[p. 91]
tekstkritische noten
+
Eerste bedryf.
Eerste uytkomst
.
Ioffer
margriet
,
met Fytjen ende Claertjen haer Staet-dochters
.
Myn
Maeghdekens wandelt hier in de groene gaerde,
Of soeckt de schaduw' koel, van de hooge dicht beblaerde
Lindeboom; so niet haelt een waterluchjen fris
3
Aen de bebiesde boord des Vijvers vol van vis:
4
5
Gaet heen mijn Dochters, gaet daer u de lusten leyen;
5
Ick sal u luyden by den Bloem-hof gaen verbeyen,
Onder de Roselaer: doch gaet niet veerder, dan
Mijn schrale schorre keel u wel beroepen kan.
8
Verseeckert my de deur met alle zijn behoorte.
9
fytjen
10
De groote grendels sijn gheschoven voor de poorte,
't Nacht-slot is toegheknipt van Claertjen mijn gespeel.
11
[p. 92]
claertjen
Joffrouw wy sullen gaen in 't Ligustrum Prieel,
Of spieg'len met ghemack ons inde stille stromen,
13
Van daer soo wand'len wy onder de Boecke bomen,
14
15
En soo na 't Braem-bosch toe, en sien de jonghe Elst,
15
Van de verliefde Hop, soo vriendelijck omhelst,
16
Dat het bekoort tot Min de sterffelijcke lieden.
17
fytjen
Me-Vrouw alst u ghelieft soo mooghdy ons gebieden,
Ghy sult ons tot u dienst sien willigh en bereydt.
margriet
20
Gaet daer 't u wel bevalt, ick snack naer eensaemheyt,
20
Ach! ghedwongen vryheyt, willige slavernye:
21
Ach! sure soetigheyt, ach! lustigh lieflijck lye,
22
Ach kleyn verkooren Godt! die door u groote kracht
23
Het sinnelijcke breyn, van 't menschelijck geslacht,
24
25
Soo wonderlijck beheert; die onse moog'lijckheden
25
Van spitvinnich vernuft, en van veersiende reden,
26
+
Verbystert en vervreemt, O hoogh-vermogen Min,
27
Die Goden schrickt en schut, Groot-vorst van ziel, en sin,
28
Die met ontsach en vrees' heerschapt en kunt bestieren
29
30
Den breydeloosen drift van wilde, woeste dieren;
[p. 93]
De Koninghlijcke Leeuw, grootmoedich trots en gram,
31
Die ciddert voor dijn toom, en gaet gelijck een Lam.
De loose Luypart tuckt, op Moorden en vernielen,
33
Die volght u als een Hondt sachtmoedich aen de hielen,
35
De eedle Eliphant, noch starcke Stieren fors,
Noch oock het stoute Swijn, en d'overbarsche Bors,
36
Die hebben noyt dijn jock verworpen noch geweygert,
37
Het prachtich praelend Paert dat soo brood-droncken steygert,
38
En vrolijck danst en springht, is u ghehoorsaem stracx,
39
40
De snelle Hasewindt, de Spinjoens en de Bracx;
40
De slechte Schaepjens en de vette mellick beesten,
41
Die sijn u onderdaen, wat maecksel of wat geesten
42
Dat vliegen aen de Lucht, of swemmen mach in Zee:
Ja d'Ellementen selfs, en 't onderaerdtse Vee
44
45
Die volghen u gebien, van uwe kracht getuygen
Den Hemel, Hel, en Aerd, die ghy na wensch kunt buygen,
46
Al wat de goude Son beschittert en bestraelt,
Sijn leven en sijn liefd van uwe Godheydt haelt.
48
Krachtighe Lente die de grijse witte hairen
50
Des kalen winters plockt; ghy die teeldt alle jaren
50
De jeuchelijcke May, met heyl-kruyt vroech gewas,
51
Met lof en lovertjens en schoon versulvert gras,
't Welck ghy met varschen douw des uchtens doet bedyen,
53
Doch haest verandert door verwisseling van Tyen
54
55
Der Bomen vier-kleen, en haer bloeyende gestalt
55
[p. 94]
tekstkritische noten
Van bloosend' bloeysem op een korte stondt vervalt.
