Gepubliceerd in Ned. Rijmen 1620, fol. C1r-D1r en in ed. Verberg (zie blz. 87 hiervoor) fol. B2v-C3v. Verder in Ned. Poëmata 1632, fol. C1r-D1r; 1638, fol. C1r-C4v; 1644, fol. A6v-A7v. Deels opgenomen in Angeniet; zie de Bijlagen 3 en 4. Titel in cursief, fractuur en romein; tekst romein met enkele woorden in cursief en klein kapitaal; zinspreuk cursief, naam klein kapitaal. De woorden Dat worde waer na vs. 228 in fractuur, gr. corps. Titel de Armoede Verb. Armoede - 8 op-weckster Verb. Opwreckster - 9 Dienst-boo van Verb. dienst-bood vande - 10 den Verb. en - 11 Lief-hebster volgens Verb.; A C D E Lief-hebber - 12 hovaardye Verb. hoovaerdijen - 13 t/m 18 D'Armoede Verb. 13, 14, 16 t/m 18 De Armoed 15 D'Armoed - 18 de Menschen Verb. de mensche
19 D'Armoede Verb. D'Armoed - 21 Eumenes Verb. Cumene seer - 22 begunst Ang. 104 ter hant - 23 gheswindicheyt en Kunst Ang. 105 geswindheyd en verstant - 24 Aen Ang. 106 An - 25 die Verb. dien - 26 Herder Verb. Harder - 29 Coninckrijcken Verb. Koninghrycken - 31 den kloecken Ang. 107 die grooten - 34 Horatius Ang. 110 Horati - 36 Iae groot van Gheest, aardich Ang. 112 En wel begeest aartigh
20In staat te styghen: tot een hogere stand op te stijgen.
21Eumenes: secretaris van Alexander de Grote; huwde Artonis, de zuster van Alexanders vrouw Barsine. Lees terwille van het metrum E-u-ménes; Schalck: listig.
23gheswindicheyt: vlugheid van geest; Kunst: bekwaamheid.
25Tamerlaan: Timoer Lenk, een turkse veldheer en heerser (1336-1405), die grote delen van Azië veroverde, in 1395 doordrong tot in Moskou, en in 1402 de turkse sultan Bajezid I versloeg..
31Virgili: de latijnse dichter Vergilius (70-19 v.C.), schrijver van de Aeneis.
32Die voorst enz.: die de eerste is onder de latijnse dichters.
33een Potte-backer: in sommige levensbeschrijvingen van Vergilius wordt inderdaad gezegd, dat zijn vader pottenbakker was. Zie ook Verkuyl 1982, blz. 276, aant. bij vs. 109.
34Horatius: beroemd latijns dichter, vooral lyricus (65-27 v.C.); hij was de zoon van een vrijgelatene.
37 Den Conick Verb. Den Koningh Ang. 113 De Coningh - 38 waanden Ang. 114 waande - 39 Quam Ang. 115 Schoot - 42 sterft Ang. 118 sterf - 43 den Ang. 119 die - 44 geluck'ge Ang. 120 luckige - 48 aen Ang. 124 an; hangen. A hangen (zonder punt) - 50 ofte Verb. of te - 54 verhoolen. A verhoolen (zonder punt)
37Cresus: koning van Lydië (595-526 v.C.); hij was fabelachtig rijk.
39Solon: wetgever van Athene (ong. 640-560 v.C.); de bedoelde spreuk volgt in de vzn. 41-42.
40't vier: de brandstapel. Volgens een onhistorisch verhaal van Herodotus werd Croesus na zijn nederlaag tegen de Perzen ter dood veroordeeld, maar op wonderbaarlijke wijze gered.
43Policrates: Polycrates, tiran van Samos, in 522 v. C. door de Perzen verslagen en vermoord.
