terug  begin  verderprepost
[p. 26]

Hoofdstuk 1 Lipogram inclusief de wet van mezen en pezen

10 Verboden en verplichte letters

Het woord neemt tussen letter en zin een unieke middenpositie in. Het neemt deel aan twee processen die gescheiden behandeld kunnen worden. Naar onderen toe wordt een woord opgebouwd uit letters. Naar boven toe bouwen woorden een zin op. Beide processen zijn aan strikte regels gebonden. U weet dat npa geen Nederlands woord is, en niet omdat u het nog nooit eerder las. U weet dat ‘Niemand paars avond’ geen Nederlandse zin is, en niet omdat u hem nog nooit eerder las.

De betekenis van een woord is niet afhankelijk van de samenstellende letters. De betekenis van een zin is wel bepaald door de betekenissen van de samenstellende woorden. Althans, dat zeggen ze. In het Opperlands is dat wel eens anders, zie bijvoorbeeld 48a.

De twee geledingen zijn onafhankelijk. Dus gaat de Opperlander die onafhankelijkheid verstoren. Hij gaat - geheel naar eigen willekeur - het gebruik van bepaalde letters verbieden, en kijkt wat dat voor gevolgen heeft. Het gevolg voor de woorden is direct duidelijk: als ze een verboden letter bevatten dan zijn ze zelf verboden. Maar de consequenties voor de zinnen zijn minder direct duidelijk. In veel gevallen zal het de lezer niet opvallen (als bijvoorbeeld de letter x verboden wordt). In andere gevallen zal de schrijver geen zin op papier kunnen krijgen (als bijvoorbeeld de letters e, r en n verboden zijn). Niet alle letters zijn even belangrijk. Een vaak gebruikte letter is moeilijker te missen dan een weinig gebruikte (de letterfrequenties staan in 51c). Maar dat is niet alles. Verbiedt men bijvoorbeeld de letter u, dan is ook de q uitgeschakeld. Verbiedt men de n dan zijn er haast geen meervouden meer.

‘Lipo’ is Grieks voor ‘ik laat weg’. Onder een ‘a-lipogram’ verstaat men soms: een tekst waarin de letter a verboden is, maar helaas ook wel: een tekst waarin de a de enige toegestane klinker is, zoals in ‘Raar maar waar’, en de verboden letters e, i, o, u, ij zijn.

Die verwarring wil ik natuurlijk vermijden. Ik versta onder een xyz-lipogram een tekst waarin de x, de y, en de z verboden zijn. Wie dat wil mag voor een eiouij-lipogram natuurlijk de naam A-saga bedenken, zoals dat 140 jaar geleden gebeurde.

In de komende vier paragrafen gaat het over het verbieden van letters. Als er zesentwintig letters zijn, dan zijn er 226, dat is ongeveer vijfenzestig miljoen verschillende lipogrammen mogelijk. Twee grensgevallen van dat enorme aantal zijn:

1 Alle letters zijn toegestaan. Dit ‘-lipogram’ heet: ‘Nederlands’.

2 Alle letters zijn verboden. Dit abcdefghijklmnopqrstuvwxijz-lipogram heet: zwijgen, hoewel je in stripwolkjes wel eens de uitlating *!?££&$$!! kunt waarnemen.

In 15 en 16 worden niet losse letters, maar lettercombinaties verboden of verplicht. Dit leidt tot rijm.

In 17 kijken we naar de eis dat in een woord een letter niet méér dan éénmaal voorkomt. In 18 naar de eis dat elke letter van het alfabet in een woord of zin voorkomt. In 19 wordt een intrigerende vraag gesteld, die uit 17 en 18 volgt.

Lipogrammen gaan meestal over het verbieden van letters en de consequenties die dat hogerop, in woord, zin, en tekst, heeft. Maar er zijn ook lipogrammen met andere verboden grammen dan letters:

Onder het letterniveau kun je de stokjes van letters verbieden, of de zwart-te-maken rondjes in letters. Dit komt in 14 aan de orde. Omdat er maar zo weinig letters zijn, kun je dergelijke beperkingen op letteronderdelen altijd direct opvatten als het verbod van bepaalde letters.

Boven het letterniveau kun je ook woordgrammen verbieden. Wil dat opvallen, dan zal het om veelgebruikte woorden, of om grote groepen woorden moeten gaan. Veel gebruikte woorden zijn ‘nee’, ‘ja’, en ‘ik’. In het radiospel Geen ja, geen nee blijkt telkens dat, ook tegen eer en beloning, niemand in staat is langer dan enkele minuten een ja-nee-lipogram te produceren. Drs. G. van Buren, van wie u nog veel teksten zult gaan lezen, is een wandelend voorbeeld van een ik-lipogram.

Taboes op seksueel en religieus gebied nopen veel taalgebruikers bepaalde woorden nooit te gebruiken. Het raadselachtige is dat zij die woorden wel kennen.

Een woord-lipogram waarbij het om grote groepen verboden woorden gaat, leren we in verband met vreemde talen in hoofdstuk 8 kennen.

Maar dit zijn marginale gevallen. Het gewone lipogram is

[p. 27]

11a Paaschmaandag, a-saga

't Lam was haar kaars.

‘Alarm, Alarm’ galmt gansch Walacra: want Haralds aanmarsch jaagt angst aan, aan al wat aâmt.

Harald was Jarl van Laaland. ‘'t Zwaard’ - dacht Harald - ‘baant 't pad naar 't Walhalla;’ vandaar, dat Harald zwalkt, strand af, strand aan; vandaar, dat Haralds zwaard landplaag was van al wat aan 't strand lag. - Aadlaar van Ran, was vaak Haralds naam.

Thans klampt Harald 't strand aan van Walacra. Al wat kan, aanvaardt 't staal; maar Ach! dag van ramp! Haralds schaar valt aan; 't slagzwaard vlamt; landzaat naast landzaat valt; Ja, Harald waagt d' aanval van Walacra's stad, d' aanval van Aarstad, waar Alward, Markgraaf van Walacra, standplaats had.

Dáár, zat Ada aan 't glasraam van Alwards hal; angst prangt haar hart: want, nadat 't graf al Ada's maagschap van haar nam, nam Alwards gâ haar aan; Alwards gâ lag dáár, waar al Ada's maagschap was; thans was Alward haar raadsman, haar arm, haar al. Ach! als Alward valt! - Maar Aarstad, waar Alwards manschap pal staat, slaat Haralds aanval af: Laalands schaar nam d'afmarsch aan naar 't strand.

Wat was Ada zacht van aard! aan al wat arm, aan al wat krank was, gaf haar hart gaarn al wat haar hand had. - Na d' afmarsch van Haralds manschap, hangt Ada haar mand aan d' arm, gaat dáár waar 's landmans ramp 't zwaarst was, laaft, vraagt, raadt, paart traan aan traan. Dat haar pad afdwaalt van Alwards wal, - wat dacht Ada daaraan? -

 

't Was nacht; Haralds manschap slaapt; maar Harald zat aan 't strand. Naast Harald zat Skalk Adgar.

‘Wat was dat daar, Adgar?’ - vraagt Harald. ‘Wat dat was?’ - sprak Adgar - ‘d'Aardman dwaalt langs 't strand. Zacht, zacht! Aardman klaagt; Aardmans klagt was maatzang.’ - ‘Bah! dat gaat lafaards aan, wat Aardman snapt,’ sprak Harald. - ‘Lafaard? - wáár was Adgar dat? maar Adgar las 't blad van Braga's waarspraak, alwaar dat staat wat Braga raadzaam acht dat d'aard, van al wat haar wacht, raadt.’ - ‘Wat waarspraak was dat dan, waar g' aan dacht?’ vraagt Harald. Adgar gaat staan, staart strak 't maanvlak aan; gansch aandacht, als 't past, sprak Adgar:

 
‘Als 't strand 's nacht Aardmans klaagzang slaakt;
 
Als 't raafzwart daags aan 't zwaanblank raakt;
 
Als Wara 't hart van d'Aad'laar blaakt:
 
Staat Astara haar naam, haar staf,
 
Aan 't Lam van 't Karavaanland af.’

Haralds - ‘Wartaal! wartaal!’ - brak Adgars nachtspraak af; maar Adgar dacht na: want Adgar lascht Aardmans klagt vast aan Braga's waarspraak.

 

Landwaarts, aan wat kant Aarstad lag, had Tjalf, Haralds Vasal, twaalf man van Laalands manschap als wacht staan. 't Was al dag, althans d'aanbraak daarvan, als Haralds wachtplaats schalt van Tjalfs galm: ‘Vangst! Ha, nachtraaf van Walacra! vangst!’ - Tjalf bragt Ada aan; Ada was Tjalfs vangst.

Langzaam trad Ada naar Harald; haar gang was achtbaar: want Ada's hart was kalm. Haar lang haar daalt af langs haar hals, blank als zwaanvacht; zwart was haar tabbaard, waarlangs haar arm, als van albast, afhangt.

‘Maagd!’ - vangt Harald aan - ‘naam? maagschap? stand? van waar kwaamt g' aan 't kamp van Harald?’ - ‘Man van 't zwaard!’ sprak Ada - ‘wat draalt dat zwaard? Ada wacht kalm af, wat d'Almagt raadslaagt.’ - ‘Ada!’ - was thans Haralds taal - ‘als wraak, als haat Haralds hart aansart; als 't Walhalla dat hart aanlacht: dan blaakt dat hart van gramschap; dan vlamt Haralds hand van 't slagzwaard. Maar, wars van al wat laag was, van al wat barbaarsch, was Haralds hart vaak zacht als was.’