Siet de stock-stille windt, van 't laeuw en luwe zuyen,
En houd niet langer stal, maer raest en blaest by buyen,
58
Het hoerachtich geluck lieflacchend' in haer schick,
59
60
Verrockt haer goede gunst meest elcken oogenblick;
60
Dit Schepsel schoon, maer sot, dat soo vermeetel heden,
61
Het arme aerdrijck trapt, is morghen overleden,
62
Vergeeten en vergaen; al 't gheen hier 't grootste schijnt,
Verwandelt sigs geringh gelijck de lichte wijnt,
64
65
De tydeloose mensch speelt met zijn aertsche sinnen,
65
En waggelt met sijn lust, en wayfelt met sijn minne,
66
Soo vluchtich, so geswindt, so wuft, soo wispeltuur,
En kuyfelt met de keur, wel duystmael in een uur,
68
Doch ick Margariet en kan van sinnen niet veranderen,
70
Eer souw dit ronde rondt vernieten en verwand'len,
70
Eer sal dit rancke rif vermorselen in 't stof,
71
Eer sal mijn vlugge geest by
Pluto
houden Hof,
72
+
Eer ick
Vechthardus
souw vergeten of verliesen,
Door snoo lichtvaerdicheyt of al te sot verkiesen.
74
75
Ach minne die in my soo aerdigh tafereelt,
75
En schildert in den droom dat frissche gladde beeldt
Mijns liefs die my omarmt; O lieffelijcke looghen!
Hoe garen waer ick nu soo vriendelijck bedrooghen?
Maelt my sijn aenschijn nu, niet bleeck, niet blaeu, niet ros,
79
[p. 95]
80
Maer recht als mellick en bloed, besprenght met bloosend blos,
80
Sijn minnelijck ghesicht, sijn wel ghedane wangen,
81
Daer locken dicht gekruyft, soo swad'rich over hangen,
82
Sijn mannelijcke borst, en statich strack ghelaet,
Daer onse Eeuwe noch veel van te wachten staet.
85
Wat leeden wel ghemaeckt, zijn braef gewaed verschuylen?
85
Wat beenen dragen 't lijf? ghelijck twee starcke suylen;
Cupido wrang en wreet, het schijnt schier of ghy swoert
Mijn heele ondergang: vermits dat ghy vervoert
88
Sijn eed'le ziel van my, heb ick oyt schaerts, met sparen
89
90
Ten offer yets versuymt? heb ick voor dijn Altaren
Niet nederigh gheknielt, ghebeden, en gheweent?
En immers blijft u hart verhart, verstockt, versteent;
92
En kan dit suyver nat geparst uyt drooghe oogen
93
U niet bewegen tot mee-lijen en medoogen
95
Van dees verliefde? Ach! maer ongeminde Maeght,
95
Soo hebb' ick leyder laes! al vruchteloos geklaeght.
96
U Godtheyt is versiert, en valsch u heylicheden:
97
Dat men u Godlijck noemt bestaet in recht, noch reden:
98
't Is ydel ongegrond al dat men van u seyd,
99
100
Wat sydy anders dan een malle sinnelijckheyd?
100
Die uyt keursieck ghesicht de geesten weet te puren
101
Van 't dunst en 't fijnste bloed der schooner Creaturen;
En nestelt soo ter sluyck onsichtbaer in het hart.
O breyneloose mensch hoe sydy soo verwart,
[p. 96]
tekstkritische noten
105
Dat ghy dit oolijck wicht soo Hemels hebt verheven?
105
Dat geen meer macht en heeft dan wy het selve geven.
Sacht! sacht! Margrita sacht, wat lastert uwe sin?
107
Hoe loochend ghy de kracht, en hoocheyd van de Min?
Sijn doodelijcke flits en onvliebare pylen
109
110
Ghy oordeelt al te licht: wat voordeel komt van ylen?
110
Cupido 't is mijn schult, ick bidd' vergeeft het mijn,
Dees domme deeren wilt nu doch genadich zijn:
112
O nette-schutter die u schichten hebt ghesonden
113
In dese brossche borst, waerom gaedy niet wonden
114
115
Het oorloghs herte van mijn uyt-ghelesen Heer?
Leyt in de saeck ghevaer te grooter is de eer,
En hebdy klem, noch kunst? is u de moet ontvloden
117
Ghy terger van dit volck, van Hemel-lien en Goden?
