook heeft men zedert zyn graf met een heerlyk gedenkteeken van marmersteen, daar zyn deugden en daaden met gulde letteren in werden uitgehouwen, op kosten van 't gemeen, verciert, +tot een prikkel van glory voor de nakoomelingen. De L. Admiraal Bankert, om weer in 't gevecht te keeren, was met zyn esquadre op de witte vlagh, meest uit Fransche scheepen bestaande, ook in tydts aangezeilt, daar ook een harde strydt ontstondt: maar eerlang heeft het de om Graaf van Estrées met zyne scheepen om de Zuidt gewendt, waar door zy verre van d'Engelschen af raakten, en Bankert wende het toen insgelyks om de Zuidt, en bleef bynaa den gantschen dagh met hen vechten, de Franschen in ly geduurig afzakkende, en Bankert hun naa vermoogen volgende, zonder nochtans veel op hen te winnen. Doch eenige zeggen dat 'er een groot Fransch schip in den grondt werdt geschooten, daar ik geen zeeker bescheidt van heb. Ook meenden zommigen dat men genoegh kon merken, dat de Franschen maar toeleiden om hunne scheepen te bewaaren, en aanschouwers te zyn van 't gevecht der Engelschen en Nederlanders, waar door die twee maghtighste zeevolken van Europe elkanders krachten spilden, en Vrankryk ruimte gaven om zyne voorneemens uit te voeren. Midlerwyl bleef de Ruiter met zyn esquadre noch in een geduurigh en hevigh gevecht tegens de scheepen der roode vlagge. Doch door gebrek van windt kon men de scheepen naaulyks bestieren, zoo dat ze onder malkanderen dreeven: 't welk groot belet gaf in 't houden der ordre. Hier door is 't geschiedt dat de scheepen die aan malkanderen quaamen, elkanderen, zonder spoedig te konnen wenden of keeren, te meer beschaadighden. Men zagh aan +wederzyde veele heldendaaden bedryven. Een groot Engelsch Konings schip met 70 stukken werdt door een brander aangestooken en verbrandt: twee groote Engelsche scheepen werden in den grondt geschooten. Ook meent men dat'er noch andere Engelsche scheepen zyn gezonken, of verbrandt: daar ik met te minder zeekerheit van spreek, om dat de +geenen die 't vertelden in verscheide esquadres waaren, en zomwylen, door onkunde in de verwarring van 't gevecht, van een en 't zelve schip tweederley vertellingen konden maaken. Negen of tien Nederlandtsche +branders zyn door d'Engelschen vruchteloos verbrandt of vernielt. Een groot Engelsch schip schoot vyf of zes branders in den brandt. Ook werdt het schip Josua, gevoert door den Kapitein Jan Dik, door d'Engelschen in de grondt geschooten. Zy veroverden, naar kloeke tegen +weer, het schip Staveren, gevoert door den Kapitein Daniel Elsevier. Naa 't sneuvelen van Van Ghent bleef zyn schip, en by gevolgh (want

[p. 673]origineel

+elk esquadre ziet op den voorgang en seinen van zyn Admiraal) het +meeste deel van zyn esquadre boven de windt hangen, en vervolgden hun +indruk op de blaauwe vlagh niet gelyk by zyn leeven. Hier door vonden d'Engelschen der blaauwe vlagh gelegentheit om zich meest by de roode vlagh te voegen, waar door de Ruiter en zyn esquadre te grooter geweldt op den hals kreegh. Maar nooit draaide hy 't roer voor den vyandt, en 't gevecht ging te heviger aan. Daarna quam Panhuizen, Kapitein van de zeesoldaaten op 't schip den Dolphyn, aan de Ruiters boordt, en braght den Heere Ruwaart in stilheit tyding van Van Ghents doodt; waar op hem belast werdt de zaak geheim te houden, en voorts te helpen bevorderen dat de dienst van den Staat met het Admiraalsschip, dat de vlagge zou blyven voeren, naar behooren zou worden betracht. Hy voer dan met die ordre weêr derwaarts, en naa zyn aan-komst wendde hy 't met van Ghents esquadre weer tegens den vyandt +aan, waar door den strydt te meer klemde. De Ruiter leide het in den aanvang van 't gevecht om de Zuidt: maar daarna zyn d'Engelschen om de Noordt gewendt en de Ruiter desgelyks, 't welk een uur of twee duurde: maar de Ruiter met zyn byhebbende scheepen drong hen zoo sterk tegens de wal, datze weer om de Zuidt moesten wenden, en hy toen ook wendende, quam zoo dicht by de wal, dat men, de rook in 't wenden wat opklaarende, de huizen en menschen op 't landt in zyn schip bescheidelyk kon zien. D'Engelschen, om de Zuidt gewendt, maakten toen groot zeil, om boven de Ruiter en de zynen te koomen: maar hy, hun voorneemen merkende, liet alles byzetten, om boven hen te blyven, en verheughde zich dat men, die koers houdende, Bankert en de Franschen, die ver om de Zuidt waaren, zoude naaderen, en niet te ver van een verscheiden vechten, en hun, des noodts, bystaan. Dus hieldt hy geduurig den windt, daar hy zich van diende zoo veel moogelyk +was, hoewel de stilte groot belet gaf. Men vocht ondertusschen zonder ophouden. De Schoutbynacht der roode vlagge, Johan Herman, een dapper soldaat, lag de Ruiter met eenigen van de zynen lang op zyde, of ontrent hem, en gaf vinnig vuur: ook werdt hy op gelyke wyze bejegent. Tegens den avondt waaren vyf Engelsche scheepen van de blaauwe vlagge te loefwaart boven de Ruiter geraakt, die met twee branders de myne maakten van op hem af te koomen, dewyl toen de Kapitein Philips van Almonde en noch een snaauw zich alleen dicht achter hem hielden, en d'andre scheepen wat verder afgescheiden. Maar 't ontbrak den Engelschen aan hart: want die vyf scheepen, en daar onder een Viceadmiraal, in plaats van de branders, onder 't behulp van hun geschut, en den rook, aan zyn boordt te brengen, bleven, eer zy +binnen schoots waaren, boven de windt hangen. Maar de branders waaren stouter, en quaamen evenwel op hem aan: waar op Almonde en de snaauw, hun plicht betrachtende, zich tusschen de Ruiter en de branders stelden. De Ruiter, dewyl beide zyn sloepen in den grondt of in stukken geslagen waaren, zou de branders op zyn geschut hebben moeten ontfangen. +Maar nu zocht hen Almonde met de snaauw af te keeren: doch wat weêr hy met zyn geschut en sloep deed om 't gevaar af te wenden, hy kon evenwel niet beletten dat d'eene brander in zyn bezaanswant vast +raakte. Toen hielt men hem voor verlooren: doch de brander eerst wat smeulende, hadt hy tydt om met de zynen, door 't af kappen van +zyn want, zich van dien brander los te maaken, die, achter hem om dry vende, toen eerst zyn vlam begost op te geeven en vruchteloos ver-

[p. 674]origineel

brandde. +De tweede brander, dat ziende, was zoo stouthartigh niet als +de eerste, maar liep achter de Ruiter om naar den Schoutbynacht van +de roode vlagh, die noch in de ly van hem was. De Nederlandtsche scheepen die te loefwaart van de Ruiter waaren naar hem toe wendende, werdt het gevecht noch met groote styfzinnigheit vervolght. Men zagh toen van verre dat het esquadre der witte vlagge, onder den Grave van Estrées, wel twee mylen in ly van d'Engelschen was afgezakt, en dat Bankerts esquadre noch in goeden staat was, en de wykende vervolgde. Doch gelyk in de zeeslaagen op verscheide plaatzen, of ter zelver tydt, of op verscheide stonden, gevochten wordt, en de rook het gezicht dikwils belet, zoo dat men in 't eene esquadre of smaldeel +veeltydts niet weeten kan 't geen in 't ander geschiedt: zoo is 't ook onmoogelyk in al die verscheide voorvallen, in 't veranderen van koerssen, en in 't wenden en keeren, ontrent het vertellen der zeestryden een nette ordre te houden, en niet zomwylen vroeger te verhaalen 't geen laater, en laater 't geen vroeger geschiedde: veel minder kan men te gelyk verhaalen 't geen op verscheide plaatzen teffens voorviel: 't welk ook plaats heeft in 't volgende verhaal van 't geen verders ontrent het smaldeel van den L. Admiraal van Nes op deezen dagh is voorgevallen. Toen de L. Admiraal de Ruiter het 's naamiddaghs met d'Engelschen om de Zuidt hadt gewendt, kreegh men wat meer koelte uit den Oost-noordtoosten, en de L. Admiraal van Nes sloegh een nieuw marszeil aan, dewyl 't oude van de ree was afgeschooten, scheurende van onder +tot boven. Ter zelver tydt zagh hy Kapitein Braakel in onmaght leggen, en zondt Kapitein Aarssen, die met zyn fregat weêr by hem was gekoomen, om hem met een touw uit den vyandt, en verder uit de vloot naar Zeelandt te sleepen. Hy hadt op zyn schip, daar 't byna alles aan stukken was geschooten, honderdt en vyftig zoo dooden als gequetsten, en was zelf gewondt. Den Kapitein Niklaas Boes, voerende het schip Jaarsveldt, was zyn groote mast afgeschooten, en zyn fokkemast +aan stukken. Hy vraaghde den L. Admiraal van Nes wat hy zou doen? Van Nes zeide, dat hy zyn best moest doen, en blyven buiten d'Engelschen. Toen verzocht hy gesleept te worden. Maar van Nes zey dat hy zich zelven moest redden, dewyl 'er geen meer fregatten by +zyn smaldeel waaren. Te dier tydt quaamen eenige Engelsche scheepen voor van Nes, en de scheepen die by hem waaren, overloopen: daar hy en de zynen sterk op schooten. Een der Engelschen werdt aan boordt geklampt en streek ten eersten: doch dat schip werdt niet opgebraght, 't zy +dat het werdt verbrandt, verlaaten, of verlooren. Van Nes d'Engelschen wat inwachtende, hieldt de Hartogh van Jork achter uit, en de Viceadmiraal en Schoutbynacht van de roode vlagge waaren te loef-waart van hem, en quaamen hem binnen schoots op zyde, sterk schietende. Van Nes hadt toen maar zes of acht scheepen by een, met den Viceadmiraal Sweers, die wat voor hem was, en het tegens d'Engelschen aan wendde, om boven hen te zeilen: maar hy kon niet, en toen wendde hy 't weêr met van Nes heenen. Een groot Engelsch schip, zeer reddeloos geschooten, hieldt het voor de windt om en liep achter +in zyn esquadre. Midlerwyl klaarde de rook wat op, en van Nes met de zynen zaagen de Ruiter en 't schip van Van Ghent te loefwaardt van hun, wat naar hen afzakkende, en de Engelschen hielden wat af. Toen wende het van Nes weer om de Noordt, en liep boven d'Engelschen heenen, die 't beneeden zyn scheepen heen hielden, achter hem om.