Wat Harald daar sprak, brak Ada's hart; 't was als gaf 't haar smart, dat haar taal wat hard was, wat smaads aanbragt aan Laalands Jarl. Wat thans haar taal was, maakt, dat Harald kan nagaan, van waar z'aan Tjalfs wacht kwam, wat haar daar bragt. ‘Maak staat,’ - sprak Harald - ‘maak staat, Ada, dat Haralds hart thans zacht slaat. Ada ga, vanwaar Ada kwam; maar als Ada's dankbaar hart 't pand was, dat Markgraaf Alward Haralds handslag aannam, dan maakt, aan 't strand van Walacra,

[p. 28]

het verbieden van bepaalde letters, en het daardoor bevoorrechten van de andere letters, al zal dat toch vaak blijken neer te komen op: het bevoorrechten van bepaalde klanken. Dat is zeker het geval in:

11 Verboden klinkers

We bevinden ons hier op zéér platgetreden terrein. Gedurende de tachtiger jaren van de achttiende en van de negentiende eeuw hield het letterlievende mensen bezig, dus misschien mogen we binnenkort weer een klankdichtrenaissance beleven.

De oudste die ik heb (03a) zijn een a-lipogram, een e-lipogram, een i-lipogram, een o-lipogram en een u-lipogram, die in 1784 werden uitgegeven door A.F. (dit is A. Frese).

In 1841 liet Jacob van Lennep voor zijn vrienden een aiouij-lipogram drukken, dat hij ‘e-legende’ noemde, een naam die ik voor dit lipogram ook zal aanhouden.

Dit daagde anderen uit. In hetzelfde jaar verscheen van J. Bosscha het eiouij-lipogram ‘Paaschmaandag’ met de ondertitel ‘a-saga’, ook een naam die dit soort lipogram nu draagt. En eveneens in hetzelfde jaar maakte A.des Amorie van der Hoeven een aeiuij-lipogram ‘Colholms Roos’, met de ondertitel ‘o-spraak’, die nu soortnaam is.

In 1879 werden de drie privé-uitgaafjes in één bundel aan het publiek aangeboden (dat is de druk waaruit 11a, e en o zijn overgenomen), en de gevolgen bleven niet uit. In 1880 kwam B.H. van Breemen met een ‘i-dicht’ en een ‘ij-rijm’ (11j, ij). In datzelfde jaar moet in Arnhem een anoniem aeouij-lipogram ‘Prins Willy’ verschenen zijn (kennelijk uitgaand van een alfabet met x, ij, y, z) dat ik dolgraag eens zou willen zien. Ook in die jaren schreef J. Jongeneel een ‘i-dicht’ dat in 1925 in de Nieuwe Rotterdamsche Courant werd afgedrukt (11i). Ik heb omstreeks 1950 een ‘u-prul’ naar het toenmalige Elseviers Weekblad gestuurd, maar ik kon nóch dat stuk, noch de oproep ertoe in het weekblad, terugvinden. Als u mij dat vertelde zou ik denken dat u zich grondig vergiste. Gelukkig zijn er twee ‘u-kluchten’ (11u, v) die merkwaardig op elkaar lijken, al heeft de Rus (uit 1944) plaats gemaakt voor een Turk (1978).

De inhoud van de klinkerlipogrammen

Waar de vormeisen zo zwaar wegen, is het interessant om te kijken wat voor inhoud de lipogrammakers kozen. In 1841 waren het alle drie ridderverhalen. Nu zag ik, onder de vele klinkerlipogrammen die ik kreeg na Opperlandse pagina's in nrc-Handelsblad, Vrij Nederland en Onze Taal vooral zachte politiek en zachte porno. De in 13 genoemde lipogram-

[vervolg van 11a]

kamp, manslag, wandaad, ras plaats aan zang, aan dans, aan gastmaal.’

Wat Ada daarna sprak, laat d'A-Saga daar. Maar alras zat Ada, als 't plag, aan 't glasraam van Alwards hal. Wat thans haar dáár prangd' aan 't hart, was, dat Harald Baäl aanbad, dat Harald dat smaadt, waaraan gansch haar hart hangt.

Wat Harald aangaat, Harald stapt lang, dan aan 't strand, dan landwaarts langs 't pad, dat van 't kamp naar Aarstad gaat: 't was dagklaar, dat daar wat knaagd' aan 't hart van Laalands Jarl. Maar Adgar zat kalm aan 't strand; Adgar dacht na: want Adgar lascht 't blank van Ada naast 't zwart van haar tabbaard, vast aan Aardmans klagt, aan Braga's waarspraak.

 

Wat Harald sprak van Ada's dankbaar hart, van handslag, van gastmaal, was ras daadzaak. Naar d'afspraak, staakt Harald all' aanval, staat Haralds kamp vrank aan 't strand, gaat Laalands manschap, als 't pas gaf, naar Aarstad; naast 't kamp had Walacra's landman marktplaats. Vaak kwam Harald naar Aarstad waar dan d'Aadlaar van Ran aanzat aan 't gastmaal van Markgraaf Alward; ja, als 't valt, paart Harald Laalands zang aan Ada's harpsnaar. Maar, - wat dag aan dag plaats had, was, dat d'Abt van Aarstad naar 't kamp kwam van Harald, waar dan Adgars handslag 't warmst was. Wat aandrang 's mans achtbaar hart als jaagt naar 't kamp van Laalands manschap, daarvan waagt alras gansch Walacra, ja, land aan land. Want, als 't Paaschmaandag was, bragt d'Abt van Aarstad Harald, Adgar, Tjalf, tal van Laalands manschap - naar 't waschbad, dat d'Almagt aan d'aard gaf als 't pand van haar raadslag.

Daags daaraan trad Ada aan Haralds hand naar 't altaar.

‘Gaat,’ - sprak d'Abt van Aarstad, - ‘gaat hand aan hand, hart aan hart. Kracht van d'Almagt, schraag d'arm van Harald, maar dat Haralds hand thans 't zwaard draag van Asa! kaars van 't hart van Ada, lamp langs 't pad van Harald, straal glans af dáár waar 't nacht was! Dan, - wandlaars t' zaam naar 't graf! - dan wacht namaals dat Canaän, waarnaar 't hart smacht van al wat d'Almacht aanbad naar haar raad!’

Thans lag kaag naast kaag klaar aan 't strand;

[p. 29]

Haralds Drakar draagt vlag, krans, palmtak. Alras had d'afvaart plaats van 't paar; d'afvaart van Haralds manschap naar Laaland. 't Was 't laatst dat strand aan strand d'Aadlaar van Ran zag. Straks stapt Ada, aan Haralds hand, aan wal van 't land vanwaar Harald kwam.

Zwaar was daar Haralds taak: want Laalands Jarls staan naar Haralds land; 't raast al van wraak, dat Harald afstaat van 't Walhalla. Maar 't zwaard van Harald, 't hart van Ada, d'aandrang van Adgars taal, schaard' al wat braaf was aan Haralds kant. Gansch Laaland draagt Haralds vaan.

't Jaar daarna, als 't Paaschmaandag was, bragt Harald al wat Vasal was t' zaam, aan d'afbraak van 't laatst altaar van Astara. Daar sprak Adgars krachttaal van 't Lam, dat was van d'aanvang af. Dankbaar zag Harald Ada aan; Harald dacht aan 't strand, waar Adgar sprak van 't Lam van Braga's waarspraak: Astara's naamdag was thans Paaschmaandag.

11b Van Agt stapt af

haag 8 maart - Na nacht van kabaal, smaad, schandaal zal A. van Agt als staatsman gaan. Want als Abraham Vatmaakman (ar), Karl Marx (pvda), Hans Slapwas (vvd) hand aan hand saamgaan, dan kan Frans A. (kvp) als raadsman pal gaan staan, maar zal Van Agt naar staatswalhalla - Raad van Staat - gaan.

Na Maas-Waalkanaalschandaal, Albaans Balkanraadkabaal, ramp van Marsapparaat (graafarmklamp raakt vast), klaagzang van val van kamp Tal Al-Zaatar, Ajaxmandaat van Jaap van Praag, dambacchanaal van Gantwarg, was ‘nacht van Van Agt’ rampnacht waar gans Haags kamp, al wat daar was, haast krank van was. Aanval na aanval, klap na klap, slag na slag, slaat Van Agt af, maar waar Van Agt pal staat, daar staan Vatmaakman, Marx, Slapwas massaal. Dat jaagt angst aan!

Dat Karl Marx (pvda) Van Agt graag zag gaan, dat sprak. Maar dat Abraham Vatmaakman (ar), Hans Slapwas (vvd), Mark Bakman (cpn), maagd Wttwaal (ch) daar naast gaan staan, dat maakt dat Haags kamp paf staat.

Dag, raafzwart haar - ‘aapvacht’ smaalt vara, waar Varahaan garant staat dat Van Agt's naam alsmaar als laakbaar cda-fanaat galmt.

Na twaalf jaar Haags staatsmanschap zal Van Agt maandag ras pad naar Brabant gaan, waar paaps staatsman vandaan kwam.

11c A-spraak

Een telg des Weledelen Heeren C. Everts, dewelke de reeds zeer bekende Everts-E-legende creëerde (zelve telt ze reeds twee keer twee keer twee decennen, zegent echter eveneens der Letteren Stem)... maakt daarnaast thans 'n A-spraak, dacht: ‘Ja, dat's vast naar pappa's aard!’ Daar gaat haar A-spraak dan (navrant?):

1

Balthazar van Albada aanbad Barbara Kraakman, wacht lang af, maakt dan 'n afspraak... Dàt slaat aan, want Barbara snàkt naar aanspraak. Daarna gaat Balthazar vaak 's nachts laat naar Raamgracht 8, waar Barbara Balthazar wacht. Barbara (paraat, waakzaam) was braaf, (was althans maagd), maar ach! haar hart was zacht van aard, was zwak... Balthazar gaat dan vlak naast haar staan, raakt haar wang aan, haalt haar aan. Haar hart gaat van tak-tak-tak, haar kracht zwakt af, dan...

