[p. 224]
Het vyfde deel, vyfde bedryf
promptalion
-
Rechtvaardig
Keyser
gróót, die duechdlyck zyt vernaamt,
2051
Waar aan te twyff'len ons int minste niet betaamt:
Maar siet, gróót achtbaar Heer! de mensch is so genegen;
2053
Dat dickwils hem verwint, de liefde, wraack of schaamt.
2055
Waar door hy dan verliest de Eer, wel eer verkregen:
De saken die ons tot dees Redenen bewegen,
2056
Gelieft zyn Maiesteyt te hooren met ghedult;
En sonder gunst, of haat, rechtmatich recht te plegen,
So (naar dyn oude wys) wy hopen dat ghy sult.
2059
keyser
2060
Hy doet myn Króón te kort, die t'onrecht my beschult,
2060
De Vaders van het recht haar laten niet verwinnen.
2061
promptalion
Na dat den Feest-dagh van
Tarisi
was vervult,
2062
Track hy na
Bude
met zyn Bruydt en zyn ghesinne.
2063
Daar werden hy erkent Koningh, zy Koninginne.
2065
Myn Oóm bewees haar ionst, vruntschap, en alle eer,
2065
Maar laas! wat is de loon voor zyn ghetrouwe minne?
[p. 225]
Hay laster ick roep wraack! wraack ist dien ick begheer!
2067
Want siet, sy schendt haar echt, sy hoond' den Eed'le Heer,
2068
En doet een groot schandaal, haar ouders, en bloetmaghen.
2069
2070
Oudin
sacht vaack, niet waar? ontsedt u niet: ick sweer
2070
Dat ick haar menichmaal int Bosch sach harten Jaghen,
2071
Waar van veel mannen noch onsichbaar hoorens draghen.
2072
Myn Oóm gheloofdent niet, al wierdent hem gheseydt,
Soo zeer was hy vervoert vant lieffelyck behaghen
2074
2075
Dat hy schiep in zyn Vrouw, haar valsche vriendlyckheyt.
Hoe dickwils heeft die Hoer een Knaapje met gheleyd?
2076
Myn Heeren (met verlof) het is voor ons ghebleken,
Dat zy't dan looslyck stack, in Vrouwelyck geweydt;
2078
En is uyt troetel-lust met hem nae bedt ghestreecken.
2079
2080
Wie heeft van meerder list zyn leven hooren spreecken,
Als een verduyvelt wyf spits te versieren weet?
2081
Wie las oyt booser quaat, of gruwelycker treecken,
2082
Als u Dochter
Gryaan
nu kortelinghen deed.
2083
Die
Florendus
den Prins schyn-heylligh heeft ghekleedt,
2085
Om haar ontuchtigheyt in Priesterlycke Kleeren.
2085
Maar 't wyl dat zy haar tydt in Boelery besteet,
2086
Op Lodder-Koetsen schoon, en lichte sachte veeren.
2087
In knoflen, in ghestoy, in gheylheyt, in oneeren,
2088
Soo heeft de Koningh juyst een vreemt gheraas ghehoort,
2089
2090
Waar op verwondert hy nieusgierigh van begheeren,
Trat met een Knecht alleen juyst in haar Kamer voort:
[p. 226]
tekstkritische noten
Daar wert d'onnosel Prins, bloetgierich wreedt vermoort,
2092
Om dat hy t'overspel souw wreecken nochte klappen.
2093
Ghy Heeren, siet, ick sweert! op 't Princelijcke woort,
2095
Waren de Karels hier ick souwse aan stucken kappen!
Ick spuw myn galle schier! ick moet tramp-voetend' trappen!
2096
Wat Duyvel maakten ons so wiekhartigh en schuw?
2097
Maar als ick my bedenck 't is vruchteloos dit snappen,
2098
Heer
Keyser
, wel hoe dus? u komt het wreken nu,
2099
2100
Van ons Koningh, en Oóm en die schantvleck van u.
2100
keyser
Ach ick onsal'ghe Man! ach ick ellend'ge Oude!
Waar toe mach my de dood int droeve leven houde,
Most tot dit ongheluck myn ouwdheyt zyn ghespaart?
