‘Twee halen, één betalen’ is de leus van het dubbelgram. In een enkel gram kan dubbele informatie verscholen zijn, doordat de ondergrammen op een andere manier op een rijtje gezet kunnen worden (anagram) of op een andere manier samengenomen kunnen worden (homogram).
Het tegenovergestelde principe ‘Eén halen, twee betalen’ ontmoeten we bij de pleonasmen in 69 (omdat ik net de vorige paragraaf tikte, vermeld ik hier even dat 69 natuurlijk allerlei fraaie en scabreuze eigenschappen heeft, waar ik straks misschien niet aan denk).
‘Ana’ is Grieks voor ‘her’-. We besteden vier paragrafen aan het anagram.
De gedachten gaan in de eerste plaats, of op de eerste plaats, dat hangt van uw geloof af, uit naar twee woorden die dezelfde letters bevatten, maar in andere volgorde (31). Het palinwoordenpaar is daar natuurlijk een bijzonder geval van. Een ander bijzonder geval is het woordenpaar dat een enkele letter, of klank, heeft uitgewisseld (32). Die uitwisseling kan ook in een groepje woorden plaats grijpen (33). In 34 zijn de elementen die van plaats verwisselen, groter dan een enkele letter of klank.
Het anagram op nog hoger niveau vinden we bij de ‘anaclept’ (een gedicht dat alle woorden van een ander gedicht, in andere volgorde, bevat) en de ‘cento’ (een gedicht dat bestaat uit brokken van versregels uit andere gedichten). Kousbroek verschaft een anacleptische ‘Zee’ van Kloos (30a).
‘Homo’ is Grieks voor ‘gelijk’. We besteden vier paragrafen aan het homogram.
In 35 laat ik zien hoe een homowoord op twee manieren geleed kan zijn. In 36 valt het woord in een rijtje woorden uiteen. In 37 kijk ik naar de homo-zin, en in 38 naar de homosamengestelde zin. De klassieke begrippen synoniem en homoniem vinden in 39 een plaatsje.
De mogelijkheden voor dubbelgrammen zijn hiermee niet uitgeput. Je kunt ook letters in een tekst zwart maken en zo een nieuwe boodschap krijgen. Hoe, andersom, een boodschap (of jaartal) verduisterd kan worden door extra letters, komt in 88.
‘Drie keer halen, twee keer betalen’ komt voor in het ritsgram (95).
Pilatus: ‘Quid est veritas?’
Christus: ‘Est vir qui adest!’
Piet Mondrian - I paint modern
(i. wilson in de New Statesman, 17-8-79)
Twee woorden die uit dezelfde letters bestaan, maar in andere volgorde, heten elkaars anagram. Vanouds wil men een mystiek verband zien tussen zulke woorden. Vooral als een ervan een eigennaam is, dan meent men over de drager van die naam iets te weten te komen door naar zijn anagram te kijken. ‘A. Hitler: the liar’, ‘Andries van Agt: De Vara in angst’.
In puzzels en zwarte kunst (de luchthartige en de serieuze kant van eenzelfde zaak) bestaan er vele manieren om uit woorden getallen te maken, die gemeen hebben dat anagrammen hetzelfde getal opleveren.
In de ‘hersenbreker’ worden bijvoorbeeld de letters van een woord als getallen opgevat (a = 1, b = 2, ... y = ij = 25, z = 26), en met elkaar vermenigvuldigd. Dit product fungeert dan als omschrijving in een kruiswoordpuzzel.
In de kabbalistiek worden de getalwaarden van de letternámen bij elkaar opgeteld.
Bij zulke onhandige methodes om van woorden getallen te maken, kunnen ongelijke woorden dezelfde getalwaarde krijgen. Bij de Hersenbreker moet je dan kiezen tussen de verschillende mogelijkheden; in de kabbalistiek ontdek je een geheim verband tussen twee woorden. In beide gevallen krijgen anagrammen dezelfde getalwaarde, omdat de volgorde waarin de letters staan bij de berekening immers geen rol speelt. Zo is het hersenbrekersgetal 97796100 zowel de waarde van ‘beknel-
erasmus - masseur
Andries van Agt - de Vara in angst
Ahasveros - vossehaar
Confucius + niets - cosinusfunctie
Erasmus - masseur
Herodotus - Theodorus
Laurel en Hardy - Allure en Hydra
Schieman - anemisch
Schieman - machines
Zernike - kniezer
leiderdorp - driepolder
Axminster - Marxisten
Beiroet - Beotiër
Brabantia - rabbinaat
Chartoem - achterom
Cothen - Ochten
Cremona - Menorca
Cremona - romance
Diemerbrug - Muiderberg
Doornspijk - 'n spoordijk
Geertruidenberg - Driebergen/terug
Halsteren - Herentals
Hannover - Avenhorn
Holten - Tholen
Hoorn - Rhoon
Maasniel - Milanees
Milaan - Manila
Oldeberkoop - Boekelo/dorp
Orleans - Salerno
Rhenen - Hernen
Roermond - rond Rome
Teheran - Athener
Tobroek - oktober
Tokyo - Kyoto
Woerden - Onwerd
poolster - terloops
bierstad - Breda is 't
blokkade - kladboek
dégeneré - geen rede
emigrant - grietman
kakstoel - koelkast
laagveen - geen lava
onbewust - nestbouw
poolster - terloops
theoloog - oogholte
waterval - welvaart
racefiets - creatiefs
Amerikaan - namaak-Ier
Amerikaan - naaikamer
brandklok - klankbord
centenaar - antraceen
fabeldier - adelbrief
grondzeil - zoldering
joelfeest - flesje toe
klonterig - tongklier
ontelbaar - laborante
racefiets - creatiefs
reiskleed - kiesdeler
stoomlier - morst olie
stopwatch - wachtpost
urbanisme - submarien
urbanisme - muis baren
vestibule - vuilbeest
australiër - luisteraar
Australiër - luisteraar
beeldroman - ombladeren
boerenland - onrendabel
booreiland - loonarbeid
citroensap - contraspie
eksterogen - gore steken
inspekteur - uitspreken
onderhevig - vingerhoed
spreektaal - speelkaart
wielrennen - leerwinnen
ling’ als van ‘vergulden’ als van ‘Vondeling’. Letters met een grote-priemplaats in het alfabet vind je het eerst: w, s en g.
Bij welhaast, iedere eigennaam is een berekening te bedenken die tot het getal 666 leidt (het getal van Het Beest). Voor Hitler neme men de codering a = 100, b = 101 en zo voort. Meer voor de hand ligt om voorde voorletter a = 1, b = 2... te nemen en voor de achternaam A = 101, B = 102 en zo voort. Dan wordt ‘A. van Agt’ inderdaad ook 666.
In de raadselliteratuur ziet men het anagram dikwijls in de vorm van het ‘visitekaartje’, waarop dan bijvoorbeeld de naam ‘T. Immerman’ staat. Je moet het beroep van de eigenaar van dat visitekaartje raden, onder de stilzwijgende aanname van Stekels theorie dat mensen zich in de keuze van hun beroep door hun naam laten leiden. Toen Freud hem vroeg of hij, Stekel, in zijn artikel daarover wel de namen van zijn patiënten kon publiceren, antwoordde deze: ‘Ik heb ze allemaal bedachte namen gegeven’!
....................
| andere | stapel |
| nadere | spatel |
| aderen | pastel |
| narede | slapte |
| eredan | plaste |
| daneer | laspet |
| aerden | telpas |
| nareed | taples |
| Andrée | petsla |
| areënd | petlas |
| raeend | patles |
....................
De drie merkwaardigste anagrammen, omdat ze hetzelfde aanduiden, zijn ‘aalscholver-schollevaar’, ‘manegeklep-menageklep’ en (niet feilloos) ‘maniëristisch-Marinistische’, naar Batista Marino (1569-1625) die een gemaniëreerde stijl had.
Makers van woordenboeken en encyclopedieën schrijven veel van elkaar over. Dat blijkt uit deze twee anagrammen die er dikwijls in te vinden zijn onder het trefwoord ‘anagram’:
‘Joost van den Vondel-Sotje vol van souden’ (Oosthoek en Grote Nederlandse Larousse).
‘Tesselschade-Sachte Sede(n)les’ (Van Dale, Oosthoek en Buddingh' (b4), Koenen geeft terecht: ‘Tesselschaede’).
