Gepubliceerd in Ned. Rijmen, 1620, fol. B1r-B4v, en in G.A. Brederoos Lof-dicht Van Ryckdom en Armoede. T'Amsteldam, by Niclaes Ellertz Verberg, Boeck-verkooper, wonende inde Beurs-Straet, inden Boeck-verkoopers Winckel. Anno 1620; in de varianten aangeduid als Verb. Voorts in Ned. Poëmata, 1632, fol. B1r-B4v; 1638, fol. B1r-B4v; 1644, fol. A5r-A6r. Gedeeltelijk opgenomen in Angeniet, 1623, in de varianten aangeduid als Ang. met het versnummer; zie ook de Bijlagen 3 en 4. Titel in cursief, fractuur en romein; tekst romein met enkele woorden in cursief en klein kapitaal; ondertekening: zinspreuk cursief, naam klein kapitaal. Titel de Rijckdom Verb. Ryckdom
1Wonder: éen groot wonder, iets wonderbaarlijks: werct: bewerkstelligt, brengt tot stand.
4Een wonder Woordt: het weerspreekt immers Lukas 18:25: Want het is lichter dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke in het koninkrijk Gods inga; wert: wordt.
8Dien: die (onderwerp in de vorm van de 4e nmv.); sulcken: aan zodanige mensen.
9eeren: toespeling op het vijfde gebod: Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de Heer uw God geeft (Exodus 20: 12).
14 niets Ang. 245 niet - 21 Is onghetwijfelt de Verb. Is ongerwijffelt d'; Ang. 239 Houdy die niet voor - 22 sulcker Verb. sulcken - 23 zonden Verb. sonde - 24 Godt dan Verb. dan God- 29 dat Verb. wat
33 alles dat Verb. al wat; op 't Verb. op het - 36 Die gheender Verb. Der gheender - 40 Hy gheeft Verb. Die geeft Ang. 254 En geeft - 41 vayllen Ang. 255 veylen - 43 een Philosooph Verb. den Philosooph; in margine Arccéphilas.
41vayllen haer schaamt: hun schaamte verkopen, bijv. door prostitutie.
43een Philosooph: de marginale aantekening Arccéphilas in Verb. verwijst naar de griekse wijsgeer Arkesilaos (315-241 v.C). De hier bedoelde anekdote kan ontleend zijn aan Seneca, De beneficiis 2: 10, vertaald door Coornhert onder de titel Seneca vanden Weldaden (1562), maar komt ook voor in Diogenes Laertius' beschrijving van de levens en denkbeelden van de griekse wijsgeren (bk. IV, cap. 6: 37); bedocht: dacht.
48Heeft: asyndetische verbinding; lees: en hij heeft; bedect: heimelijk; ghesteecken: gestoken, gestopt, met de bedoeling dat de zieke het later zou vinden.
49Sancte Claas: Sint Nicolaas, de Heilige Nicolaas, bisschop van Myra (4e eeuw), over wie veel wonderverhalen in omloop waren betreffende hulpverlening, redding en bekering. Hij was patroonheilige van Amsterdam; de Oude Kerk was tot 1578 Sint-Nicolaaskerk.
57Haer commers noot: deze woordgroep vormt samen met de ver-armde Weesen en Wed'wen en bijbehorende bepalingen een zg. possessieve datiefconstructie met de betekenis: de kommerlijke omstandigheden van de verarmde wezen en weduwen.
59zyn overschot: wat hijzelf méer heeft dan het nodige.
