terug  begin  verderprepost

Hoe Palmerin met zijne Cameraten den Prince Florendos vonden binnen Constantinopolen.

Het xciiij. Capittel.

Frisol, Palmerin ende Olerike uyt het gheselschap van Leonora ghescheyden zijnde, reysden soo neerstich datse in ses daghen daer nae binnen Bude quamen, alwaer sy voorts verwitticht werden vanden doot vanden Coninck, ende vande ghevanckenisse der Coninginne met den Prince Florendos, waerom Palmerin seyde, dat hy

[p. 320]

niet en soude rusten voor dat hy ghecomen waer in Florendos presentie, om te sien, oft hy hem soude konnen verlossen, overmidts hy van dien de Ridderschap ontfanghen hadde, ende hem daeromme alle dienst begeerden te bewijsen, derhalven zijne Cameraten seer neerstich met hem reysden, tot voor de stadt van Constantinopolen, alwaer sy eenen Ridder vonden jaghen, aenden welcken Palmerin vraechden, oft hy hem niet en wiste te vertrecken vande ghelegentheyt der sake vanden Prince Florendos, daer op hem den Ridder antwoorden, den Keyser twee daghen daer te vorens gheordineert te hebben, dat de Coninginne met den Prince ontfangen soude worden, om haer te rechtveerdighen met Campvechtinghe, door twee alsulcke Ridderen als sy binnen thien daghen daer toe soude moeten fornieren, tegens de twee Neven des Conincx, van welcke reden Palmerin met zijne Cameraten seer verblijdt worden, ende voechden haer inde Stadt ende Palleys, alwaer Palmerin inde groote Sale (die sy gheheelijck met swert becleedt saghen, in een teecken van droefheydt) aenden Keyser versocht, dat hy den Prince van Macedonien inde gevanghenis soude moghen visiteren, alsoo hy hem voor zijnen Heere kende, ende daerom bereyt was zijn recht te verdedighen: daer op hem zijn Mt. antwoorden, dat hem sulc behoorlijc versoeck niet gheweyghert en soude worden, maer geboodt terstont eenen deurwachter dat hy hem inde toorn soude brenghen daer den Prince Florendos inne gevangen lach, den welcken hem so haest niet gesien en hadde, of hy wert seer verwondert, om dat hem bycans niemandt en quam visiteren, ende noch boven al, als hy Palmerin voorts voor hem te voet sach vallen, seggende eylacy mijn Heer Florendos, het leetwesen t'welc ick heb over uwe quade fortuyne, is so groot, dat ick het geensins en can uytspreken, maer ic bid u dat ghy u te vreden wilt stellen, want siet hier uwen Palmerin, die hem veel eer in hondert stucken sal laten houwen, als u in de miserie te laten. Florendos die d'ooge geswollen ende verduystert hadde, overmits het gheduyrich weenen over zijn Alderliefste Griane, en hadde tevoren niet gesien dattet Palmerin was, maer als nu door sulcke reden soo neerstich acht op hem slaende, dat hy hem kennende wert, en dochten hem zijne handen niet genoechsaem om de wellecomsten te bewijsen, noch de ermen om te omhelsen, noch de beenen om de reverentie te doen, seggende: Och Palmerin mijn eenighe hope, wat Fortuyne heeft u doch so lange uyt mijn presentie ghehouden, ick bidd u wilt my die doch vertrecken, om daer mede te recompenseren de groote quellinghe die ick geleden hebbe, om van u dus lange absent te wesen. Mijn beminde Heer antwoorde Palmerin, op een andermael sal ick u daer van het geheele discours doen, want den tijt en vereyscht nu alsulcke saecken niet, maer consenteert ghy my alleene dat ick den strijt in uwen naem staende houde, teghens eene vande twee Neven des Conincx, t'welck hem Florendos niet alleen en consenteerde, maer ooc vele hoogelicke dancseggingen daer van