Beide anagrammen kloppen niet! Het is voor een gewoon mens ook niet zo eenvoudig te zien of twee woorden elkaars anagram zijn. Scrabble, dat een anagram-spel is, levert dan de losse lettertjes. Bij de (juiste) anagrammen van ‘Tesselschaede’ en ‘Joost van Vondelen’, hoort ook dat van Heer Jan van Oldenbarnevelt - ‘Bevvaarden Hollant in eeren’.
A. Neuque en Korus Boek beginnen hun versie ‘Anagrammen’ zo: ‘Op het concerthalba van Nijl Eenzits op het pisstuur...‘
Hoe langer het gram, hoe eenvoudiger het is er een anagram van te maken. Gedichten waarvan alle regels elkaars anagram zijn lijken moeilijker dan ze zijn. Maar Hanecroots prestatie blijft bewonderenswaardig (31b). In 1711 publiceerde L. de Vriese in Brugge een boekje met 3100 anagrammen van ‘Ave Maria Gratia plena, Dominus tecum’, waarvan er twee gecorrigeerd moesten. Zwerd ‘Luna Dei tota gemma, damni carie puna’ toch liever: ‘Luna, eja tota gemmas mundi carie pura’. Men ziet dat de anagram-conventies inzicht bieden in wat in andere tijd, of op andere plaats, als dezelfde letter wordt beschouwd.
Het nut van het anagram schuilt hem daarin dat je een ontdekking, die je niet openbaar wil maken, maar waarvan je later wel wil kunnen aantonen dat je hem op een bepaald tijdstip had gedaan, in anagrammatische vorm aan de wereld bekend kunt maken. Is de octrooi-boodschap niet al te kort, dan is het als geheimschrift inderdaad onbreekbaar. Maar het nadeel is dat uit zo'n letterpastei allerlei boodschappen gemaakt kunnen worden. Zo zijn de talrijke ‘oplossingen’ van het Shakespeare-probleem, die op een anagram berusten, volslagen willekeurig.
Een anagram is zo gemakkelijk te maken, dat het misschien aanbeveling verdient te zoeken naar een onanagram: een woord dat geen enkel anagram bezit. Van de 6-woorden lijken mij ‘andere’ en ‘stapel’ kampioenen. In het Katholiek Schoolblad 42 (1979) no. 27 geeft Ivens de negen anagrammen van ‘Stoker’ in één zin.
....................
In deze sektor koerst het orkest met de dikke koster in een korset, en de stoker met wat kortse, op de trekos naar de koters, wier haar kroest.
....................
| aalscholver - schollevaar |
| aalscholver - schollevaar |
| aanbeveling - bananevlieg |
| appreciatie - papieractie |
| onderduiker - oude drinker |
| pettenmaker - kampeertent |
| rijksdaalder - slijk der aarde |
| winterspelt - spliterwten |
| vloerartiest - travestierol |
| onvriendelijk - invloedrijken |
| streekgenoot - gootsteenrek |
| verstoteling - vliegestront |
| vloerartiest - travestierol |
| filmoperateur - tafelopruimer |
| dorpsgemeente - rem op de geest |
| filmoperateur - tafelopruimer |
| kaperkapitein - piratenpakkie |
| legerformatie -grof materieel |
| strandbericht - brandstichter |
| protectionisme - motorinspectie |
| doelverdediger - de redder viel goed |
| laatstgeborene - een trotse blaag |
| mosterdfabriek - bromfietskader |
| protectionisme - motorinspectie |
| sportprestatie - topstripteaser |
| straatmadelief - de term is fataal |
| wapenindustrie - stad eer in puin |
| postzegelvriend - verdelingsopzet |
| draaispoelmeter - eerste radiolamp |
| marionettenspel - parlementsnotie |
| postzegelvriend - verdelingsopzet |
| stroomgenerator - montagerooster |
Ik zag Alexander de Grote
Hoop doorknakken. roemer visscher
‘Manegeklep’ en ‘menageklep’ zijn wel anagrammen, maar op armoedige wijze: bijna alle letters staan op dezelfde plek, alleen de twee voorste klinkers zijn verwisseld. Dit soort verwisselingen is een veel voorkomende bron van versprekingen, zoals vaak te horen in ‘converseren’ en ‘conserveren’.
In het Frans, waar de kunst van het opzettelijk ruilen van klanken tot grote hoogte opbloeit, maakt men verschil tussen de metathesis (verwisseling in één woord) en contrepèterie of antistrophe (verwisseling tussen twee verschillende woorden in een zin), maar ik maak dat onderscheid niet.
Onder ‘Metathesis’ schrijven Nequeau en Brouskoek: ‘Op nee gad ondr het migadduur onwatarde ik op het chaterbaklon van een lijn zetsien ene janegmon met een te lagne hlas en een doeh’.
Daarentegen schrijven Quebroek en Kousneau onder ‘Antistrofen’: ‘In lijn spestien op het zitsuur ontmande ik een jonge waard met een nange lagere mek en een hare roed’.
De verwisseling tussen de drie woorden ‘lange’, ‘magere’ en ‘nek’ gaat boven onze definitie uit (er is in 32a wel een voorbeeld van). De verwisseling van ‘man’ en ‘waard’ in ‘ontwaarde ik een man’ komt in 34 aan de orde - het is geen klankuitwisseling meer.
In het Engels staat dit verschijnsel bekend als ‘Spoonerism’ naar William Archibald Spooner (1844-1930), die er te Oxford veel succes mee had. Maar het is ook in Engeland veel ouder.
In het Duits heet het ‘Schüttelform’. Een Nederlandse term is er niet, zodat wij het maar, met een bekend voorbeeld, ‘neukebootje’ noemen.
De klankverwisseling dient vooral om taboewoorden of gewaagde combinaties te kunnen maken op genitaal, anaal of religieus terrein, zoals een blik op de voorbeelden in 32a leert.
Uit deze woorden kun je ook zien dat het hier inderdaad om een klankverwisseling gaat, en niet, zoals ik zou willen, om een letterverwisseling. Ik zal dan ook mijn fikse idee over het geschreven karakter van Opperlands even opzij moeten zetten.
Je weet niet eens hoe je het schüttelende metathetische chiasme van ‘peperkoek’ zou moeten opschrijven: ‘poepercake’ of ‘poeperkeek’? Het terugvertalen van ‘crèmetaartje’ gaat ook eenvoudiger voor wie het hoort dan voor wie het ziet.
‘Kontpaars’ en ‘paarskont’ van ‘ponskaart’ tonen hoe zo een pompwaterwoord (24) ontstaat.
Veel van de langere voorbeelden gaan terug op cliché-uit-
‘Pas 'r op, To, rotoppas: pastoor P.P. Spatoor!’
Rapposto: ‘Stropop A.? Sapropto! Aspro-pot!’
‘Oort paps, prat op os.’
Popó-arts Pa spoort os trap op.
Pa: ‘Rot's op! Ras pot op!’
Pa spoort...: Pa rots op (spoot rap) ‘pas op, tor! poortpas!’
Poot spar op rotpas: Paros' top! (ar op post)
‘Sap'rpoot! Opa's port!’ (a propos 't protosap)
‘Proost pa!’...:
‘Sa! port op!’ Pa, op stro, poost rap...