Daarna gaat 't spaak, fataal: ramp na ramp, traan na traan, haat, argwaan, ja wráák: Balthazar, na 't drama kwaad, dacht ‘barst maar’, lapt 't àl aan z'n laars, gáát. Basta.

[p. 30]

men zonder e en n, en zonder e, r en n behandelen alledrie moordzaken.

Gerrit Krol, die op mijn verzoek onder een heel andere vormbeperking gebukt ging, gebruikte bijbelse verhalen (hoofdstuk 5). Rudy Kousbroek gebruikte voor drie volkomen verschillende transformatie-ideeën sonnetten van Kloos. Wij hebben in de Nederlandse literatuur en cultuur een tekort aan teksten die iedereen kent, en waar dus strapatsen mee uitgehaald kunnen worden. De Opperlandse letterkunde is nu eenmaal voor een groot deel parasiterend van aard. Maar dan moet er wel een Nederlandse literatuur zijn om op te kunnen parasiteren.

 

....................

Anna Blaman Stadskanaal
Peter Verstegen Heemstede
Frits Philips Wilnis
Toon Kortooms Schoonoord
Ruud Lub Bussum
Thijs Wijs Rijswijk

....................

De andere ‘klinkers’

‘Koekoeksnoef’ en ‘Maumausnauw’ horen in deze paragraaf eigenlijk niet thuis. De ‘oe-f’ is een lipogram waar behalve de klinkers a, i, u en ij ook de letterparen zijn verboden met een o als eerste lid en een ander dan een e als tweede, en bovendien alle letterparen met een e als tweede lid en daarvóór een andere letter dan een o.

Zo'n definitie zou je ook voor de ‘ou-clou’, het ‘ie-lied’ enzovoorts moeten geven, maar dat is overbodige moeite. In 11r drukken we een fragmentje af, waarin een Nederlandse spellingscommissie trachtte alle onsamengestelde Nederlandse woorden met ou op te sommen. De ‘vrouw wou’ niet.

Volgens Kousbroek zou een au-tekst goed zijn voor een acteur die een kat moet spelen. Hij observeerde ook het merkwaardige effect dat het lezen van zulke eenzijdig klinkende teksten heeft.

Het leek mij een goed idee dit boek te openen met een serie klinkerlipogrammen, opdat de lezer in een Opperlands bad wordt gedompeld, en die verstandige, altijd ergens over gáánde, Nederlandse taal van zich af kan weken.

U kent het verschijnsel dat elk woord, mits honderd maal in snel tempo herhaald, van zijn betekenis kan losraken. Dat kunt u voor de gehele Nederlandse taal bereiken door de achttien opgenomen klinkerlipo's hardop te lezen. Wie een nieuwe wil maken, moet wel met iets moois voor de dag komen.

[vervolg van 11c]

Barbara - straatarm, wàt 'n blaam, wàt 'n afgang - draagt zwaar haar last, braakt. Arts Braadbaart staat klaar, maar dacht: ‘'t Spant, straks draag 'k haar naar 't graf!’ - pakt dan rap 'n apparaat van staal, 'n tang - ja daar baart Barbara Balthazar's nazaat: Abraham Caspar, haar schat! Als Abraham na 'n maand lacht, stráált Barbara, haar hart als was...

2

Maar Balthazar had 'n galblaaskwaal, z'n hart was wat zwak, z'n baan (aan Zaandam's Spaarbank) was zwaar, was vaak laat klaar. Dan knapt Balthazar af, z'n hart raakt van slag; Balthazar had angst, gaat rap naar Kanaalstraat 12-a waar arts Braadbaart àl aandacht was. Braadbaart raadt Balthazar z'n baan af, vraagt: ‘Kan dat?’ ‘Tja, dat hangt 'r van af...’ Dan maant Braadbaart: ‘Balthazar, dat gaat naar 'n hartaanval! Wat kalm aan, kan dàt dan?’ ‘Ja, dàt kan, dat 's aanvaardbaar. Dan ga 'k naar Alkmaar's kaasmarkt, dat was 'k al lang van plan, daar gaat 't kalm.’ Maar Alkmaar had daarnaast Carnaval! Balthazar laat kaasmarkt kaasmarkt, gaat naar 't carnaval, danst, brast, raaskalt, bralt abracadabra, maakt kabaal, pakt glas na glas, zwalkt langs gracht na gracht, van bar naar bar. - Maar ha! daar staat Ada Jaarsma! Dàt was wat: Balthazar waant Ada naar Alabama. ‘Dag Ada, dag Schat!’ papt aan, prangt haar aan 't hart. Maar Ada wàlgt van Balthazar, staat star als 'n lantaarnpaal, slaat alarm: ‘Laat dat, zatlap!’ Balthazar, galant, laat af: ‘Ach wat, laat maar gaan - dan ga'k maar naar Barbara!’ Draalt, maar gáát dan, langzaam, traag, - maar vast.

3

Raamgracht, maandag 12 maart, half acht: Barbara staat aan 't raam, staart... staat daar...? haalt dan ras Abraham: ‘Dáár staat pappa, dáár, na 'n jaar! Dag pappa!’ Abraham lacht, Balthazar staart Barbara van 'n afstand aan, laat haast 'n traan, draaft dan naar dat paar. Daarna was 't àl 'n waar Walhalla: Barbara (dra daarna Barbara van Albada-Kraakman), Balthazar (als haar man - dankbaar), Abraham Caspar!

Barbara maakt alvast 'n gastmaal klaar van garnaal, sla, taart, vla, ananas. - Daarna naar 't altaar, alwaar Abt Albaan 't ‘ja’ van 't paar wacht.

[p. 31]

11d Zaans drama

Klaas Taalman van Zaandam maakt 'n waranda. Plank na plank zaagt Klaas. ‘Wat 'n taak’, dacht An vaak. ‘Laat dat aan 'n vakman, Klaas!’, sprak An dan. Maar Klaas maakt 't af. Dan kwam 'r bak na bak; plant na plant; 'n pracht waranda maakt Klaas. Daarna maakt Klaas 'n bank. An zat daar graag. Vandaag was 't warm; Klaas zat 'r naast An. An haakt wat aan 'n zwart badpak. Klaas had 'n baaldag, want al lang had Klaas 'n plan: 'n taalgrap van A-taal. Ach, ja, Klaas was mal van taal; 'n taalgrap was Klaas 'n baaldag waard. ‘An’, vraagt Klaas, ‘als 'k Van Agt maar naar 't staatsmanwalhalla laat gaan?’ An lacht hard. ‘Ja, na z'n val naar 'n praalgraf, vandaar naar dat walhalla! 'n Pracht taalgrap!’

Daar kwam Marja. Marja kwam vaaklangs. ‘Dag An, dag Klaas.’ ‘Ha, Marja! Warm wat?’ ‘Ja, warm!’ ‘'n glas ananassap?’ ‘Ja, graag.’ Klaas haalt dat glas sap. ‘Wat was dat, An? 'n Grap?’ vraagt Marja. ‘Ach, 'n taalgrap van Klaas.’ An draalt, want Marja was 'n fan van Van Agt; Marja aanbad Van Agt. Maar ja, als Marja 't vraagt... ‘Tja, Marja, Klaas maakt A-taal, taal van a's. Daarvandaan kwam 't, dat Klaas Van Agt naar 't staatsmanwalhalla laat gaan.’ ‘Wat? Van Agt?!’ ‘Ja, Van Agt, want z'n naam had a's; 't was 'n taalgrap!’ Maar Marja, kwaad, pakt d'r tas; gaat! Daar kwam Klaas. Klaas bracht 't sap. Maar waar was Marja? ‘Ach, Klaas’, sprak An, ‘Marja was kwaad.’ ‘Kwaad?’ ‘Ja, dat van Van Agt maakt 'r kwaad.’ ‘Ach, wat 'n gans’, dacht Klaas. Dan nam Klaas 't sap maar.

Dan, 's nachts was daar 'n daf, Marja's daf. Marja staat daar naast Klaas. Marja pakt z'n arm. ‘Rap, Klaas, rap!’ Raar, maar als 'n mak lam gaat Klaas. Wat 'n vaart! Wat 'n haast! Naar Alkmaar gaat 't, dan naar kampplaats ‘Zandplaat’. Daar staat Marja's caravan. Marja had daar 'n draagbaar tv-apparaat; dat was aan. Klaas nam plaats. Maar wat was dat? Dat was 't naaktstrand! ‘Kan dat dan? Mag dat dan?’ ‘Ja, Klaas, maar laat, na half twaalf.’ Klaas dacht wat na. Maar wat zag Klaas daar? Was dat... was dat...? Ja, dat was Van Agt. Van Agt, maar naakt!! Van Agt baadt daar, gaat wat langs 't strand, trapt 'n bal naar 'n knaap. Van Agt praat daar wat; lacht daar wat. ‘Als 'k daar 'n bal van snap’, dacht Klaas. Dan kwam daar Ab Brandsma van 't Alkmaars Dagblad. Ab gaf Van Agt 'n hand. ‘Dag, Brandsma’, sprak Van Agt, ‘vara's tv-staf maakt daar “Strand vandaag”.’ ‘Mag dat, tv aan 't naaktstrand?’ ‘Ja, ja, Brandsma, dat mag, maar laat, na half twaalf.’ Van Agt pakt 'n lat; maakt wat van zand. Ab las:

naakt = waar  waar = naakt

‘Waar, maar raar’, dacht Klaas. Dan vraagt Ab, wat Van Agt dacht van Klaas Taalman. ‘Ja, Brandsma’, sprak Van Agt traag, ‘ja, naakt, dat kan vandaag, maar smaad... smaad, dat straft Van Agt. Wacht maar!’ Van Agt lacht vals. ‘Staatsmanwalhalla! Ja, dat dacht Taalman, maar Van Agt gaat naar Canada, naar Panama, dan naar Java, vandaar naar Japan.’ ‘Waarvan?’ vraagt Ab. ‘Waarvan? Van 's lands staatskas, man! Ja, ja, macht, dat 's al! Maar... smaad, dat straft Van Agt hard.’

