|
|
|
| |
[Elisabeth Bekker]
Bekker (Elisabeth), geb. te Vlissingen 24 Juli 1738, huwde in 1759 den Beemster pred. A. Wolff, die in 1777 overl. Sedert leefde zij met hare vriendin Aagje Deken, eerst in De Rijp, later in de Beverwijk, op het aangenaam gelegen buitentje Lommerlust, thans de R.-K. pastorie. Als vrijzinnige en patriottische schrijfsters weken zij bij de komst der Pruisen naar Trévoux in Frankrijk uit. Gedurende het schrikbewind werd zij, van aristocratische geneigdheden beschuldigd, alleen door hare welbespraaktheid van de guillotine gered. In 1795 keerden de beide vriendinnen in het vaderland terug, maar de vriend, wien juffr. Wolff bij haar vertrek haar niet onaanzienlijk vermogen toevertrouwd had, had dit tijdens hare uitlandigheid ‘door een schurkachtig bankroet’ - zegt zijzelf - zoek gemaakt. Zij vestigden zich nu in Den Haag en moesten, gesteund door trouwere Friesche en Holl. vrienden, met schrijven en vertalen haar brood verdienen. Na de drie laatste jaren met ziekte en pijnen geworsteld te hebben, stierf Betje 4 Nov. 1804 en werd, volgens hare begeerte op ‘Ter Navolging’ bij Scheveningen begraven.
Deze dichteres en romanschrijfster gaf de volgende werken in 't licht: Bespiegelingen over het genoegen, Hoorn, 1763; Bespiegelingen over den staat der Rechtheid, den Val en den gevallen mensch, Hoorn, 1765; Walcheren in 4 zangen, Hoorn, 1769; Proeven van Mengeldichten, Hoorn, 1769; Lier-, Veld- en Mengelzangen, Hoorn 1772; Voorts twee poëtische brieven: Jacoba van Beieren aan Frank van Borsselen, Hoorn, 1773 en Arnold Geesteranus aan Marie van Reigersbergen, Hoorn, 1775, De hekeldichten: Onveranderlijke Santhorstsche Geloofsbelijdenis waarachter De Menuet en
| | | |
de Domineespruik, (beide naamloos) en Aan mijn geest, Hoorn, 1774; Beemster Winter-Buitenleven, Amst. en 's-Hage, 1778; Proeven van Dichtlievende kleinigheden en uitspanning van den geest, 's-Hage, 1780; De Natuur is mijn zanggodin, 's-Hage, 1780; Mengelpoëzie, 3 dln., Amst., 1785; Vertrouwde brieven, 's-Hage, 1800 en Geschr. eener bejaarde vrouw, 2 dln., 's-Hage, 1802. Gezamenlijk met hare vriendin Aagje gaf zij uit: Oeconomische liedjes, 3 dln., 's-Hage, 1780, zijnde gezangen voor den dienstbaren stand, meerendeels van Aagje; Brieven over verscheidene onderwerpen, 3 dln., 's-Hage, 1780; Historie van Juffrouw Sara Burgerhart, 2 dln., 's-Hage, 1782, 7e druk, 1886; XL stuks fabelen, met even zooveel plaatjes, 's-Hage, 1784; Historie van den heer W. Levend, die 6000 Gld. honorarium gaf, 7 dln., met een 8ste deel als aanh., dat verboden werd, 's-Hage, 1784, herdr. 1852 en 1887; Brieven van Abraham Blankaart, 3 dln., Breda, 1788; Gesprekken met Emilia, Breda, 1788; Dichterlijke Wandelingen door Bourgondië, 's-Hage, 1789; De gevaren van den Laster, in brieven, 's-Hage, 1792; Fabelen voor de Nederlandsche jeugd, 's-Hage en Amst., 1792; Historie van Cornelia Wildschut of de gevolgen der opvoeding, 6 dln., Amst., 1793-'96; Gedichten en liedjes voor het Vaderland, 's-Hage, 1798; Poëtische werkjes, 6 stukjes, Utrecht, 1804; Iets voor ouders en kinderen, Leiden, 1805; Bovendien vertaalden zij vele werken uit het Fr., Eng. en Hoogd., en schreven veel losse gedichten, vooral naar aanleiding van de gebeurtenissen van den dag. De lijst dezer geschrif en door W. van der Os, in 1884 zeer verdienstelijk samengesteld, is aangevuld in De Librye, Rott. 1887.
|
|
|