| Nationaal | : Anatolian |
| Geboren | : Er begon... |
| Lengte | : Tegen L |
| Kleur ogen | : Leuk groen |
| Schoenmaat | : Schaamtone |
| Nagels | : Angels |
| Uiterlijk | : Kuitlijer |
| Gestalte | : Lage test |
| Leeftijd | : Elfde tij |
| Beroep | : Poeber |
| Dieet | : 't Idee! |
| Sekse (rite) | : Stierkees |
| Afkomst | : Fokstam |
| Potentie | : Top tiene |
| Reisdoel | : Ieder los |
| Karakter | : Raaktrek |
| Geloof | : Ego-lof |
| Liefde | : Fideel |
| Politiek | : Pikt olie |
| Alma Mater | : Altera Mam |
| Nadere informatie: | Andere firmanotie |
|---|---|
| Formulier | : Reilforum |
| geboorteplaats | : Bern |
| valuta | : hard |
| naam | : Haas |
| hartslag | : tic |
| neukebootje |
| ballenschijters |
| bandzak |
| beenstok |
| berehigh |
| boelhuiskoter |
| billespeen |
| billenschortje |
| billenschouw |
| bipperknol |
| bottenpakkerij |
| bootlolletje |
| bredemoeders |
| dakzoekje |
| dismaden |
| duisterlichtheid |
| fronsbilletje |
| gebakhalletje |
| geilplas |
| gromkont |
| guispaten |
| hartzwarigheid |
| hippekok |
| huichelgeil |
| jantjespas |
| kaalstaart |
| kameelpester |
| katerwip |
| keeswind |
| klootsdoppertjes |
| klaasjesbruid |
| kontpaars |
| krèmetaartje |
| krijshaan |
| kwersekont |
| neukebootje |
| leetepeltje |
| paaskakhuis |
| pasklantjes |
| pesmuntje |
| peusneuteren |
| premiesof |
| postbodekoek |
| pusbaal |
| rafeltand |
| de Schaafgrap |
| schandhoen |
| schijnpeut |
| scholenkop |
| slaankrangetje |
| slietsfeuteltje |
| slofferkeutel |
| sluntepijper |
| spuitkieren |
| stankbel |
| stierepis |
| stippenhok |
| Paulus Stotterpraat |
| strandbof |
| strondfat |
| stuursok |
| tinkelwafel |
| toervlegels |
| vrektaart |
| vrouwkont |
| weps |
| wijnmerker |
| zeeteefje |
| zoenscholen |
| zoengroeters |
| zuggemifter |
| zwijgende hindermeid |
| strontvla |
| braakbeer |
| hoerenschenen |
| kippelong |
| mastbink |
| paarskont |
| pleebekladders |
| poepercake |
| reuzegoor |
| schaamspuin |
| spaarloon |
| stapkondje |
| stootlazerij |
| strontvla |
| godgewaagde meiden |
| boten kieken |
| botje preken |
| Delft onderspitten |
| gebraden nonnen |
| gespierde scheur |
| godgewaagde meiden |
| halletje gebakt |
| knallende benden |
| koele zwoerden |
| koerende bazen |
| kontje bloter |
| kofje koppie |
| kreetje bom |
| kuiten boud |
| landelijke schonen |
| piest preças |
| pratige pestdagen |
| saaie meid |
| scheel gehikt |
| scheetje beef |
| scheet koppen |
| slaatje bla |
| spekker lul |
| stoute sokjes |
| stuiver zaaltje |
| tweegats pisstel |
| verkante keer |
| watten billen |
| weleerpaarde water |
| wok slater |
| woud kater |
| zakje poep |
| zakkelijk mat |
| zielig najaar! |
| gapen en scheiten |
| bloot en rauw |
| braken en heien |
| gapen en scheiten |
| holen en zakken |
| klont- en mauwzeer |
| mooien en vlotten |
| morren en tieren |
| opzet en verstand |
| poep en sap |
| suffen en pissen |
| trouwen en dekken |
| met verkrachte eenden |
| als een Waal boven pater |
| billetjes op uw schort |
| bidden in het mos |
| de keutel in het kekentje |
| de pier van Stotter |
| doden in de zijk leggen |
| een afgesproken gebrek |
| een botje preken |
| een paard kakken |
| een pad in een vreemd kakhuis |
| een rokje blond |
| een scheet opkluiven |
| een veel gevrijde gewaagde pater |
| er stop noch kaart aan vinden |
| gauw je hoed! |
| iemands tonen vijlen |
| in de huiskamer je achterwerk afkrabbelen |
| ik heb een pauw te kakken |
| kont aan de hetting |
| met de baard tussen de stenen |
| met je kloten buiten |
| met verkrachte eenden |
| mijn jeus neukt |
| mijn tuig bedanken |
| ruik amme reet |
| tiet op navel! |
| tussen dicht en lonker |
drukkingen (‘Hou je goed!, Zalig Nieuwjaar’), en wijzen op de behoefte zulke dodelijk vermoeide uitingen op te frissen, zoals ook te zien valt in ‘gefeliciflapstaard’, en in de steeds nieuwe woorden voor ‘goed’. Ook ‘joe’ en ‘doeg’ voor ‘ja’ en ‘dag’, met welke dialect-achtergrond dan ook, wijzen op deze behoefte.
De drift naar een vies woord gaat zover dat men er een betekenisloze component naast accepteert, want wat is eigenlijk ‘lee’ in ‘leetepeltje’ en ‘preças’ in ‘Het piest preças’? ‘Preças’ is trouwens wel het enige Nederlandse woord dat een cédille bezit, en niet zó uit een andere taal is overgenomen. Een heel andere vorming, in 70 te bespreken, leidt óók tot ‘presas’ (‘precies presas’).
Dit bracht drs. Van Buren ertoe om in een, helaas bij een perrongeluk verloren gegaan, artikel de wet van kont en stront te introduceren. Als er, zo betoogt zij op de haar eigen irritant-welsprekende wijze, een Nederlands woord is dat op ont (of op ond ) eindigt, dan zal de taalgemeenschap niet rusten totdat zij een woord heeft gevonden (‘gemeenschap’ is inderdaad vrouwelijk), dat met een k of str begint, en dat met het ont-woord klankje kan gaan wisselen. Van Buren wijst op zulke vreemde combinaties als ‘koufront’, ‘komgrond’, ‘frontstad’ en ‘bontkracht’, die volgens haar alleen gemaakt zijn teneinde ze te kunnen spooneren tot ‘vrouwkont’, ‘gromkont’, ‘strondvat’ en ‘Toen ik Bontkracht in haar kont bracht’.
In 32a vindt u onder ‘Beukenootje’ de woorden met intern gewisselde medeklinker (groepje) s. Onder ‘Strondvla’ staan de gevallen met (vooral) verwisselde klinkers, onder ‘Gapen en Scheiten’ de klankuitwisselingen tussen twee door en verbonden woorden, en onder ‘Met verkrachte eenden’ de contrepèterieën tussen woorden in langere uitdrukkingen.
Dit genre is in Nederland vooral bekend door de geschiedenis van de Brand van het Kurhaus te Scheveningen (1886, de brand dan). Terwijl dit gebouw voor de derde maal werd opgetrokken, bouwde ik uit brokstukken van diverse correspondenten - een gedrukt exemplaar heb ik nooit kunnen vinden - een versie op, die in 32b staat.
Het genre vindt voorts zijn toepassing in grapjes van het type ‘Wat is het verschil tussen A en B?’ Antwoord: ‘Een A ax't by en een B bx't. ay’. Wat is het verschil tussen de wind en Prins Hendrik? ‘De wind waait noest en Prins Hendrik naait woest’. Wat is het verschil tussen Lubbers en Aantjes? (Juist antwoord: Aantjes is ouder). ‘Lubbers ving goud en Aantjes ging fout’.
In 32e staat een echte letterverwisseling uit een krant.
Hoe aardig ook, deze paragraaf staat mij te dicht bij de verspreking en de woordspeling. Echt Opperlands wordt het pas in 33.
| twee banden op een huik |
| van stal weken |
| wasdag voor het gebit |
| zijk op de kaak |
| er kan speels worden gevrijd |
| Dat spuit de loopgaten uit |
| Er kan speels worden gevrijd |
| Hij scheet boter |
| In Venlo is een plein ontmoft |
| Leg je billen maar op m'n schort |
| Mijn haat is verminderd |
| Mijn zonen zitten in de bak |
| Net weekt brood |
| Wie een beestje wil vouwen, moet een meisje raken |

Scheel Heveningen was een vlooi der prammen. Ver weg op zee zag men een pissende vink. De gatbasten waren gezoodnaakt het land te verstraten en riepen in hun kloten buiten lont. Ze kakten hun poffers, en streken elkaar kak in het gelaat. Enkelen kwakten zaad, anderen kakten zalm langs een touw. De guitspasten neukten de bok van het dak. Niets werd gered dan tien linnen tepels en een lul van een predikant in de harige kut van een vinnige pissersvrouw.
In een brief aan de gemeenteraad, die zij de burgemeester, die verzegeld was van onderwijswethouder J. Mastik, overhandigden, staat dat volgens de leerlingen de oplossing van het conflict moet worden gezocht in het ontslag van de directeur. De leerlingen eisen verder dat de studentenraad voortaan medebeslissingsrecht krijgt, of althans gehoord worden in situaties die hen aangaan.