118
+
Ach! dat mijn vierigh oogh tot minne niet bekoort
120
Mijn Vechthart! daer mijn siel vol vyers schier stickt, en smoort,
120
O ghy Metale man! sal mijn verliefde suchten
Van 't yser harde hert, steets stuyten sonder vruchten?
122
Sal dit klaeghlijck gesmeeck, soo droevigh als bevreest
Ontgrend'len nimmermeer de deuren van u Gheest?
125
Sal dit deerlijck opsien, dit vriend'lijck ooghewincken
125
Niet eens in u gemoet? niet eens in 't herte sincken?
126
Soo acht ick dat je bent een harde steene rots,
Een Yssigh koude Ziel, gheschilfert van een schots,
Uyt Goden lust ghevormt om my wat te temteeren.
130
Margriete wat is dit? wildy nu schrandriseeren
130
[p. 97]
Van wat stof dat de ziel hier boven werd ghemaeckt?
Siet toe! siet toe dat ghy aen 't rasen niet en raeckt.
Margrita wilt niet meer met u ghespeelen spotten,
Om dat sy recht als ghy op yemand hier versotten:
134
135
Vermits dat dese gicht den Hemel ons in plant.
135
Maer Vechthart wat geefs' u? Helaes de wreetheyt, want
136
U moedich herte leeft in bloedighe slach-oorden,
137
Ghy hoort met soete lust der ziel-spouwers klaegh-woorden,
138
Het jammerlijck gegil, wreet ysselijck en fel,
140
Is u vroolijckste vrucht, u tijt verdrijf, en spel.
140
't Gheklaater, staels gheklanck, van swaerd of hellebaerden,
141
En 't grimmich woest ghebriesch der bitse felle paerden
142
Is u vermaeck en vrucht, ghy schiet de schutten los,
143
Ghy rijdt, ghy rotst, ghy rundt, op dijn pick-swarte Ros
144
145
In de voor-draf voor aen, de eerste aen de vesten,
145
In het schermutsen streng, in 't af-wijcken de lesten:
146
Dit is u krijgs ghebruyck, u handelingh en plicht,
Ghy zijt niet lievers dan de Vyand in 't ghesicht:
Ghy siet niet lievers dan met grove kracht van ving'ren
150
De dolle bloed-vaen vloock, geestich en swierend' sling'ren,
150
De roode wonden die 't ghemeene volck verbleeckt,
151
In u een heete lust tot weder-wraeck ontsteeckt:
Ach Nederlandtsche Mars! ghy blixem in het strijen,
Hollandtsche hoochste roem, cieraet van onse tijen,
155
Hoe komt doch dat de tocht van dit hartvochtich hert,
155
Niet door den tijt en meuckt, noch leemiger en wert?
156
[p. 98]
Ay werpt u wapens wech! mijn lief! sydy niet wyser?
Gheen Borst-stucken van stael, geen ruggen swaer van yser,
Geen schilden dick van leer, geen kolders soo geringt,
159
160
Daer Cupidoos gheschut niet licht door heenen dringt:
160
Al waert schoon dat ghy u in 't kooper liet besmeden
161
Rondom u heele lijf, van boven tot beneden,
En liet alleene maer wat luchts voor oogh of oor,
Ghy wierd terstont ghequetst door 't sien of door 't ghehoor,
164
165
+
Ten waer dat ghy verkleumt van leven en van leden,
165
In u Natuur vervroor van alle mensch'lijckheden.
Maer soo minn'loos en is dit jeughdlijck aenschijn niet,
Daer men de minne-kunst soo lief vermaelt in siet,
168
Soo lief vermaelt in siet, dat ick 't altoos sal houwen
170
Een wonder in de mans, een spiegel voor de vrouwen.
Wel op mijn suffe hert u selven wat verquickt
171
Nu met de soete hoop: misschien het nood-lot schickt
172
Dat ghy u lieve lief, door liefde sult verwinnen,
Want het Doorluchtich hert van hoogh en eed'le sinnen
174
175
Vergeld de weldaet waer het immer kan of mach
175
Somwijls wel seven vout. Maer ay Margrita ach!
Ghy rueckeloose maeghd, wat mooghdy u toeleggen,
177
Van 't geen de valsche vrouw de hoop u mach toeseggen?
