Van Bredero's Griane bestaan vijf drukken uit de eerste helft van de 17de eeuw. Ze zijn reeds door Unger vermeld en beschreven in zijn bibliografie (1884):
| A | Amsterdam | 1616 |
| B | Amsterdam | 1621 |
| C | Rotterdam | 1622 |
| D | Amsterdam | 1638 |
| E | Amsterdam | 1644 |
Bij deze herdruk zijn we uitgegaan van A, de enige editie die tijdens het leven van de auteur is tot stand gekomen. (Gebruikt is het exemplaar uit de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage, signatuur 447 G 86). Er zijn meer argumenten op grond waarvan A de voorkeur verdient. Ik moge dienaangaande verwijzen naar een studie van mijn hand, gepubliceerd in de Spektator, Tijdschrift voor Neerlandistiek (Amsterdam, 1972).
Het weergeven van de tekst uit 1616 biedt geen bijzondere problemen, behalve voorzover druk A maar éen teken gebruikt als hoofdletter van de i en van de j: een oud-hollandse kapitaal, die visueel tussen beide in staat, terwijl de moderne I en J onderling sterk verschillen. Aangezien noch de consequente toepassing van de I, noch die van de J tot een bevredigend resultaat leidt, is in dit geval gebruik gemaakt van beide kapitalen, met dien verstande dat de J systematisch vóor een volgende klinker is geplaatst. Dit betreft dus alleen de kapitalen; bij de onderkast, waar het gebruik van de i en de j niet steeds consequent blijkt te zijn, is niet genormaliseerd, zo min als bij andere lettertypen dan oud-hollands.
Eenzelfde probleem deed zich voor bij de ene kapitaal van de u en de v, die dan ook overeenkomstig het nu heersende systeem is vervangen door U of door V.
Verder gelden de onderstaande richtlijnen, zoals die in onderling overleg door de tekstverzorgers van deze Bredero-editie zijn vastgesteld:
Evidente drukfouten worden in de tekst verbeterd, maar met verantwoording dienaangaande in de voetnoten.
Een lange ʃ wordt vervangen door een s, een afwijkende r door een gewone.
Een schuine streep, in gotische druk, wordt vervangen door een komma.
Een dubbele komma ter aanduiding van binnenrijm is vervangen door een dubbele schuine streep.
De weinig talrijke afkortingen worden aangevuld.
Wisseling van lettertype bij gehele reien of liederen wordt niet gehandhaafd, maar wel in een voetnoot vermeld.
Wisseling van lettertype bij eigennamen, vreemde woorden, korte citaten enz.
binnen de tekst, wordt steeds aangeduid door klein kapitaal, maar met verantwoording dienaangaande in een voetnoot.
Namen van sprekende personen worden zowel naar de spelling als in typografisch opzicht genormaliseerd door ze steeds voluit in klein kapitaal boven de versregels te plaatsen.
Toneelaanwijzingen worden eveneens genormaliseerd door ze steeds cursief, met de eigennamen voluit, en zonodig door een punt afgesloten, tussen de versregels te plaatsen.
Bij een toneelaanwijzing die tevens de aankondiging van een volgende spreker betekent, wordt de eigennaam in klein kapitaal gedrukt, de rest cursief.
De oorspronkelijke aanduidingen van bedrijven en tonelen blijven gehandhaafd. Indien ze kennelijk ergens ontbreken of in enig opzicht foutief zijn, wordt zonodig een regel wit in de tekst tussengevoegd, met verantwoording dienaangaande in een voetnoot.
Om het oorspronkelijke versbeeld zoveel mogelijk te behouden, worden in de tekst geen verwijzingstekens geplaatst. Wel worden de versregels per vijftal genummerd.
De noten die de weergave van de tekst betreffen, worden op iedere bladzijde direct onder het tekstgedeelte afgedrukt.
De noten ter verklaring van bepaalde woorden en zinswendingen, worden onder aan de bladzijde in twee kolommen afgedrukt.
Indien uitvoerige verklaringen nodig zijn, worden deze afgedrukt achter de gehele tekst; naar deze Aantekeningen wordt verwezen door middel van een sterretje.
Voor deze verklarende noten en aantekeningen had ik verwacht veel steun te zullen hebben aan die in de editie, door Van Rijnbach in 1942 bezorgd. Het bleek al gauw dat deze op tal van plaatsen onbetrouwbaar waren en op nog meer plaatsen ten onrechte geheel ontbraken. Bijzonder veel ben ik verschuldigd aan het onvolprezen Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) en aan het Middelnederlandsch Woordenboek. Zonder dit lexicografische apparaat zou de interpretatie van een tekst uit het verleden een vrijwel onbegonnen werk zijn. De heer Drs. Cl. B.J. de Wolf heeft als candidaat-assistent uitgezocht wat de uitdrukking ‘de doot dancksen’ betekent, zodat een gewijzigde interpretatie van de eerste scène mogelijk werd. Gaarne zeg ik hem daarvoor dank, evenals aan prof. Stuiveling, voorzitter van het Bredero-comité, met wie ik herhaaldelijk van gedachten heb gewisseld over allerlei punten van mijn inleiding en van de verklaringen. In hoeverre alle problemen van dit spel zijn opgelost, is uiteraard twijfelachtig; ik houd mij gaarne aanbevolen voor kritische opmerkingen die tot verdere verheldering kunnen leiden.