Onherroepelijk allerlaatste verspreking: bejaarde heer vertelt in de trein aan zijn reisgezelschap, dat hij bij goed weer nog elke dag ‘een vondelingetje in het wandelpark’ maakt.
Maar dit is dan ook absolaat de luutste.
| parkietjes |
| karpietjes |
| pierkatjes |
| kierpadjes |
| bolknak |
| knalbok |
| knolbal |
| balknok |
| knalbol |
| knokbal |
| buisklokken |
| kluisbokken |
| klosbuiken |
| bloskuiken |
| spoorkaartje |
| spaarkoordje |
| kaarspoortje |
| paarskoortje |
| staalpartje |
| palstaartje |
| paalstartje |
| stalpaardje |
| startpaaltje |
| sportfondsenbad |
| bordsponzenvat |
| badsponzenfort |
| spatbordenfonds |
| sportbonzenvat |
| bierspatje |
| sparbietje |
| barspietje |
| spierbadje |

33a spreke voor zich zelf. Klaas Boot was een turner. Zo was Willy Schootemeyer een marscomponist, waar u zelf de verschuivingen bij kunt verzinnen.
De situatie rond het woord ‘pikketanussie’ is onduidelijk. Het woord zelf lijkt me al thuis te horen in 36. O'Mill maakte er in ‘Pimple Ars’ ‘pick a tarnis’ van. In een eenvoudige inleiding tot het Opperlands als dit boek is, kunnen wij op de vele mogelijkheden van dit woord niet nader ingaan.
In 48 behandel ik een bijzonder geval van klankwisseling afzonderlijk: dat van wisselende klinkers tussen vaste medeklinkermuren.
Onverklaarbaar bewoond.
De tweetjes zwemmen in de zesser.
‘Mijn tuig bedanken’ hoorde eigenlijk niet in 32 thuis. Er worden daar twee woorden ‘dank’ en ‘tuig’ van plaats verwisseld. Hiertoe behoort ook het type:
‘De baby poept in de luier en het varken luiert in de poep’ (Wat is het verschil tussen een baby en een varken?)
Nu wreekt zich dat ik niet een gram wou invoeren dat terzijde van de lettergreep tussen letter en woord in staat, en waarmee u in ‘alstublieft’, en ‘dank’ in ‘bedanken’ aangeduid kan worden. Ik noem zo'n brok van een woord met een eigen betekenis, en vaak ook als zelfstandig woord mogelijk, rustig: ‘woord’.
De vervanging van zo'n woordbrok door een ander brok woord is een procédé dat ook vruchtbaar is zonder dat het gevende en het ontvangende woord bij elkaar in de buurt staan. Zo lezen we bij Campert ‘vervrouwend’ en ‘vivisex’, terwijl feministen, maar nu waarschijnlijk serieus, ‘ievrouwd’ en
....................
....................
‘andervrouws’ hebben voorgesteld. In al deze gevallen weet de lezer het ‘goede’ woord zelf te bedenken.
Tot het Openbaar Taalbezit horen ‘Openbaar Kunstgebit’ en ‘pieschiater’.
Woordverminking kan op vele manieren gebeuren. Over de opzettelijke verminking van eigennamen spreek ik u nog in 76.
Ik noem de volgende manieren, met voorbeelden:
Omdraaiing (zeldzaam): ‘appelsienen’.
Vernederlandsen van vreemd woordbrokje: ‘belatafeld’, ‘besoepketeld’, ‘besuikerd’, ‘kattebak’, ‘luizepoten’ en ‘luizeveren’.
Betekenisloos stukje vervangen door betekenisvol woord: ‘balleefd’, ‘belnee’, ‘gore Flip’ (Govert Flinckstraat). In ‘Vosjesstraat’ is Vossius weer tot Vos teruggebracht.
Extra stukje toevoegen: ‘gefeliciflapstaard’, ‘monumentje’.
Moedwillig verkeerd geïnterpreteerd, of door broederwoord vervangen stukje: ‘portemeniks’, ‘sereneus’, ‘suczeven’ (van ‘succes’), ‘mugezond’, en ‘tot zus’ (‘tot zo’).
Geleerd stukje toevoegen: ‘Haginees’, ‘klokkement’, ‘prevelement’, ‘tietelatuur’.
Rijm: ‘kopje kofje’.
Contaminatie: ‘Moffrika’, ‘horekaffer’.
Ongram (hoofdstuk 6: willens en wetens grammaticale regels blijven toepassen ook waar het niet kan): ‘peder’, ‘kantjes’, ‘propjes’, ‘natte his’, ‘komkommersloeg’.
Zomaar verviezend veranderen: ‘schaamzaadbroodje’.
‘Volksetymologie’ (die men meestal niet moet zien als de werkelijke, domme, gedachte van het volk over het ontstaan van een woord maar als een Opperlandse lustexpressie): ‘sterfopstraatworst’ (‘cervelaatworst’). Deze is moeilijk onderscheidbaar van enkele eerder genoemde procédés.
Al deze verminkingen (ook ‘kroket’ voor coquet hoort ertoe) hebben gemeen dat zij, eens bedacht, als gewone woorden verder leven. Het is dus nauwelijks als Opperlands te beschouwen, maar de vormende procédés wel. Vele van deze verminkingen horen tot de ‘handelsreizigerstaal’ (39).
....................
....................
Verliefd paar, jager en schurk zitten in restaurant.
| De jongeman eet: | wat de schat poft, |
| het meisje: | wat de pot schaft, |
| de jager: | wat het schot paft, |
| de schurk: | wat de schoft past. |
Pas op: de waakhond bijt je een haakwond terwijl je hem in z'n hok waant.
| Klaas Boot | ||
| Kloos baadt | baas Kloot | |
| Koos blaat | kaas bloot | |
| Ka bloost | blaas, Koot! | |
| Ko blaast |
WIJ herinneren ons dat lang geleden, toen heroine nog een vrouwelijke hoofdrol was, en milieu de stand van je ouders, mannen lange stenen pijpen rookten. Zo'n pijp had een tuitje, en zo'n pijp had een etuitje. Het was in die rustige jaren van trekschuit en kinderarbeid dat het woord pijpetuitje werd ontdekt, dat zowel het tuitje van een pijp, als het etuitje voor een pijp kon wezen. Deze snaaksheid werd zo bekend, dat Pijpetuitje nog een derde betekenis kreeg: een woord dat net als ‘pijpetuitje’ op twee manieren kan worden opgevat, en dan op twee manieren uiteenvalt.
Wij kennen heden de volgende pijpetuitjes: balkanker, borduurwerk, bijster, contrastrijker, damplaag, dekreet, dorstrommel, dijkramp, extraneus, gein, gospel, hennepakkers, kwartslagen, lastaak, lokaal, loodspet, meestal, meesterstukje, minister, moordrechter, pilslikker, plaatstaal, plankas, pijpetuitje, rotspui, rotstelling, rotstempel, rijstrand, rijstrook, stalinrichting, uiteen, valkuil, verste, wetstaal, zeepaard, zeepas en zeepieren, hoewel wij tijdens ons verblijf in Ierland nooit een Ier met zeep in de weer zagen.
Wist u dat Pijpetuitje nog een vierde en vijfde betekenis kan hebben? Dit bleek uit een correspondentie, gevonden in de vuilcontainer waarin de kloosterbibliotheek van het Heemsteedse Hageveld onlangs werd gekieperd. In de eerste brief stond: ‘stil maar’ zei het meisje zonder handen tegen de monnik zonder handen, ‘ik pijpetuitje’. In de tweede brief werd opgemerkt dat voornoemd meisje een petje droeg, en dat de abt het monnik-meisje-samenzijn verstoorde met de opmerking ‘Pij-pet-uitje?’
Een bijzonder type Pijpetuitje is het Palletje. Een palletje is zowel het verkleinwoord van pal, als van pallet.
De Palletjes zijn: balletje, boetje, bonnetje, buitje, buurtje, bijtje, geitje, kabinetje, kadetje, koetje, kuitje, luitje, manchetje, moetje, palletje, reetje, rietje, spuitje, toetje, uitje en weetje.
Een heel bijzonder soort Palletje is het (dank Jaap) Pootje. Een pootje is het verkleinwoord van poot maar ook van het veel kleinere po.
Pootjes zijn: aatje, Agaatje, beetje, diplomaatje, kootje, maatje, ootje, peetje, pietje, pootje, raatje, vaatje, vlootje en weetje.