[p. 675]origineel

+Dus quam van Nes by van Ghents scheepen, waar op hy 't weer straks +om de Zuidt wendende, weer afhieldt naar den vyandt toe, en gaf sterk vuur op de boven gemelde scheepen der roode vlagge. Hy zagh ter zelver tydt den L. Admiraal de Ruiter aan ly achter uit van hem, alleen met twee of drie scheepen verzelt, (want 's Landts vloot was door de stilte zeer van een verspreit) en dat het esquadre van de blaauwe vlagge naar hem toeliep, en dat d'Engelsche Schoutbynacht van 't gemelde +esquadre tegens de Ruiter alreede doende was: dies wendde hy 't weer voor den windt om, liep naar d'Engelschen der blaauwe vlagge, dicht achter hun heenen, daar ter wederzyde vinnigh werdt geschooten. Van Nes gaf den gemelden Schoutbynacht tweemaal de laage. Waar op d'Engelschen toen afweeken, en achter de Ruiter om hielden. Op die stonde was de Viceadmiraal der blaauwe vlagge wat te loefwaart met zes of zeven scheepen, die naar den Schoutbynacht van Nes wat +afhielden. Dees was t'eenemaal reddeloos geschooten, en de L. Admiraal van Nes, hem ziende in dat gevaar, hieldt het naar d'Engelschen toe, en quam zyn broeder te hulp. De vyanden staaken toen straks by de windt, en de Schoutbynacht van Nes werdt weer by 's Landts vloot gebraght, en haar Zeelandt gesleept, maar hy ging met zyn persoon over op 't schip van Kapitein Laucourt, en bleef daar zyn plicht betrachten. Toen quam van Ghents schip, en andre scheepen van zyn esquadre, naar de Ruiter toe, en d'Engelschen van de roode vlagge zyn toen gewendt, en liepen boven van Nes heenen: d'Engelschen der blaauwe vlagge, die aan ly van hem waaren, leyden 't ook om de Noordt, en voegden zich by de geenen die te loefwaart van hem waaren geweest. De Nederlandtsche scheepen onder de Ruiter, van Nes en van Ghent, voegden zich toen, gelyk boven is verhaaldt, by een, en leyden 't om +de Zuidt. D'Engelschen toen om de Noordt van hun afloopende, scheidde de nacht dit styfzinnig gevecht. De L. Admiraal Bankert, die de witte vlagh hadt bevochten en aan 't wyken gebraght, voeghde zich, volgens zyn plicht, noch den zelven avondt met zyn esquadre weer by de vlagge. Hy was aan zyn been gequetst, en moest etlyke daagen 't bedt houden. Dus nam 't bloedtvergieten van dien bekommerlyken dagh en hachelyken strydt, daar 't toen al aan hing, een einde, en men hoorde de L. Admiraal de Ruiter verklaaren, dat hy veel zeeslaagen hadt bvgewoont, maar nooit in scherper en langduuriger gevecht was geweest. De Luitenant van den Admiraal Montagu, die, naa 't verbranden van zyn schip, gelyk verhaalt is, op de Ruiters schip was gebraght, en daar alles wat daarna, tot laaten avondt toe, was voorgevallen met zyn oogen hadt gezien, kon zich niet genoegh verwonderen over 't beleidt +en dapperheit van den Nederlandtschen Admiraal. Ook heb ik uit een ooghgetuige, dat hy, 's avondts met de Ruiters Luitenanten en andre Officieren eetende, als 'er van den Admiraal werdt gesprooken, zich niet onthouden kon van hem met openhartige woorden hoog te pryzen, en eindelyk, als opgetoogen in verwondering, tot hen zeide, Is dat een Admiraal! Dat's een Admiraal, een Kapitein, een Stuurman, een matroos en een soldaat. Ja die man, die Heldt, is dat alles +te gelyk. Eenigen verhaalen, dat hy dien dagh op zyn schip alleen 25000 pondt buskruidt hadt verschooten, en ontrent 3500 kanonschooten gedaan. +Ook was zyn schip zeer beschaadight aan masten, rees en zellen. Hy hadt ook etlyke schooten onder water. Op zyn schip waaren ontrent dertigh dooden, en zoo veel zwaar gequetsten, die meest arm-

[p. 676]origineel

of +beenloos waaren, behalven de mindre gequetsten, die geen noodt +hadden. Zeeker matroos, die op de bak zyn arm was afgeschooten, quam als een windt alleen om laagh loopen, en aan de kombuis koomende, daar 't drok werk was met andere gequetsten in te laaten, riep hy met een fors gemoedt en stem, Sta ruim. Hoe staat gyhier en hoetelt? al was een kaarl den kop af geschooten, gy zoudt daar niet een handt aan slaan, en daar mede wipt hy met een sprong naar beneden. 'Tverdere getal van dooden en gequetsten op d'andre scheepen, heb ik, by gebrek van aanteekeningen, niet konnen bekoomen. Doch 't is zeker, dat 'er, behalven van Ghent, in de Nederlandtsche vloot weinig +Kapiteinen of luiden van naam zyn gebleeven. Maar d'Engelschen verlooren, nevens den Admiraal Montagu, ontrent achtien Kapiteinen, of Ridders van hoogen staat, en ontrent negentien waaren zwaarlyk gequetst, en 't getal der dooden of zwaar gequetste matroozen, was ontrent 2500 mannen. Daarenboven zyn 'er veele gevangen, die uit het schip van Montagu, en andre gezonke of verbrande scheepen, waaren geberght, en in de Nederlandtsche vloot verdeelt, en daarna opgezonden. Onder de Nederlanders waaren verscheide scheepen der geene die meest gevochten hadden zeer beschaadight: met naamen het schip van wylen den L. Admiraal van Ghent de Dolphyn, en van den Viceadmiraal +Sweers d'Olyfant, en meer andere. Dan de Ruiter, trachtende het bevochte voordeel ten uiterste te vervolgen, zeilde met 's Landts vloot den gantschen nacht met een Oosten windt Zuidtzuidtoost aan, om 's morgens de vyanden weer aan te treffen. Ook was men de geheele nacht in zyn schip en in andere scheepen bezich om alles te herstellen, nieuwe zeilen aan te slaan, te knoopen, te splitzen, lekken te stoppen, kardouzen te vullen, en zich weer slaghvaardig te maaken. +In dien zelven nacht of in den morgenstondt raakte het schip Westergo, 't welk gevoert werdt door den Kapitein Yde Hilkes Kolaart, by ongeluk, of verzuim, lichter laage in den brandt, en sprong eindelyk door zyn eigen kruidt in de locht. Maar eer 't daar toe quam werdt de Luitenant, de Schipper, en ontrent tachtig man door kleen vaartuig daar afgehaalt, geberght, en op de Vriesche scheepen verdeelt. Den volgenden +dagh toonde de Ruwaart en de L. Admiraal Generaal de Ruiter, +dat ze gezint waaren 't gevecht te hervatten, en de vyandtlyke vlooten, die onderwyle met een slaghboeg boven windt geraakt waaren, op nieuw aan te tasten. Mits net overlyden van Van Ghent werdt den Viceadmiraal Sweers belast, de vlagge, by maniere van voorraadt, op zyn +schip van boven te voeren, en over van Ghents esquadre als L. Admiraal te gebieden. Den Schoutbynacht de Haan liet men overgaan op van Ghents schip, den Dolphyn, om daar de Viceadmiraals vlagge te laaten waaijen: en den Kapitein Jakob van Meeuwen gaf men de Schoutbynachts vlagge in dat esquadre. De Ruiter werdt in de morgenstondt d'Engelsche vloot, ontrent vyftig zeilen sterk, recht in 't Noordtwest, wel drie mylen van hem af, gewaar. Ten acht of negen uuren wende 's Landts vloot Noordt over, en zagh kort daarna de vyandtlyke vlooten +in 't Noorden van haar zeilen, toen ontrent honderdt zeilen sterk. Ontrent ten elf uuren wendde de Ruiter met 's Landts vloot Oostzuidtoost over, met goede koelte uit den Oostnoordtoosten, en zeilde zoo den gantschen dagh een myl van d'Engelsche en Fransche vlooten, die gestaadig boven den windt, en te loefwaart van de Nederlanders af, eene koers met hun bleeven zeilen, zonder te willen of derven afkoo-