178
Weet ghy niet dat zy loos, en logenachtich is?
179
180
Van gunst-woorden rijck, maer in 't geven onghewis?
De rechte streecken van de grootste Heeren Hoven,
181
Is loch, en droch, vermomt met vriendelijck beloven.
182
[p. 99]
tekstkritische noten
Tweede handeling
.
rey van jufferen
1.
‘
De
groote Godt die 't al beheert,
‘Voorwetend' weet wat ons ontbeert,
185
‘Die schenckt ons, ons behoeven:
185
‘Gherechticheydt met stalen arm
‘Gheeft hy den goeden tot haer scherm;
187
‘En tot een straf de Boeven.
2.
‘Wat waer ons leven sonder haer?
190
‘Niet dan ellend', soo voor als naer;
‘Door haer soo leeft men vredich:
‘O schoon Astrea soete Maeghd!
192
‘Ick wensch men u in 't harte draeght
‘By onse lands-luy zedich.
3.
195
‘Kom stichster van de soete vree,
‘Kom sticht oock onse reyen mee:
196
‘En leert ons jonghe struycken,
197
+
‘Hoe sy in kuysche eerbaerheydt
‘By 't Ionghe manschap haren tijdt
200
‘Met vreucht moghen ghebruycken.
[p. 100]
4.
‘Neemt haet en alle afjonst wegh,
201
‘En achterklap haer snoo ghesegh,
202
‘Laet liefde daer voor groeyen:
203
‘Liefde, die al de Werrelt sticht,
205
‘Liefde, die in de weerliefd' licht,
205
‘Liefde, die ons hert doet bloeyen.
5.
‘Liefd' die met yser banden bindt.
‘Liefd' die geldts passy overwindt,
‘Liefd' die geen doodt kan scheyden:
209
210
‘Laet sulcke liefde staegh in mijn,
‘Laet sulcke liefde in hem sijn,
211
‘Die ons ten Huw'lijck leyden.
6.
‘Waer dat alsulcke Liefde woont,
‘Daer oock Godt sijnen seghen toont:
215
‘Daer man en Vrouw te gader
‘Staegh leven in een blye lust,
‘Staegh leven in een soete rust,
‘Wat wenscht men wellust nader?
218
7.
‘Maer wie de geyle Min aenslaet,
219
220
‘Die voelt het als het is te laet
220
‘Hoe haest haer vlam kan smooren,
221
[p. 101]
tekstkritische noten
‘Soo oock die om het snoode gelt,
‘Hem onder Hymens vaendel stelt,
223
‘Die heeft sijn Hel verkooren.
8.
225
‘'t Blijckt en heeft ghebleken meer
‘Dat wie na deuchden noch na eer
‘Niet saghen; sijn verlooren:
‘'t Goet en de geyle Minne-brandt,
‘En baert maer onheyl, sond', en schand,
229
230
‘En sijn tot ramp ghebooren.
Velden
.
+
Derde handeling
.
margriet
,
met haer beyde Staet-dochteren
.
Konstrijcke strael-Fonteyn, hoe langsaem of hoe loom,
231
Doch dartel krult de staert van u slangwyse stroom,
232
Dees water-beecken, soo van lauwe tranen springen,
233
Die nu soo swierend langs mijn roose wangen dringen,
234
235
En banen daer een wech van schoorloos slibrigh spoor,
235
Ach! hoe verlept en doof is 't glantsich gloeyend' gloor,
236
Dat op mijn lipjens root als kersjens plach te proncken,
Och ooghen wat'righ droef, hoe siedy dus verdroncken?
[p. 102]
Ach wangelatich mensch van onghedaen aenschijn,
239
240
Waer is die stemmicheydt die in u plach te sijn?
240
Ach! dat mijn Vechthart mocht in dese staet aenschouwen,
241
Souw hy hem kunnen wel van schreyen oock onthouwen?
Neen dat gheloof ick niet: of moghelijck souw hy
Verschooten vluchten wech, want selfs ick schrick voor my,
244
245
Als ick my spiegel in de Christalijne glasen;
Hoe souw een ander hem dan niet voor my verbasen?