Daar was 'n rambambam; acht man bvd kwam d'r aan, 'n bvd-man pakt Klaas hard vast. ‘Wat... waar...?’ vraagt Klaas. ‘Naar 't strafkamp, Klaas Taalman, naar 't strafkamp, twaalfjaar.’ ‘An, An, ach ach twaalf jaar strafkamp!! 't Was maar 'n taalgrap.’

An dacht: ‘Slaapt Klaas?’ Klaas praat, Klaas raaskalt, wat 'n abracadabra! An pakt Klaas' hand, warm, klam. ‘Kalm maar, Klaas! Wat was dat dan van 'n strafkamp?’ Dan snapt An, wat Klaas had: 'n nachtpaard, dat was 't. ‘Kalm maar, Klaas, 'k maak 'n slaapdrank van Malaga; dat jaagt dat nachtpaard naar stal!’ Ach, Klaas nachtbraakt vaak; daags taal, 's nachts taal; daarvan kwam dat, dat nachtpaard. Pak maar aan, dat glas; 't nachtpaard van Van Agt gaat naar stal.

Maar Klaas slaapt al.

11e E-legende

Lees - en Beef!

Een vreemde heerscher betreedt Berthes erfdeel. Geen der edelen wederspreekt des wreeden Werners recht, het recht des sterksten. De vreemde heerscher, ten zetel der Wenden verheven, geeft het bevel: ‘Breng

[p. 32]

[vervolg van 11e]

Berthe weg. Geen mensch helpe de zwervende: geen mensch geve der vernederde eten, dek en legerstede.’

Zeven weken heeft de verwezene Berthe het zwervend leven gerekt en geweend. Geen mensch vergezelde de wees, des edelen Egberts telg. Geen klepper, geen ezel zelf bereed ze. - De teedere wees heeft vergeefs gesmeekt. Nergens een helper: nergens verstrekt men Berthe legerstede en herberg. De peen, de bessen des velds geven eten: de beek en de melk des vees drenken de zwervende.

Berthe bestreedt geen bekende streken meer: het felle weer, de ellende, het leed bestelpen de tengere wees.

De breede zee lekt den verhevenen berg. Een herder scheert het kleene vee: de weenende Berthe treedt hem tegen en smeekt met een bezweken stem, een beetje eten. De herder brengt het: meel en reevleesch versterken de stervende, en, veel meer, des herders redenen. De vergeten herder heeft de sterrenbeelden leeren kennen, en weet den mensch te spellen, hetgeen hem de Hemel eens bestemt en bedeelt. De herder, met Berthe neergezeten, leest de teekenen des Hemels en spreekt deze regels:

 
‘Wen 't wezeltjen den Held verzelt,
 
En hem de Beer een preek vertelt,
 
Heerscht Berthe weer, met eer hersteld.’

De herder heeft gezwegen en wenkt Berthe, verder te trekken. Ze heeft hem begeven. Steeds beklemmen vrees en wee het herte der weeze. Weer zeven weken zwerft ze verder en verder, en wenscht te sterven.

De lente verdween. Berken en esschen en elzen werden geel. Geen vee betreedt meer het veld en deelt melk mede. De regen klettert: meeren en beken zwellen. Berthe verwenscht het leven en het levenswee. Het sterven, denkt ze, geeft vrede: geen leed, geen letsel deert meer. Tegen een berg gezeten, smeekt ze den Hemel, den engel des verderfs te zenden. Wee! het steen beweegt: nevens de bevende Berthe treedt een beer met gesperden bek. - Neen! - Het gevreesde beest werpt het beerenvel weg. Het kleed bedekte en verbergde den Deken der Stevenskerk, den geëerden Peter, mede geweken wegens de vergedreven wreedheden des wrevelen Werners.

Berthe herleeft: ze spreekt met Peter en meldt hem de redenen des herders. Sprekende vernemen ze ergens een gewemel en het wrenschen eens rennenden kleppers. Een derde zwerver betreedt de plek. Ver heeft de vreemde gereden: het zweet bedekt hem en den klepper. De heldendegen knettert hem tegen de lendenen.

De vreemde held heeft den knellenden helm nedergezet. Hemel! Berthe verbleekt: de helm heeft ten veldteeken een wezel. Ze herkent Ethelbert, den Zweed. - De Deken der Stevenskerk spreekt met hem en meldt hem hetgeen de wreede Werner deed, en schetst hem Berthes leed en tegenheden. Het wezen des edelen Ethelberts betrekt. Den wrevelen Werner verwenschende, trekt de held den scherpen degen en zweert, Berthes redder en helper te wezen en Egberts telg ten zetel te herstellen. De preek des verkleeden Peters heeft gewerkt. Berthe herdenkt des herders redenen en hetgeen deze spelde.

Ethelbert heeft sterke benden vereend: de veldteekenen geven dezen regel te lezen: ‘Berthe leve en regeere! De wreede Werner sterve!’

Werner heeft mede het veld met legers bedekt. Men velt de speeren: men trekt het welgewet geweer, de degens kletteren. Berthes held heeft het gevreesde lemmer geheven en rent den wrevelen Werner tegen. Des degens scherpe snede heeft Werners sterken helm gespleten, en deze, neergezegen, heeft den veegen geest gegeven. Geen der metgezellen des vreemden heerschers wederstreeft meer den edelen Zweed: enkelen sneven, velen vreezen en smeeken het leven; de meesten leggen degens en speeren neder. Ethelbert heeft den zege. Berthes wreker geeft der weeze het erfdeel der Wenden weder. De teedere Berthe zweert het te deelen met den edelen beschermer: eene stem, een kreet: ‘Ethelbert strekke den Wenden ten Heer en meester! Ethelbert leve en heersche met Berthe!’ vereent edelen en gemeen ter eere des Zweedschen helds. Hem heffen ze met Berthe ten zetel.

De Deken der Stevenskerk heeft den echt gezegend. Vete en wrevel hebben gezwegen. Berthe vergeet het geleden leed: de Hemel verleent zegen en vrede, en hetgeen de legende wegens hen vermeldt neemt een

 

end

 

lennep, den zevenden September.

[p. 33]

11f E-legende, vertelsel des heeren C. Everts

Te Enschede leeft de heer Engelberts en heeft er een perceeltje met zeven meter gevelbreedte. Zelf werkgever erkent de heer Engelberts de rechten der werknemers. Gevende en nemende en telkens een beetje geld beleggende leeft dezelve heel netjes.

Eens heeft de heer Engelberts een hele week gekegeld. Zelfs met de slechtste weersgesteldheden. Ten leste echter verveelde het hem. ‘Keer ter helle spel der ellende,’ zegt de heer Engelberts en werpt het heele kegelspel ter kelder. De heer Engelberts echter heeft een neef: de heer Ten Klebbere, dewelke 's heeren Engelberts' kelder veegde en er peren telde. Hem treft het kegelspel.

‘Je bent een gemeene rekel!’ kermt de heer Ten Klebbere, en ten dele verpletterd en geheel bedwelmd, zwenkt en wentelt dezelve tegen het verste gedeelte der kelder. De heer Ten Klebbere werd te bed gelegd en er werden twee geneesheren besteld, tevens zeven verpleegsters. De eene geneesheer, de heer Slechtwerk, bedekt den heer Ten Klebbere met een ezelsvel. De tweede geneesheer, de Weledel Zeer Geleerde Heer Everts, besmeert de rechter helft des heeren Ten Klebbere met eendenvet en de tweede helft met een Engelsch smeerseltje.

Negen weken heeft de heer Ten Klebbere te bed gelegen en geleden, ten leste echter herstelde dezelve.

‘Het ezelsvel heeft gewerkt,’ zegt de heer Slechtwerk. ‘Je bent gek,’ zegt de Weledel Zeer Geleerde Heer Everts, ‘het eendenvet en het Engelsch smeerseltje hebben hem hersteld.’

‘Gemeene rekel,’ prevelt Slechtwerk, ‘je beneemt me het effect.’

Het eene gezegde geeft het tweede en ten leste werd er een tweegevecht geleverd. De heer Slechtwerk neemt een geweer en de heer Everts een scherp mes en ze vechten ter dege. De heer Engelberts, de felle kreten vernemende, snelt er heen en bezweert de gebelgde heeren het gevecht te beslechten, hen smeekende met bevende stem: ‘Geen gevecht! werpt weg geweer en mes! stelt rede tegen geweld!’

Ten leste vernemen ze de smeekbede en de vrede werd hersteld en bezegeld; ten teken deszelven hebben de twee geneesheren een vredesbeker geleegd.

Eveneens heeft de heer Ten Klebbere het geleden leed vergeten en heeft den heer Engelberts vergeven. Deze meent het genezen des heeren Ten Klebbere het best te eeren met een feest te geven. Hetzelve geeft veel pret. Ze eten veel lekkere gerechten: eendenlever, reevleesch met erwtjes en peentjes, versche kreeft, wentelteefjes en peren. De heer Engelberts echter eet te veel. Dezelve werd zeer bleek en geeft een deel des gegetenen weer. De knecht zegt: ‘Meneer je hebt je vest bevlekt.’ Deswege veegt deze de vlekken met een servet weg.

Tegen zevenen werd er thee gepresenteerd met heel lekkere evenveeltjes. En tegen negenen werd er met belgeklep ter kerke geschreden. De heer Herderschee geeft er een preek welks tekst heet: Esther 7, vers 2: ‘Geeft Esther elke bede welke ze begeert, zelfs de helft der wereld.’

Ten leste echter heeft men een gedenkteeken neergezet, deze leer vermeldende: Elk werke mee vrede te verwekken!