[p. 677]origineel

men. +Ontrent ten vier uuren tegens den avondt scheen 'er hoop om aan +den man te koomen: maar daar ontstondt een dikke mist, zoo dat de vyanden meer afweeken. Maar ten zes uuren klaarde het weer op: doch d'Engelsche en Fransche vlooten hielden zich voorts boven windt, zonder de Nederlanders (die al gedaan hadden wat moogelyk was om hen te bezeilen) verder te naderen. Dus zeilde men met elkanderen tot 's avondts ten negen uuren. Toen wendden de vyandtlyke vlooten, en de Ruiter vervolgde zyn koers Zuidtzuidtoost aan tot naa middernacht, wanneer hy Noordtnoordtwest wende tot den volgenden dagh. Hier was nu voor yders oogen gebleeken wie gisteren de meeste eer hadt bevochten: dewyl men d'Engelsche en Fransche vyanden nu weer opentlyk ten stryde hadt gedaaght, en zich vechtvaardig hadt getoont, daar zy 't gevecht met d'uiterste zorghvuldigheit hadden gemydt. Geduurende 't gemelde vervolgen der vyanden hadt de Ruiter gemerkt, dat d'esquadres van Bankert en Sweers wat te verre van het zyne, en de scheepen wat te wydt van den anderen waaren verspreit, weshalven de Ruwaart, +met advys van de Ruiter, hun by geschrift door eenigh vaartuig ordre zondt, zich in 't een en 't ander wat beter te sluiten: op dat de vyanden geen gelegentheit moghten vinden om door te breeken: doch indien zy dat echter moghten doen, dan zou men, werdt 'er belast, van Bankert of Sweers, wie van beide best kon, verwachten dat hy met zyn esquadre daar tegens aan zou wenden, met hoope dat men, elkanderen zoo te hulp koomende, noch wat goedts zou verrichten, was 't dien dagh niet, het waar dan den volgende. Dien zelven dagh is Kapitein Adriaan Teding Berkhout, uit het Noorderquartier, met het schip de roode Leeuw, gemonteert met vierenveertig stukken, onder de vlagh aangekoomen, en noch een brandtschip uit de Maas. Den negenden +van Junius, 's morgens voor dagh, wendde de Ruiter Oostzuidtoost over, met groot gevaar van zyn masten te verliezen, zoo waaren +ze in 't gevecht doorschooten. De Ruwaart en de Ruiter oordeelden, dat men 't met 's Landts vloot naar de Zeeuwsche kust zou wenden, inzonderheit om twee redenen: eerst, om dat verscheide scheepen zeer weinig kruit en scherp overig hadden, 't welk daar bequaamlyk kon toegezonden worden. Ten anderen, op dat men met de vyanden op 's Landts +kust moght vechten, 't welk de Ruiter en d'andere Hooftofficieren tot groot voordeel reekenden: om dat al de Nederlandtsche scheepen, op d'Engelsche kust reddeloos geschooten wordende, niet dan met groot gevaar en behulp van noch een of twee scheepen, die men dan missen moest, van 's vyandts wal konden afgesleept worden, 't welk op 's Landts eigen kust veel gemakkelyker, en met minder verzuim en schaade kon +geschieden. Ten zeven uuren quam de vloot ten anker, en elk was wêer beezigh met wangen van masten en reën, splitzen en knoopen, en alles +klaar te maaken. De vyanden waaren toen ontrent vier mylen Noordt-noordtwest van de Nederlandtsche vloot, daar ze voor windt konden by koomen, terwyl ze geankert lag. Doch het bleek dat zy 't niet zochten. Daarna quam 's Landts vloot in 't Noordtweft van 't eilandt Walcheren +in zee ten anker, Westkappel vier mylen Zuidtzuidtoost van haar af. De gequetsten werden den tienden naar Vlissingen, Middelburg en ter Veere in de Gasthuizen gezonden. Dien zelven dagh quam de Kapitein Jakob Willemszoon broeder, met het fregat Edam, uit Texel, by +de vloot. De Viceadmiraal Sweers zeilde met het schip d'Olyfant naar Vlissingen, om zyn lekken te stoppen. Ter zelver oorzaak liep ook

[p. 678]origineel

+daarna het schip van Van Ghent binnen gaats. In d'andre scheepen +werdt etlyke daagen geduurig gearbeidt, om alles te herstellen en vaardig +te maaken. Men zondt drie fregatten, onder de Kapiteinen Broeder, Tyloos en Vlak, om te kruissen van de vloot tot de Maas, en voort halver zee tusschen de Maas en Engelandt; en twee snaauwen, om te kruissen van Zeelandt af tot halver zee, tusschen de Maas en Olphernesse, en voort naar Souwlsbaay, van daar voor de riviere van Londen, en van de riviere, naar de vloot, en te verneemen waar zich d'Engelsche en Fransche vlooten onthielden. Daarna werden t'elkens weer +andre fregatten en vaartuigen op kundtschap uit gezonden. Tweescheepen, +waar van 't een den twaalfden, door harde storm, zyn boeghspriet en fokkemast, en 't ander zyn goote mast hadt verlooren, liet men binnen de Wielingen boven Vlissingen tot op 't Flaak zeilen, om zich weer +van spriet en masten te verzien. De tyding van den slagh voor Souwlsbaay, die men verstondt dat tot eere en handthaving des Vaderlandts was uitgevallen, quam den negenden van Junius in den Haage, en recht ten tyde om de verbaasde gemoederen van groot en kleen, door droeve maaren (die daagelyks van de landtgrenzen quaamen) ter neêrgeslaagen, weêr eenighzins te verquikken en op te beuren. Want terwyl men ter zee d'Engelsche en Fransche byeengevoegde vlooten op d'Engelsche kust dorst bestooken, en manhaftig 't hooft bieden, deedt wyken, het Koningklyk Admiraalsschip der blaauwe vlag in brandt stak, en de vyanden zoo matteerde, dat ze, den volgenden dagh ten stryde gedaaght, het gevecht, hoewel ze 't voordeel van den windt hadden, ontweeken: zoo +dreef alles aan de landtzyde over stuur. De grenzen werden door drie legers van den Koning van Vrankryk, en het leger van den Keurvorst van Keulen, en Bisschop van Munster, in 't begin van Junius, tegelyk aan alle kanten overvallen: Orsoy, Burik, Weezel en Rynberk, in vier daagen tydts, byna zonder weêrbieding, verovert. Op Rynberk, een der sterkste vestingen van den Staat, viel vermoeden van verraadt. D'andere steden gaven zich op door kleenhartigheit, onmaght, en +onorde. De Koning trok voort. Een schielyke schrik, die 't verstandt bedwelmt, en de krachten verstikt, hadt de harten bevangen. Men verwachtte alle oogenblik dat de Yssel van de Fransche legers zou worden overweldight, of van d'onzen verlaaten: dat de vyanden zouden doorbreeken tot in de Betuw, Uitrecht bemaghtigen, en tot in 't hart van Hollandt doorbooren. Het Neerlandtsch leger vondt zich niet bestandt +tegens zoo groote maght. De nieuwe werving, door het twisten over het Kapiteingeneraalschap, van d'eene party te lang opgehouden, quam te laat by, ook de hulp van buiten: behalven van de zyde van Spanje, 't welk, uit de Spaansche Nederlanden, den Staat, de grens-steden, zelfs tot in Hollandt met krygsvolk te hulp quam, en sterkte. Men miste d'oude soldaaten, door groote spaarzaamheit en misvertrouwen afgedankt, of door den tydt verstorven. Men was den oorlogh te landt, door een vreede van vierentwintig jaaren met Spanje, ontwendt. +Veele Bevelhebbers waaren lafhartig, of verstonden zich den +krygh niet, de soldaaten noch min. Over al was gebrek van ordre, en +groot verzuim, tweedraght en misnoegen. Ook hadt een ongemeene +drooghte de groote stroomen, eertydts grachten van den Staat, uitgeput en waadtbaar gemaakt, en de moerassen, die verscheide grensvestingen dekten, in hardt landt veranderdt: zoo dat heemel en aarde scheen t'zaamen te spannen om een volk, dat zich wel eer zoo dapper tegens

[p. 679]origineel

+de Romainsche en Spaansche heerschzucht hadt gekant, ten val te brengen. Men sprak alreedts van 't leger, dat niet sterker was dan 9200 man te voet en 4800 ruiters, den Yssel verlaatende, op te breeken, en de meeste maght naar Hollandt te trekken. Daar was voorgeslaagen, dat men in d'uiterste nooden tot d'uiterste hulpmiddelen moest koomen, en, de vyanden doorbreekende, de sluizen openen en 't water inlaaten; de passen beschanssen; de grenssteden verdeedigen; Amsterdam tot een stoel des oorloghs maaken; al 's Landts geldt en magazynen derwaarts brengen, en aldaar de vergadering der Staaten beleggen en houden; als in een stadt die in zich zelve onwinbaar, en wel gelegen was, om van daar het oorlogsbeleit, tot bescherming van 't gemeen, te stieren. Dit werdt inzonderheit door den Raadtpensionaris de Wit gedreeven. Dusdaanig was de toestandt der zaaken binnens Landts, als men de tyding kreeg van d'uitkomst des zeeslaghs tegens de twee Koningklyke vlooten: en men moest toen, en zedert bekennen, dat de goddelyke voorzienigheit door dat gevecht den Staat heeft behouden: want by aldien d'Engelschen en Franschen te waater zoo veel voorspoedts hadden gehadt als de Franschen te landt, en dat 's Landts vloot, in die gesteltenisse van tyden en zaaken, waar geslaagen, ten is niet te twyffelen of alles waar verlooren geweest, en men hadt den hals onder 't uitheemsch juk moeten buigen. Maar nu hadt men met de vloot de houte vestingen behouden, die noch in staat waaren om 's Landts zeekusten voor +alle vyandtlyke landingen en invallen te beschermen. De Heeren Staaten van Hollandt, 'tover begrypende wat hun aan die vloot gelegen was, stelden ten eerste ordre, om eenigh buskruidt, in den mondt van de Maaze gereedt leggende, naar de vloot te verzenden, dat men ook een goede quantiteit koegels uit de magazynen te Delft naar de Maaze +en voorts naar de vloot zoude stieren: dat ook het Kollegie ter Admiraaliteit te Rotterdam alle voorziening van kruidt, koegels en verdre krygsbehoefte, ten spoedighste zou verzorgen. Ook werdt beslooten, met brieven aan den Heere Ruwaart en de L. Admiraal de Ruiter, als Generaal over de vloot, te betuigen, hoe aangenaam haare diensten by hunne Ed. Groot Moog. waaren.

De brief aan den Heer de Ruiter was van den volgenden inhoudt,

[9 Juni 1672]

De Staaten van Hollandt en Westvrieslandt.

 

Edele, manhafte, vroome, discreete, lieve getrouwe,

 

+Wy hebben met zonderlingh genoegen, by schryvens van den Heere de Wit, Gedeputeerde en Gevolmaghtighde van den Staat over des zelfs vloote, verstaan de goede conduite en courage by U.E. ten dienste van den Lande gebruikt, voor, in, en ontrent het voorgevallen gevecht met de vlooten van de vyanden van den zelven Staat: ende gelyk ons het zelve ten hooghsten aangenaam is, zoo verzoeken wy dat UE. daar in wil continueren*: den goeden Godt biddende, dat hy het zelve believe te zegenen, en UE. te houden in zyne genadige bescherminge. Geschreeven in den Haage, den 9 Juny 1672.

 

Ter ordonnantie van de Staaten,

HERBERT VAN BEAUMONT.

 

De Heeren Staaten Generaal schreeven aan hem ten zelven daage, gelyk volght.

[p. 680]origineel

+De Staaten Generaal der vereenighde Nederlanden.

