Alberdingk Thijm (Petrus Paulus Maria), jongste broeder van beide voorgaanden, geb. te Amsterdam 21 Oct. 1827, stud. aan het athenaeum te Amsterdam, promov. in de letteren te Utrecht, was van 1864-'70 leeraar aan het gymnasium en de H.B.S. te Maastricht en is sedert Hoogl. te Leuven.
Hij schreef: Een studiebeeld in omtrek, 1852 (jaarboekje Dorcas); Louis en Jan, 1855 (Amsterd. studenten-Almanak); Iets over Magn. Aur. Cassiodorus Senator en zijne eeuw (zijne dissertatie), twee drukken, 1857; Geschiedenis der kerk in de Nederlanden, als: I, De H. Willibrordus, apostel der Nederlanden, Amst. 1861 en II, Karel de Groote en zijne eeuw, Amst. 1867; Schets der algem. geschiedenis, voor scholen, systematisch opgesteld, Amst. 1870;
De geschiedschrijver Gfrörer en zijne werken, Haarlem, 1870; Een blik op de aloude Vlaamsche Lettervruchten, Leuv. 1875; Ook: De vroolijke Historie van Marnix van St. Aldegonde en zijne vrienden, eene zedenschets, opgedragen aan alle zijne bewonderaars, Leuven 1876. Verder: Iets over Vlaamsche kunst en nijverheid, Leuv., 1876; Spiegel van Nederlandsche letteren, bijzonder bestemd voor Belgische scholen, Leuven, 1877; De gestichten van liefdadigheid in België, van Karel den Groote tot aan de XVI eeuw, bekroond door de Kon. Belg. Akad., Brussel, 1883, in 't Hoogd. vert. Voorts artikels van historisch-litter en aesthetischen aard in de tijdschriften: Spektator (Kritisch en historisch kunstblad), Dietsche Warande, (sedert 1887 in zijne handen overgegaan), in de Katholieke Nederlandsche Brochuren-vereeniging en de daaruit ontsproten Wachter (sedert 1874, Onze Wachter) in De Vlaamsche School, in de Werken van het Davidsfonds, in eenige inlandsche Fransche en in verscheiden buitenlandsche tijdschriften.