Alweer weetje? Ja, want ‘weetje’ is drievoudig Pijpetuitje: een beginnende barenswee, de kleine letter w, en een minuscuul stukje wetenschap. Eveneens drievoudig zijn ‘meestal’ (van meestelen; bijna altijd; en het aantal mezen), en ‘rotspuitje’ (een pui van rotsstenen; een opgebroken Spui; en een spuit inferieure heroine).
Bij de Pijpetuitjes vielen de woorden op twee manieren in stukken. Maar dat is niet nodig om toch uit een zelfde rijtje letters twee verschillend uitgesproken woorden te kunnen krijgen. Dat ziet u aan het type Politiekeling; een keling door de handhavers van wet en orde; of een verstokt politicus.
Politiekelingen zijn: bedelen, bekeren, bommelding, coproductie, dampers, discussieraad, dolfijn, kantelen, kassabel, maagdeken, massagebed, minimaal, natuur, negeren, politiekeling, premierepubliek, regent, rollade, spektakel, sterkers, stropers, verzegeld en voornaam.
Bij ‘negeren’ vragen wij ons altijd af of de uitspraak waar het woord ‘neger’ in verwerkt is, oorspronkelijk niet een ongepast grapje was. ‘Voornaam’ hoort tot een veel rijkere categorie
Ik zie me nog op straat lopen in Utrecht 1947. Daar komt een bakkerskar van Schat, met op de zijkant ‘Volkorenbrood’. ‘Volk-oren-brood’.
Een rijtje letters kan op veel manieren twee verschillende woorden zijn. Het flauwste is als de taal vergeten heeft aan de minimale eis van eenduidigheid te voldoen. Zulke woorden heten ‘homoniemen’, en komen in 39 even ter sprake. Opperlands is dat niet.
Wel Opperlands is het als twee woorden ieder op volkomen regelmatige wijze zijn ontstaan uit kleinere onderdelen, en pas na assemblage van het geheel aan elkaar gelijk blijken te zijn. Dat zijn de ‘pijpetuitjes’, waarvan in 35a alle mij bekende staan. De verkleinwoorden als ‘palletje’ vormen een bijzonder geval, en de verkleinwoorden als ‘pootje’ daar weer van.
Van de pijpetuitjes die met ‘kwart-’ beginnen nam Van Buren terecht alleen ‘kwartslagen’ op. Er zijn er meer. In 3a kwam ‘kwartieren’ voor, en in ‘Op een aal’ van Stip ‘kwartalen’.
De categorie ‘politiekeling’ moet het van iets anders hebben. In zo'n dubbelwoord bevindt zich een letter of lettercombinatie die op meer dan één manier kan worden uitgesproken. Dat is dan vaak de letter e, die immers op drie manieren kan klinken. De kortste van deze woorden is ‘een’, dat als lidwoord en als telwoord verschillend klinkt. Het onbevredigende is dat beide woorden zo duidelijk een en één oorsprong hebben. Dan is het beste korte voorbeeld misschien ‘beken’. Bij de keus tussen de uitspraak ee of u hoort meestal ook een klemtoonverschil. Dat kan ook buiten de e een bron voor dubbelgrammen zijn: ‘voornaam’, ‘uitstekend’, ‘voorkomen’.
Van Buren neemt in haar (onvolledige) opsomming van politiekelingen terecht niet de vele woorden op -‘ster’ op, die de vrouwelijke beroepsbeoefenaar en ook de ster kunnen aanduiden: ‘filmster’, ‘zangster’...
Ook de vrouwelijke ‘logicus’, ‘botanicus’ en ‘fysicus’ zijn
....................
....................
....................
Albert Heyn brengt een chocoladepindareep in de handel die Cho-Pin heet. (e. elias)
....................

....................
| jeug-droeister | sambals-oorten |
| geleidelij-kaan | linke-rarchitectuur |
| arbeid-sonlusten | cont-racten |
| hartop-eraties | aardga-sprijsverhoging |
| verspel-en | zedeli-jke |
| er-felijkheid | waard-oor |
....................
homogram, van hun vak. De vrouwelijke inwoners van de meeste landen zijn ook bijvoeglijke naamwoorden: ‘Italiaanse’, ‘Ierse’, ‘Spaanse’.
‘Volkorenbrood’ kan eigenlijk maar op één manier in delen gesplitst die tezamen zinvol zijn, maar het was toch - voor mij dertig jaar geleden - een verwarrend woord. Zulke bijnapijpetuitjes die velen verwarren staan onder ‘pretogen’ genoemd, maar de opsomming is lang niet volledig. De verwarring door stotende letters komt nog apart (79) aan de orde.
Een historisch ‘pijpetuitje’, dat eigenlijk een ‘pretogen’ was, wordt afgeleid van de ‘Willemsparkweg’ in Amsterdam. Tijdens de oorlog werd de sterfdag van Willem Spark, met Duitse instemming, gevierd.
De bij pretogen genoemde ‘taal der Labioden’ spreekt men met de boventanden op de onderlip: ‘Vijf wijve fuive vief’.
Een pretogen is het geslaagst in de mond van een nieuwslezer. Zo had Fred Emmer het eens over ‘vistráán’. Zulke fouten staan bekend als ‘klemtónen’.
De verkeerd afgebroken ‘pond-spakken’ horen als drukfout ook in 75 thuis. 35e toont een echt geval. In hoeverre het zetten met een computer altijd voor zulke rariteiten aansprakelijk gesteld kan worden besprak ik elders (j9). Niet verkeerd maar raar afgebroken zijn de woorden in Jan Hanlo's ‘Uit het Etrurisch’.
Het toegepaste homogram komt het best tot zijn recht in een zin waar het achtereenvolgens in elk van zijn opvattingen gebruikt wordt: ‘Er ligt een rijstrand op het rijstrand. Zijn voornaam klonk voornaam. Op de ene zender was psv aan het
van woorden waar alleen het accent het verschil tussen de twee opvattingen maakt: uitstekend, voorkomen.
De laatste categorie Pijpetuitjes zijn de woorden waar eigenlijk niets mee aan de hand is, maar die de onschuldige lezer toch in de war brengen, wanneer hij dat woord ziet. ‘Bommelding’ was daar al een voorbeeld van, want dit is zelden een zaak in het bezit van Olivier Berendinus Bommel.
Wij noemen deze soort van Pijpetuitjes Pretogen, en noemen daaruit: Achtkarspelen, asemmer, bollenteler, donauwals, hoofdrollen, horecareus, hyenavel, ingevingen, inkepinkje, kastomaatje, krotopruiming, kiwijacht, kollegaatje, labiodentaal, ministerretje, pretogen, sterflat, supersoon, tandemasser en truchuwelijk.
De hierin genoemde ‘hoofdrol’ hoort ook tot de categorie der Pond-spakken, de in couranten verkeerd afgebroken woorden. Een opsomming van alle in ons bezit zijnde Pond-spakken zou de contouren van deze rubriek te buiten gaan, en bovendien op een strafexpeditie tegen zetters of zetmachines kunnen lijken. Wij noemen slechts de waargenomen: cont-racten, waard-oor, hartop-eraties, hoof-drollen, frank-eerwaarde.
Nooit gelezen, maar wel amusant zijn de aldus door het verdeelstreepje in het leven geroepen exemplaren van de zetters-fauna (dank Piet): Anana-sijs, albe-stier, Ara-mees, bar-baars, bed-arend, bed-otter, bed-rog, best-uiver, ent-ree, dwing-eland, gesp-eend, haard-os, kar-os, krib-big, leven-slang, ma-gier, op-doffer, overste-ekster, pa-raaf, Pa-steur, po-lijster, super-taks, tapio-kameel, trend-setter, ver-haring, ver-taling, vlo-ekster, wolf-ram en de zebra-pad.

In een Amsterdamse nachtclub begonnen deze week de opnamen voor het tros tv-spel ‘Oh ja, Yvonne heeft nog voor je gebeld’, waarin Anne Wil Blankers en Ton Lensink (beiden op de foto) hoofdrollen vervullen. Voor Lensink is dit zijn laatste televisie-produktie in Nederland. Hij vertrekt namelijk binnenkort voorgoed naar Italië.

....................
....................
....................