2103
Ach! was het niet ghenoech de truerighe uytvaart,
2105
Myns doode droeve soons, beweenlyck overlyde,
2105
Die voor het Christenryck bleef vromelyck int stryde?
2106
Zyn eerentrycke dood versachte myne smart,
Maar dese lasterdaat! verdruckt dit oude hart:
2108
Myn kromme zeenen styf, die krimpen, trecken, trillen,
2109
2110
Myn afgheslóófde gheest, souw wel verhuysen willen,
Om dat 'k myn eenigh kindt myn erve van myn goet,
Voor Overspeelster laas dus schelden hóóren moet.
2112
Ja voor een Moorderin! dat plaaght my op het snóóste,
2113
Wech alle goede raad, myn ziel begheert gheen tróóste.
[p. 227]
keyserin
2115
Wel hoe myn Heere, hoe dus tróósteloos in nóót!
Een wijs-man houdt zyn moet in alles even groot.
2116
Men moet het sienlijck dingh niet al te veel vertrouwen,
2117
Noch d'onsienlijcke kans, niet voor onmogh'lijck houwen.
2118
Men mach so kuureieus op 't uyterlijck niet sien
2119
2120
Om beter schiet veel quaadts, Dat God wil moet gheschien.
2120
In lijden bruyckt ghedult, denckt maar het
kan verkeeren
2121
Ghelijck wy door den tijdt, en 't ondervinden leeren.
Verkeerde aansien heeft, dit tijttelijck gheluck,
2123
Tot Ziel-heyl duytet vaack de hier-ghewaande druck;
2124
2125
Gódt schiep het alles goet, dat veel lieden quaat heeten.
Wy hadden waartste lief! die milde Godt vergeten:
Die vriendelijcke Heer klopt, soet, en sachtjes an
2127
Vertrouwt die ghever die een uytkóómst gheven kan:
Een recht gheleerder man doorwroet met raad zyn saken,
2129
2130
Het licht ghelóóven schendt, 't op-merck doet beter maken.
2130
Hoort woord, en weer-woord, als den grooten
Macedoon
,
2131
Die zyn een óóre toe te stoppen was ghewoon.
Het ander hielt hy voor de recht-anklagher open,
2133
En gaf d'afzynde oock een oorsaack om te hopen.
2134
2135
Wel wijse Keyser, wilt met nadacht doch anmercken,
2135
[p. 228]
Of 's Konincx Neven dit uyt valscheydt listich wercken.
Misschien so dencken sy de Koningin
Gryaan
,
Te setten af met list, om 'tRijck selfs an te slaan.
2138
Als over-voochden van de Princesse
Hermiede
,
2139
2140
Gingh haar bedroch na wensch te trecken tot haar liede,
Ick g'lóóf oock anders niet te zyn haar óóghen wit,
2141
De Heerschens-luste meer, als die wreeck-sucht in dit.
Daar doch ons dochter wel kan wesen aan onschuldich,
2143
Daaromme so dunckt my dat ghy so onverduldich,
2144
2145
Noch onbehoorlijck niet moet rasen in dees staat,
2145
Maar rechten met verdrach, en vaste rijpen Raadt.
2146
keyser
Voorwaar u goeden tróóst so wel ghegrondt in reden,
Stelt my ten deele wel: maar niet ghenoech te vreden:
Nochtans soo sweer ick dat de droefheydt en de rouw,
2150
My sullen porren dat ick 't recht wel staanden houw.
2150
Hierom sweer ick den Prins! als oock myn eyghen kindt,
Indien in eenich punt men schuldich haar bevindt,
Also te straffen dat de leste mensch sal beven,
Over het Vonnis dat een Vader heeft ghegheven.
2155
Ick sal haar levendigh doen setten in het vier,
En róócken so duer kracht, al d'onkuysheyt van hier.
Prins van peere
-
Hoogh moghend
Keyser
, wilt my vande last ontlasten,
Te weten van u kindt en twee ghevanghen gasten.
2158
[p. 229]
Die ick in myn behoed aannam in dese reys,
2160
Syn Majesteyt int recht ghebruyckt na reden eysch.