11g De centerzwengel
Levensschets eens lederspelers

18 ?? Bert verscheen ter wereld! Deed het leepjes, wel zeer bedremmeld eerst, bedeesd eerder, herstelde echter snel, wreef even z'n beentjes, bekeek z'n teentjes, schertste met de verpleegster, trekkebekte tegen 'r, kneep ze perversjes, de lepert! 'n Vreemd, kleen wezentje, 'n engeltje.

't Ventje teemde, blerde, geewde breedkeels, 't schreewde, 't être! De geneesheer, steeds gereed, zegt ree: ‘Verpleegster, geef hem de fles, de hele fles, nee geen jenever, melk eerder, veel beter zeg!’ Ze keken, de meester en de verpleegster, teder, te teder zelfs. ‘Lekker hè, vent?’ gekscheerde ze. Eh! 't ventje lebberde, zwelgend de melk, kwetterde speels, gebbetjes gevend en ree weergevend de scherts. Welk een beeldje zee ze dwepend en ... welk een lengte reeds, 'n hele kerel.

De verpleegster schenkt de thee, gezelzend met de geneesheer. ‘Wel’ zegt de heelmeester, tevreden neergezeten, z'n zetel even wendend, ‘heden thee; zeg, geef me echter méér melk en een lepeltje’. Ze verdween meteen, keert weer, brengt de thee mee. Men

[p. 34]

[vervolg van 11g]

speende het kereltje. Welk een speels, kleen heertje en verwend reeds, 't pretventje, zee ze week. 'n Schreew, 'n kreet, schel-snerpend, fel! 't Schepseltje kermde. Ze beefden! ‘Geef snel het steekje’, zee hees de geneesheer, bleek, heersend, streng... Ze keken. Wel, wel! Ze keken weer: ‘Zeer veel’ zee ze, ‘'n weelde’, veel betekenend schelend. ‘Zeep hem terdege’ zee de geneesheer. Ze deed het. Ze meende het wel met het ventje. Met sterken greep neemt ze de steek, brengt ze netjes weer, herspelde hem.

 

Slecht weer. Sneew bedekt de steden en beemden. Ter kerke reed men, weleer, eewen geleden, 'n gebedscel. Heden hersteld, sterk vermetseld met schel geverfde vensters, de engelen des hemels verbeeldend, ze weergevend met fletse wegsmeltende verven; enkele lege zerken, verder gesmede hekwerken, 'n bekken, gesneden elpenbenen beeldjes. Vreemden bekeken ze, 'n vervelende zwerm Engelse kwezels zeker weer, de trekbeesten!

Een preekheer verscheen, bestreek eerst even het ventje, plengde, besprenkelend het schedeltje, drenkte het. Weggedebd de spetjes des bekkens. Welk 'n beeld des vredes! Er werd gebeden, er werden kerkcenten gegeven. De Engelsen bekletterden de zerken met veel leven, de vlerken. Leen me even twee kerkcenten, prevelde ergens 'n bedelende stem. Nee, geen cent, geen één, snerpte 'n hese feeksenstem weer.

Met breed gestrekte vlerken zeeg de schemer neer, bestreek eerst de kerkegevel, en de kerk zelve ten dele betredend, streelde ze de lege zerken en gewelven, ze met gele strepen en vegen bepenselend. Schreden vergleden, wegstrevend; de mensensleep vertrekt, de kerk leeg; eng.

 

Eerst erg speels, te speels wel, beterend steeds z'n vege pretleventje leerde het kereltje tellen, rekenen, lezen, meten, vreemd spreken, Engels en meer, tekenen, snel welbegrepen lerend; wekenreeksen vergleden, men leerde hem zelfs het bewegen des sterrenhemels.

 

Eens bekeek Bert het spel der spelen, der Enne-Vee-B-heertjes. Het leek hem 'n best spel. Keek, begreep, speelde. Speelde het reeds eer ze het hem leerden, per se steeds met het besef het spel ter ere te spelen. Z'n met zeemleer beklede, gele beenbeschermers, beperkten de bekende scheenbeenweeën; het leder ketste de felste, gemeenste vegen en petsen steeds weer. Bert speelde meest centerzwengel, negeerde wel eens enkele reglementen. Kende geen vreze, steeds met z'n geweldsvlerken hele legers wegzwengelend. Deze lederspeler speelde steeds 'n sereen, sterk enerverend, verderf brengend, edel en meeslepend spel. Ere hem. Zeven keren zeven ere.

11i I-dicht

Min is dichts pit.
 
Ginds ligt Brindisi, dicht in mist,
 
Sinds wind slinkt, krimpt. 'n Vischpink vischt.
 
Klip, klif, kim glimt. Ginds in wilgschip
 
Vink tsjilpt, tript, wipt; lisch pikt, split snip;
 
'n Ibis spit, grist visch, slikt z'in. -
 
Stil! - snip schrikt. Wis gist z'Isis' zin.
 
Dit is instinct, dit Isis' gift;
 
't Gist Isis' wil, 't vindt Isis' schrift;
 
Mits snip zich spits', inlichting win,
 
Dringt z' Isis' slissing richtig in;
 
't Instinct mist 't minst, lispt d'Isis-sphinx.
 
't Lisch trilt, wilg knikt, wind klimt (ging links),
 
Wind zingt, sist, grinnikt, grimmig gilt,
 
Wind dringt, tilt 't schip. 't Zwikt willig, wild,
 
't Schip licht zich grif, glipt klip mis, wint
 
Flink rifbrinks kribspits. Drink 'n pint,
 
Schipgids! zing! pinkschips windspil klinkt.
 
Mist zwindt. Brindisi's kling, klif blinkt
 
In schrilwit licht, sinds 't mistkrip zinkt.
 
 
 
Richt ginds 'n brik zich? - D'Iris wis,
 
't Cilicisch schip, 't richt zich, ik gis,
 
Brindisi's richting in, 't splitst wind,
 
't Wint kittig rifkribs kistingplint.
 
(Rimini's pink ligt stil in 't grint
 
Wis d'Iris-schipgids prikvisch mint.)
 
 
 
Briks richtspil wrikt 'n civilist. -
 
‘Britsch-Indisch, sir?’ - Mis! - 'n clinist:
 
Will Pitt. - ‘'n Lichtmis, cynisch, wild?
 
‘'n Lid in 't kwipsch, pipsch, jichtig wild?’ -
 
Mis! - fiksch, flink, pittig, stipt is Will,
 
Wills inzicht is briks winst, drilt stil,
[p. 35]
 
'Slist twist, gist richtig, schikt in 't schip
 
d'Inrichting strikt, minst mist 'n stip.
 
 
 
Will's zinswit is Will's nicht Mimi,
 
Will innig mint Mimi d'Ivry,
 
Sinds Will mint, dicht-i, zinnig dicht,
 
Min is dichts pit, min is Will's licht.
 
‘Is miss Mimi 'n snibbig wicht,
 
In mins gril wichtig, licht in plicht?’ -
 
Mis! Will's Mimi is kittig, pril,
 
'n Minnig nimf, Christin in wil. -
 
 
 
‘Mimi is twintig’ - schimpt vrind Bits -
 
Ik gis, z'is twintig min 'n trits.
 
Blikt nicht, Will blikt, knikt nicht, Will knikt,
 
Kikt nicht, Will willigt in, Will schikt. -
 
Mimi mint vink, kip, sik. Vink prikt
 
In Mimi's lip, kip 't pinklid bikt,
 
Sik likt 'r kin. - In Mimi's kribs.
 
Kist blinkt lint, lis, slip, strik, sits, rips.
 
Dit's vilt, dit: krip! - In Will Pitt's brits.
 
Kist splint ging, bigsschink, pinksrib, sprits.
 
Kris, kling, spits, schild in Will's zicht hing. -
 
 
 
Mits Mimi schik vindt in 'n ding,
 
Vindt Will 'r schik in; blikt nicht sip,
 
In Will's blik mist dringt in 'n wip,
 
Dit's min. - Mimi spint, knipt, flikt, stikt,
 
Tint print, zingt, tript, Will's kinstrik strikt,
 
‘Zit stil!’ - lispt nicht; - ‘stil, inclinist!’ -
 
Will's lip zich spitst, mikt mimisch, - mis! 't
 
Is Mimi'sch - bidt, inwill'ging mist,
 
Will dingt, dwingt, dringt, springt slinks; Mimi
 
Zich links richt. ‘Mis!’ - lispt nicht - ‘hi! hi!’
 
‘Prins Mississippi, wil-i strips?’ -
 
Mimi tikt Will, schimpt: ‘gitwit gips!’ -
 
Wis min is grillig. Mimi zwicht.
 
‘Stil, Will! grif zing ik 't min-I-dicht,’ -
 
 
 
't Wicht zingt, 't klinkt minnig, sinds in schrift
 
Will's dichtgift zinnig 't I-dicht grift.
 
Will Pitt's I-dicht is dit:
 
‘Min gist, dit mist, sinds min is blind,
 
Mins zin is grillig; min is kind;
 
Dit bidt, dit dwingt, misricht zich licht,
 
“Ik wil”, grimt schril 't lichtzinnig wicht,
 
Min is instinct, 'n lichtflits, licht in trilling,
 
Mins list is twist, mits minwinst lig in stilling.’
 
Mimi schrikt: 'n flits sist, 'n gil klinkt: 't is
 
Will's gil; Will zwikt, zinkt, wringt zich, hikt:
 
‘Dit is Philip Smith's schicht, Pitt hitst Philip.
 
Philip ging Rimini in. Wis, Mimi! 't is Philip
 
ginds in Rimini's vischpink.’
 
Will gist richtig. Philip mint Mimi, Philip is
 
grimmig, sinds Will Mimi's min wint.
 
Mimi snikt, bidt, tilt Will's kin. 't Is mis,
 
Will's blik is wild, sinds mistig wit, blind!
 
Will's wilslicht zwindt.
 