....................
sofadel, zoeven
....................
bekeren, op de andere de eo aan het bekeren’. De kantelen kantelen heet een verhalenbundel van Olaf J. de Landell, waar de uitgever helaas aan de eerste e van het eerste ‘kantelen’ een ´ heeft meegegeven. Dezelfde schrijver schreef ook boeken met de titels Ave Eva en De dief stelen.
Staan de homogrammen drie of meer maal in een zin, dan rangschikken we dit onder het ‘hypergram’ (47). Maar zulke homogrammen zijn dan meestal van een andere, meer ingrijpende, meer Opperlandse aard, die ik nu aan de orde stel:
Behalve het artikel van Van Buren geef ik als illustratie twee gedichten van Daan Zonderland en een gedicht van Kees Stip, die zich hierin meesters toonden. De door drs.G. van Buren aangestipte mogelijkheid om zulke homogrammen achter elkaar in een verhaal te plaatsen, komt in 47, omdat dan de herhaling de boventoon voert.
Op de behoefte om voor zulke gevallen over een speciale smalle spatie te beschikken, iets minder dan een echte woordspatie maar iets meer dan een lettertussenruimte, kom ik in 80 terug.
Het stukgevallen woord wordt vaak een eigennaam: ‘Alie Mentatie’, ‘Dina Miet’, ‘Pia Nola’, ‘Peter Selie’ en vele anderen.
De gewone taalkunde is verslaafd aan homozinnen, waarin de spaties op dezelfde plek blijven staan. Wij zoeken als Opperlanders dus naar twee zinnen die qua letterrij gelijk zijn, maar waar de spaties anders verdeeld liggen. Het zijn eigenlijk nóg-eens-omgedraaide palindromen. De voorbeelden in 37a zijn alle die ik heb. In andere talen zijn beroemde voorbeelden waar niet de letters maar klanken de eenheden zijn. De Nederlandse voorbeelden daarvan zijn onveranderlijk verkeerd door kinderen begrepen en gezongen kerkliederen:
‘Christus hangt aan het kruis, hij hangt er mijnentwegen’ wordt ‘Christus hangt aan het kruis, hij hangt er bijna tegen’ en ‘Ik zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheeën’ wordt ‘Ik zal eeuwig zingen van Gods goederentrein’.
....................
....................
Marie, pak die peen 's.
Nico de mus hield van je zus.
Hij vond het in de cent van haar.
....................
....................
....................
De boom zat vol paarden, die vrolijk door de takken gluurden. Toen wij van onze verbijstering waren bekomen, vroegen wij: ‘Jongens, wat doen jullie daar?’ En een grote, bruine merrie antwoordde, hinnikend van plezier: ‘Wij spelen rottepeerdje.’ e. elias
....................
....................
toen tomaten tomaten tomaten tovrat
Neem een jet!
Nee, meen je 't?
Je pa stopt weer, oversteken dus.
Je past op twee rovers, teken dus.
O, mijn heerlijk topje van de berg!
O, mijnheer lijkt op je, Van de Berg.
Kreeg, na asthenie, de ree niets meer?
Kreeg naast hen iedereen iets meer?
Nee maar, de werkman slaat uw vrouw met een stok, brood krijgt ze soms te kort!
Neem aardewerk, man; sla at uw vrouw, met een stokbrood, krijgt ze soms te kort?
Neem antilopen mee, 't park eert egels.
Nee, man, til op en meet parkeertegels.
De première is thans. Wie geld onder op het kabinet vindt kan beter.
De premier eist: Hans Wiegel, donder op, het kabinet vindt Kan beter.
Deze geniet de zege niet.
Waardevol leren is waar de volle ren is.
Een grot, een dierentuin, een grote en die rent u in.
In een kano liever dronken dan in een kan olie verdronken.
Slaafs draaide het volk om en om, en bekende het dra. Maar moeder, uiterlijk slaafs, draaide het volkomen om, en bekende het drama ‘armoede’ ruiterlijk.
Rolde, Een, Oudeschild, Ermelo, Engeweer, Sloten, Vierhouten, Huizen, Engelen, Etten.
Rolde een oude schilder meloen, geweersloten, vier houten huizen, en gele netten?
Ik noem dit flauwe geval, waarin leestekens voor de verwarring moeten zorgen, omdat het tot een zeldzaam soort Opperlands behoort: het kan, meestal zonder, soms met kleine, moeite, in en uit het Buitenlands vertaald worden.
Het klassieke type is het telegram-misverstand, voordat het woordje stop was uitgevonden om de punt te markeren. In telefonisch doorgegeven krantenstukken komt men zulke homogrammen nog wel eens tegen.
In het Opperlands hebben de boodschappen altijd òf betrekking op een executie (wacht niet hangen) of op een vreemde familierelatie (‘De boer kocht een kalf en de moeder van de boer was ook de vader van het kalf’), maar dat is een gevolg van het feit dat over deze mogelijkheid weinig is nagedacht. Merk op dat bij het neerschrijven altijd een van de twee interpuncties gekozen moet worden. Ik reken ze toch tot de homogrammen.
De bekendste rol van de komma als betekenisveranderaar is die waar hij een betrekkelijke bijzin inleidt: ‘Prinsen, die van afpersing leven, worden oud’ betekent heel wat anders dan: ‘Prinsen die van afpersing leven, worden oud’.
Aristoteles... o nee, laat ik u niet in de war brengen.
Het was de bedoeling van de taalontwerper dat één woord één betekenis zou krijgen en één betekenis één woord. Maar het liep anders. Soms heeft een woord twee betekenissen (en dan niet om een van de perfide redenen van het Opperlands, 35). Dan heet zo'n woord ‘homoniem’. Van de woorden in Van Dale is twee procent homoniem. Hoe langer een woord is, hoe minder verschillende betekenissen het bezit. Homoniemen zijn pas Opperlands als je er wat mee doet, en Gerrit Komrij deed dat (39a).
Het spel, dat in mijn familie ‘trekpotje’ heet, waarbij naar een homoniem woord geraden moet worden op aanwijzingen over de twee betekenissen van het ‘trekpotje’, herbergt slechts één raadsel: waarom heet het ‘trekpotje’?
Homoniemen zijn de voornaamste wapens van de woordspeler (02).
Soms, maar lang niet zo vaak als een homoniem opduikt, hebben twee woorden met verschillend uiterlijk dezelfde beteke-
‘Help man’, zei stomme Neel, ‘de bisschop, nee: de bode, graven naar de nonnen’.
Eenrum, Losser, Uithoorn, Zeist, Arendal, Haarlem, Enschot, Elst, Rekken, Haastrecht, Diever, Zetten, Wijhe, Maarn, Uden, Etten, Bergen.
Een rumlosser uit Hoorn zei starend: al haar lemen schotels trekken haast recht, die verzetten wij, hé, maar nu de netten bergen.
‘Droog is 't’, zei de drogist, en hij bleef binnen. ‘Die binnen binnen, binnen binnen,’ mompelde hij.
Maar de regent op zijn buiten (geenszins een onderkomen onderkomen) sprak: ‘'t Regent niet,’ en ging naar buiten. Hij liep naar zijn paard: het was een droog paard. Het was hem opgevallen dat er al weken geen regen op gevallen was, zodat het paard niet kon weken. Het was ook een lui paard: het stak niet fel in zijn vel, stond niet fier op zijn vier benen. Het had niets van de vinnigheid van een luipaard, noch was er iets van de wendbaarheid van een bij bij. De regent hees zich op de rug van zijn ros ros. Even verkeerde hij in de mening dat het een verkeerde beweging zou maken. ‘My dear,’ zei hij tot het dier, dat een zij was. Maar het verroerde geen vin. ‘Verdomd, hij verdomt het alweer,’ fluisterde hij hees. Hij had er geen erg in gehad dat het zó erg was.
Hij keerde terug en ging zijn buiten binnen. Wat zou hij doen vandaag? Er viel geen drop. Hij nam nog een rol drop. Zou hij aan de rol gaan? Zou hij zijn nieuwe boeken boeken? De regent had een uitgelezen bibliotheek, en was zelden uitgelezen. Hij las alles, van Hooft tot Voeten. Rood van opwinding las hij Philip Roth, en geel van verveling Jacob Geel.
‘Joseph Roth en Rudolf Geel, allebei kijken ze scheel,’ humde de regent in zijn eentje en nam er nog eentje uit de rol. Hij viel er nooit uit. Ja, 't scheelde echt of je scheelde.