246
Ach lusteloos gemoet! hoe ongereddert leyt
247
Dit hulsel nu verschickt, versloryt en verspreyt,
248
Ick wil my toyen op met kostlijcke ghesmyde,
249
250
Want heerelijck gewaed van schoone sachte syde
Verciert de frisheyt van de wel geschapen leen.
Nu dondert jachtich op versturve sinlijckheen,
252
En neemt u heerschappy, want van het lieflijck minne
253
Is reynicheydt voor al een lieve ghesellinne.
254
255
Komt hier mijn goude kam, leckt dit goud-dradig hayr,
255
Ick doop dees' dunne dweyl in dit stil water klaer
256
Daer men de steentjens op de bodem wel kan tellen.
Mijn aensicht dunckt my nu begint sich te verstellen,
258
De schoonheydt die verrijst, wat soo, dat 's d'oude slach.
259
260
Och Vechthart! dat ghy nu dit schoone wesen sach,
260
Het souw sijn jongh ghemoet tot minnen haest bekooren.
261
[p. 103]
tekstkritische noten
Ach ick vergeckte Maeght hoe laet ick my verdooren
262
Van eyghen liefde, en van het pluymstrijcken vals,
Wel is dit aensicht, noch dees swaen-sneeuwitten hals,
265
Noch jonst, noch eer, noch trouw in 't minste dan meer waerdigh?
265
Ja sy gewisselijck, 't is billick, 't is rechtvaerdich
266
Dat meenich Eelman prijst, voor goddelijck in mijn
Dese volmaecktheen die my toegeheyligt zijn.
268
Nu vlecht een Cranselijn van wit en roode roosjens,
270
Van Venckel en van Tijm, van bruyn en blancke sloosjes,
270
Van paersche Vyolet, van sprenckeld Angelier:
271
+
Ick acht geen Turcksche Tulp, noch Keysers Kroone dier,
272
Daer de bloem-gecken dwaes soo veel gelts aen verquissen,
273
Ick hou een Leely wit of dubbelde Nartsissen
275
Al veel reuck-rijcker, en veel schoonder in het oogh;
Doch 't oordeel van de mensch die heft ten Hemel hoogh
276
De dingen die natuur op Aerde minst mach sennen;
277
Doch den verstandelaer, kan schoonicheydt erkennen
278
In 't geen de miente man door quae gewoonte braeckt:
279
280
Die siet dat Godt elck ding hoog-prijslijck heeft gemaeckt.
280
Wat! moeyt Margriete haer nu met Philosophye?
281
't Leeraren voeght haer niet, maer wel de vryeryen.
Hoe komt dat ick mijn tijt dan reuckeloos verquis?
283
Och! daer verschijnt mijn sinn' de schoone beeltenis
284
[p. 104]
tekstkritische noten
285
Van mijn volmaeckte lief, in eeren seer verheven;
Ay wel-ghebooren Heldt! ay wortel van mijn leven!
Ach leven van mijn Ziel! Ick hebb' geen ander vrees,
Geen ander sorg, noch angst, geen twijffeling, als dees;
Te weten! dat ghy lief met vast beslooten sinnen,
289
290
Een ander hertlijck lieft, en my niet kunt beminnen.
Komt herwaarts Maegden houw! haelt de Harp en de Luyt,
291
En speelt dees fantasy my doch ten hoofden uyt,
292
En ghy mijn maerte singt, mijn lieve leyde klagen
293
Die ick selfs hebb' gemaeckt mijn Vechthart te behagen.
claertjen
singht, op de Stemme: Si tanto Gratiosa
.
295
Lof Moeder van de Minne,
295
Met u gheswind en schutterlijcke jongen,
296
Die myn verneerde sinnen,
297
Wel eer met een achtbaerheyt ontfongen:
298
Ghy die 't gemoet, soo vrolijck voedt,
300
En salight steedts met vreuchden;
Komt daeldt hier by men // En leert my kunstich rymen
301
Myn liefs deughden.
[p. 105]
tekstkritische noten
O schoonheydt net besneden,
303
Van leest, van schick, van stal, van swier, van standen,
304
305
Van uytghelesen leden,
Van hooft, van hals, van heupen en van handen,
Niet rang noch vet, maer wel gheset,
307
Bevalligh en behendigh,
Doch grooter gaven; zyn in u ziel gegraven
309
310
Noch inwendigh.
+
Wat Goddelijcke reden,
De wyse mont met val, en vlot, ontslippen?