64 schier Ang. 266 heel - 66 Sou dat een Rijck Verb. Kan 't den Rycken Ang. 268 Souw dat yemand - 69 Vremdelingen Verb. vreemdelingen - 70 gherack C D E gheraeck - 76 loedt Verb. layd - 78 sonden Verb. sonde
99 int Verb. in Ang. 289 in groot - 100 hem Verb. hun - 105 Rijcke-Guyt Verb. rycken guyt - 106 Rijcke Verb. Rycken - 109 D'Armoede Verb. De Armoed - 111 den goeden Verb. de goeden; quellen Ang. 295 knellen - 112 ooc door Ang. 296 door sijn; groot volgens Verb.; A C D E snoot
98die rammelt hun int Lijf: zit maar losjes in hun lichaam, m.a.w. ze kunnen ieder moment sterven. Vgl. WNT XII (II), kolom 237.
99Die: dit verwijst waarschijnlijk naar Ziel en Lijf beide; perijckel: gevaar.
100'T welck hem enz.: waarvoor de rijke zich wel wacht.
102Haar reden: hun redelijkheid, hun verstand; dwinghen: beheersen.
107voor hem gheseyt: in zijn voordeel uitgesproken.
110Maact: is de oorzaak van; Rovers loos: sluwe rovers; Schelmen snoot: boosaardige schelmen. De strofe heeft viermaal dezelfde rijmklank en in A, C, D, E tweemaal hetzelfde rijmwoord (snoot).
113Moort sich selfs: pleegt zelfmoord; een tweede doodt: nl. de dood van de ziel, die bij zelfmoord met het lichaam te gronde ging.
117 men Ang. 301 elck
115Dat: wat; eeuwich sterven: sterven zonder de hemelse zaligheid te verwerven; vryt: vrijwaart. Bredero spreekt nu over de rijkdom in tegenstelling tot de voorgaande strofe.
117met eeren: zonder zijn achtenswaardigheid te verliezen.
118En: lees: en men mach; recht: op de juiste wijze; Haaf: bezit.
119hebben of men 't niet en hadt: bezitten alsof men het niet bezat. Deze paradox verklaart Bredero in vs. 120.
121Banckerroet: bankroet gaat. Tegen frauduleuze bankroetiers kant Bredero zich ook in de Spaanschen Brabander, o.a. in de voorrede ‘Tot den goet-willighen leser’ en in het le bedrijf, vs. 353 en vlg.
123vraetich: vraatzuchtig, inhalig; schocken: plundert, uitzuigt; het meervoud is verklaarbaar doordat men een collectief begrip is.
131Salomon: zie Spreuken 14: De kroon der wijzen is hun rijkdom: de dwaasheid der zotten blijft dwaasheid.
132toetst: is een toetssteen voor, stelt op de proef.
133 aen Verb. an - 139 Vroome Verb. vromen Ang. 305 vromen - 145 dan so volgens Verb.; A C D E soo; dancten Verb. danckmen - 146 Daneel, Abraham Verb. Daniel, Abram; C D E Daniel, Abraham
134brast: eet en drinkt overdadig; in deze betekenis vaak verbonden met het werkw. bruisen, ‘onbeheerst, wild feesten’ (zie ook Lucelle, vs. 1307); bralt en bromt: schept op en pocht.
138Door 'tmisbruycken enz.: dit vers vertoont een sterke afwijking van het jambische metrum. Al zal een klemtoon op mis- nog wel verantwoord zijn, op -dom- is die niet denkbaar.
146Ioseph: Jozef, zoon van de aartsvader Jakob en diens vrouw Rachel. Hij werd door slavenhandelaars naar Egypte gebracht en kwam daar tot grote rijkdom. Zie Gen. 37 en 39-50; Daneel: Daniël, een joodse balling aan het hof van koning Nebukadnezar (6e eeuw v.Chr.), die daar in groot aanzien stond. Zie het boek Daniël in het Oude Testament; Abraham: een van de aartsvaders. Hij was ‘zeer rijk aan vee, aan zilver en aan goud’ (Gen. 13:2); Lodth: Lot, een neef van Abraham, die eveneens ‘schapen, runderen en tenten’ bezat (Gen. 13:5).
