terug  begin  verderprepost
[p. 106]

Ghedicht Ter Eeren den E. G.A. Brederode,
Op sijne Palmeryn van Olyven.

 
Indien dat Troia waar gheluckich staach gebleven,1
 
Hector en Thetis Soon2
 
Hadden gantsch vruchteloos verwareloost hun leven,3
 
Oon deuchts verdiende loon.4
5
Indien Ulisses waar voor-wint naar huys ghevaren,
 
Syn kuysche Vrouwe vroet,6
 
Vergeten waer de Deucht, geproeft door veel ghevaren7
 
Van 't mannelijck ghemoet.
 
AEneas onbekent versleten hadt syn daghen,9
10
Syn Gods-vrucht en syn kracht,10
 
Door moeyt, en arbeyt swaar, soudt noyt hebben beslaghen11
 
'Tbegin van Romens macht.
 
Hoe seer Fortuyn haar knelt, nochtans int endt naar wenschen,13
 
Syn eyghen loon met vreucht,14
15
(Alleen een eyghenschap der redelijcke menschen)15
[p. 107]
 
Baart d'onverwonnen Deucht.
 
Der Helden deucht gheeft stof aen Dichters hooge sinnen,17
 
Soo dat naar hun vermooch18
 
Het gheen' sy metter daadt niet konnen volghen, minnen
20
Met yvrich lofs ghebooch.20
 
Ghelyck bemint ghelyck; dees Helden deucht vermaarden21
 
Phoebi lieftaal'ghe Bruyt
 
Thalij, doen s'aldereerst Homeri Luyte snaarden,23
 
Met onghehoort gheluyt:24
25
Dit deed' den Mantuaan naar 't Griexse voorbeeldt stichten,25
 
(Voor Oud'ren deucht beleeft)26
 
Syn veersen vloeyent soet, grootsprekende ghedichten,27
 
Waar in AEneas leeft.
 
Dit hebben naar ghevolcht in veel verscheyden Talen,29
30
Verscheyden gheesten kloeck,30
 
Als sy der Princen lof en daden kloeck verhalen,
 
In menich treflyck boeck.32
 
Dit gaat in duytsche Taal nu Bredenrood' oock volghen
 
Met aanghename schijn,34
35
Wanneer hy singt 'tverkeer van 'tAvontuur verbolghen,35
 
In syne Palmerijn.
 
Florendi trouwe Min, en Man-stantvasticheden,37
 
Door langhe tyt beproeft,
 
Door d'ontrouw van Griaan, en Vrou-lichtvaardicheden
[p. 108]
40
So menichmaal bedroeft.40
 
De snel ghevlerckte Tyts dochter, d'onwinb're waarheyt41
 
Brenght alles openbaar,
 
Brenght alle schennis uyt aen Sons hellichte claerheyt,43
 
Hoe seer 'tverborghen waar.
45
Deuchts ingheboren aart blinckt in recht' Edelinghen,45
 
Hoe seer sy wert vermast,46
 
Nochtans ghelijck een Palm so gaetser teghen dringhen,
 
En overwint haar last.
 
De Deucht haar glori soeckt uyt smaat van haar vyanden,
50
Alst blijckt in desen Heldt,
 
Die syn ondanckbaar Moeder vrijt van alle schanden,51
 
Die hem als vond'lingh stelt.
 
Gaet voort, gaet Bred'ro voort, met veel bevallicheden,
 
Naar hoogher eeren spoor:54
55
Ghy Lesers neemt in danck, met goe gheneghentheden,55
 
'Tgheen' hy u dicht te voor.
 
Het beste volcht altijts, bemerckt hoe 't Kan verand'ren;57
 
De Deucht blyft ongheschent:58
 
Hy is gheluckich die hem spiegelt sacht aan and'ren,
60
De croon van 't werck is 'tEndt.60
 
 
 
Antiqua virtute, & fide.-
Gehele tekst romein; namen cursief; in vs. 1 sierletter I.
1Indien dat enz.: als het lot Troje voortdurend gunstig gezind was gebleven.
2Thetis Soon: Achilles.
3verwareloost: veronachtzaamd.
4Oon deuchts verdiende loon: zonder het verdiende loon van de deugd, n.l. de eer.
6vroet: wijs; prudens d.i. door levenservaring wijs geworden.
7vergeten waar: zou zich niet bekommerd hebben om; geproeft: op de proef gesteld; door veel ghevaren enz.: door veel arglistigheden van het mannelijke gemoed (= de hartstochten van de man), n.l. door dat van de vrijers.
9Aeneas enz.: vs. 9 is samengetrokken met vs. 5 op het voegw. Indien.
10Gods-vrucht: de pietas; Vergilius presenteert Aeneas als de ‘insignem pietate virum’ (Aeneïs, I, 10), de man befaamd door zijn pietas; deze omvat ‘eerbied’ tegenover de goden en de nabestaanden.
11soudt noyt hebben beslaghen: zou het (= het begin van Romes macht) nooit tot stand gekomen zijn.
13knelt: in het nauw brengt.
14Syn eyghen loon: is lijd. vw. bij baart, onderwerp is d'onverwonnen Deucht. Volgens Aristoteles is het loon van de deugd de eer, d.i. de innerlijke zekerheid van moreel verantwoord handelen, verbonden met reputatie.
15der redelijcke menschen: der met de rede begaafde mensen.
17aen Dichters hooge sinnen: aan de hooggestemde zinnen van de dichter, d.w.z. de innerlijke zinnen: fantasie, denkvermogen en herinnering.
18naar hun vermooch: naar hun vermogen.
20met yvrich lofs ghebooch: met vurig roemen.
21dees Helden deucht vermaarden: de roem van de deugd van deze helden verkondigde.
23Thalij: Boccaccio in zijn La geneologia degli Dei de gentili - Fulgentius volgende - zegt dat de muzen de methoden van de wetenschap aangeven. Zo betekent Thalia bekwaamheid, degene die de kiemen legt. Deze zin lijkt mij hier geactiveerd, immers, Homerus gold als de eerste dichter.
24met onghehoort gheluyt: met een geluid dat nog niet eerder gehoord was.
25den Mantuaan: Vergilius, bij Mantua geboren; naar't Griexse voorbeeldt: n.l. dat van Homerus; stichten: vervaardigen.
26Voor Oud'ren deucht beleeft: met eerbied voor de deugd der voorvaderen.
27grootsprekende: op een heroïsche toon.
29naar ghevolcht: nagevolgd.
30Verscheyden gheesten kloeck: tal van heroïsche geesten.
32treflyck: uitnemend.
34Met aanghename schijn: met een bevallig uiterlijk.
35'tverkeer: het omslaan.
37Florendi trouwe Min: zie Inl. blz. 29 en 54.
40bedroeft: teleurgesteld.
41onwinb're: niet te overwinnen.
43hellichte claerheyt: heldere glans.
45in recht' Edelinghen: in echte edellieden; stand en deugd gingen samen, zo was de opvatting; vandaar Deuchts ingheboren aart.
46vermast: besmet, onkenbaar gemaakt.
51vrijt: vrijwaart.
54naar hoogher eeren spoor: op het spoor naar hoger eer.
55met goe gheneghentheden: met goedgunstige gezindheid.
57bemerckt: merk op.
58ongheschent: ongekrenkt.
60De croon van 't werck is 't Endt: het beste deel van een onderneming is het einde, n.l. waar het opaankomt.
-Antiqua virtute & fide: door oude deugd en trouw; zinspreuk van een verder niet bekend tijdgenoot van Bredero.
prepostterug  begin  verder