312
Doch met verstandelheden,
313
Eerst glad gheschaeft tusschen de lieve lippen,
315
Insonderheyt, met onderscheyt,
315
En kennisse der dingen,
Door dit op-mercken, geen woorden, noch geen wercken
317
Hem ontspringhen.
318
Syn hooghe geest doorluchtich,
320
Weet met de pen te schild'ren en te schryven
Soo aerdtigh en soo kluchtich,
321
Dat ons ghesicht en sinnen t'samen kyven,
322
Of weesend-syn, of stof-loos-schijn,
323
Voor onse Gheesten sweefde,
325
Hy maelt het vryen, het rechten, en het stryen,
325
Of het leefde.
[p. 106]
tekstkritische noten
Ick prys lief u manieren,
327
Ick roem in rym van u hoogh-dragent wesen,
328
Al wat ghy meught versieren,
329
330
En wat ghy looft dat wert van my ghepresen,
330
Ick lees' ick schrijf, om tijdt verdrijf,
Lust my te Reden-rijcken,
332
Ick soeck in veelen, maer hoope dy te deelen,
333
Te ghelijcken.
335
Ghy die my plach te leeren,
335
Het gout ghemijnt uyt 't lichaem vander Aerden,
336
Wijshartich los te ontbeeren,
337
En 't sienlijck goet te achten nae syn' waerde,
338
Maer boven al, in 't Aerdtsche dal,
340
Het Hemelsche te wenschen,
Want sulck verkiesen, en baert geen swaer verliesen
Voor de menschen.
Wat baet my nu dit weeten,
Mijn kloecke kunst, u leerelijcke lessen?
344
345
Als ghy my wilt vergeeten,
O Toveraer van Ioffers, en Princessen,
Die my bekolt, ja rolt en solt,
347
[p. 107]
Besweert, en kunt belesen;
348
Mooghdy my haten // Of dus ellendich, laten
349
350
In dit wesen!
350
Seyt voorder na een weynich ademhaelens
.
+
Mijn vrouwe met verlof dat ick my gae verstouten
351
Mijn goe jonst dragend' hart sou garen nu wat kouten
Yets heymelijcx met u, soo 't u niet lastich viel.
margriet
Spreeckt op soo onbeschroomt als teghen uwe ziel.
355
Ist van u, of van my? maer ist van ander lieden?
355
Mijn eerbaerheydt en voeght dan 't oore niet te bieden
Aen achterklap, of smaet, een leelijck schendig dingh.
claertjen
Het is van u me-Vrouw; de schoone Jongelingh;
358
Den vromen Vechthart, aen wiens heusheyt, jonst of trouwe
359
360
Ick niet en twijffel maer my wel versekert houwe,
Dan 't veel-hoofdige Beest dat lastert met op-spraeck
361
U, vrye ommegang en eerelijck vermaeck,
362
Dat ghy ghehanthaeft t' saem hebt ettelijcke jaren:
Het geen het swetset meer schaem ick u te verklaren,
365
Alsoo 't de reynicheydt volkomen tegen-strijdt.
[p. 108]
margriet
Hoe wordt de vrome deucht vervollight van de Nijt?
366
Kan mijn onnooselheydt, en mijn onstrafbaer leven,
367
Voor het gemeene volck dan geen ontschulding geven?
Neen, neen ick lochen niet dat ick hem seer bemin,
370
Doch met een kuys ghemoet, en met een suyvre sin.
Wat schaet het dat wy t'saem in eerbaerheydt verkeeren?
Moet my daerom het slijm van 't volck dus onteeren?
372
Wat icker, of wat droes, heeft my dees schand ghesmeet?
373
Wat icker, of wat droes, doet my dit herten leet?
375
O ghy verdoemde Nijt! die steets met qua gewenten
375
U dorst blust met fenijn, u honger met serpenten:
376
O ghy verdoemde Nijt! Beulinnie van de peys,
Die suyght des menschen bloed, die slindt des menschen vleysch,
Hert-knaegster wreet, en wrang, met u ghetaende wangen,
379
380
Met u katte-ghesicht, met u piepende Slanghen,
Met u venijnigh hayr, afgrijsselijcke swart,
Met u wrytend ghemoet, en met u wrockigh hart,
382
Met u gerimpelt vel, met u verdrooghde Borsten,
Die 't Helsche spoock bevreest niet eens aenschouwen dorsten.