2160
keyser
Ghy die ghesproten zyt van so eersame struycken,
My wondert hoe dat ghy die boosheyd dorst ghebruycken:
2162
Dat ghy doen Móórden hebt uwe waarde lieve man,
Daar 't geyle overspel alleen is d'oorspronck van;
2165
So dat dit blesse hooft, en dese witte haaren,
2165
Die ick ghedraghen heb in eeren soo veel jaaren,
Nu wert bemuesselt met een lasterlycke klack,
2167
Door 's menschen óórdeel, die de dorheyt van een tack
Den heelen vruchtbaar bóóm tot schand en lachter spreecken,
2169
2170
Maar ick sal sulcken telch van mynen stam afbreecken.
En puuren door het vier, myn suyverheyt waar duer
2171
Dat dan de stroncke sal andoen zyn eerste fluer.
2172
Hoewel ghy de fortuyn Móórdadigh hebt gaan stijven,
Om hare wreetheyt an myn hoocheyt te bedrijven.
2174
griane
2175
Dat de fortuyne haat de hoogh verheven lien,
Is aan u laatste krygh myn Vader! wel te sien.
En aan de leughens die myn haters my oplegghen,
2177
Waar van ick (met verlof) de waarheyt u sal segghen:
Niet uyt doods-vreese, neen! maar voornaamlyck myn Heer!
[p. 230]
2180
Om te verdeden myn so seer beklieckte eer,
2180
Die myn aanklaghers valsch, bevlecken heel onbillich.
2181
Myn Vader, gheeft ghehóór, ick kent ick lydt ghewillich,
2182
Dat ick de Prins voor dees wel reyne jonst bewees,
2183
Want ick dacht in myn sinnen
2185
Hem als myn man te minnen,
Doen ick in deze stadt
2186
Noch by u woonden, dat
2187
Ick
Florendus
myn lief verlaten most en schouwen,
2188
En
Taris
' (doen vyand) voor myn beminde trouwe.
2190
Geschiede doort geprang,
2190
Van uwe strenghe dwangh,
Die my met bitterheyde,
De truerich van u scheyde,
2193
Ghelyck Godt is bekent.
2195
Helas! in meer ellendt
Ben ick hier nu gekomen,
Dat ick heb voorgenomen
Myn Man te moorden doen,
En wilt dat niet vermoen,
2200
Het komt van boose menschen,
Die myn verderven wensche.
2201
Als ick te lande tradt,
2202
Te
Bude
inde Stadt,
'tLeetwesen my so praamde,
2204
2205
Dat ick myn stoutheyt schaamde.
2205
En stelden doen voord'an
2206
Myn Liefde op myn man,
Die ick in eeren achten,
[p. 231]
In wercken en gedachten:
2210
Recht als een Vrouw betaamt,
Met weselycke schaamt:
2211
Met willen, en met woorden,
Deed ick so ick behoorde.
Maar siet, myn Vader! naar
2214
2215
T'verloop van twintich Jaar,
Quam uyt heel verre hoecken
Florendus
my versoecken:
2217
Uyt vruntschap gants on-vals,
2218
Uyt rechter Liefden, als
2219
2220
Een Broeder met behagen,
2220
Mach tot zyn Suster dragen;
Doch in
Pelgrims
gewaat,
Vertrock hy my zyn staat,
2223
Syn Re'en wierden gebroken,
2225
Eer hy had uytgesproken.
Want als den Koning quam,
En hem by myn vernam;
2227
Wert hy jeloers en gram,
Meenden hem te doorsteecken:
2230
De Prins die ist ontweecken,
Die met een korte Dagk,
2231
Sich werend, hem doorstack.
2232
Hier door ick myn vyanden
Bekende, die met schanden
2234
2235
My wyten dese daat,
Als oorsaack van het quaat.
Helas! wat gaat my nader,
2237
Tot u verdriet, myn Vader
2238
[p. 232]
So ick derhalven ben
2239
2240
Gants onwaardich, den
Naam van Dochter te heeten.
2241
Wilt alle Liefd vergeten,
En wreeckt u dan hier af,
2243
Met d'alderswaarste straf.
2245
Ick bent getroost te lyen,
2245
Met inwendich verblyen.
2246
Want ick hoop na myn dood
De króón der glorie gróót,
In Gods ryck te verwerven
2250
Voor myn onnosel sterven.
2250
Om dat ick leet gheduldigh,
Onstrafbaar en onschuldigh.