De regent was een wijs man. Er school al op school een geleerde in hem, maar hij had zich nooit aangetrokken gevoeld tot geleerde schoolkennis, zo vertelde
mij een schoolkennis van hem, die het stoute hemd had aangetrokken.
De regent was ook voornaam. Hij liet zich nooit bij zijn voornaam noemen. Ook voor zijn vrouw heette hij Meneer Antoine. ‘Toon’ zou maar uit de toon vallen. Zijn vrouw was een hete bliksem, en heette Trui.
Ze heette hem nu welkom met een maaltijd. De koffie was nog niet klaar, vanwege de lange maaltijd. Dat was klaar als een klontje. Op het buffet stond een koud buffet. Pruimen, een appel en een citroen.
De regent had geen trek. Hij zag bleek en keek uit het raam naar wat een trek vogels bleek te zijn. Voor de zoveelste maal liet hij zijn maal staan. Hij overwoog een vertrek, maar keek toen maar rond door het vertrek. Aan de wand hingen een Appel, een Citroen en een houtsnede die geen hout sneed. Hij kon ook die Appel niet pruimen, maar Citroen was wel een geschikte peer. Op zijn doek stond een Khan met een kan en een doek. Hij zag er ook een Bey bij, en hij kreeg een Vizier in het vizier.
De Khan, de Bey en de Vizier keken naar een bes. Haar haar was als van was, maar er zat mede mede in, zó glansde het. De bes zat aan een dis met noten, terwijl noten als bes en dis over de dis dreven. Op de achtergrond, in verre verschieten, zag hij dreven van kleur verschieten: een boom met bessen en bleke vrouwen die, bij het water van een gemaal, op stenen als hunebedden de was van hun gemaal, hun Hun, goed lieten bleken, alsmede het goed van hun Hunnebedden: het kussen was om te kussen zo rein (als de Rijn in vroeger dagen) en ook het laken viel geenszins te laken. Tussen de boom en de slopen zag hij een boom van een kerel het gemaal slopen. De rat had het rad er al afgezaagd.
Het was een mooie Citroen, niet afgezaagd van onderwerp. De regent keek zijn ogen uit, en was toen uitgekeken. Wat te doen? Terwijl zijn vrouw het buiten door de achteruitgang verliet, mijmerde hij over de achteruitgang. Er gingen vele dingen achteruit in de wereld, dat kon hij moeilijk velen. Zou 't zout in de pap dan verdwijnen? Iedereen kreeg al een eerbewijs eer het bewijs van zijn kunnen was geleverd. Er was veel afval in de kerk en op de straat. Van 'n geweten werd weinig meer geweten.
In veel bedrijven voerde men inspraakkomedies in veel bedrijven op, om daarna lusteloos de liefde te bedrijven. De courant kwam steeds minder courant. De bestellers brachten alleen nog bestsellers. Of een aanslag van de belasting. Een aanslag op je leven of een aanslag van de belasting, dat was bijna hetzelfde. De port werd steeds hoger. De besteller had zelf een rooie postzegel, zijn karbonkel glom als een karbonkel. Dat kwam vast van de port.
En het leger! Het leger liep leger en leger. Waar bleef de tijd dat men in 't heir nog met eer een heer was, en dat men in de genie menig genie aantrof? Dat de mannen hard als wetstaal waren, en dat er naar wetstaal nog werd geluisterd? Het was allerminst hoopvol dat er zo'n hoop vol grauw grauw op de wereld verkeerde. Op deze wijze was er voor een wijze geen lol meer aan. Het was een wilde, verkeerde wereld. ‘De staat staat er beroerd voor,’ mijmerde hij.
Ineens wist de regent wat hij wilde: winkelen. Hij trok zijn tricot tricot aan, en daaroverheen zijn tartan tartan. Ook droeg hij de trui die Trui voor hem had gebreid.
De regent was een echte koper. Echt koper bestond ook, je had goed koper en slecht koper, alleen slecht koper was goedkoper. Maar de regent was een echt koper en gedroeg zich altijd koperachtig. In de supermarkt, die voor hem een kopermijn was, had hij alle lof voor de lof. Hij kocht er gehakt. Het viel te prijzen dat alle prijzen stonden aangegeven, daarom wist hij, toen hij aan de kassa stond, dat het gehakt een flink gat in zijn budget had gehakt. Met zoveel gehakt onder zijn arm werd hij nog arm. ‘De kost kost veel,’ dacht hij. Het meisje aan de kassa vertelde zich, en hij vertelde haar dat. Maar de in katoen gestoken slang gaf hem van katoen in een slang dat hij niet begreep, zodat hij zich gestoken voelde. Hij stortte zijn kopervitriool over haar uit.
Ineens loeide er achter de sirene een sirene. Was er brand? Hij rook rook. Hem beving een beving. Het laatste uur van de regent had geluid. Met een dof geluid ontplofte hij.
(De regent wordt afgemaakt, omdat het verhaal moet worden afgemaakt. Ook het meisje aan de kassa is nu wel uitgewerkt.)
gerrit komrij
nis. Die heten dan ‘synoniem’. ‘Syn’ is Grieks en betekent ‘samen’, ‘oniem’ is Grieks en betekent ‘naam’.
Synoniemen geven vooral aanleiding tot ruzie over de vraag of er toch niet een licht betekenisverschil is tussen ‘vrouwenarts’ en ‘gynaecoloog’. Humoristisch kun je ze aanwenden door bijvoorbeeld ‘lopen’ ‘bipedale locomotie’ te noemen. Bij de maanreportages werd serieus ‘visueel contact’ voor ‘zien’ gebruikt. Scheldwoorden zijn in zekere zin allemaal synoniem (39b), het woordje ‘ja’ kent vele synoniemen (39c) (een uitkomst in Deutschfeindliche landen), terwijl de ‘handelsreizigerstaal’ er van barst (39d).
Homoniemen overschrijden graag de grenzen der woordsoorten. Meervoudige zelfstandige naamwoorden die ook werkwoorden zijn - dat zijn er teveel om op te noemen. Maar wat vindt u van meervouden van dieren die tegelijk werkwoorden zijn (39e)?

WIJ gooien nooit iets weg. Als wij twee dingen hebben die een ietsiepietsie op elkaar gelijken, dan beginnen wij een verzameling. Al heel lang geleden initieerden wij een verzameling Nederlandse scheldwoorden.
Zelf worden wij nimmer uitgescholden, en wij zijn ook zelden getuige van scheldpartijen. Wij moeten het dus van schriftelijk schelden hebben. Dat heeft het voordeel dat wij van elk van de straks genoemde scheldwoorden een bewijsstuk bezitten. Dat is wel nodig, anders zou u bij sommige woorden denken: is dat een scheldwoord? Eigenlijk kan ieder woord, mits op de juiste wijze uitgesproken, als scheldwoord fungeren. Probeert u het maar eens met ‘spatader!’ of ‘sputumbakje!’ of ‘spederworp!’ (Onze Latijnse leraar, Jupiter hebbe zijn ziel, wou niet dat wij ‘speer’ zeiden. Een gezond mens in een gezond lichaam, zeiden de oude Romeinen reeds.)
Ons scheldbakje was vier jaar geleden vol, en er is weinig bijgekomen. Is Holland uitgescholden? Zeker, Komrij vergastte ons nog op ‘dwergcactus’ en ‘mestkever’. Kok had het onlangs over ‘valsemunters’ en ‘chanteurs’, waarbij hij doelde op de tijdelijk over ons gestelde overheden. Figuurlijk natuurlijk, want geld van de overheid is nooit vals, en chantage door de overheid heet recht. Op 29 april verscheen in een weekblad het woord ‘krukkebol’, dat oud aandoet, maar niet in ons bakje zat.
Wij beperken ons tot de letter S, in navolging van de pionier op dit gebied, de grote Van Weerlee, in zijn magnum opus ‘Composita Deshonorifica’.
Er zijn scheldwoorden die alleen op de beoefenaren van bepaalde beroepen, zoals chirurg of agent, slaan: slager, smeris, stille, saucijsjesmaker, spiegiater.
Er zijn scheldwoorden die alleen op vrouwen betrekking kunnen hebben: serpent, slang, supertrut, sloerie, scharrekont, soepkip, salopette, scheur, schommel, schorpioen, schuddegatje.
Er zijn scheldwoorden die alleen mannen treffen: slappelul, sissie, sambalbroek, sexist, souteneur, schilleboer, sonofabitch, schuinsmarcheerder.