384
385
Hoe komdy soo verbaest ghestoven uyt de Hel?
385
Of ginght my arme Maeght eylacy! al te wel?
Eylacy! om mijn vreucht, soo sydy nu aen 't rasen
En hebt u fel vergift de menschen ingeblasen,
Vermaledijt ghespuys, wat schaet u mijn geluck?
390
Vermaledijt ghespuys, wat baet u doch mijn druck?
O groote goede God sal ick 't aen yemandt klagen?
Ick klaeght misschien de geen, die 't mogelijck sal behagen.
392
Ghelijck ach! leyder veel ter werrelt nu gheschiet,
393
[p. 109]
Dat men sijn jammer klaeght, aen die daer vreucht aensiet,
394
395
Klaghers sijn vriendeloos: dies lijd' ick 't met verduldicheyt,
Mijn hert, mijn lief, en Godt, die weten mijn onschuldicheydt.
+
claertjen
Al is de loghen flux, en schichtich snel te voet,
Sy grijpt terstont geen stadt in het oprecht ghemoet.
398
margriet
Maer by 't eerloose hert ghewent tot eer te rooven,
400
Daer reyckt haer stracx de handt het quaet en licht ghelooven,
400
Dees vindt men over al, betichting, quade lof,
401
Die 't water van de zee, niemant kan spoelen of,
402
Want elck die bemindt de waerschijnende loogen.
claertjen
Die lichtelijck ghelooft, werdt lichtelijck bedrooghen;
405
Want Vals-hart dicht het quaet by wylen uyt zijn hooft.
405
fytjen
't Is billigh dat men siet, dat men dat oock ghelooft,
406
Al ist goed inder daet het wordt voor quaet genomen.
407
margriet
Ach! sal mijn Vechthart dan hier nimmer mogen komen?
Om 't sotte vollick dat soo harssen-loos en vremdt,
[p. 110]
tekstkritische noten
410
Al 't dwarlen van 't verstant vaeck radeloos toe-stemdt.
410
Of soudt ghy wel soo snoot u selven dit verbooghen?
411
Soo raed ick Vechthart u te blyven uyt mijn ooghen
412
Met u valsch aenghesicht, soo vriendelijck vermomt.
Missaeckt my, Claertjen, 't eerst als Vechthart weder komt.
414
415
En stiert den droch van hier: hout hem ten minste buyten,
415
Neen dochter! doet het niet: Wat sal ick doch besluyten?
Ick weet niet hoe ick wil, ick weet niet wat ick segh,
Mijn reden, en mijn raet, sijn te gelijcken wegh;
Nu ben ick weer van sin dat ghy hem sult inlaten;
420
Een eerlijck hert en kreunt sich niet aen yemants praten.
claertjen
Me-vrouwe luyster! tsus! want hebb'ick wel gehoort,
So staet u waerde lief en neuryt aen de poort.
422
Sy luysteren t' samen
.
vechthart
singht van binnen der Goden waertschap
-
.
Gaende op de voyse:
Sal ick noch langh met heete tranen
.
La
est als de Goden bancketeerde,
En lurckten van de Nectar soet,
425
Soos' over disch juyst redeneerde
425
Van 's menschen alderhooghste goet:
[p. 111]
tekstkritische noten
d'Een sprack 't waer lust, d'ander 't is rust,
d'Een sprack 't waer lust, doen seyde Godt Jupijn,
Waer toe dit kibb'len? laet ons vrolijck zijn.
430
't Is hier een tijdt van quinckeleeren,
430
Het aertsche volck voert twist, en kijft,
Ick wensch, en wilt ghy Hemel Heeren,
432
Dat yder juycht en vreucht bedrijft,
Viert myn gheboon, O groote goon!
435
+
Viert mijn gheboon, singt, springt, huppelt en lacht,
435
Dit was gheseyt, gehoorsaemt, voort volbracht.
436
De zalen die als Sonnen bloncken,
Waren terstondt met vreuchd vervuldt,
Als sy haer meugh hadden gedroncken,
439
440
En wel haer sat hadden ghesmult;
440
Hier ging den een, daer lagh den geen,
441
Hier ging den een, daer Venus met haer Pol,
442
De Noordsche Nijt steegh uyt haer Helsche hol.