2252
hermide
Al eerwaardighe Heer,
Myn aldergroost begheer
2255
Dat ick wel had voor dese,
Was om by u te wesen:
Maar lacy! dit gheschiet
In kermen, en verdriet,
2258
In plaatse vande vruechde,
2260
Die ick myn zelfs toevuechde.
2260
Dies ick 'tgheluck vervloeck,
Heer
Keyser
, ick versoeck
2262
Dat ghy myn eerste bede,
Die 'k u Majesteyt dede,
2265
Niet afslaat noch verdooft,
2265
Myn groot Vader ghelooft;
[p. 233]
Dat myn lief-Moeder inde dóódt van haren Man
Int minste punt gheensins begrepen worden kan.
2268
Haar Staatdochters en ick die weten van haer leven,
2270
En van haar suyverheyt getuyghenis te gheven.
2270
Prins van peere
Dewijl de dinghen niet en zijn te overtuyghen,
2271
En ghy de roe van 'trecht niet gunstich soeckt te buyghen,
2272
So isset raatsaam Heer datmen de saeck beslecht
Met volle wapens inde strijts-plaets door 'tghevecht.
keyser
2275
Ick sal een Reed'lijck recht mijn Dochter, noch de Prins,
2275
Noch 'sKoninghs Neven bey, niet weyg'ren, neen gheensins.
promptalion
Dijn yver arm gemoet, dijn kleynsierighe handen,
2277
Bewent'len uwen Troon, met laster, en opspraack
2278
Vermits ghy al te slof, vertraacht te nemen wraack,
2279
2280
Van d'overspel en moordt, ay lasterlijcke schanden.
2280
oudin
Dat ick myn dulle kop met reden niet vermanden,
2281
Ick boete selfs het vyer! ick plante selfs de staack!
2282
[p. 234]
Wy zijn verwondert Heer, te weten om wat saack
2283
Ghy die Misdaders niet tot asschen doet verbranden?
keyser
2285
Rijck-radich overlegh, nootsaacklijck tijt behoeft,
2285
Een rechte Rechter, recht, rechtvaardelyck vertoeft.
2286
Balansende de saack met reden voor sijn óórdeel,
2287
Op dat door snelle spoet hem niemandt en bedroeft,
2288
'Kheb door ervarentheyt, 'tgedingens aart beproeft.
2289
2290
Een yeder lieft sijn selfs, elck soeckt sijn eyghen vóórdeel,
Waar't Heeren als ghy seght, d'uytspraack waar al gheschiet;
Maar ick bevind de daad so juyst noch effen niet,
2292
Als u beschuldingh is, en oock so duncktet myn
Dat
Gryane
hier in wel kan onschuldigh zyn.
2295
Hoewel
Florendus
haar in Pelgrimsche kleeren
Heeft aanghesproken, dat vermindert niet haar eere.
En onverhoort den Prins te oordeelen dat waar
Gheen recht, maar Tyranny, 't is Reden dat ick daar
2298
Myn ziel niet in beswaar.
2300
Gheen meerder sotheydt doch onder de lichte Son // is,
2300
Als datmen onbedacht lichtvaardigh stryckt het vonnis.
Op dat
Florendus
sich verdedight en vertaalt,
2302
Soo wil ick dat ghy hem hier teghenwoordigh haalt.
florendus
-
De meeste droefheyt Heer die myn ziel mach ontstellen,
2304
2305
Vergroot sich so veel meer om dat ick u koom quellen,
[p. 235]
't Is my van harten-leedt, dat het aldus moet schien,
Daar ick u mynen dienst behoorde aan te bien.
Ick sweert by eede dat Me-vrouw de Koninghinne,
In ghenerwyse hier is te beschulden inne.
2310
Als ick uyt oude kundt haar eens versoecken quam,
2310
Ghelóóftet, dat ick doen noch nimmer voor en nam
2311
De eer vande Princes of van haar man te schenden:
Maar als de Koningh myn ten grave wilde senden,
2313
Heb ick myn leven self in sulcken banghen nóót
2315
Kloeckmoedelyck beschermt, selfs met des Prinsche dóót.
promptalion
Het syn maar fab'le die u valscheydt voore went,
U schelms snoodt verraat is yeder een bekent.