Edele, gestrenge, vroome, lieve getrouwe,

+Wy hebben niet konnen nalaaten U mits deezen bekent te maaken, dat wy ons zeer voldaan houden van de mannelyke dapperheit, courage en devoiren, by U in het gevecht tegens de vyanden van deezen Staat aangewendt, ende dat wy zullen betuigen, hoe zeer aangenaam het zelve aan ons is geweest. Ende gaat hier nevens onze resolutie van huiden, genoomen op de missive van den Heer Kornelis de Wit, van den achtsten deezes, geaddresseert aan den Heer Raadtpensionaris de Wit, en door den zelven huiden in onze vergaderinge gecommuniceert, welke wy goedtgevonden hebben U toe te zenden, om te strekken tot des zelfs naarichting. Waar mede eindigende, beveelen U in Godes heilige protectie*. In den Haage, den 9 Juny 1672.

 

J. DE MAUREGNAULT. Vt.

Ter ordonnantie van de hooghgemelde Heeren Staaten Generaal.

GASP. FAGEL.

 

Extract uit het register der resolutien van de Hoog. Moog. Heeren Staaten Generaal der vereenigde Nederlanden.

Jovis den 9 Juny 1672.

+De Heer Raadtpensionaris de Wit heeft ter vergaaderinge gecommuniceert1 twee missiven van den Heer Kornelis de Wit, haar Hoog. Moog. Gedeputeerde ende Gevolmaghtighde op 's Landts vloote in de jegenwoordige expeditie2 ter zee, beide geschreeven in 's Landts schip de zeven Provincien, ontrent negen mylen van Olphernes, 't zelve Westtennoorden van haar, den achtsten deezes, ten vyf en zeven uuren respective, ende geaddresseert3 aan den Heere Raadtpensionaris voornoemt, houdende advertentie; waar op gedelibereert zynde, is goedtgevonden ende verstaan, dat copye van de voorschreeve missiven gezonden zal werden aan de Heeren haare Hoog. Moog. Gedeputeerde ende Gevolmaghtighde te velde, ende den Heere Prince van Oranje, als Kapitein Generaal over de legers van den Staat voor de jegenwoordige expeditie, als mede aan Burgermeesteren ende Regeerders der stadt Nymegen, tot der zelver informatie ende narichtinge, met byvoeginge, dat haar Hoog. Moog. uit het rapport van de Galjootsschippers, de voorschreeve brieven overgebracht hebbende, verneemen, dat de Fransche scheepen, met het esquadre onder den L. Admiraal Bankert geengageert4, zoo verre zyn afgezakt, dat die des anderendaaghs niet meer in het gezicht van de vloot gevonden zyn geworden, niet tegenstaande den voornoemden L. Admiraal Bankert zich, volgens zyn plicht en devoir, des avondts laat wederomme by de vlagge hadde vervoeght. Dat voorts den gemelden Heer de Wit en den L. Admiraal de Ruiter by missive zal werden bekent gemaakt, dat haar Hoog. Moog. haar zeer voldaan houden van de mannelyke dapperheit, couragie ende devoiren, in deezen tegens den vyandt aangewendt, ende dat de zelve zullen betuigen, hoe zeer aangenaam het zelve aan haar is geweest, ende dat gelyke copye van de voorschreeve missive gezonden zal werden aan de respective Kollegien ter Admiraaliteit, ten einde de zelve alle het kruit dat by de gemelde Kollegien in voorraat is, of bekoomen kan werden, ten minsten alle het scherp dat de zelve machtigh konnen werden, ten

[p. 681]origineel

+spoedighsten zenden naar 's Landts vloote voornoemt, op dat de zelve vloote by mancquement van dien niet genecessiteert5 magh werden de advantagie6, door Godes genadigen zeegen op den vyandt verkreegen, ende het gevecht te verlaaten, ende uit der zee in te vallen, zoo als by 't defect van 't voorschreeve kruit en scherp anderzins onfeilbaarlyk, tot een irreparable prejuditie7 van den Lande, zal moeten geschieden, dewyle, het voorschreeve gevecht zeer scherp ende langh geduurt hebbende, veel kruit en scherp gespilt zal weezen, ende eenige scheepen van gebrek van dien zeer hebben geklaaght; Dat voorts door den Agent de Heide copye van de voorschreeve missive ter handen gestelt zal werden aan de Uitheemsche Ministers alhier residerende, tot informatie8 van de zelve, en op dat de zelve zouden moogen weeten wat tot noch toe tusschen de vloot van deezen Staat ende die van de vyanden voorgevallen is. Ende is mede noch wyders goedtgevonden ende verstaan mitsdeezen, te verzoeken den Heer van Ghent, dat hy Heer van Ghent zoodaanige voorzieninge wil doen, dat het lichaam van den L. Admiraal van Ghent zaliger, tot kosten van den Lande, naar behooren gebalsemt, gekist, ende by provisie in eene van de Kapellen alhier in den Haage neder gezet magh werden, daar toe de Heeren Gecommitteerde Raaden van de Heeren Staaten van Hollandt en Westvrieslandt, voor zoo veel de voorschreeve Kapelle aangaat, mitsdeezen verzocht werden de gerequireerde9 ordre te stellen.

 

J. DE MAUREGNAULT. Vt.

Accordeert met het voorschreeve register.

GASP. FAGEL.

 

+Men zondt daar op, door ordre der Staaten van Hollandt, 4000 koegels van 24 pondt, 4000 van 18, 1000 van 12, 600 van 8, en 500 van 36 pondt, naar de vloot. Behalven 40000 pondt buskruit, door de Raaden ter Admiraaliteit op de Maaze gezonden, werden noch 60000 pondt door de Gecommitteerde Raaden der Staaten van Hollandt naar de vloot afgescheept. Maar dewyl dit alles, ten aanzien van het groot getal oorlogscheepen, weinig zou konnen strekken, werdt aan de Bewinthebberen +der Oostindische Compagnie ter kamere van Amsterdam, Rotterdam en Delft verzocht, alle hun buskruidt dat ze in voorraadt hadden te leenen, op dat het naar de vloot moght worden gezonden, onder belofte en verzeekering, dat door de Heeren Staaten het kruidt, +dat by de zelve zou worden geleent, in weinigh daagen uit de moolens, die byna alle ten behoeve van 't Landt gaande waaren, zou weder gegeeven worden. Dit verzoek werdt op 't allerverholenste gedaan, op dat de vyanden van den Staat van dat gebrek geen kennis moghten +bekoomen. Daarenboven werdt aan den Heer van Beuningen, die te Brussel was, geschreeven, dat hy, 't zy by leening, 't zy by inkoop, al het buskruidt dat hy uit de magazynen der Spaansche Nederlanden zou konnen bekoomen, ten allerspoedighste zou verzaamelen, en 't zelve zonder eenigh tydtverlies overzenden naar Zeelandt, om van daar op de bequaamste wyze naar de vloot afgescheept te worden. Ook werdt door den Raadt van Staate noch 10000 pondt buskruidt, uit het Generaaliteits magazyn te Delft, naar de vloot gezonden. Doch toen de tydingen ten aanzien van den voortgangk des Konings van Vrankryk daagelyks zwaarder wierden, het landt in bekommerlyker standt raakte, en

[p. 682]origineel

+dat men vernam dat de Franschen, naa 't bemaghtigen van verscheide steden en sterkten, den Nederryn waaren gepasseert, en in de Nederbetuw +gekoomen, werdt by de Heeren Staaten van Hollandt beslooten, geen buskruit meer naar de vloot te zenden: maar 't geen alreedts voor den Briel moght zyn aangekoomen te rug naar 't Generaaliteits magazyn tot Delft te stieren. Ook schreeven zy aan den Ruwaart, dat men hier te +Lande in groote verlegentheit was over de schaarsheit van goedt buskruidt, om daar mede de grenssteden en sterkten van den Staat naar behooren te konnen voorzien: met verder verzoek, dat hy, dewyl men al een goede meenigte pulver naar de vloot hadt gezonden, hunne Ed. Groot Moog. zou berichten, of de zaak daar mede in de vloot voor eerst niet zou konnen worden gestelt, en in gevalle van neen, hoe veel daar in noch wierde vereischt. Hy zondt daar op een lyst van 't geen zommige scheepen ontbrak, inzonderheit van scherp, en men gaf ordre om die gebreklykheden uit het magazyn tot Delft te vervullen. Ook werdt de vloot, die, gelyk gemeldt is, in zee ten anker lag, zonder dat 'er de vyanden op af quaamen, van dagh tot dagh met bier, water, en andere noodtwendigheden, voor een geruimen tydt voorzien, en de Ruiter zondt dagelyks etlyke fregatten en jachten uit om op kundtschap te +kruissen, en op de vyanden en hunne beweeging te letten. Voorts quaamen noch verscheide scheepen, jachten en branders, by de vlag, tot versterking van de vloot, die daarna een myl Zuidtzuidtwest aan zeilde, en daar weer ten anker quam, doch zedert zich verder naar Schoonevelt vervoeghde. In deezen standt van zaaken werdt de Ruwaart van Putten, Gevolmaghtigde der Heeren Staaten op 's Landts vloot, zeer ziekelyk. Hy was geduurende deeze zeetoght dikwils met zinkingen gequelt, hoewel hy daar over niet opentlyk klaaghde, maar evenwel met zonderlingen yver de voorgevallene zaaken ter herten en waarnam. +Doch nu werdt hy van die quaale zoo hevig aangetast, dat hy zich niet kon reppen noch roeren. Dit werdt door den L. Admiraal de Ruiter met een brief aan de Heeren Staaten bekent gemaakt, die daarna den +Ruwaart, zyne zwakheit toeneemende, toestonden dat hy uit 's Landts vloot zou mogen opkoomen. Hy vertrok den tweeëntwintighsten van Junius, met zyn gevolg, dienaren, en matroozen, gedient hebbende tot een guarde maritime, of zeelyfwacht, ten getaale van 102 koppen, naar +Hollandt, in 't galjoot Rouaan, onder 't geley van de Kommandeurs Jakob Pieterszoon Swart en Roemer Vlak, voerende de fregatten Nieu Rotterdam en de Postiljon. Voor zyn vertrek hadden de Burgermeester en Regeerders der stadt Dordrecht, terwyl de Franschen naaderden, Gornichem in noodt, en Dordrecht in gevaar was, door een boode, aan hem afgezonden, eenigh kruidt by leening verzocht. Hy kon daar toe in 't eerst niet verstaan: maar de zaak nader overweegende, en +met den L. Admiraal de Ruiter overleggende, hadt hy daarna 3000 pondt derwaarts gezonden, of, aan landt koomende, zelf overgebraght: 't welk hem zedert van zommigen tot misdaadt werdt aangereekent: hoewel de Magistraat der stadt beweerde, dat zulks niet ongeoorloft was: dat de Gouverneurs van steden wel kruidt verzonden naar andre plaatzen die noodt leeden, gelyk van den Bosch naar de Graave. Dat de vloot daar door niet werdt verzwakt: dewyl men d'eerscheuten hadt naagelaaten. Ook toonden ze zich bereidt dat kruidt met de waarde te vergoeden. +Hy quam den vierentwintighsten te Dordrecht, daar hy alles in beroerte en oproer vondt. De gemoederen van 't volk waaren ten hoogh-