149 Verb. in margine David - 150 beden. A beden (zonder punt) - 151 Arme Verb. armen - 152 Princen Verb. 's Prinçen - 154 besigh vollick Verb. beest'ge volck
147Iob: Job, een man van volmaakte Godsvrucht, die door God met grote rampen beproefd werd. Toen hij die in ongeschokt geloof had doorstaan, beloonde God hem met grote rijkdom. Zie het boek Job in het O.T.; spiegel van lytsaamheden: toonbeeld van geduld.
149Harpenaar: koning David; Philosoopht: filosofeert, nl. in de psalmen.
150Christelyck: opmerkelijk anachronisme, het best verklaarbaar vanuit de overtuiging dat het Oude en het Nieuwe Testament een door God geïnspireerde eenheid vormden.
168Iesus Syrachs spreucken: het apocriefe boek Ecclesiasticus, geschreven door Jezus, een zoon of kleinzoon van Sirach. Het bevat een verzameling spreuken, waarin veel praktische levenswijsheid vervat is. Bredero doelt op 11:22: ‘Want het is in de ogen des Heren licht, snel en onvoorziens een arme rijk te maken.’
169Democryt: Demokritos, een griekse wijsgeer (ong. 460-380 v.C.), voorstander van een optimistische levensvisie.
170Crates: Krates van Thebe (3e eeuw v.C.). Hij was een wijsgeer die de onthechting predikte. Zijn eigen vermogen zou hij, volgens een overlevering, in zee gegooid hebben.
173'T waar beter...Ghedeelt: het was beter geweest, als men het uitgedeeld had; Iscarioth: Judas Iskariot, de discipel die Jezus verraden heeft. Toespeling op Joh. 12:15: ‘Waarom is deze mirre niet voor driehonderd schellingen verkocht en aan de armen gegeven?’
175versmetst: door veel en lekker eten (smetsen) verkwist; versluymt: door slempen (sluymen) opmaakt.
178 vermaandt volgens Verb.; A C D E verwaant - 179 verwaandt volgens Verb.; A C D E vermaant - 180 branden Verb. afbranden - 185 Wel Verb. En wel; het gunt Verb. 't gunt
178Noch: toch; voor loffelyc vermaandt: als prijzenswaardig beschouwd.
179neus-wys verwaandt: eigenwijs en hoogmoedig (bepaling bij Letter-volck).-
180Den Stoysch: de stoïcijn. Zeer waarschijnlijk doelt Bredero op een hem bekende anekdote, maar naspeuringen noch navraag hebben de naam van de stoïcijn aan het licht kunnen brengen.
190Werelt-winner: wereldveroveraar, nl. de macedonische vorst Alexander de Grote (356-323 v.C.); slecht: dom, onnozel.
192Der Vorsten enz.: verklarende bijstelling bij het lijd. voorwerp De Werelt-winner.
193 verselschapten volgens Verb.; A C D E vergeselschapten - 201 de Helsche Verb. d'helsche - 202 de rust Verb. d'ruste - 210 gheeft Verb. geef - onderschrift Verb. Eynde. 'tKan verkeeren. geen eigennaam, geen datering
193Dees: nl. deze Rijckdom van't ghemoet (vs. 181); van ghelijc: insgelijks, evenzo.
194goederloosen: bezitloze; Paulus: een van de belangrijkste van de twaalf apostelen, oorspronkelijk Saulus geheten. Zie Handelingen 22.
199Dees misten: dit ontbeerde; Coningh Achab straf: de hardvochtige koning Achab, een der koningen van Israël (9e eeuw v.C.). Zie I Kon. 16:29-34 en vlg. hoofstukken.
200Nabots Wyngaard: Achab wenste de wijngaard van Naboth te verwerven, maar deze weigerde. Achabs vrouw Izébel of Jezabel deed Naboth toen na een valse aanklacht tot de dood stenigen; zie I Kon. 21, 1-16; drieschten af: door bedreiging (hier: door geweld) afnam.