2317
florendus
Ghy raffeltuydt! ghy spreeckt een onghebonden reden
2318
Souwt met de wapens ghy het selfde wel verdeede?
2319
promptalion
2320
Wat vraacht den Móórder van de Prinselycke siel?
Ick waar een bloode guyl, so ickt niet staanden hiel:
2321
Teghen een lubbelingh, een vóócht van lichte Vrouwen,
2322
So most ick als te blóót myn krachten niets vertrouwen.
2323
florendus
Ach Heere wilt so langh uytsetten maar den dagh,
2324
2325
Dat ick myn oude kracht yet wat verhalen magh.
2325
[p. 236]
Soo sal ick gants alleen, u en u Broeder beyde,
Bewysen door 't ghevecht u ongherechticheyde.
2327
En uwe koppen stout, o ghy Verraders vals!
2328
Flucx snyen met een swaart van u vervloeckte hals.
keyser
2330
Nu swijcht ghy Heeren, swijcht! wilt met geen woorden vechten,
Florendus
houdt u stil, en oock ghy broeders bey,
Myn Raad die vinden 'tgoedt daer ick met overley:
2332
Dat ghylien door tournoy dit groot gheschil sult slechten,
2333
Promtalion
en
Oudin
ghy groot gheachte lien,
2335
Ick sal twee Ridders kloeck tot huer verdeden vinnen,
2335
Maar wie hem inde slagh vermeestert, laat verwinnen,
2336
Begheer ick stracx ghestraft als van verraed te sien.
2337
promptalion
Wy zyn te vreden Heer.
florendus
Het sal also gheschien.
kardin
-
Twee Avonthuriers stout, heer
Keyser
, zijn daar binnen,
2339
2340
Versoecken met ootmoed, en eerbiedighe sinnen
2340
Florendus
dienst te doen: Dat is haar harten wensch.
[p. 237]
keyser
Godt denckt in zynen Tróón om den benauwden mensch.
2342
't Is haar gheoorloft.
palmerin
God laat den Keyser groeyen,
In wijsheyt, in voorspoet, in vree,
in liefde bloeyen
.
2345
Heer
Florendus
, eylaas! u bijster ongheluck
2345
Dompelt myn blyde ziel in d'alderswaarste druck.
2346
Ick bidde u dat ghy verlaet dit quijnend quellen,
2347
Want siet u
Palmerin
, die sich veel eer sal stellen
2348
Int aldergrootst ghevaar, en sorghelijckste staat,
2350
Eer dat ick u myn Heer! in dees ellende laat.
florendus
Ach myn eenighe hoop! wat luck heeft u ghedreven
2351
Van myn bywesen? ach vertelt myn dat myn leven!
Vergeldet doch daar met de quelling, en verdriet
Die door u af zyn my dus langhe zyn gheschiet.
2354
palmerin
2355
Eens op een andermaal ick u dit wel verreecken,
2355
De tijdt vereyscht uyt nóódt van anders yets te spreecken.
2356
Vergunt my myne wensch, beproeft nu myne trouw,
2357
Op dat ick 't recht van u teghen haar staanden houw.
florendus
God loon u huesheydt, die van d'Hemel is ghesproten,
2359
2360
'k Heb na den Trouw-dach vrundt int minste niet ghenoten
2360
[p. 238]
Van Me-vrouwe
Gryaan
dat eerbaar Konincx wijf:
De Koningh die bleef dood, want hy stont na myn lijf.
2362
Hier neffens bruyckten hy myn lief, myn echte Vrouwe,
2363
Die ick voor Gode gaf myn wettelijcke trouwe.
palmerin
2365
Florendus
heeft zyn saack in myn handen ghestelt,
Myn Heer de Keyser, ick ben so wel verselt
2366
Met dees myn Kamerraad, dees myn ghelyck-ghesinden,
Die voor u dochters recht zyn selven wil verbinden.
2368
En zyns ghelijck en is int vechten niet te vinden.
keyser
2370
Daar is noch niemant voor myn dochter hier ghekomen,
Derhalven werdt hy voor een ander aanghenomen.
friso
Alderwaardichste Vrouw, de faam van uwe duecht
Maackt my u dienaar, so als ghy anmercken muecht.
