Biographisch woordenboek der Noord- en Zuidnederlandsche letterkunde


auteur: J.G. Frederiks en F. Jos. van den Branden


bron: J.G. Frederiks en F. Jos. van den Branden, Biographisch woordenboek der Noord- en Zuidnederlandsche letterkunde. L.J. Veen, Amsterdam 1888-1891  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Caspar van Baerle]

Baerle (Caspar van) of Barlaeus, werd 12 Febr. 1584 te Antwerpen geboren. Zijn vader, die griffier van de stad was, verliet Antw. na de inneming door Parma (1585), zette zich te Leiden neer, daarna te Zalt-Bommel, waar hij rector der Latijnsche school werd, en liet bij zijn dood (1595) zijne familie in droevige omstandigheden achter. De jonge Caspar werd door zijn oom, Jacobus B., in Den Briel opgevoed en in 1600 opgenomen in het Statencollege te Leiden, waar hij in de theologie studeerde. Van 1608-'12 was hij predikant te Nieuwe Tonge, doch verruilde toen dit ambt met dat van onderregent van het Statencollege te Leiden; in 1617 werd hij tevens hoogleeraar in de logica.

Barlaeus koos in den strijd tusschen Remonstranten en Contra-remonstranten de partij der eerstgenoemden en verdedigde hunne stellingen in tal van geschriften. Toen hij dientengevolge in 1619 uit zijne academische betrekkingen was ontslagen, studeerde hij te Goes in de medicijnen en keerde naar Leiden terug (1621). Hij gaf privaatlessen en had jongelui bij zich aan huis, totdat hem in 1631, bij de oprichting van het Athenaeum te Amsterdam, het professoraat in de wijsbegeerte werd aangeboden; deze betrekking bekleedde hij tot zijn dood, 14 Jan. 1648.

Barlaeus was niet alleen een zeer geleerd, maar ook een zeer geestig en talentvol man, en bevriend met Uitenbogaert, Episcopius, Hugo de Groot, Huygens, Hooft en Tesselschade. Behalve verscheidene theologische geschriften en een paar aardrijksk. werken in het Latijn, gaf hij in diezelfde taal eene geschiedenis van Johan Maurits van Nassau in Brazilië, 1647, 1660 en 1698. Barlaeus had grooten naam als redenaar - zijne Orationes werden in één bundel uitgegeven in 1643, 1651 en 1662, en vertaald in 1662 en 1689 - maar vooral als Latijnsch dichter. Zijne poëmata zagen het licht in 1628, 1630, 1631, 1645, 1655 en 1689.

Hij heeft slechts enkele Nederlandsche gedichten geschreven - zij zijn opgenomen in Verscheyde Nederduytsche Gedichten, Amst. 1ste dl. 1651, 2de dl. 1653 - maar zich door deze eene eervolle plaats onder de groote dichters van zijn tijd veroverd, De Epistolae van Barlaeus werden in 1667 door zijn schoonzoon G. Brandt uitgegeven.

(Oud-Holland, 1885 en '86.)

J.A.W.