[p. 87]
tekstkritische noten
+
Liedt,
Als inhoudt van 't Spel
.
1
He
t daghet uyt den Oosten,
Het licht schijnt over al,
Hoe weynigh weet de liefste
Waer dat ick heenen sal.
5
Hoe weynich weet de liefste, Ia de &c.
2. Waren 't al mijn vrinden,
Dat mijn vyanden syn,
Ick voerden u uyt de lande
Mijn troost, myn minnekyn, &c.
10
3. Warwaerts wout ghy mijn voeren
10
Stout Ruyter wel gemoet?
11
Al onder de Lindeboom groene
Mijn troost myn waerde goet, &c.
13
4. Ick legg' in mijn liefs armen,
15
Met grooter eerwaerdicheyt:
15
Ick legg' in mijn liefs armen
Stout Ruyter wel gemoet, &c.
5. Leght ghy in u liefs armen,
Bylo dat is niet waer:
19
20
Gaet onder de Linde groene
Verslagen so leyt hy daer, &c.
21
[p. 88]
6. Het Meysjen nam haer mantel,
En sy ging eenen gang,
Al onder de Linde groene
25
Daer sy hem verslagen vant, &c.
7. Och legdy hier verslagen,
Versmoort al in u bloedt:
27
Dit heeft gedaen u roemen,
28
En uwe hooghe moet. &c.
29
30
8. Och legdy hier verslagen,
Die my te troosten plach?
31
Wat hebdy my na gelaten,
Soo meenigen droeven dach.
Wat hebdy my na gelaten, &c.
35
9. Het Meysjen keerden haer omme
En sy ging eenen gangh,
36
Al voor haer Vaders poorte,
Die zyder ontsloten vant, &c.
38
10. En is hier niemant inne,
40
Noch Heer of Edelman:
Die my nu dese dooden,
Ter aerden helpen kan, &c.
11. De Heeren swegen stille
Sy gaven geen geluyt,
45
Het Meysjen keerden haer omme,
Sy gingh al weenend uyt, &c.
12. Met haren geelen hayren
47
Dat syder 't bloedt of vreef,
Met haer sneewitser handen,
49
50
Dat sy sijn wonden verbondt, &c.
13. Met sijne blancke swaerde,
Dat syder dat grafjen groef,
[p. 89]
tekstkritische noten
Met haren blancken armen
Dat zy hem ter aerden droegh, &c.
55
14. Met haren blancken handen
Dat zijder het belletjen klonck,
Met hare heldere keele,
Dat sy de Vigilie zongh, &c.
58
15. Nu wil ick my begeven,
60
In een kleyn Kloosterkijn:
En dragen de swarte wylen,
61
Ter eeren de liefste mijn.
En dragen swarte wylen, Swarte wylen.
+
A 3 r
o
Liedt
in groot kap.;
Als inhoudt van 't Spel
cursief; de tekst romein
- 1
sierletter
H
over
4
regels
- 13 goet
in
1638
en
1644 groet
10
Warwaerts:
waarheen;
mijn:
mij.
11
wel gemoet:
welgezind (MNW II, kolom 1373).
13
troost:
liefste;
mijn waerde goet:
mijn liefste bezit.
*
15
Met grooter eerwaerdicheyt:
in alle eer en deugd.
19
Bylo:
bij God.
21
Verslagen:
gedood.
27
Versmoort:
verstikt.
28
u roemen:
uw pochen.
29
uwe hooghe moet:
uw trotse aard.
31
my te troosten:
mijn liefdesverlangen te bevredigen.
36
ging eenen gangh:
ging een moeilijke, een zware gang.
38
zyder:
zij er, zij; ook vs. 48, 52, 57.
47
geelen:
goudblonde.
49
sneewitser:
sneeuwwitte
*
.
54 droegh, &c.
in
1638 droeg, h&c.
58
Vigilie:
nachtgebeden bij een dode.
61
wylen:
sluier.