2373
En d'onschult van u saack doet my myn dienst aanbieden:
2375
Indien my van u mach alsoo veel jonst gheschieden,
Als daar myn eerlijck hart so snack-sieck na verlanght,
2376
Dat ghy voor Ridder my in dese dienst ontfanght.
griane
Ach Edel Heere! niet de grootheydt van myn fame,
Die ick om d'opspraack laas! in mynder harte schame.
2379
2380
Veel eer het quaat gheluck van myn bedroefde saacken,
2380
U goedertieren hart aldus barmhertich maken:
2381
[p. 239]
Ootmoedich ick versoeck dat ghy gheen moeyten spaart,
Ter liefden van het recht, myn eere doch bewaart?
2383
d'Almachtighe Godt, en lóón-heer van het goet // doen;
2384
2385
Wil u door myn ghebedt alsulcken goeden spoet // doen
2385
Als myn rechtvaardich recht zyn Godtheydt is bekent:
2386
Die brengh also u strijdt tot een gheluckich endt.
keyser
Hier zyn twee Ridders kloeck siet hier de Edel Heeren,
2388
Die met de wapens 't recht kloeckmoedich willen eeren.
promptalion
2390
Het is behoorlijck Heer datmen in sulck gheschil,
2390
Eerst klaarelijcken hoort de ghevanghens haar wil.
2391
palmerin
Edel
Florendus
Prins en ist niet u begheren,
Dat ick u onschult hier met wapens en beweren?
2393
florendus
Het is myn hoochste lust.
2394
friso
Behaachtet u myn Vrouw?
griane
2395
Van harten ick myn seer hier in te vreden houw.
2395
[p. 240]
tekstkritische noten
palmerin
Wel aan wy zyn bereyt om u met onse handen
2396
Te overtuyghen u eer-loos, erdichte schanden.
2397
O ghy bóós-wichten vals! ghy kladdet met oneer
De vrome Koningin, de hooch-gheboren Heer,
2400
U Aanklacht is versiert schalck-haftich loghenachtich,
2400
promptalion
't Sal blijcken door de daat! ons segghen is waarachtich!
2401
palmerin
Heer Keyser daar is pant.
promptalion
Siet Heer daar is de mijn.
keyser
Gaat wapent u terstont, en past hier stracx te zyn.
2403
promptalion
-
Myn Heere 't is noch vroech, ay laat ons wat vertoeven?
2404
friso
2405
Ick gheef gheen ruste! neen! an schelmsche snoode boeven
[p. 241]
Weert u verrader trots teghen myn krachten fel?
Rust nu in
Plutoos
schoot in d'afgrondt vande Hel.
2407
oudin
Ach! Ridder laat my op, ick sal u eeuwich dienen!
palmerin
Ick wil't verraders hart gheen ooghenblick verlienen.
2409
2410
Wat isser meer te doen, tot voorstant van dees tween?
2410
Heer Keyser schorter yet? wy zyn vaardich,
2411
keyser
Neen, neen.
Heeren 't believe u in mynen Hof te rusten,
En laat u dienen na u eyghen lieve lusten.
't Is dubbelt al verdient, ick en sal nimmermeer
2415
Vergheten kunnen, noch beloonen dese eer.
Ghelooft so zy de Goon die overwinningh jonden,
2416
An u myn vrunden. Laat verbinden uwe wonden.
Indien
Florendus
ick met tóórn of met straf
Gheijlt hadde, ghy waart nu heden al int graf:
2420
Duert onghelijck dat ghy mijn lieve dochter dede,
2420
Ombrenghende haar man met móórdadighe zeden,
2421
In haar bywesen: soo dat die schant-vlecke sal
Myn kint
Gryane
waart, vervolghen over al;
2423
Om dat ghy hare vruecht onwaardich gingt verdrucken,
2424
2425
Had ick u moghen doen houden in kleyne stucken.
2425
Maar 'k heb bloetgiericheydt door reden af gheleyt,
2426
[p. 242]
En bruyck voor wreede straf, sachte sachtsinnicheydt.
2427
Ick wil myn grijsen-baart, en myne oude daghen
Niet smetten met het bloedt, myns Princelijcke maghen.
2429
2430
Maar myn navolghers al een goet voorgangher zyn,
2430
Op dats in sulcken wech treden int spoor van myn.