443
Haer fel vergift heeft sy gheblasen
445
Door den vergulden Hemel wyt:
De Goden buys raeckten aen 't rasen,
446
Aen 't wrocken voort, aen twist aen strijdt,
447
Want Pluto bits, heeft met een krits,
448
Want Pluto bits heeft Cupido verleemt
449
450
Zyn boogh en pijlen al, hy hem beneemt.
[p. 112]
tekstkritische noten
De Musen die met Phoebus songhen,
451
En Pallas met den bloedt-Godt Mars,
452
Syn al vermeestert en bespronghen
453
Van den drie-hoofden Cerbrus bars,
454
455
Men smeet al doodt, 't was kleyn of groot,
455
Men sloeght al doot; de moeder van de Min,
456
Heeft weynich of, schier gantsch geen leven in.
De Sulpher-vorst die leert nu Minnen,
458
Met woorden van Sulpher, en Gout,
460
De deugd, noch eer, noch eed'le sinnen,
Syn niet geacht van jong en oudt,
Ist hoer of dief, 't is even lief,
Ist hoer of dief, syn sy versien van geldt,
Sy worden voor de vromen nu gestelt.
464
465
Daer men een Hemel plach te bouwen,
Daer vestmen nu een droeve Hel,
Dat doen sy die om 't geldts-wil trouwen
Een lompe loer of leelijck vel,
468
Dies maeckt de droes, de kop hun kroes,
469
470
Dies maeckt de droes, selden tijdt sonder strijdt,
Daer d'ander als in 't Paradys verblydt.
471
G.A. Brederode
.
-
[p. 113]
+
margriet
De galmte van zijn zangh vervoert mijn in zijn wond'ren.
472
fytjen
Soo doet oock 't sin-rijck rijm, maer alsmen wilt uytsond'ren
473
De vloeyentheyt sijns stijls, soo is hy 't puyck alleen.
474
claertjen
475
Sijn vaerschen na de kunst gaen heel eenparigh heen.
475
margriet
De vindingh dochters seght, schept ghy daer in behaghen?
476
fytjen
't Verwondert ons Me-vrou dat wy 't u hooren vraghen;
Gemerckt soo levend' hy ons 't Goden mael ontbloot,
478
Waer in de bitsche Nijt, des Hemels minne doodt.
margriet
480
So Heldich in den strijdt is hy, als in zijn reden.
480
claertjen
Dan geeft het my niet vreemt dat ghy mindt sijn goe seden.
481
[p. 114]
tekstkritische noten
margriet
Ja waerdich is hy dat ick hem hertgrondich min.
Claertjen ontsluyt de poort en laet hem komen in,
Op dat ick na mijn wensch hem minnelijck omhelse,
485
Vermaeckt u onderwijl daer gints aen geene Elsen,
485
Ick wil hier onverhoort mijn lief te sprake staen.
486
fytjen
Al wat u lust Me-vrou dat wordt van ons ghedaen.
margriet
Neemt wel acht op de deur, en komt oock niet eer nader,
Of ten sy in den hof daer yemant komt van Vader.
489
Sy gaen wech
.
Vierde handeling.
Juffer
margriet
,
Vechthart
.
490
Daer komt mijn Son! mijn Vechthart! wat een braef ghestalt,
490
Hoe ick hem meer beschouw, hoe hy my bet bevalt.
491
vechthart
Ach! myn waertste! myn schoon Margriet,
492
De eer die ick van u gheniet,
Door u jongstich ontmoeten:
494
[p. 115]
495
Verbindt dit lijf en ziele slaef,
495
Die ick u schoonte tot een gaef
496
Hier storte voor u voeten.
Ghehenght dat sy u stadich sien,
498
Of anders moet dit lichaem vlien
500
Naer Plutoos droeve wooningh.
margriet
Quelt d'af-zijn u, het quelt my oock,
En voel in 't hert een selfde spoock,
502
Myn zielens blye Coningh:
Ghelijck de Son de Aerd' verheught
505
Naer 't dompigh weer, soo ghy verjeught,
505
Myn ziel in u by-wesen.
Myn lief, myn licht, myn sonne-schijn,
+
Myn liefden is, ghelooft het myn,
&