[p. 321]

voorhielde, hem mede verclarende zijn saecken rechtveerdich te wesen, als vande Coninginne na de trouwinge van Tarisius, noyt eenich ander faveur ghenoten te hebben, als een eerlicke vrouwe eenen anderen als haeren Man met eeren soude mogen consenteren, maer dat hy hem ghedoodt hadde, ware geschiet om sijn lijf te verweeren, bovendien dat hy misbruycte zijn echte vrouwe die hy voor hem wettelick getrout hadde. Waer nae Palmerin wederom tot den Keyser keerde, hem voorhoudende dat hem Florendos alle zijne saken in handen gestelt hadde, ende in diender noch geenen Ridder voor de Coninginne en was, dat sijnen vriendt ende Cameraet (wijsende op Frisol) met een groote affectie bereydt waer om haer recht te verdedighen, hem mede segghende, die van alsulcke couragie te zijn, datmen tot de saecken die door de wapenen gheeyndet moesten werden, geenen bequamer en soude moghen vinden. Daer op den Keyser antwoorde, dat voor sijn Dochter de sake noch niemandt aenghenomen en hadde, ende dat sy derhalven gheprefereert soude worden voor alle andere. Maer Frisol seyde dat zijne affectie tot der Coninginne dienst wel noch veel grooter was, als zijnen Cameraet verclaert hadde, dat hy voor de Campvechtinghe daer op eerst begeerden te hooren haer consent. Om welcke oorsaecke hem den Keyser met zijne twee Cameraten dede leyden in zijns Dochters camer, alwaer Frisol Griane voorts te voete viel, seggende: Alderexcellentste Coninginne, den faem van uwe deucht ende ontschuldicheyt vande sake die uwe vyanden u opgheleyt hebben, is so groot, datse my veroorsaect heeft my selven te comen presenteren tot de verweeringe van uwe Majesteyt, indien u ghelieft my door gratie voor uwen Ridder te ontfangen. Och edel Ridder antwoorde de Coninginne, niet de faem van mijne deucht, die mijn ongeluc veel te contrarie is, maer veel eer mijn wreede Fortuyne, die mijn leven miserabel maeckt, heeft u tot dese goedertierne bermherticheydt ghebrocht, om de welcke ick u ootmoedelick versoecke, te willen voortvaren ter liefde van de justitite, ende den Almachtighen recompenseerder vande helpingen, diemen de verdructe ende benaude betoont, den welcken ic met alle de crachten, van't binnenste mijnder herten vyerichlijcken bidde u daer inne so goeden voorspoet te willen verleenen, als mijn sake rechtveerdich, ende mijn conscientie vry is. Waer in haer Frisol beloofde niet te sullen falieren. Ende hier met oorlof nemende van de Coninginne ende haer dochter Hermide, ginck hy met zijne Cameraten na haer logijs, tot des anderen daechs toe, dat den Keyser haer wederomme dede ontbieden int Paleys, als ooc de twee Neven vanden Coninc Promptaleon ende Oudin, tot de welcke sijne Majesteyt in presentie van haerluyden allen seyde: Siet hier twee Ridders die ter contrarien van uwe beschuldinghe over den Prince Florendos ende mijn Dochter, mette wapenen verdedigen willen. Daer op Promptaleon antwoorde, dat mense niet en behoorde te ontfanghen, als met wille ende inde presentie vande beschuldichden.

[p. 322]

Waerom den Keyser op staende voet oock aldaer dede comen de twee ghevanghenen, Griane met Florendos, tot den welcken Palmerin seyde: Edel Prince Florendos, en begheerdy niet dat ic mette wapenen u ontschult verdedighe teghens een van dese twee valsche beschuldigers? Waer op Florendos antwoorde, dat hy hem met grooter affectie tot sulcx versochte. Ende Frisol aende Coninginne 't selfde vragende, creech een ghelijcke antwoorde. Wel aen seyde Palmerin tot de twee ghebroeders, soo zijn wy nu al bereyt u mette crachte van onse rechter armen te betoonen dat ghyluyden de Coninginne met den Prince valschelick als Verraders beschuldicht hebt, daer van wy zijne Majesteyt de pant presenteren, t'welck Promptaleon ende Oudin insghelijcx deden, segghende te sullen verdedighen dat haere beclachte waerachtich waar, maer dat syluyden inde tegensegginge van dien valschelick gelogen hadden. Ende hier met nam den Keyser de panden op, bevelende de vier Ridders haer terstont te gaen wapenen, om dat hy wilde datse de Campvechtinghe voor den middach souden eyndighen. Ende ordineerde tot hare Rechters den Hartoch van Meuse ende den Grave van Redon, beyde twee Griecksche Princen, die om den Camp te besluyten, deden wapenen twee hondert Ridders.

prepostterug  begin  verder