Myn Neef ick gheef u vry, in duechden blyft volharden.
florendus
Ick sal tot uwen dienst altijdts bevonden warden,
God spaar de Keyser langh, welvarende, en kloeck.
2435
't Is reden dat ick nu myn
Palmeryn
besoeck.
Gryane
versoeckt den ghewont-legghende Palmeryn
-
.
Myn Heer Ridder, den dienst, die ghy my hebt bewesen,
Die door u hooch ghemoet, en goetheyt is verresen,
2437
Maackt door haar grootheydt my armhartich, ende kranck,
2438
Onseg-baar is myn vrient, u hooch-verdiende danck.
2439
2440
O Godt!
palmerin
Hoe ist Princes, wat mach myn Vrouwe letten?
2440
Gryane
wat is u? wilt u wat nedersetten?
2441
[p. 243]
griane
Jofvrouwen, Ay vertreckt? vertreckt u altemaal,
En wacht myn koomsten hier bezyen inde saal.
2443
Ick bid u
Palmeryn
, secht my; ay uytverkoren!
2445
Van wien, van wat gheslacht, en waar ghy zijt gheboren?
palmerin
Ter werelt niemant die ick liever als myn Vrouw,
Het sy in wat manier, ghehoorsaam wesen souw.
2447
In myne jonghe juecht was my 't gheluck soo teghen,
Dat ick noyt volle kunt, of kennis heb ghekreghen
2449
2450
Van Vader, Moeder, of van myn gheboorte-stadt
Had ick noydt recht bescheyt. Doch immers weet ick dat:
2451
Dat ick ghevonden ben, int ghebercht van Olijven,
Door eenen Huys-man, die my bracht by zynen wijve.
griane
O God! ons gaan te recht u wonderen te boven,
2455
Wie kan u goetheyt Heer na u waardije loven?
Heylighe Godheydt lof! myn hart, u lof verklaart,
2456
Dat ghy myn lieve soon tot hier toe hebt ghespaart.
Myn soon! die ick verliet, helas! soo ongheluckich
Uyt wan-hoop, en uyt vrees, so liefdelóós, als druckich,
2459
2460
Onbeweechelijcker, als t'onredelijcke Vee:
2460
Ick ben u Moeder soon! ick sant u buyten stee,
2461
Florendus Griecksche Prins
, dat is u eyghen Vader.
[p. 244]
palmerin
Dat 'k uyt den Dóól-hof woest myn sinnen weer vergader.
2463
Me-vrouwe op dat wy te meer versekert zyn,
2465
Dit goude Kruysje, siet, dit Kruysje was by myn.
griane
Dit selfste heb ick u met droefheydt omghehanghen,
Maar met een meerder vruecht ick 't selfde weer ontfanghen:
Ach myn beminde soon! en brengt dit niet int klaar,
2468
Voor ick zijn Majesteyt bequam'lijck openbaar?
2469
2470
De gunste die myn hart
Florendus
ging betóónen,
Niet uyt wel-lust, maar om zyn leven te verschóónen,
2471
Want door een langhe doodt de Prinsche waar vergaan,
2472
Had hem myn hues ghemoet, niet lieflijck byghestaan.
2473
Ghedenckt niet, o myn kindt, dat ick acht-lóós verslofte,
2474
2475
Te nemen voor de daat, een houwlijckse beloften:
2475
Op die voorwaarden heeft
Florendus
my begordt,
2476
Dus ghy myn echte kindt, wett'lijck ghenoemet wort.
2477
Hoewel myn Vader my
Tarisi
dwangh te nemen,
Dat kan u daarom niet van't rechte óór vervremen.
2479
[p. 245]
palmerin
2480
Om een soo hooghen Prins het leven te behoen,
2480
Hoortmen uyt eerbaarheydt die huesheydt wel te doen:
2481
Dit werdt by vromen duecht en gheen wellust ghereeckent,
2482
De goetheydt uws natuers hebt ghy daar by beteeckent.
2483
griane
Vaart wel myn sone,
palmerin
ick sal Moeder my gaan kleen,
2485
Ick verhope nu de peys te maacken van u Tween,
2485
Ick sal de Keyser wel verwinnen met myn reen.