Mimi ving Will's snik; d'Isisnimf Will's schim.
 
In Brindisi's dik slibgrint zinkt Will's kist.
 
Schichtig lispt Mimi sinds Will's I-dicht.
 
Philip wint 't minst. Isis richt grimmig.
 
'n Klipnimf zingt:
 
‘Zing, zing,
 
Zwizwirling!
 
't Schip ging -
 
Vikingskling,
 
Clim, dwing!
 
Schim, spring! -
 
't Schip ging -
 
'n Grillig ding,
 
'n Stip in 'n kring -
 
Zwik, zwik!
 
Krik, krik!
 
Tingling, tingling -
 
-rrr-
 
ving!’

11j I-dicht

 
In dit I-dicht zing ik,
 
In dit I-dicht wring ik,
 
Dring ik, dwing d'I.
 
'k Vind in dichtmin d'I licht
 
In dit pittig I-dicht
 
Dichtzin ligt in d'I.
 
 
 
In dit I-dicht wil ik...
 
In dit I-dicht spil ik
 
Kwistig 't innigst... stil!
 
In dit I-dicht richt ik -
 
In dit I-dicht sticht ik
 
Willig... 't is... ik wil...
[p. 36]

[vervolg van 11j]

 
Inkt! - 'k Dip in: 't is richtig.
 
Ik zit stil, 'k blik wichtig!
 
'k Schift in dichtzin, 'k wik; -
 
'k Ril, 't is dichtmin!... mis is 't! -
 
Zwicht, zwicht dichtzin! - wis is 't,
 
'k In dit I-dicht stik.

11k Kick-tic-schik

 
Ik bik, ik slik,
 
ik lik; ik kik.
 
Ik piknik: flik,
 
trik, frik, blik smik!
 
Ik stik, ik snik.
 
Ik: sick. Ik dik?
 
 
 
Ik kik: ‘ik prik’.
 
Ik wik: ‘ik lik’.
 
Ik schik! Ik, kwik!
 
Ik hinnik: ik,
 
ik tik, ik tik.
 
Ik: slick. Ik snik?
 
 
 
Ik, brik, slipstrik.
 
Ik, frik, kiltik.
 
Ik, sik, knikknik.
 
Kick: pik
 
Tic: hik
 
Schik: ik.

11l Sismik I sticht schrik

Izmir - ‘Dit is tipisch Hittitisch schip’ gilt nihilistisch nitwit in Izmir. Libisch spiritist slikt dit simplistisch, gist giffig: ‘Brik Sismik is mini-lichtschip’. Sifilitisch-jichtig sist Indisch Christin pinnig: ‘Vist inrichting Sismik I inktvis, intimi?’

11o Colholms Roos, o-sprook

motto: 't Schoon lokt tot roof

Olof troont op Colholms slot, rondom door golf op golf omzoomd; Noordstorm op Noordstorm floot door boog, poort, top. Toch pronkt op Olofs slot Colholms roos, Oldgond; jong, schoon, blond.

Hoor! Olofs hoorn klonk, Olofs woord vloog rond; Noor op Noor spoort 't ros, ront, loopt, komt; - 't slot wordt vol volks. Olofs looz' klonk: oorlog! oorlog! - 't Oog vonkt toorn.

Olofs mond noodt ons, Olofs hoorn noopt ons: Vorst! 't word' ons kond, zoo zorg of nood ontstond voor Colholm

Bornholms Vorst, Otto, komt! Otto somt d' oorsprong op tot Thor; Otto's dolk wordt rood door moord op moord. Olof schroomt Otto noch ook Thor, - doch zorg voorkomt nood. Otto zond boô op boô om Oldgond; Oldgonds schoon ontvonkt' Otto's borst; ook komt blos op blos op Oldgonds koon, zoo Otto's boot Colholms kom klooft. Doch Olof zon op 't voorspook, - Wolf zong 't:

 
't Noodlot wordt kond
 
Door Wolfs mond:
 
Colholms roos, Oldgond,
 
Pronk op Colholms grond;
 
Schoon Olofs zorg,
 
Toch Olofs borg:
 
Zoo Oldgond wordt ontroofd,
 
't Kost Olof troon, slot, hoofd. -

Zoo hoord' Olof noch Otto, noch Oldgond. Otto bood bond of oorlog; oorlog koos Olof. Colholms slotvoogd sloot Oldgond op. -

Nog ontvloot 't woord Olofs mond, - op! op! klonk door 't slot; Otto komt! Boot op boot, vlot op vlot, kog op kog klooft Colholms kom! - ‘Noor, vorst of volk, volg Olof!’ Olof vloog voor. 't Volk sprong op; 't gordt dolk of pook om; 't torscht boog, knods, pols, rotsbrok, 't slot op; 't lood smolt, kookt, - zoo Otto soms storm koos. ‘Voor Colholm, voor Oldgond!’ klonk 's volks looz'. - ‘Schroom, boos rot! roof zocht Bornholms vorst, - dood wordt Otto's loon.’ -

[p. 37]

Doch Otto? - Noch dorst tot roof, noch oorlogsvonk toogt Otto. Doch Otto's borst klopt hoog voor Oldgonds schoon; Olof sloot 't oor, schoon Otto som op som bood voor Oldgond; Oldgond zond boô op boô tot Otto; doof ook voor Oldgond, sloot Olof Colholms roos op. Droom op droom komt voor Otto's spond. Oldgond spookt Bornholms vorst voor 't oog: drop op drop blonk op Oldgonds koon; 't hoofd, omzoomd door lok op lok, hong op Oldgonds borst. (Zoo toch 't wolkvocht droop op roos, koorn, ooftknop, trok roos noch ooftknop 't hoofd omhoog, voor 't vocht ontloopt of 't zonros drop voor drop opslorpt; - zoo boog Colholms roos 't vocht oog, 't blond hoofd). Ook hoort Otto soms Oldgonds toon, zoo schoon of 't boschkoor zong; doch 't nokt ook zoo dof, zoo domp, of golf op golf klotst' op boot of rots. Nog schroomt Bornholms vorst oorlog, roof, moord. Doch Gothold komt; - Gothold doorgrondt 't Noodlot. Door Thors bosch doolt Gothold rond, loof of mos voor spond, noot of schors voor brood, bronvocht voor dronk, 't Rood koord omgordt Gotholds wolfsbont; Thors dolk pronkt op Gotholds borst; Thors stok schoort Gotholds romp. Wol wordt Gotholds lok, hoog 't voorhoofd; doch oog noch oor wordt stomp, - nog doorgrondt Gothold 't Noodlot.

Gothold stond voor Otto; 't voorhoofd fronst, 't oog vonkt. ‘Op, zoon Thors! Colholms roos dort, tot Otto komt. Poot Colholms roos op Bornholms grond. Thor zond Gothold!’ -

Zoo toog Otto voort tot Colholm. D' oorlog dook op, spookt 't slot rond, stroopt 't oord bloot. Boog op boog schoot; rotsbrok op rotsbrok gonst, ploft op boot, kog, vlot. Rood wordt Colholms kom door moord op moord. Olofs woord klonk: ‘o hoon, zoo Otto Olof dwong, Oldgond won!’ Otto noopt 't volk: ‘o hoon, zoo 't slot ons ontsprong, of Olof 't ontkomt! op, op! voort, voort! Drom op drom storm' 't slot!’ - 's Volks borst jookt; 't hoopt op lof of loon. Schot op schot vloog rond, of wolk op wolk 't vocht goot, zoo 't door Noordstorm stold' of vroor tot brok op brok. 't Lood droop op 't hoofd, door d'oorlogsrok tot op 't bloot. Toch drong Otto voort; toch won Otto poort voor poort, post voor post. Nog klonk Olofs oorlogslooz': ‘Voor Colholm! voor Oldgond!’ Doch, hoor, - dof bomt Colholms noodklok. Hoogrood golft rookkolom op rookkolom rond door boog, poort, goot; 't glom, 't koolt, 't gloort; 't vonkt voort; ros stroomt 't op tot dom, top, nok. 't Volk roost door vonk of smoort door rook; 't wordt hooploos. ‘'t Wordt stond tot storm!’ klonk Otto's woord. Bornholms vorst klom op; 't volk vlood, of - zoo 't nog schoold' of vocht - 't stort voor Otto's knods. Dol stormt Otto voort door poort, boog, hol; - Oldgond zocht Otto. Hoor! - 't slot sprong, 't slot vloog op; - Oldgond stond voor Otto's oog, schoon, blond, jong. Hoog bloosd' Oldgonds koon. Otto stond stom, Otto vond tong noch woord... ‘Los, los! snood, godloos vorst! Dood volgt roof!’ klonk Olofs woord. Olof stort poort, boog, rook door, op Otto. Hoog blonk Olofs dolk, blootshoofds stond Otto; - doch Bornholms vorst sprong op, boog 't hoofd - Olofs stoot stompt op Otto's dolkknop. Olof stort; - doch Oldgond boog 't hoofd voor Otto: ‘Colholms roos dronk toch Olofs bronvocht, Olof zond toch brood voor Oldgond!’ - ‘Loof Thor, Noor!’ klonk Otto's woord: ‘om Oldgond wordt noch Otto's dolk noch Olofs borst rood.’ - Doch 's Noodlots stond komt: Wolf zong 't:

 
Wordt Colholms roos ontroofd,
 
't Kost Olof slot, troon, hoofd.

't Woord vloog nog op Otto's tong, nog stond Otto's pook op Olofs strot, - och, Colholms slotvoogd, vol wrok, boog 't hoofd, wrong 't forsch los, sprong op... schroom, Otto! - Doch Otto zorgt; Otto toomt Olofs sprong; Otto's dolk doorboort Olofs borst door wond op wond.

 

Ton, toorts, kroon, vonkt op Bornholms slot. Otto schonk dronk op dronk rond; Oldgond dost 't blond hoofd door roos op roos. - 't Zonros vloog 't bolrond om, rond op rond. Zoon op zoon zoog Oldgonds borst of sprong op Otto's schoot.