[p. 683]origineel

sten +tegens hem verbittert: zyn diensten vergeeten. De schildery die +zyn beeltenis en 't verbranden der Koningklyke scheepen by Chattam vertoonde, t'zyner eeren opgehangen, was door 'tgraauw, etlyke weeken voor zyn komst, van 'tstadthuis gehaalt en verscheurt. De stukken hadt men rondtsom de hooftwachtplaats, en 'tuitgesneede hooft aan de galge gespykert. Vier daagen voor zyn komst uit der zee was zyn +broeder, de Raadtpensionaris Johan de Wit, ('s nachts uit de vergaadering der Heeren Staaten naar huis gaande) door vier persoonen, die +hem meenden af te maaken, met vier wonden zwaarlyk gequetst. Ook +scheen men op des Ruwaarts leven toe te leggen: want weinig tydts na zyn t'huiskomst quaamen vier onbekende persoonen 's nachts ten elf uuren aan zyn huis kloppen, begeerende, toen men de deure opende, hem te spreeken. Maar men antwoordde, dat hy onpasselyk was, en dat men zoo t'ontyde aan onbekenden geen toegang tot hem kon geeven. Waar op zy dieper naa binnen zochten in te dringen, en naa alle waarschynlykheit hun voorneemen tegens hem zouden uitgevoert hebben: zoo niet iemant van de huisgenooten achter uit waar geloopen, en de burgerwacht van 't stadthuis hadt gehaalt, waar op zy zich wegh maakten. Men begost nu die twee Gebroeders tot een doelwit van den algemeenen haat te stellen, en hen uit te kryten voor landtverraaders, die 'tvaderlandt aan de Franschen zochten over te leveren, en +d'oorzaak waaren dat de vyandtlyke maghten zoo diep inbraaken. In deeze verlegentheit was by de Heeren Staaten beslooten, Gezanten aan de Koningen van Vrankryk en Grootbritanje te zenden, om opening van de voorwaarde te verzoeken, op welke d'eene de wapenen zou willen afleggen, en d'ander zich tot vreede laaten beweegen. Ten welken einde den negentienden van Junius twee Heeren met een snaauw door de vloot passeerden, om naar Engelandt te vaaren, die, door ordre van de Ruiter, onder 'tgeley van de Kapiteinen van Aarssen en Broeder, tot bewesten van Duinkerken werden gebraght. Den drieëntwintighsten quaamen noch vier branders, uit Texel, by de vloot, die ten zelven daage op nieuw in drie esquadres werdt verdeelt, gelyk te zien is in de volgende lyste.

[23 Juni 1672]

Nader verdeelinge van 's Landts vloote in drie esquadres, geformeert in 's Landts schip de zeven Provincien, ten anker leggende Westtennoorden drie mylen van Westkappel, den 23 Juny 1672.

Eerste esquadre.
+L. Admiraal de Ruiter. De zeven Provincien.
L. Admiraal van Nes. D'Eendraght.
Viceadmiraal de Liefde. De Maaght van Dordrecht.
Schoutbynacht van Nes. De Ridderschap.
Kapiteinen Kornelis de Liefde. Delft.
Nikolaas Naalhout. Schielandt.
Philips van Almonde. Wassenaar.
Joan Jakob de Laucourt. Zeelandia.
Frans Revertszoon. Dordrecht.
Gerrit Kallenburgh. Gelderlandt.
L. Kollonel Palm. Waasdorp.
Jakob Binkes. Groot Hollandia.
Engel de Ruiter. Deventer.

[p. 684]origineel

+Joan van Gelder. De Provincie van Uitrecht.
Jan Bont. De stadt Uitrecht.
Pieter Thomaszoon Sitter. D'Agatha.
Jan Noirot. De Beschermer.
Graaf Johan van Hoorne. Westvrieslandt.
Pieter Klaaszoon Wynbergen. 'T Wapen van Hoorn.
Adriaan Teding Berkhout. De roode Leeuw.
Klaas Anker. Alkmaar.
  Fregatten.
François van Aarssen. Uitrecht.
Jakob Pieterszoon Swart. Nieuw Rotterdam.
Moses Wichmans. Harderwyk.
Frans van Nydek. Schiedam.
Kornelis van der Zaan. De Brak.
Roemer Vlak. De Posteljon.
  Advysjachten.
Kornelis van der Hoeven. De Faam.
Wynandt van Meurs. Rotterdam.
Kornelis Halfkaagh. De Griffioen.
Isaak Teuniszoon van Anten. De Hoope.
Huybert Geel. De Triton.
Jan Pyper. De Mossel.
Pieter Jakobszoon Kraaker. De Vaandrigh.
  Branders.
Pieter Besançon. D'Eenhoorn.
Lens Harmenszoon. De Blakmoor.
Jan Dirkszoon van Kuwenhoven. De Hoope.
Andries Randel. St. Salvador.
Karel de Bruyn. De bergh AEtna.
Jan van Kampen. De Sayer.
Pieter Blok.  
Gillis van Convent. De Samson.
Dirk Janszoon.  
Jakob Martenszoon. D'Eendraght.
Jan Gilliszoon. 'T Wapen van Emmerik.
Pieter Hendrikszoon Pop. De vergulde Post.
Tweede esquadre.
L. Admiraal Bankert. Walcheren.
Viceadmiraal Evertszoon. Zierikzee.
Viceadmiraal Star. Groeningen.
Schoutbynacht Matthyszoon. Oranjen.
Schoutbynacht Brunsvelt. Prins Hendrik Kasimier.
Kapiteinen Willem Hendrikszoon. Middelburgh.
Adriaan van Kruiningen. Veere.
Kornelis Evertszoon. Zwaanenburgh.
Abraham Bisschop. Domburgh.
Salomon le Sage. Vlissingen.
Thomas Tobiaszoon. Outshoorn.
Hendrik Brouwer. Kalantsooge.
Jan Roeteringh. Steenbergen.
Klaas Valehen. De drie helden Davids.

[p. 685]origineel

+Pieter Kersseboom. 'T Wapen van Nassauw.
Marten de Boer. Gelderlandt.
Jan Vyzelaar. Oostergo.
Wytze Beyma. De Steden.
Christiaan Ebelszoon. De Vreede Wolden.
  Fregatten.
Symon Lonke. Delft.
Karel van der Putten. Ter Goes.
Passchier de Witte. Schaakerloo.
Barent Martenszoon. De Visschers Harder.
Jan Pieterszoon Vinkelbosch. De Windthondt.
Mattheus Megank. Popkensburgh.
  Advysjachten.
Kornelis Hollardt. De Bruinvis.
Anthony Matthyszoon. De Zeehondt.
Karel de Ridder. De Swaluw.
Tieleman Jakobszoon Fruit. St. Joris.
Andries de Boer. De Tonyn.
Pieter Paauw.  
Kornelis Reindertszoon Eenarm. De Liefde.
Jan Janszoon de Jongh. De Hoope.
  Branders.
Willem Meerman. Middelburgh.
Dirk van Kerkhove. De Vliegende Valk.
Kornelis Ewouts. 'T Prinsje.
Hayman Adriaanszoon.  
Anthony Janszoon Schalje. De Pellikaan.
Pieter Harmenszoon. St. Anna.
Benjamin Stevens. St. Jan.
Adriaan Janszoon. St. Catharina.
Pieter van Hoeke.  
Huibrecht Korneliszoon. De Samson.
Jakob Schenk. De Pampiermolen.
Ysbrandt Ulbertszoon. De Welkomst.
Kornelis Janszoon.  
Derde esquadre.
Viceadmiraal Sweers, als L. Admiraal. D'Oliphant.
Viceadmiraal Schram. De Pacificatie.
Schoutbynacht de Haan, als Viceadmir. Gouda.
Schoutbynacht Vlugh. 'T Wapen van Enkhuizen.
Komm.en Kap. v. Meeuwen, als S. bynacht. De Blaauwe Reiger.
Kapiteinen Hendrik van Tol. De Comeetstarre.
Jakob Berkhout. D'Akerboom.
Balthazar van de Voorde. Kruiningen.
Anske Fokkes. Amsterdam.
Volkert Swart. Oosterwyk.
Philip de Munnik. Essen.
Pieter van Middellandt. De Gideon.
Nikolaas Boes. Jaarsveldt.
Jan Gyzels van Lier. De Leeuwen.
Michiel Kindt. Den Dolphyn.

[p. 686]origineel

+Jan Hek. De Justina.
Kornelis Jakobszoon de Boer. De Jupiter.
Jan Krook. De Kaleb.
Willem Klerk. 'T Noorderquartier.
Hendrik Visscher. 'T Wapen van Medenblik.
  Fregatten.
Jakob Willemszoon Broeder. Edam.
Pieter Klaaszoon Dekker. Bommel.
Barent Hals. Asperen.
Titus van Nassauw. De Haas.
Kornelis Tyloos. Overyssel.
  Advysjachten.
Abraham Taalman. De Kat.
Marcus Willemszoon. De Galey.
Jakob Stadtlander. D'Eenhoorn.
Jan Bogaardt. Egmondt.
Klaas Janszoon Tooren. De Haas.
Jan Fokken. De Kits.
Jan Kramer. De Kater.
De Luit. van Oosthuizen, genoemt.... De Walvisch.
  Branders.
Hendrik Hendrikszoon. Velzen.
Jan Janszoon Bout. De Salmander.
Pieter van Grootveldt. De Draak.
Wybrant Barentszoon. De Leydtstarre.
Kornelis Mik. De zwarte Ruiter.
Marten Andrieszoon. D'Eendracht.
Pieter Siewertszoon Bokker. Helena Leonora.
Dirk Klaaszoon van Amsterdam. St. Jakob en Anna.
Arent Gerritszoon Ruighaver. De Vreede.
Dirk Gerritszoon Kam. 'T Melkschuitje.
Jan Andrieszoon. De witte Mol.

