-Tarisius: met vs. 769 begint het eerste toneel van het tweede bedrijf.
769ommegang: geregeld samenzijn; dienst: dienstbewijzen. Hierbij moet wel gedacht worden aan dienst, zoals die ook in de minnelyriek voorkomt; gesichten: blikken; in de ogen kon men lezen wat in de ziel omging.
-Griane: bij vs. 815 begint het tweede toneel van het tweede bedrijf.
815Hoe swindelt my: hoe duizelt mij; myn ooghen sien al groen: het wordt mij helemaal groen voor de ogen.
817sy besterft als Loodt: zij verschiet van kleur en wordt loodgrijs.
828 uyt 't ghesicht volgens B en D; in A uyt ghesicht, een schrijfwijze die niet zozeer foutief als wel minder doorzichtig is.
821Help! Help! enz.: de verzen 821-822 kunnen niet door Lerinde gezegd worden. Zij is met Griane bezig, binnen. Ook Kardin kan deze woorden niet zeggen. Ze moeten buiten de muur gesproken zijn door een wachter, of door een van Tarisius' mannen.
-Keyser: bij vs. 823 begint het derde toneel van het tweede bedrijf.
823ancxstvluchtighe knapen: in angst vluchtende pages.
824Verwreckt my uyt de dóót enz.: de slaap werd gezien als ‘naemaeghe vandedoodt’ (Hooft, Geeraerdt van Velsen, vs. 128), = ‘consanguineus Leti sopor’ (Aeneïs VI, vs. 278). Ook bij Seneca, Hercules furens, vs. 1061, 1069 ‘Somne ... frater durae languide Mortis = Slaap .. kwijnende broeder van de harde dood’.
863Rasery: een kortstondige furor die de mens buiten zichzelf brengt; dolheyt is de langdurige furor, de krankzinnigheid; de komma's wijzen erop dat vol dolheyt, quaat, en woest gecoördineerd zijn en bepalingen bij Rasery.
864roest: vaart onstuimig en ongecontroleerd door.
865koude vreese: vrees en droefheid doen de spiritus en de natuurlijke warmte zich terugtrekken naar het hart, waardoor het lichaam koud wordt aan de periferie, in het gelaat treedt bleekheid op.
866ernst: is bijw. bij verseghelt, met inspanning van al mijn krachten; Had ick enz.: de zin is optatief.
867ons opset nach niet schien: ons vaste voornemen kan niet gerealiseerd worden.
868tuycht: verklaart nadrukkelijk; myn hart is meew. vw.
869Hoe raasdy: wijst terug naar vs. 863, hoe gaat gij als een krankzinnige tekeer; 't sot verkiesen: wijst terug naar vs. 859.
921t'wylt: terwijl het, daar het; de apostrof vervangt er.
922dan: geeft de conclusie aan uit het vorige vers; verdraachelyck: geduldig, lijdzaam.
923My wondert: ik verbaas er mij over, ik vraag mij af.
924Dat ghy de mutse enz.: dat gij zo verliefd op deze vreemdeling werdt.
926opzicht: oplettendheid (voor u), hoede; voorsichtich: wijs, met het oog op de toekomst.
927bruyckt: verricht; door wulpsche min: overmeesterd door sexuele driften.
928dapper bits: zeer krachtig; bestryt: afbreuk doet aan; eer: de eer van de vrouw is haar kuisheid; hooghe staat: haar positie als dochter van de keizer legt haar verplichtingen op als voorbeeld voor andere vrouwen.
936sinnen: inwendige zintuigen; hier wel: de verschillende functies van de rede: het overwegen en het concluderen van goed en kwaad, van waarheid en leugen; vernuft: rede; geest: het rationele aspect van de ziel, alleen de mens voorbehouden.
985eer-loose: schande brengend, daar de kuisheid wordt aangetast. Zie Inl. blz. 50; lust: sexuele begeerte; hoocheyt: majesteit; Eer: n.l. de eer van hem als vader.
987vermerck: zie in; uwe Ambassade: uw zending als ambassadeurs.
1010U hooch eel-hartigh stuck: uw ridderlijke, van een edel hart getuigende daad; ingeboren duecht: deugd was in feite een standskwestie, bij zijn geboorte kreeg de edelman de deugd mee. Van hem werd verwacht in dezen niet achter te blijven bij zijn voorouders.
1012wederom: de keizer had die belofte al eerder gedaan; vgl. vs. 414-415.