Er zijn een aantal creatieve voorzetwoorden waarmee u zelf uw scheldwoord kunt vervaardigen door er een passend staartstuk achter te zetten. Te uwer ere gebruiken wij als achterdeel het woord ‘lezer’: stinklezer, strontlezer, snertlezer, schijtlezer, snotlezer, slijmlezer, schele lezer, schertslezer, schijnlezer, soeplezer.
De resterende scheldwoorden hebben wij trachten te ordenen in de mate van kracht. Als A tegen B roept ‘schijthuis’, dan kan B niet riposteren met ‘schavuit’, maar zal hij tot schoft moeten gaan. Het is deze dwang tot overtroeven die het grote aantal scheldwoorden verklaart.
Stoetel, snoeshaan, stomkop, slak, stoethaspel, sukkel, smous, schele schol (Suske), slingerapensanhedrin (Bilderdijk), spuit 11, stakker, slome duikelaar, spitsburger, slapjanus, smeerpoets, sloddervos, sabberaar, salie, saltimbanque, sarkast, sauskom, scherf, schobber, schraalhans, schavuit, schuifelpoot, semmelaar, sliegeraar, stoffer, spinazieketel, sijker, smiecht, sufferd, slaapkop, slampamper, senuwelijer, stijfkop, smiechel, strooplikker, slappe tinus, sijsjeslijmer, schreeuwlelijk, saboteur, schaapskop, salamander, saloncommunist, sassefras, savooiekool, scheerkop, schnitzel, schrielhannes, schrompelnier, schutteraar, serviele dwaas, stuk verdriet, slavendrijver, sladood, saggerijn, schuttingschrijver, schuimloper, scheurmaker, servet, salie wegloop, sjerfer, snees, schuim van de richel, slikker, swenser, smeerkees, stijselaar, satyr, satan, scharesliep, schilferkop, sodemieter, schonkepoot, schede(l)lichter, sjoemelaar, scheet, schobbejak, smeicheler, stakker, stiekemerd, sloeber, sjaggerijn, sjankertyp, sakkerjuse vent, sadist, salversanslikker, salpeterkop, sansculotte, santekwant, sappelaar, schimmelkop, schlemiel, schooier, schrammelaar, schrielhannes, stuk tuig, sakkerse idioot, schoelje, schurk, schoft, SS-er.
Ja, inderdaad, beslist, jazeker, jawel, absoluut, natuurlijk, positief, o.k., allright, of course, sisi, oui, jawohl, einverstanden, yes, yep, yup, uh-uh, right-o, graag onze positieve bevestiging, roger, o-yeah, entendu, in orde, sic, aber natürlich, jaha, joho, joehoe, dat wil ik, zo waarlijk helpe mij God almachtig, geen nee, okeetjes, okido, gij zegt het, waddagje, sure, compris, vast en zeker, amen, hear hear (applaus), joe, bien sûr, zo is 't, betuigen wij onze warme instemming, natcherly, da, dada, goed, yes sir-ree, krek, juste, si, vanzelfsprekend, vóór, pro, ay, mm, java, wiemesjeudeplatteboender, akkoord, wiedes, affirmative, oja, jahoor, kompfoormekaar, gaat uw gang, u haalt me de woorden uit de mond, ik zou het niet beter kunnen zeggen, daar ben ik het geheel en al mee eens, je doet maar, zo dacht ik er ook over, dat is eveneens mijn opvatting, u slaat de spijker op de kop, da's waar, daarin ga ik graag met u mee, u heeft mijn hartelijke instemming, pot voor meneer, daaraan betuig ik volgaarne mijn adhesie, hoe ra je het zo, zo vast als een huis, dat ra je de koekoek, haal je de koekoek, hoor je mij ‘nee’ zeggen?, zulks te ontkennen ware de opperste domheid, gij hebt het volkomen bij het rechte eind, mijn antwoord moet ‘ja’ luiden, ik stem toe, dat zweer ik, ik ga graag op uw suggestie in, ng, sja, mja, je hebt gelijk, daar ben ik het mee eens, Mijnheer de Voorzitter ik zou de vraag van de Geachte Afgevaardigde gaarne in bevestigende zin willen beantwoorden, nee of liever: ja, ik zou gek zijn als ik daar ‘nee’ op zei, mijn ja heb je, waarachtig wel, maar dat spreekt toch vanzelf, yes we have no bananas, driewerf ja, ik zie geen doorslaggevende redenen daar een negatief antwoord op te geven, je zegt 't, klets maar raak, zoals ge wilt, dat kan niet anders, dat is duidelijk, zonder enige twijfel, daar is niets tegen in te brengen, voorzeker, zeer afdoende vastgesteld, perfect bewezen, stellig, gij hebt volkomen gelijk, ongetwijfeld, volmaakt eens, bij Zeus!, zo is het, dat is zo, volkomen waar wat gij daar in het midden brengt, niets liever dan dat, daar is niets aan toe te voegen, terecht, hoogstwaarschijnlijk, ik vind van wel, het komt mij voor dat het noodwendig is, zo schijnt het, dat is zo ge zegt, in ieder geval, mij dunkt van wel, het zij zo, dat lijkt me uiterst waar-
schijnlijk, wij zijn het eens, zeer waar wat ge zegt, dat geef ik toe, het lijkt haast van wel, kennelijk, precies, ik zou het me niet anders kunnen voorstellen, dat is logisch, dat ziet u goed, dat is het inderdaad precies, dat kan niet anders, daar sta ik volledig achter, uitstekend, dat is ook zo, dat lijkt mij een voortreffelijke opmerking, dat is uitmuntend opgemerkt, zo is dat inderdaad, u ziet het volkomen juist, ik voel het precies zo, dat is duidelijk, ik vrees van wel, dat moet wel, dat valt niet te ontkennen, alle duivels nog aan toe, hoera!, zo'n sympathiek aanbod kan ik moeilijk afslaan, daar kun je donder opzeggen, ook goed, waarom niet?, mijn woord, met het grootste genoegen, voor mijn part, zou je denken?, nou zeg dat wel, ahum ahum, allicht, top, cock, dat zal best, vertel mij wat, jajaja, vanzelf, mij best, verrek, zo klaar als een klontje, parfait, hé ja, ja hè, 't is me wat, daar zeg ik ja op, dat had je gedacht, nee, daar komt niets van in, ammenooitniet, niks hoor, dat is waar ook, goed dat je me d'r aan herinnert, dat zou ik haast zijn vergeten, hoe kom je daarbij?, niet waar?, immers, zelfs, stip, klopt, béng, donders, prima, correct, best, raak!, touché, 1-0, absolutissimo, breek me de bek niet open, zekers, moeders wil is wet, zo is 't toevallig ook nog 's een keer, zo is ook mijn opvatting, midden in de roos!, die zit!, goal!, punt voor jou, carambool!, penalty!, true, zoals u wenst, d'accord, ik kan het niet méér met u eens zijn, het is alsof ik mij zelf hoor spreken, ik sta totaal aan uw zijde, hou maar op, daar valt niets meer aan toe te voegen, mijnerzijds volledige instemming, daar heeft u het grootste gelijk van de wereld aan, met alle soorten van genoegen schaar ik mij aan uw kant, goed gebruld leeuw, voortreffelijk gesproken, juveniles anonymus, januarius, daar kun je donder op zeggen, ik heb nooit iets gehoord dat méér waar was, daar kun je vergif op innemen, mijn idee, dacht ik ook, verdomd als het niet waar is, wat ik je brom, niet dan?, volmondig jaap, ik zou zeggen van wel, asjeblieft, voor z'n roodkoperen, geheid, wis en waarachtig, wat je zegt, voorwaar, bon, tot uw orders, vooruit dan maar, ach mevrouw Berger hoe moet ik daar nu op antwoorden?, zo mag u het rustig stellen, voor de volle achttien procent, zo waar als ik hier sta, u vertolkt op bewonderingswaardige wijze gevoelens die ook ik koester, welzeker, zonder enige reserve, de kippen krijgen worteltjes te eten, gelijk heb je, zeker, oui-oui-oui, tuurlijk, juist, zonder meer.
| aantakkebossen |
| aardappels afgieten |
| achterwiel |
| afgaan |
| afnokken |
| afzien |
| apehaar |
| apparaat |
| baanders |
| baardschaaf |
| bajes |