+Des anderendaaghs ontfing de L. Admiraal Generaal de Ruiter ordre uit den Haage van hunne Hoog. Moog. dat hy twaalf snaauwen, advysjachten, of ander kleen vaartuigh, bequaam om op de Zuider zee, tot beveiliging der zelve, gebruikt te worden, in Texel hadt op te zenden, en tot op Pampus by Amsterdam te doen verzeilen, en aldaar nader ordre te verwachten. Ten dien einde werden de volgende scheepen, onder 'tgebiedt van de Kapitein Pieter Klaaszoon Dekker, derwaarts gezonden.

+A. Kapiteinen Pieter Klaasz. Dekker. 'T fregat Bommel.
A. Mattheus Meegangk. 'T fregat Popkensburg.
A. Huibert Geel. Advysjachten De Triton.
A. Jakob Stadtlander. D'Eenhoorn.
A. Abraham Taalman. De Kat.
V. Kornelis Reindertszoon Eenarm. De Liefde.
N. Jan Pyper. De Mossel.
A. Jan Kramer. De Kater.
A. Jan Bogaart. Egmondt.
N. Klaas Janszoon Tooren. De Haas.
N. Pieter Jakobszoon Kraaker. De Vaandrigh.

[p. 687]origineel

+De Ruiter beval den Kommandeur over deeze scheepen, Pieter Dekker, verdacht te zyn, zoo wanneer hy tusschen 's Landts vloot en Texel van een te maghtigen vyandt wierde aangedaan, en geen gelegentheit van weer en windt hadde om den zelven t'ontzeilen en naar Texel te koomen, dat hy in zulk een geval, en anders niet, weer naar de vlagge zoude wyken. Te dier tydt kreeg de L. Admiraal de Ruiter, die, volgens de Ruwaarts ordre, alle brieven, aan hem behoorende, en naar zyn vertrek aankoomende, open brak, kennis hoe men den Raadtpensionaris de Wit hadt gequetst: een daadt dien hy ten hooghsten versoeide, gelyk uit deezen brief, aan den gemelden Heere geschreeven, is af te neemen.

[25 Juni 1672]

Weledele gestrenge Heer,

 

+Ik heb gisteren avondt uit Uw Ed. brief van den 22 deezer loopende maandt, aan myn Heer den Ruwaart, Uw Ed. broeder, houdende, met verschrikking gezien het gruwlyk feit dat 's nachts te vooren aan des zelfs uitsteekendt persoon is begaan. Doch ben van herten verheught dat de Medicyns niet en wanhoopen aan een goede herstelling van gezondtheit, die ik ten hooghste wensche: en dat de handtdaadigen moogen worden in hechtenis genoomen, en strengelyk naar verdienste gestraft: ende dat Uw Ed. noch veele jaaren, ten dienste van den Staat, en zyn zelfs genoegen, in voorspoedt magh leven: verblyvende, nevens myne dienstelyke gebiedenisse aan myne Heeren Uw Ed. vader, broeder, en Uw Ed. zelf,

 

Actum in 't schip de Zeven Provincien, ten anker leggende West ten Noorden ontrent 3 mylen van Westkappel, den 25 Iun. 1672.

Weledele gestrenge Heer,

Uw Ed. ootmoedige Dienaar,

MICHIEL ADR. DE RUITER.

 

+Te deezer tydt werdt in de vergadering der Heeren Staaten geraadtslaaght over 't verminderen van 's Landts vloot, dewyl de legers van den Koning van Vrankryk vast naderden, en Uitrecht zich alreede hadt moeten overgeeven. Waar op eindelyk by die van Hollandt werdt goedtgevonden, +de zaaken ter Generaaliteit daar heenen te bestieren, dat ontrent een derde deel van de vloot zou t'huis geroepen, en alleen in zee gehouden werden achtenveertigh groote scheepen van oorloge, en achtien fregatten: en dat de overige scheepen, die minst bemant en voorzien waaren, zouden invallen, en dat de Mariniers, of zeesoldaaten, op de zelve gevonden werdende, zouden opkoomen, om te lande gebruikt te worden; nevens al de zeesoldaaten die op de gemelde achtien fregatten zouden worden gevonden; mitsgaders noch twee derdedeelen van de zeesoldaaten die op de gemelde achtenveertig oorlogscheepen waaren verdeelt: doch dat men 'tgebrek van die zeesoldaaten in 's Landts vloote wederom door matroozen, die van d'invallende scheepen stonden genoomen te worden, zou moogen vervullen. Dat wyders een goede partye buskruidt, ten minste tot tzeventig duizendt ponden, en verdre krygsbehoefte van oorloge, nevens d'invallende scheepen, zouden afgevoert worden. Daar op volgde dat drie Commissarissen van hunne Hoog. Moog. Meerens, Mauregnault en van Fierssen, nevens eenige Gecommitteerden der Kollegien ter Admiraaliteit van Rotterdam en Amsterdam, den zevenentwintighsten in de vloot quaamen, en ordre stelden om twee derdendeelen der zeesoldaaten uit 's Landts scheepen te lich-

[p. 688]origineel

ten, +'t welk terstondt in 'twerk werdt gestelt, en toen uit de vloot genomen +een getal van ontrent 2000 mannen. Nevens deeze soldaaten zeilden ook de scheepen van den L. Kornel Palm, en de Kapiteinen Roetering, Laucourt, Rees, Krook, Visscher, Adriaan Berkhout, en +Kornelis de Boer, naar Goereê. De Kapitein Johan de Witte, de Ruiters +schoonzoon, die met zyn compagnie zeesoldaaten op 'tschip de zeven Provincien hadt gelegen, vertrok toen met 44 man naar Rotterdam. Door dit aflichten der zeesoldaaten werdt de vloot merkelyk verzwakt: want of wel een goedt getal matroozen, van d'invallende scheepen, over eenige scheepen, noch onder de vlagge blyvende, werden +verdeelt, dat kon 't gebrek niet genoeg vervullen. Men bevondt by naareekening dat aan de scheepen van 't Kollegie ter Admiraaliteit t'Amsterdam noch ontrent het getal van elfhonderdt matroozen ontbrak, en aan de scheepen der andere Kollegien meer of min, naa dat +haare grootte vereischte. Ook waaren veele scheepen niet naar behooren van scherp en buskruidt voorzien: zoo dat zommige in een gemeen gevecht geen halven dag zouden hebben konnen uithouden. Dit gebrek maakte de L. Admiraal Generaal aan de Heeren Staaten door brieven bekent, met verzoek van daar in te voorzien: 'twelk by hunne Hoog. Moog. werdt behartight, en de vloot zoo veel toegezonden als de tydt en de noodt aan de landtzyde toeliet. 'T was ondertusschen een geluk voor den Staat, dat d'Engelsche en Fransche scheepsmaghten niet te dier tydt te voorschyn en op 's Landts vloot af quaamen: het zy dan dat ze geen kennis hadden van 't geen 'er gebrak, of zelf zoo gehavent waaren in 't leste gevecht, dat ze meer tydts van nooden hadden om zich weêr toe te rusten: of dat ze zich ontzaagen op de Zeeuwsche kust te vechten, door hunne onkunde op onze stroomen, en uit vreeze van 'tgevaar dat hunne scheepen, als ze beschaadight of masteloos moghten worden, +zouden loopen. Onderwyl stondt de Fransche voorspoedt te lande niet stil: geen ongeval quam alleen, en d'eene droeve maare d'andre jaagen. Men verstondt met d'uiterste droesheit en schrik het haastig overgaan van veele steden en sterkten: ten deele aan Vrankryk, ten deele aan +de Bisschoppen van Keulen en Munster. Rees, Grol, Knodzenburg, Arnhem, Emmerik, Brevoort, Harderwyk, Deventer, Doesburg, Schenkenschans, Sint Andries, Hattem, Zwol, Kampen, Uitrecht en Zutphen, waaren onder 't ongelukkig getal der geenen die onder 't uitheemsch geweldt den hals hadden geboogen. 'T verlies van Uitrecht en Naarden braght gantsch Hollandt in last, daar men tot het uiterste middel +moest koomen, de sluizen opende, en 't water liet inloopen; oordeelende, dat het beter was verdorven landt dan verlooren landt. Het leger van den Staat, onder zyn Hoogheit den Heere Prins van Oranje, +werdt op vyf posten, of passen, daar men de vyanden hadt te wachten, verdeelt. De zwaarigheden die den Staat van alle zyden overvielen veroorzaakten +groot gemor onder de gemeente, inzonderheit onder 't graauw, altydts gewoon de rampen van landen en luiden d'Overheden te wyten. In 's Landts vloot, daar ook daagelyks quaade tydingen aanquaamen, vondt zich de L. Admiraal de Ruiter in geen kleene bekommernisse om alles in ordre en by plicht te houden. Hy zocht derhalven +d'inkoomende maaren, zoo veel moogelyk was, te verbergen, of geheim te houden: doch kon al 'tquaadtspreeken van 'tvolk, en hunne woordenstrydt over d'oorzaak van 'tquaadt, niet verhinderen; hoewel zulke hakketten dikwils groot krakkeel veroorzaakten: daar een byzon-

