vestigde zich daarom in '34 te Arnhem, werd er rechter, en overl. na een lang zieleen lichaamslijden, 14 Mei 1841. Zijne geschriften en daden getuigen van vaderlandsliefde (o.a. na den dood van Van Speyck,) van belangstelling in volksgeluk, maatschappelijke welvaart en, naar zijn vermogen, in onze letteren.
Schr: Veel kleine afzonderlijke opstellen en gedichten, bijdr. voornamelijk in den Muzen-almanak, den Almanak voor het Schoone en Goede, den Volksbode, dien hij redigeerde of medebestuurde; in 1827 eene verh. bij 't Nut, Over de Gevolgen van huisselijke achteloosheid en Volksliederen, in '35 door die Mij. uitgeg. Verder: Losse Bladen uit het groote Levensboek, 2 dln. Amst. 1832; met Heldring: De zoon der natuur en de zoon der wereld, 2 dln. Amst. 1837; naar 't Eng.: De Rijn in afb. 2 dln. Amst. 1836; Volksverh. en Legenden aan de Rijnoevers, 2 dln. Arnh. 1839; Oud-Nederl. in zijne burgten en kasteelen opgehelderd, 2 dln., Nijm. 1841. Nog kleine werkjes en zelfs kinderboekjes en, met P. Best, eene Zakbibl. voor jongelieden, Amst. 1835.
(V.d. Aa, Biogr. Wdb.)