Noô komt 't volk tot Colholms slot: Olofs spook doolt rond door poort, hol, boog.

Gothold, Thors tolk, zong d' O-sprook voor Otto's kroost. -

 

Slot

[p. 38]

12 De vermaledijde e

Zoals de e-legende de gemakkelijkste is van de alle-klinkers-op-één-na-lipogrammen uit de vorige paragraaf, zo is het e-lipogram de moeilijkste van de éénletter-lipogrammen. Ook in veel andere talen is dat zo, vanwege de hoge frequentie, ook daar, van de e.

Toch is het e-lipogram het bekendste en meest beoefende lipogram. Wanneer Qu'n'au en Kousbrouk hun standaardverhaal in een lipogram willen transformeren, dan is dat als vanzelfsprekend een e-lipogram, en heet dit eenvoudig ‘lipogram’. Het gaat zo: ‘Hoor. Tram stopt bij stopplaats. Fat stapt in: hals waanzinnig lang, dop van slap vilt op zijn hoofd...’

In 1939 verscheen in Los Angeles een Engelse roman van Ernest Vincent Wright getiteld Gadsby, met vijftigduizend woorden zonder een enkele e. Dertig jaren verliepen.

In 1969 verscheen in Parijs een Franse roman van Georges Perec (ook al zoveel e's in die auteursnaam), getiteld La disparition. Het is dubbel zo dik als Gadsby, en zo lezenswaard dat je soms vergeet dat het geen enkele e bevat. Dertig jaren verlopen.

In 1999: verschijnt er dan in Amsterdam een Nederlandse e-loze roman Vlucht van wulp?

Wat zijn voor onze taal de problemen? Elke vijfde letter in Nederlands proza is een e. Het gemiddelde Nederlandse woord (50) telt vijf letters. De kans dat een woord in een Nederlandse tekst géén e bevat, is derhalve gelijk aan (4/5)5 = 1/3. Dat is globaal. Enkele zeer frequente korte woordjes (‘de’, ‘een’, ‘het’) slokken veel e's op, en de e's trekken elkaar aan (in ee). Bij de woorden die éénmaal in een tekst van 720 000 woorden voorkwamen, vond ik dat 18% e-loos was. Zelfstandige naamwoorden en werkwoordstammen zonder een e zijn er voldoende. De problemen zijn deze vier:

1 Alle lidwoorden ('n en 't keuren we af) bevatten een e, terwijl Frans nog ‘la’ en ‘l'’ behield, en Engels ‘a (n)’.

2 Alle meervouden van werkwoorden (behalve ‘gaan’, ‘staan’, ‘slaan’, ‘zijn’) en van zelfstandige naamwoorden bevatten e's. Als een zelfstandig naamwoord namelijk zijn meervoud met eens vormt, dan zit er een e achterin het woord (behalve ‘hoorns’, ‘paraplu's’ e.d.). Enkelvoud zal dus regel zijn. En enkelvoud vraagt juist om een lidwoord!

3 Verboden zijn de hoognodige woorden: ‘en’, ‘met’ en ‘die’. Omdat ‘geen’ en ‘niet’ wegvallen is voor ontkenning alleen ‘niks’ en ‘nooit’ beschikbaar.

4 Verbogen bijvoeglijke naamwoorden, vergrotende trap, verkleinwoorden, zwakke verleden tijden, infinitieven en deelwoorden van werkwoorden (behalve ‘ontgaan’ e.d.) zijn onmogelijk.

Daar staan vier lichtpunten tegenover:

1 Lidwoord kan vervangen worden door ‘dit’, ‘dat’, ‘mijn’, ‘zijn’, ‘uw’ en door vormen als ‘Rudy's’.

2 Hoogfrequente toegelaten werkwoordsvormen zijn: ‘is’, ‘was’, ‘had’, ‘kan’, ‘kon’, ‘zijn’, ‘mag’, ‘mocht’.

3 Andere nuttige woordjes die mogen: ‘ook’, ‘nog’, ‘maar’, ‘zich’, ‘als’, ‘om’, ‘dan’, ‘of’, ‘zo’, ‘nu’, ‘al’, ‘ja’.

4 Praktisch alle voorzetsels en voornaamwoorden zijn e-loos.

Conclusie: Frans en Nederlands tellen evenveel e's. Er zijn voor Nederlands geen onoverkomelijke structurele moeilijkheden. Wat La disparition kon, kan Paranoia slaapt nooit dus ook!

Een computer werd gevraagd om uit een verzameling van 40 000 zinnen alle zinnen te lichten die geen e bevatten. Er bleek er niet één te zijn. Een e-loze zin in echt Nederlands proza zonder Opperlandse aspiraties (zoals de laatste zin van de vorige alinea wel had) is hoogst zeldzaam. Toch heb ik een grammatica opgesteld (j9) die onophoudelijk en onvermoeibaar steeds maar nieuwe Nederlandse zinnen zonder e voortbrengt. Niet alle e-loze zinnen worden erdoor gekarakteriseerd, maar wel bijvoorbeeld: ‘Is haar man rijk of aardig? Waarom vraagt zij of jij haar zus mijdt? Omdat hij hoort dat zij sloop, gaat hij. Zo'n straf ontstaat uit zo'n misdaad. Ik wist dat ik naar huis ging.’

Taalkundig is zo'n grammatica interessant, omdat in het Nederlands haast alle uitgangen een e bevatten. Dat is de stomme e, ook wel de sjwa genoemd (een naam voor een klank die nu eens niet die klank zelf bevat). De letter e kan immers minstens drie verschillende klanken weergeven, zoals blijkt uit de drie e's in het woord ‘wegbenen’. Wie die sjwa verbiedt (door de e te verbieden) houdt een taaltje over, waar met vervoeging en verbuiging haast geen rekening hoeft te worden gehouden, en waar het er voor een grammatica alleen op aan komt de woorden op de juiste plaats te zetten.

 

Nu we toch de stomme e ter sprake brengen: we hadden in de vorige paragraaf ook het sjwa-vulsel kunnen behandelen, waar juist alleen de (klank-)klinker sjwa geoorloofd is. Een voorbeeld: ‘De Rus, een hufter, vulde gulzig de pullen, suste z'n truttige zus, kuste d'r verpulverde krullen.’ Wie denkt nu niet aan Camperts Vurrukkulluk?

De vraag of de klank in ‘Rus’ inderdaad een sjwa is, kan taalkundigen tot grote opwinding brengen. Tegenstanders wijzen daarbij op het woordenpaar ‘katterig’ en ‘katterug’. We houden ons verder weer aan letters.

 

De twee bij deze paragraaf opgenomen Opperlandse illustra-

[p. 39]

11p Doofpot voor omkoopsom?

Ons toppop toont stoot op stoot: Op Tom Dzjoons volgt Vonhoff; op Vonhoff volgt Klopstock; op Klopstock volgt Sosonko; op Sosonko volgt Lon Nol. Volgt zo op Lon Nol Holtrop (omkoopdoolhofspook) of Vorst Bornholm (vloog omhoog tot top doch stopt om comm.-Donn.)? Top of flop?

Rotjong spot bot: ‘Holtrop smoort hofomkoop door doofpot’. Doch hoog hoofd loog tot volk: ‘Hofvorst loopt hoofd omhoog’. Rotjong zoog nog: ‘Ontbloot toch Vorst Bornholms koop’, doch nors volgt: ‘Stom joch hoort tot Oostblokkoor, knoop rotjong op!’

Voor omkoopsom kocht Vorst Bornholm moorkop, sportklok voor topsportgod, hoofdrolfotodroom, bord vol stoofpoon, Hoogh's: ‘Noordpoolstorm om vlootvoogd Tromp's kop’, krontjongjool, Northropcondoom, rokzoom, brood, blom.

Voor doofpot koopt Holtrop: stoofkool, stoomrol, oogslot, oorstop, stofwolk, kookklok, toof'kol-sop, opkloproom, smoorknoop, kop (groot) vol wol.

Zo loopt door Holtrops potlood omkoopspoor dood. Doofpot rookt, doch doofpot smoort. O, hoor toch volk vol toppoplol: zó loopt Vorst Bornholm bloot, zó wordt ons volk monddood. Zo hoort 't ook.

11q Oe-f
Th. Woer

 
Toen woedvloed sloeg 't Sloe
 
Voer sloep 't oev'r toe
 
't Woei, 't loeit sloep groeft,
 
Roer ploegt woelvloed
 
Sloepboeg loeft boei
 
Oev'r doemt: Floers!
 
Koers goed?
 
Boef roept: Roei 't doel toe! Spoed
 
't Doel: Boer Bloems hoed.
 
 
 
Boer Bloem boert goed
 
Ploegt kloek: Zwoegt.
 
Groeit 't groen: Boer snoeit
 
Bloeit 't groen: Boer roemt
 
Schroeit 't groen: Boer vloekt!
 
Boer Bloems moei voedt goed:
 
Koe, roek, does, poes.
 
Koe roept: Boe-boeboe
 
Roek koert: Roe koe koe
 
Does woeft: Woe woe woe
 
Poes snoept: snoepgoed.
 
 
 
Loekt boer Bloems moei droef?
 
Foei! Moei Loes doet goed, doet vroed.
 
Troet'lt kloekbroedtroep, woerd, hoen.
 
Boent: vloer, koets, stoep.
 
 
 
Zoekt Boef Broer Bloems poen?
 
Oef! Boef schoerdroeg koevoet hoev' toe
 
Loert, loenst, loekt; Roetsmoel
 
Bloedroes snoert moel toe!
 
Boer Bloem hoest; Boef koest
 
Boer Bloem spoedt kroeg toe
 
Boef voedt moed, moert Boer Bloems boel.
 