[p. 689]origineel

der +voorval van staat te verhaalen. Zeker Chirurgyn, of Heelmeester, Marten Bylo, vaarende op het advysjacht de Walvisch, raakte den zevenentwintighsten +van Junius met den Luitenant Baart Dirkszoon van +Purmerend, die, door 't overlyden van den Kapitein, toen 't gebiedt hadt, in woorden, zoo over de scheepsbestiering als over den toestandt van 't vaderlandt, en eindelyk over zaaken van Godtsdienst: d'eerste voor de Gereformeerde, en de tweede voor de Roomsche kerk yverende. Hier reezen de woorden zoo hoogh, dat de Luitenant den Chirurgyn beval met zyn goedt uit de kajuit te gaan, 't geen d'ander zoo euvel opnam, dat hy besloot den Luitenant de rest te geven. Hy gaat by den Konstapel, en vraaght of de pistoolen, die in de kajuit aan een rak staaken, gelaaden waaren? en verstaande dat ze gelaaden waaren, zeidt daar op, +Zoo zal ik dien Paapschen schelm den hals breeken. De Konstapel dat voor dronkemans klap achtende, en 't niet geloovende, ging in zyn kooy te rust, en de Chirurgyn midlerwyl alleen over 't schip wandelen, met eenige zelfstrydt in 't harte, en twyffel, of hy 't zou doen of laaten. De haat dreef hem voort, en de schriklykheit van 't feit hieldt hem tegen. Doch de boosheit nam d'overhandt, en 't was of iemant +(dit heeft men hem daarna hooren zeggen) hem in 't oor zeide: Moses sloegh den Egyptenaar wel doodt, en dees' Papist is noch erger, waarom zoudt gy hem dan ook niet dooden? Daar op treedt hy, 's avondts tusschen tien en elf uuren, in de kajuit, zinneloos van haat. Daar vindt hy den Luitenant en een Zeeuwsche boode, die beide sliepen, en twee +vrouwen, die wakker laagen. Hy vraaght waar de Luitenant lagh, 't geen hem zoo haast niet gezeit was, of hy grypt een pistool van 't rak en schiet den Luitenant zoodaanig in de slinker borst, dat hy, naa 't spreeken van weinige onverstaanlyke woorden, terstondt daar van storf. Op 't geschreeuw van de vrouwen quam de Konstapel met anderen uit den slaap, vonden den Luitenant in zyn bloedt, zonder leeven, en den moorder in +zyn kooy: daar ze hem eerst in vast spykerden, op dat hy 't niet zou ontkoomen. Daarna werdt hy te recht gestelt, en, alles vrywillig bekennende, wees de Krygsraadt, dat hem eerst de rechter handt, daar hy de moort meê gedaan hadt, zou worden afgekapt, en hy vervolgens met de koorde gestraft dat'er de doodt naa volghde, en 't lichaam in zee geworpen. +Hy leedt daarna de verdiende peene, met groot bewys van berouw, +maar zonder 't minste teeken van schrik. Den lesten dagh van Junius, en den eersten en tweeden van Julius, leedt 's Landts vloot eenige schaade +door hardt weder en storm uit den Zuidtwestentenzuiden, uit den Westen en Noordtwesten. De Ruiters daagelyks anker ging door, en men zagh de kabels van veel andre scheepen breeken, en de ankers doorgaan. De groote mast en bezaansmast van den Amsterdamschen brander, de Melkmeidt, slingerde buiten boordt: een brander van der Veere werdt zeer reddeloos en lek, en zyn brandttuig nat: zoo dat men beide die scheepen +naar Zeelandt moest opzenden om te herstellen. Den derden der +zelve maandt werdt de vloot, nadien daar eenige scheepen waaren afgegaan, op nieuw in drie esquadres verdeelt, ieder van zeventien capi taale scheepen en vier fregatten. Maar vier scheepen waaren naar Zeelandt om hersteldt te worden: zoo dat men toen op Schooneveldt noch +47 scheepen, 12 fregatten en ontrent 30 branders by den anderen hadt. De Ruiter verdeelde zyn esquadre in drie smaldeelen, gelyk in deeze lyst werdt gezien.

[p. 690]origineel

+Ordre ende rangh voor d'Officieren, gerengeert onder 't esquadre van den L. Admiraal de Ruiter, gelyk het zelve geformeert, ende in drie smalle verdeelingen gedeelt is, dus volgende.

Gerrit Kallenburgh. Advysjacht.
Frans van Nydek. Wynandt van Meurs.
Klaas Anker. Branders.
L. Admiraal van Nes. Dirk Hendriksz. van Kerkhoven.
Graaf Joan van Hornes. Karel de Bruin.
Pieter Klaaszoon Wynbergen. Jan Gilliszoon.
Nikolaas Naalhout. Jakob Martenszoon.
   
Jakob Binkes. Advysjachten.
Joan van Gelder. Kornelis van der Hoeven.
Schoutbynacht van Nes. Kornelis Halfkaagh.
Admiraal de Ruiter. Branders.
Engel de Ruiter. Jan van Kampen.
Moises Wighmans. Lens Harmenszoon.
Marten de Boer. Andries Randel.
  Jan Dirkszoon van Kuwenhoven.
   
Philip van Almonde. Advysjacht.
Jakob Pieterszoon Swart. Isaak Teuniszoon van Anten.
Kornelis de Liefde. Branders.
Viceadmiraal de Liefde. Pieter Besançon.
Jan Noirot. Gillis van Convent.
François van Aarssen. Pieter Hendrikszoon Pop.
Jan Davidszoon Bont. Dirk Janszoon.

Doch onder de vloot begost zich al eenig gebrek van vivres t'openbaaren, bezonderlyk onder d'Amsterdamsche scheepen aan bier: daar van eenige maar voor twee of drie daagen waaren voorzien: dan 't lagh t'Amsterdam al gebrouwen en gescheept, en stondt haast te koomen. +Ten zelven daage naa den middagh quam een Deensch Schipper in de +vloot, verklaarende dat hy dien morgen de klok acht uuren veertigh groote scheepen voor Duinkerken hadt zien leggen, daar onder eenige met roode vlaggen van de companje, 't welk hy geloofde Engelsche en Fransche scheepen te zyn geweest. De Krygsraadt werdt daar op vergadert. Men geloofde dat de vyanden niet verre waaren, en besloot op Schooneveldt te blyven leggen, en eer men tegens hen aanging de Heeren +Staaten 't zelve bekent te maaken. Voorts werden drie fregatten naar Duinkerken gezonden, om te verneemen of 't zoo was als de Deensche schipper hadt bericht, om in dat geval dan verder te besluiten 't geen ten meesten dienste van den Lande bevonden zou worden te behooren, of naa 't geen hunne Hoog. Moog. zouden beveelen, welker nader ordre de L. Admiraal de Ruiter op dit en andre diergelyke voorvallen verzocht t'ontfangen, en by antwoordt zou verwachten. Dit was te meer noodigh, om dat men, door 't vertrek van den Ruwaart, nu +geen Gevolmaghtigden van den Staat in de vloot hadt. Te dier tydt +passeerden twee Engelsche Konings jachten door de vloot naar de Maaze, inhebbende (behalven den Heer van Dykvelt, een der Staatsche Gezanten, onlangs naar Engelandt gezonden) den Hartogh van Bukkingham, den Graaf van Arlington, en den Heer Hallifax, die van

[p. 691]origineel

+den Koning van Grootbritanje aan zyn Majesteit van Vrankryk werden gezonden, en over den Haage naar 't Fransche leger zouden vertrekken. +Des anderendaaghs zeilde noch een Engelsche kits door de vloot, met de bagagie van de gemelde Gezanten: met deeze kits quam +de Kapitein Jan Dik uit Engelandt, wiens schip in 't gevecht op den Kapitein zevenden van Junius in den grondt was geschooten: by hem was een Engelsch Trompetter, die een brief van den Hartogh van Jork aan den L. Admiraal de Ruiter braght, meldende, dat hy den Kapitein Jan Dik op zyn woordt hadt ontslaagen, en aan hem zondt, op vertrouwen, dat men daar tegen den Engelschen Kapitein Johan Chichley, op 't schip de Catharine gevangen, en te Rotterdam zittende, zoude wisselen, of +dat anders de Kapitein Dik weer naar Engelandt in zyn gevangenis zoude keeren. De Ruiter verstondt dat men Chichley behoorde los te laaten, en d'eene beleeftheit tegens d'andre te stellen. Hy schreef derhalven in ernstige termen aan 't Kollegie ter Admiraaliteit te Rotterdam: die den Engelschen Kapitein, op zyn verzoek, ontsloegen. D'Engelsche Trompetter, die met den Kapitein Dik aan de Ruiters boordt was gekoomen, toonde wel haast dat hy noch een andere boodtschap +hadt te verrichten. Hy strooide arghlistelyk eenige gedrukte artykelen, in drie taalen, in 't schip de zeven Provincien, inhoudende aanbiedingen van loon en gunst, voor de geenen die uit de vereenigde Provincien, in deeze benaaude tyden, met scheepen, goederen, of persoonen, tot d'Engelschen wilden overkoomen. De Ruiter, een aarts vyandt van oproer en verraadt, des Trompetters doen gewaar wordende, nam hem deegelyk voor, hem dreigende met de galg, indien hy iet verder zou bestaan om 't volk tot oproer en ten afval te troonen. Hy zey ook, +toen men hem zelf verraadt scheen te vergen: Als 't Landt al t' eenemaal verlooren ging, zoude ik met de vloot ik weet niet waar liever heenen zeilen, dan my aan uwen Koning, die geen woordt noch verbondt +houdt, overgeeven. De Kapitein Dik vertelde aan de Ruiter, dat hy, uit Engelandt koomende, d'Engelsche en Fransche vloot, noch by een gevoeght, honderdt en tien scheepen van oorlogh sterk, behalven de branders en 't ander vaartuig, volkoomen klaar en in staat hadt gezien om uit de Riviere van Londen in zee te koomen, of die nu moogelyk al zee zou genoomen hebben. Uit dit verhaal werdt afgenoomen, dat het geen scheepen van oorlogh waaren geweest die de Deensche schipper +te vooren voor Duinkerken hadt gezien. De Ruiter met zyn Krygsraadt daar over raadtslaagende, werdt verstaan, dat 's Landts vloot, nu +zoo zeer verzwakt, tegens zoo groote maght, menschelyker wyze, niet wel in de ruime zee zou konnen bestaan, noch ook buiten ordre van hunne Hoog. Moog. de zee moght verlaaten: maar dat men moest overleggen, waar dat zich de zelve op 't voordeelighst en veilighst zou konnen en behooren te posteeren, om de vyanden daar af te wachten, tot dat de vloot zou zyn versterkt, of dat men andre ordre van hunne Hoog. +Moog. zou hebben ontfangen. Voorts werdt goedtgevonden, zonder tydt verzuim het anker te lichten, en met 's Landts vloot wat naader aan de gronden te loopen, tot dat ze de Deurloo (dit was een diepte strekkende naar de Wielingen en Vlissingen) open zouden hebben: en dat ze daar in zoodaanig postuur, als de vloot in haare esquadres en smaldeelen nu was verdeeit en gerangeert, het bezoek van den vyandt op onze kust zouden afwachten, gelyk men lest op d'Engelsche kust hadt gedaan. Men stelde ook ordre, dat de Kommandeurs der branders de