2486
griane
Lof eeuwighe Godt! lof zy u Heer der Heeren;
Die alle droefheyt haast in blijtschap
kan verkeeren
.
keyser
-
Zijt welkoom
Palmeryn
ick ben van harten blyt,
2490
Dat ghy verwin-heer en so wel te passe zyt.
2490
Wat eyscht myn lieve vrundt? wat mach myn vrundt begheeren?
Begheerdy dese stadt? ick salse u vereeren.
Myn hart hanght over u so gunst-ryck en soo milt;
2493
Myn Keyser-ryck is u so veer ghy't hebben wilt?
[p. 246]
palmerin
2495
Alwaarde Keyser Heer, ick hebbe al myn leven
In Konings hoven en by Prinschen my begheven:
Int rijcke Oosten-landt, int heete Westen mee,
Maar noyt an eenich Prins begeert so lieven bee,
2498
Als dit versoeck aan u: o Prinsche goedertieren!
2499
2500
So
Gryaan
en de Prins in dees Keyserlijcke Stee,
Haar oyt misginghen hier in eenigher manieren,
2501
Vergheeft haar dat om myn; u gramschap wilt bestieren.
2502
keyser
Om uwent wille, siet! houw ick haar vry en vranck,
2503
Versoeckt wat ghy begheert, of wat ghy moocht versieren.
2504
palmerin
2505
Van dees eerwaarde saack weet ick u eeuwich danck;
2505
Ten tijen vant belegh, en des vloots onderganck
Dienden
Florendus
u, ghelijck mijn Heer mach weten:
An dat hóóch-loflijck stuck, als hy
Gamesio
dwanck,
2508
En Ridderlijcken heeft kloeckmoedich dóódt ghesmeten.
2509
2510
Waar door het Turcksche heyr velt-vluchtich bloet most sweeten,
2510
Door dien u moedigh volck den banghen hóóp verjoegh,
Dit vernieuw ick Heere u, die 't moghelijck had vergheten.
2512
Doen wasset dat de Prins u om zyn dochter vroech,
Het welck zyn Majesteyt den
Griecksche Prins
afsloech;
2514
2515
Dies levend hy vergingh door pijnnelijcke rouwe.
2515
[p. 247]
tekstkritische noten
Dit merckten die Princes, die hem gheen haat toedroech,
2516
Maar bewegh'lijck van aart, als een verliefde vrouwe,
2517
Socht hem te troosten, en het schoonste voor te houwen.
Waar inne entlijck sy door d'overwonnen vlam,
2519
2520
Den ander loofden een reyn huw'lijcksche trouwe,
2520
Daar elck metter daadt beseghelingh af nam:
2521
In sulcker voeghen Heer, dat icker voorts van quam.
2522
Daar na zyn Majesteyt niet wetend' dese dinghen,
Heeft die Princesse an de Koninglijcke stam
2525
Tarisius
haar Neef believen te bedwinghen.
2525
De Prins om zyn verlies treurden te sonderlinghen,
2526
Tot groot leetwesen van zyn Heeren en ghemeent,
2527
Die hem, doch te vergheefs, tot huwen wilde dringhen:
Want als een Tortel-duyf heeft hy zyn gay beweent,
2529
2530
Tot loon van dese trouw die selden wordt verleent.
2530
En om myn Moeder-waart voor on-eer te bewaren;
Zo bid ick dat ghy haar te samen weer vereent,
Zo sal my niemandt oock met Bastartschap beswaren.
2533
Voorts om zyn Majesteyt dit grondich te verklaren,
2534
2535
De schiedenis van't spel, so weet myn Heere: Dat
2535
Mevrouw, myn Moeder, my natuurlijck quam te baren,
2536
Al inden Toorn, daar sy doen ghevanghen sadt.
En so sy niemandt dan haar wacht-vrouw by haar hadt;
Die gafse schreyend my, met Moederlijck beroeren!
2539
2540
De dienst-vrouw gaft
Kardin
, die brocht my buyten stadt,
2540
[p. 248]
Op den Olijven-bergh, wiens naam dat ick noch voere:
Ick lach bewindelt in schoon Sye rijcke snoeren,
2542
Dat my het wilde Wildt daar niet en heeft gheróóft:
2543
Dat deed een Huysman, die boven den aart der Boeren,
2544
2545
Voor my in bloedt, en sweet als Vader h