terug  begin  verderprepost
[p. 260]

Vereeringh Aende- Waan-bet-weters.-

 
Hoe komt u voorsack Soyl so bol1
 
Ghestopt, ghepropt ten boorde vol,
 
En wan en ydel is sy achter?3
 
Hier steeck ick in een yeders dat,4
5
Al is de hinderst leech en plat,5
 
Daar duw ick in myn eyghen lachter.6
 
Meest ygh'lyck op een ander siet,7
 
Maar waarom op zyn selven niet?
 
Dat waar immers goet, licht, en veylich.
10
Och niemandt gaat eens in zyn hart,
 
Noch niemandt siet zyn eyghen swart,
 
Want elck acht zyn selven heylich.
 
Elck siet zyn broeders splinter schalck,13
 
Maar selden doch zyn eyghen balck.
15
O wat wonderlycke saken!
 
Die beslabt is met de meeste sondt,16
 
Die soeckt hier door zyn lastermondt
 
Met anders dreck hem schoon te maken.
 
Hierom 't Heromnes ist niet vremt?19
20
Den ander schots, belabt, beschempt20
[p. 261]
 
Beschelt, beliecht, bekalt beseffen:21
 
Komt yemandt tot wat meerder staat,
 
Hy werdt beguychelt en versmaat,23
 
En veel schamp-schootjes op hem treffen.24
25
Die steets zyn werck van schempen maackt
 
Op't lest so in de wenste raackt26
 
Dat hy't na wil; niet kan vermyden.27
 
Hy schrolt op't goede als op't quaadt,28
 
Waar door te recht hem yeder haat,
30
Want niemandt mach den spotter lyden.
 
Het nut berispen dickwils leert,31
 
En 't sot lief-koosen maackt verkeert.32
 
Gheen vrienden zynt die altoos prysen,
 
Dat maackt de wysen, broets en geck,34
35
't Zyn gheen vyanden die 't ghebreck
 
Met reden stichtich gaan bewysen.36
 
Die yets bestraft met onverstant,
 
Behaalt een wel verdiende schant,
 
Als Midas met zijn Esels ooren.
40
De wijn men in het proeven smaackt:
 
De Man in 't gheen hy looft of laackt:
 
De Sot laat veel tijdts sotheydt hooren.
 
De vroeden zijn ghedachten veynst,43
 
De geck die relt al wat hy peynst,44
45
Hy ansiet tijdt, persoon, noch staten;
 
Sonder belul voert hy de vlagh,46
 
Hy brenght zijn ylheydt aanden dach,47
 
Recht als de holle leghe vaten.
 
Wist eens een dwaas dat hy waar sot,
[p. 262]
50
En badt de ghoede groote God,
 
Hy souw dat 's wis wel haast ghenesen:
 
Maar sotheydt is van dier ghedaant,52
 
Dat sy haar selfs de wyste waant,53
 
Dus blijft de Nar in't narre wesen.54
55
Cicero seydt met woorden klaar:
 
Hy moet in als zyn onstrafbaar56
 
Die op een ander yets wil spreken.57
 
Wie isser die so suyver leeft,
 
Dat hy gheen smet noch vuyl en heeft?
60
Niemant (elck het zijn) ick mijn ghebreken.60
 
Soo yemandt siet dat my mis-staat,61
 
Die spieghel hem en schuw het quaat,
 
Of lust hem myn (ick soeck) te leeren:63
 
Men buyght de groene jonghe rys,
65
Ick snack na een goet onderwys,
 
Dat my in beter kan verkeeren.
 
 
 
G.A. Bredero.
-Vereeringh: geschenk.
-Waan-bet-weters: die ten onrechte menen het beter te weten.
Tekst romein; eigennamen en kenspreuk kapitaal; Heromnes en Cicero cursief evenals onderschrift.
1voorsack: Jupiter gaf de mens twee zakken, één op de rug waarin de eigen fouten waren geborgen en één op de borst die bol stond van de tekortkomingen van een ander; Soyl; kleinzielig, kortzichtig criticus.
3wan en ydel: beide woorden betekenen leeg; de coördinatie functioneert als versterking.
4een yeders dat: een ieders tekortkoming.
5de hinderst: de achterste nl. de zak.
6lachter: schande.
7ygh'lyck: iedereen.
13Elck siet enz.: elk ziet een kleine fout van zijn naaste als slecht.
16beslabt: bezoedeld; meeste: grootste.
19't Heromnes: het gepeupel.
20schots: hoogmoedig schamperend; belabt: bekladt.
21Beschelt: berispt, maakt verwijten; bekalt: brengt in opspraak; beseffen: tevens.
23werdt beguychelt en versmaat: wordt bespot en gehoond.
24schamp-schootjes: schimpscheuten.
26in de wenste: in de macht der gewoonte.
27na wil: al zou hij het willen.
28schrolt: schampert.
31nut: nuttige.
32't sot lief-koosen: het dwaze vleien.
34broets: hovaardig.
36stichtich: stichtelijk; bewysen: aanwijzen.
43veynst: verbergt.
44relt: gooit eruit.
46Sonder belul enz.: redeloos zet hij een grote mond op.
47ylheydt: leegheid.
52van dier ghedaant: van die hoedanigheid.
53haar: zich.
54in 't narre wesen: in zijn dwaze aard.
56in als: in alle opzichten; onstrafbaar: geen straf verdienend, onberispelijk.
57Die op een ander yets wil spreken: die op een ander iets wil afdingen.
60Niemant: als antwoord op de vraag van vs. 59; ick mijn ghebreken: ik heb mijn gebreken; zoals een ieder die heeft.
61dat my misstaat: wat mij ontsiert.
63myn: mij, lijd. v.w. bij leeren; ick soeck: ik ben een zoekende.
prepostterug  begin  verder