 
 
Boer Bloems broer Roel hoedt goed broers koestoet:
 
Poef-poem-boem!
 
Boef spoedt sloep toe
 
Boem boem poef:
 
Boef bloedt
 
Toen kloeg boer Bloems moei droef:
 
Oei, oei, oei.
 
Koe boe-boet
 
Roek roekoert
 
Does woeft woeft
 
Boef bloedt, bloedt, bloedt, doedt.

11r Ou!

Boud bout bouw douw flambouw fout goud gouw gouwe Gouwenaar houden hout houwen jou jouwen kabouter karbouw koud kous kouten kouter kouw landouw louter louwmaand mout mouw nou oubollig oud ouders ouwel rouw schouder schout schouw smous smout souter spouwen stout stouwen touw trouw trouwens verbouwereerd voud vouw woud wouterman wouw zou zout. Welke twee Nederlandse woorden ontbreken in deze rij?

[p. 40]

ties zijn typisch qua vorm en qua inhoud. De vorm van 12a is uniek omdat het een transformatie betreft, van het sonnet ‘De Zee’ van Willem Kloos. De inhoud van 12b, omdat het zelf over e-lipogrammen handelt.

Noemen we het e-lipogram kortweg ‘lipogram’, dan zijn ‘lipogram’ en ‘sjwa-lipogram’ zelf exemplaren van wat zij aanduiden.

13 Andere verboden letters

Ik ga niet alle vijfenzestig miljoen lipogrammen behandelen. Na de klinkers in de vorige paragrafen wil ik hier het langste en het moeilijkste Opperlandse lipogram vertonen.

Het langste mij bekende Nederlandse eenletter-lipogram stamt uit 1795, bevat negenduizend woorden, en geen enkele letter r. Er is een eigenaardige, nog niet geheel duidelijke, geschiedenis aan verbonden.

Carmiggelt schreef eens dat de r van zijn schrijfmachine kapot was, en ‘een stuk zonder r kun je wel uit je hoofd zetten. Dat lukt eenvoudig niet’. Een lezer zond hem toen ‘een preek van Joachim Müllner’ toe, waarin dat kunststuk toch werd verricht.

Het eigenaardige is nu dat Müllner die preek waarschijnlijk in het Hoogduits schreef, en dat J. Scharp hem in 1795 in het Nederlands vertaalde.

Scharp herhaalt in zijn voorwoord, hoewel hij toegeeft niets van Müllner af te weten, een ‘mondelinge overlevering’ dat Joachim Müllner moeilijkheden had met de uitspraak van de r, en daarom deze preek schreef. Het is mogelijk; maar er bestond in het Duits, en het Italiaans, een traditie van r-lipogrammen. Misschien wijst de uitdrukking ‘er zit een r in de maand’ nog op die traditie.

In het Duits is de r-beperking pijnlijk, omdat het manlijke lidwoord en bijvoeglijke naamwoord erdoor gebannen worden, alsmede veel meervouden. In het Nederlands is de frequentie van de letter r zes procent, en zijn de belangrijkste verboden woorden: ‘er’, ‘door’, ‘voor’, ‘worden’ en ‘maar’.

Scharp schrijft in zijn inleiding (ik citeer de vijfde druk van 1858): ‘Ik las dezelve, en bevond, dat zij de uitgaaf niet geheel onwaardig was; want,

1 Als eene Proef van Taalkundig vermogen, is het eene bloote Liefhebberij, die geheel onschadelijk is voor waarheid en deugd, en die, zeker, iets vreemds heeft, daar men een gansche redevoering ziet, waarin de Hondsletter, die door zo menigeen met moeite uitgesproken wordt, geheel is weggelaten, en waar, echter, de Stijl genoegzaam vloeijende is, en deze uitlating, bij eene tamelijke voordracht, naauwelijks zou gemerkt worden.’

11u U-klucht

Turk Drusus kust Ruth ruw. Ruth, puur, duwt Drusus stuurs t'rug. Turk brult: ‘Zuur nuf!’, drukt cru Ruth's buust. ‘Bruut!’ Ruth vlucht Drusus' lust. Nu spuwt Turk vuur: ‘Trut! Uw buur, Guus Justus, kust U! Justus blust Uw vuur!’

Ruth stuurt buur Guus. Guus plukt, rukt, stuwt Drusus' rug. Turk, murw, vlucht. Gul kust Ruth Guus.

Guus Justus huurt hut, huwt Ruth.

11v U

 
Rus ruw kust Ruth:
 
gun uw gunst!
 
Ruth puur, stug, stuurs,
 
duwt, rukt, kucht, zucht.

11ij IJ-rijm

 
Blijf, wijl 'k mijn tijd
 
Blij 't ij-rijm wijd,
 
Blijf, blijf mij bij, gij IJ,
 
Stijf vrij, wijl 'k lijm,
 
Mijn ij-rijk rijm;
 
Mijn wijs, mijn prijs zijt gij.
 
 
 
Gijs Bijdijk vrijt,
 
Hij slijt zijn tijd
 
Bij Rijswijks Trijn vrij, blijd;
 
Thijs Lijmrijks spijt
 
Blijkt bij zijn nijd,
 
Wijl Gijs bij Rijswijk vrijt.
 
 
 
Gijs, vrijtijd ijlt.
 
Mijn Gijs, gij wijlt,
 
Krijt Trijn, 'k blijk Bijdijks wijf.
[p. 41]
 
Hij: Trijn, mijn Trijn,
 
Gij, gij blijft mijn,
 
'k Blijf dijn, dijn zij mijn lijf.
 
 
 
Schijn blij gij schijf!
 
Gijs Bijdijks wijf
 
Prijkt Trijn! Prijs, prijs, gij rij,
 
Vrij Rijswijks Trijn,
 
Bij Rijswijks wijn,
 
Zijt bij zijn rijnwijn blij!
 
 
 
Gijs, prijslijk, mijdt
 
Thijs Lijmrijks nijd,
 
Zwijgt wijslijk bij zijn Trijn.
 
Hij wijdt zijn tijd,
 
Hij wijdt zijn vlijt
 
Zijn wijf, zijn Trijnkijn fijn.
 
 
 
Thijs Lijmrijk slijpt
 
Zijn bijl, hij grijpt
 
Gijs Bijdijk, krijt: dijn wijf
 
Zij mijn... hij wijlt
 
Hij kijkt... hij ijlt -
 
Zijn bijl splijt Bijdijks lijf.
 
 
 
Gijs wijkt, hij zijgt -
 
Hij lijdt, hij hijgt -
 
Fij, ijslijk blijkt zijn pijn!
 
Hij krijt: gij zijt
 
Dijn Bijdijk kwijt,
 
Dijn Bijdijk kwijt, mijn Trijn.
 
 
 
Bij Rijswijks dijk
 
Slijkt Bijdijks lijk;
 
Zijn Trijn lijdt pijn, zij kwijnt.
 
Zij krijt: grijp vrij,
 
Gij Lijkgrijp mij,
 
Wijl 't tijdlijk zijn mij pijnt.
 
 
 
Prijst gij mijn rijm,
 
Schrijft gij: 't blijkt lijm;
 
't Zij, gij, schrijf gij vrij 't dijn.
 
Mijn ij-rijm wijk,
 
Dijn ij-rijm prijk,
 
Wijl 't ijslijk ij-rijk schijn.

12a Plas

door rudy kousbruck, naar wim kloos

 
O Plas, o Plas klots voort, in golfslag van altijd,
 
O Plas waarin mijn Ik kijkt naar haar kaatsing:
 
O plas, gij zijt als mijn Ik, in haar natuur, haar vorm,
 
Zij is ondoodbaar Schoon, onkundig van haar aard.
 
 
 
Zij wist zich af in schoonmaak - Zij wist zich af in schoonmaak - voor altijd duurt dat -
 
Zij draait zich altijd om, naar daar waarvan zij vlucht;
 
Zij drukt zich uit in tachtig dozijn lijning
 
Zij zingt aria's, altijd-blij, altijd-klaaglijk.
 
 
 
O Plas, was Ik als Gij in al uw onkundig ontstaan,
 
Dan pas zou ik totaal groot-prachtig zijn;
 
 
 
Dan was ik pas ontdaan van anthropologisch uit zijn op lust
 
Naar anthropologisch blijzijn, naar dito pijn;
 
 
 
Dan was mijn ik pas plas; haar inwaarts kalm zijn
 
Zou, wijl zij ruim zo groot is als Gij, gigantisch zijn.

12b Sjwaloos Hollands

Rudy's gift schonk mijn maag kramp. Want als ik vol ontzag pagina's las van ‘La disparition’, dan dacht ik: kan dat soms in Hollands proza ook? Zou ik in staat zijn tot zo'n magistraal romanwaagstuk? Kom, dacht ik, ik schrijf alvast mijn Battus-kolom zo.

Vooruit, daar gaat hij dan. Daar al wat aan Hollands woord vastplakt voor buiging, pluralis, tijdsuitgang onontkoombaar sjwa inhoudt (sjwa is taalkundig woord als fataal vocaal stom is), wordt daardoor sjwaloos proza nogal arm. Maar vooral dat lidwoord ons totaal ontvalt, baart zorg. Frans had nog la, of l', of un, maar Hollands: ho maar. Toch vond ik in Martinus Nijhoffs grastintig vocabularium dat ik maar tachtig % van woordrangschikking kwijt raak, twintig % houdt zich dus aan ons voorschrift. Qua woordvoor-

[p. 42]

De zevenentwintig pagina's zijn uitermate slaapverwekkend, maar dat zijn preken misschien altijd. Ik heb er, tegen mijn principe, in het midden wat uit weggelaten.

In 1780 verscheen, zonder auteur, uitgever of plaatsnaam een bundeltje gewaagde gedichten, waaronder een ‘Klinkdicht zonder de letter r’ (13r). In 1869 verschijnt de bundel weer, met al