1070Het driftigh swerrech: de snel voortjagende lage wolken.
1071posten: boden; myn ballingh droeve hart: mijn droevige hart als dat van een balling. Zijn hart is een ‘balling’ in zoverre het verdreven is van dat van Griane.
1073layde: smartelijke; onghemeene smart: smart boven de gemene maat.
1074Gaay: mannetje of wijfje; syn lusten: zijn paringsdrift.
1075'theete vochtich Vee: het heet-vochtige vee*; schickt sich by de syn: zoekt elkaars bijzijn.
1078myn Troost: zie Inl. blz. 44; al waar: waar ook; verholen: verborgen.
1079Myn hartje enz.: mijn ziel (onder het aspect van het hart, zetel der liefde) is bij u en geheel en al van mij verwijderd. Bij gevolg moet ik zielloos dwalen zonder de kennis van mijzelf, die uw aanwezigheid mij gaf en uw afwezigheid mij ontneemt (vs. 1080-1081).
1082'Tvoor-oordeel: het voorgevoel, het op de toekomst gericht oordeel; quaat: ellendig.
1083wanhoop van myn vrueghd: het wanhopen aan mijn vreugde; voorseyd: voorspelt; druck: leed.
1087'Tonwanckelyck ghemoed enz.: het onwankelbaar gemoed is noch op lichtvaardige, noch op schandelijke wijze onvast.
1090Heylgierich enz.: verlangend naar geluk, hongerig maar scherp onderscheidend, zoek ik naar mijn eigen ziel; ik verruil mijn hart - n.l. tegen dat van mijn geliefde - en ik vraag hoge rente voor mijn min - n.l. de volkomen overgave van mijn geliefde -. Ik leid niet meer mijn eigen leven, maar ik leef geheel voor haar (vs. 1091-1092).
1094Kroon-waarde-wyse vrou: vrouwe waard een kroon te dragen in wijsheid; raatsaligh: gelukkig in 't geven van raad.
1095help-ryck: hulpvaardig; gunst-milt: vrijgevig met gunsten; vrient-hout: trouw in de vriendschap, dienstvaardig; lieftaligh: geliefd, of lief van taal.
1096'tóóghe van myn hart: het innerlijk oog was in het neoplatonisme een aanvaarde metafoor. In de nu volgende verzen (1097-1099) wordt een droomgezicht gegeven, dat een voorspelling inhoudt.
1099'Truym-velligh: door het vermageren is het vel ruim - in plooien - komen te liggen; bevesten: laten geen twijfel bestaan over.
1113Dat van 'tswaar-wichtich enz.: dat door zijn zwaarwegende lichaam zo moedeloos glooit; de aarde was van de elementen het meest massief, het zwaarst. Er bestond overeenkomst tussen het humeur der melancholie en de aarde; Florendus projecteert hierin zijn gevoelens.
1114blindeling: zonder dat ik behoef te kijken; myn: mij (ook in vs. 1115).
1119heerelyck: in overeenstemming met haar hoge status.
1121Sweef-starre: planeet, d.w.z. hij bestuurt haar jeugd, zoals een planeet dat doet, waaronder iemand geboren is; Vier-bake: vuurbaak, nl. de Sweefstarre, die - zo leerde de astrologie - iemands krachten beheerste.
1122Hemel-teken: nogmaals de Sweef-starre, waarheen haar verlangen zich richt.
1124de blonde Son: de gouden zon; na treckt: volgt.
1127O Ridderlycken Helt: deze aanspraak impliceert de volgende formuleringen (vs. 1127-1128): de deugd was inherent aan de held; daardoor was hij de roem van de gehele wereld en het voorbeeld voor de jeugd.
1137Verkoren Konings Kint: Griane doet hier een beroep op Florendus' positie in de hiërarchie der dingen, die bepaalde verplichtingen meebrengt, soms tegen persoonlijk belang en inzicht in.
1149De slappe Mugg enz.: het adunaton (het noemen van onmogelijkheden) was een bekend stijlmiddel om grote stelligheid uit te drukken; slappe: krachteloze; boose: kwaadaardige.
1161dees goede slechte brief: deze van een juiste gezindheid getuigende, maar kunstloze brief.
1164kas: schrijn, in de zin van bewaarplaats van een heilig voorwerp. Vgl. P.C. Hooft, Brieven. Ed. Van Vloten. Leiden, 1855. Deel I, no. 132: Die gewoon was,... die beelden in sijnen binnenborst als een kappelle te metsen... Zo schreef Hooft na de dood van zijn vrouw Christine van Erp. onbemorst: onbezoedeld.
-Griane inde Gevangenis: bij vs. 1169 begint het tweede toneel van het derde bedrijf. Eerst is Griane alleen in de gevangenis met Lerinde, van vs. 1228 af zijn ook de keizer en Tarisius daar, van vs. 1272 af is enkel Tarisius nog aanwezig. Lerinde blijft voort-durend, of trekt zich tijdens het bezoek van het toneel terug.
1171Aartsche Hel: nl. de gevangenis; dood myn gequel: maak een eind aan mijn lijden.
1195Myn schim bevreest: mijn vrees aanjagende schim; bleecke geest: bloedeloze geest; de geest, zo meende men, was in overeenstemming met het lichaam waaruit deze was ontweken.
1211verdoet u met u handen: beroof uzelf van het leven.
1214Na der natuuren lóóp: volgens de wetten der natuur.
1216alghemeene Wet: de wet die voor iedereen geldt, nl. de dood.
1218Arts: blijkbaar een meerv. artse - artses - arts.
1219Gaan hoopeloos van myn: gaan hier vandaan in het besef dat mijn toestand hopeloos is. hier uyt enz.: hieruit put ik wat moed, nl. in zoverre dat de artsen haar werkelijke toestand - haar zwangerschap - niet opmerken.
1222grof: dik; driecht: dreigt; te segghen: openbaar te maken.
1231u blinde lust: uw drift die als blind is, d.w.z. die geen rekening houdt met de gevolgen.
1232verwaant: eigenl. iemand die zich buiten de orde der dingen stelt, vol eigenwaan; stout-hartigh: overmoedig; sonder schaamt: schaamte houdt iemand binnen de perken; zie Inl. blz. 35.
1233met lasterlyck versmaden: de verachting van Griane treft Tarisius in zijn eer; laster is schending van de eer.
1234Ick sweert u by myn Hooft: in het hiërarchische systeem van correspondenties werd het hoofd vergeleken met het empyreum; hier betrof het het hoofd van de keizer, die het naast-goddelijk gezag bekleedde; ick sweert u by myn Trouw: trouw had zijn correspondentie in de trouw van God.