[p. 692]origineel

+voordeelighste plaatzen werden aangeweezen, om hunne brandtscheepen op de vyanden, in gevalle die op d'onzen afquaamen, met geluk te moogen besteeden. Ook werdt den L. Admiraal de Ruiter door de Heeren Staaten van Hollandt het afschrift van zeker advys, of bericht, tot Londen den achtentwintighsten der voorledene maandt geschreeven, toegezonden; houdende, dat, zoo haast d'Engelsche vloot in staat zou zyn om zee te konnen neemen, men aldaar van voorneemen was een landing te doen op 't eilandt van Texel ofte in Zeelandt. Te deezer tydt naamen de zwaarigheden binnens landts daagelyks toe, en men ontfing geduurigh tydingen in de vloot die bekommerlyk en droevig waaren. Men hadt te gelyk met den buiten vyandt en d'inwendige oneenigheden te worstelen. De Koning van Vrankryk, met de twee Vorsten van Keulen en Munster, hadden binnen een maandt tydts meer dan dertig steden, vestingen en sterkten, en de drie geheele Provincien van Gelderlandt, Overyssel en Uitrecht bemaghtight, en ook etlyke steden van Hollandt. Met de tegenspoedt wies de schrik en verbaastheit, door de verbaastheit d'onorde, door d'onorde 't misvertrouwen en 't quaadtvermoeden. +D'argwaan geloofde 't ergste, en binnen weinigh daagen dreunde gantsch Hollandt van tweedraght en oproer. Men hadt het op d'Overheden en Wethouderen gelaaden. Die hieldt men voor d'oorzaaken van 's Landts onheilen, en riep dat ze 't vaderlandt verrieden. Aan de gemeentens, door bekende en onbekende middelen op de been geraakt, en gaande geworden, was langer geen houden. D'ingewortelde, +ingeënte en aangequeekte genegentheit tot zyn Hoogheit den Heere Prinsse van Oranje, die in de harten van zommige Wethouderen, van de meeste Predikanten, van 't grootste deel des volks, ook krygsluiden en matroozen, niet tegenstaande de bekende Seclusie en 't Eeuwigh Edict, nooit was verdorven, maar met zyne jaaren opgegroeit, borst nu t'evens uit. Men riep overal, dat de Staat niet was te redden, of men moest de Loevensteinsche factie (dien naam gaf men de Heeren die de Stadthouderlyke regeering tegen waaren) en 't Eeuwig Edict vernietigen: en zyn Hoogheit het Stadthouderschap en Kapiteingeneraal- en Admiraalschap van Hollandt opdraagen, op zulk een voet gelyk zyn voorvaders en voorzaaten die waardigheden hadden bekleedt. Dit was de gemeene +stem des volks, die men eerlang moest volgen. D'eerste opstandt begon te Dordrecht, daar de burgers zich by 't graau voegden, en de Vroedtschap persten, by schriftelyke onderteekening, van 't Eeuwig Edict af te gaan, zyn Hoogheit, van 's Stadts weegen, tot Stadthouder te verklaaren, en den zelven van den eedt, tot het niet ontfangen van 't Stadthouderschap, t'ontslaan. Dit geschrift werdt by de Vroedtschap, Luiden van achten, en eenige Predikanten onderteekent. De Ruwaardt van Putten, noch ziekelyk te bedt leggende, weigerde te teekenen, niet tegenstaande eenige gewapende burgers zyn huis hadden omeingelt, en dat 'er zwaare dreigementen omgingen. Maar hy gaf ten antwoordt, dat hem in den lesten zeeslagh zoo veel koegels over 't hooft waaren gewaait, dat hy 'er geen meer vreesde, en liever een koegel zou afwachten, dan dat schrift teekenen. Doch tot het teekenen werdt hy eindelyk door zyn echtgenoot bewoogen: die, met haar jonghste kinderen aan de handt, hem met traanende oogen badt, dat hy van de noodt een deught zou maaken, en zich, was 't niet over zich zelven, ten minsten over zyn vrouw en kinderen erbermen. Hy teekende, doch met byvoeging van twee letteren, V.C. dat is; Vicoactus, of, door

[p. 693]origineel

+geweldt gedwongen. Maar 't volk, zulks ziende, was niet te vreeden, zoo dat hy eindelyk die letteren moest uitschrappen. Dit exempel sloegh voort van d'eene stadt tot d'ander, doch op verscheide wyzen, en op d'eene plaats met meer geweldts en oproers dan op d'ander. Veele Regenten werden gedwongen 't Eeuwig Edict af te gaan, en hunne ampten te verlaaten. De bezondre voorvallen van deeze veranderingen hier t'ontfouwen zou 't ooghmerk en 't bestek van dit werk te buiten gaan: ik zal dan maar met weinig woorden, om de wisselvalligheit der zaaken by de Ruiters leven te toonen, ter loops zeggen, wat het gevolgh was +van deeze beroerte. Eerst hebben de Heeren Staaten van Hollandt, op het voorstel van die van Leiden, toegestaan, dat men zyn Hoogheit den Heere Prinsse van Oranje de vrye maght over de patenten, gelyk zyn voorouders die hadden gehadt, tot kennelyk wederzeggen toe, zoude opdraagen. Voorts werdt by de Staaten verstaan, dat de Leden der +Provincie malkanderen, en al die den eedt op 't Eeuwigh Edict hadden gedaan, van den zelven eedt zouden ontslaan: en daar op werdt zyn +Hoogheit by hunne Ed. Groot Moog. aangestelt en verkooren tot Stadthouder, +Kapiteingeneraal- en Admiraal van Hollandt en Westvrieslandt, met alle zoodaanige waardigheden als by de Prinssen zyne voorouders waaren bekleedt. Men liet daarna, door een aanzienelyke Staatsgewyze bezending, zyn Hoogheit de voorschreeve waardigheden opdraagen, en van den eedt, tot het niet ontfangen en aanneemen van het Stadthouderschap gedaan, ontslaan of ontbinden. De Staaten Generaal hebben +insgelyks den hooghgemelten Prins tot Kapiteingeneraal- en Admiraal, +over de militie te water en te lande van de vereenighde Nederlanden, aangestelt. Doch die van Vrieslandt, Stadt Groeningen en Ommelanlanden, behielden het recht van de patenten. Die van Zeelandt vonden zich ook genoodtzaakt het Stadthouderschap van hunne Provincie aan +zyne Hoogheit op te draagen. Doch dit kon al 't oproer niet stillen. +Men wou noch grooter verandering in de regeering der Hollandtsche steden te weegh brengen, en zommige Regenten, die in 't oogh liepen, afgezet hebben: hoewel zyn Hoogheit in een brief, aan alle of verscheide Vroedtschappen rondtsom gezonden, en terstondt door den druk gemeen gemaakt, opentlyk te kennen gaf: dat d'ongelukken, die 't Godt +belieft hadt aan den Staat te doen overkoomen, voor een groot gedeelte veroorzaakt waaren door de trouwloosheit en de lacheteit van zoodaanige Bevelhebbers, Officieren en soldaaten, den welken d'eerste en principale posten op de frontieren van 't Landt waaren aanbetrouwt. Dat hy ook aan alle de werelt betuighde, dat hy geen kennis ter werelt, +ook zelfs geen opinie hadde, dat 'er eenige Regenten van de Provincie van Hollandt, of van de Steden der zelve, zouden zyn, de welke tegens eer of eedt zich zouden hebben vergeeten, om door verraadt, correspondentie met de vyanden van den Staat, of met eenige andere onbehoorlyke middelen, iet te hebben gedaan of ondernoomen 't welk tegens de plicht zou zyn van een eerlyk of trouw Regent. Dees' ronde verklaaring, die ik met zyn Hoogheits eige woorden verhaale, werdt +toen in den windt geslaagen, en kon d'opgevatte en gevoedde arghwaan niet weghneemen. De tyding van 't verheffen zyner Hoogheit tot de hooge ampten en waardigheden, boven gemeldt, den L. Admiraal de Ruiter, door de Heeren Meerens, Mauregnault, Kan en Sterkenburg, Gedeputeerden van hunne Hoog. Moog. den elfden van Julius bekent +gemaakt, veroorzaakte een groote vreughde onder de Bevelhebbers,

[p. 694]origineel

+matroozen en soldaaten, in de vloot. De L. Admiraal de Ruiter begroete daar op zyn Hoogheit met een brief, ten zelven daage geschreeven, van deezen inhoudt.

+Dat hem in deeze bekommerlyke tyden buiten maat en hadt verheught, van de Heeren hunne Hoog. Moog. Gedeputeerden en Gevolmaghtigden met zeekerheit te verstaan, dat zyn Hoogheit tot Stadthouder van de Provincien van Hollandt en Zeelandt was verkooren: en derhalven van zyn plicht hadt geacht, zyn Hoogheit dieshalven van geheeler herten alle heil, geluk en zeegen van den hoogen heemel toe te wenschen: hoopende dat de Staat onder des zelfs hoogwys beleidt en regeering wederom zoo gelukkig zou worden, als die ten tyden van zyn Hoogheits doorluchtige en dappere voorouders was geweest: en dat hy wyders met alle eerbiedigheit d'eere van zyn Hoogheits gebooden en beveelen zoude afwachten.

+Daarna vertoonde de Ruiter aan zynen Krygsraadt ook een brief van +zyn Hoogheit, aan hem geschreeven, en zyne verkiezing tot gemelde ampten te kennen geevende, met recommandatie aan alle Hooft- en mindere Officieren van 's Landts vloote, zich, by deeze bekommerlyke gesteltenis van tyden en zaaken, ten besten van 's Landts dienst ten uiterste te quyten, en zyn Hoogheit van tydt tot tydt van alle gelegentheden +en voorvallen omstandigh te berichten. Hier op heeft de geheele Krygsraadt in 't gemeen, en elk lidt in 't byzonder verklaart, dat hun zulks ten hooghsten verheughde: en den L. Admiraal de Ruiter werdt verzocht, zyn Hoogheit by zyn antwoordtbrief van hun aller genegenheit tot het welvaaren en dienst van den Staat, en zyn doorluchtige persoon, te verzeekeren, en met zyne hooge ampten geluk, heyl en zegen toe te wenschen.