55 Brasser Verb. Brasserd Ang. 131 brassaert - 56 swalpens volgens Verb. en Ang. 132; A C D E swalpen - 66 prachtighe Verb. prachtigen - 68 Sy Verb. Se - 69 paf-sack Verb. Pofzack; weydelijck Ang. 139 weyd'lijck - 70 snorckt Ang. 140 slempt
56tot swalpens: tot de inhoud klotst; laat: vult, vollaadt.
57verspillen: bij een nevenschikking met of (zie vs. 55) komt ook de meervoudsvorm voor (zie ook Verkuyl 1982, blz. 276, aant. bij vs. 133). Na dit vs. leze men een komma.
58Daar: overtollig bijw; herhaling van het voegw. Daer (vs. 55).
59en twist niet: verzet zich niet tegen, dus: kijkt niet naar wat de mond toch niet te eten kan krijgen.
60met slincxsche willen: (twist niet) met wat de linkerhand wil. In slincx zit ook een woordspeling met het begrip ‘sluw, oneerlijk’.
61schurfden: met zweren overdekte; Laz'rus: een bedelaar die door de engelen ten hemel gedragen werd; zie Lukas 16:20-32; laf: zwak.
70smetst: schranst. De viervoudige alliteratie in dit vs. heeft een sterk emfatisch effect.
72een ruygh ghevoeten Croppert: een duif met beveerde poten en een geprononceerde krop.
73 rust Verb. en Ang. 143 loof - 74 t/m 76 Haar Verb. Heur - 78 sy vieren Verb. vieren sy - 79 verbuyst Ang. 149 steets buys - 80 Na sarpe of na Ang. 150 Van sarpe en van - 84 moet uytquylen Ang. 154 uyt moet quijlen - 85 af Verb. en Ang. 155 of - 86 starcken Verb. en Ang. 156 stercken; noch Verb. of - 88 kost Verb. brood - 89 cleyn Bier Ang. 159 schar-bier
114sorghe van: vrees voor; dit vers is een toespeling op Matth. 16:25.
116 sorgen Verb. sorge; 's nachts Ang. 174 staagh - 124 gheponst Verb. gepongst - 125 het A ket; gonst Verb. gongst - 128 al Verb. wel - 132 moet het Verb. moeter 't
139Alchmenas Soone: de legendarische griekse held Herakles (lat. Hercules), de zoon van Zeus en Alkmene; beroemd om de twaalf ‘werken’: grootse daden, die hij verrichtte.
151 Den Verb. D'een; wel beteert Ang. 185 vet besmeert - 153 Kosgie Verb. kostjen Ang. 187 kosje - 154 hadt hem ontstelt Verb. had hem onstelt Ang. 188 heeft hem ghequelt - 156 blyer Verb. blyder - 158 den Verb. de - 159 Dies Verb. Dus; tydelijcks Verb. tytelycx - 161 anders Ang. 195 Godes - 162 niet Verb. niet en - 165 Doet Ang. 199 Kan - 167 d'Edele Verb. Die ed'le
151Schoen-minck: schoenlapper (zie ook Verkuyl, Angeniet, blz. 276, aant. bij vs. 185); glat: glimmend (van leervet); wel beteert: (de handen) zwart van het pek.
166nydt: afgunst. Na dit vs. leze men een punt of puntkomma.
167d'Edele Ziel enz.: de edele ziel en de kostbare tijd, die helaar het minst in tel zijn, gaan het vaakst teloor.
170 Den Rijcke Verb. Den Rycken Ang. 204 De Rijcke - 171 Fortuynen Ang. 205 fortuyne - 172 grooter schrick Ang. 206 bangher vrees - 185 Epaminondas Verb. en Ang. 213 Epaminonde
171der Fortuynen: van de fortuin (het lot, het geluk).
190 De Armen Verb. Den arme - 192 of D E oft - 193 Door Verb. Door 't - 195 d'Edelen Verb. de Ed'len - 198 die gaan Verb. die wel gaan - 200 Deughdelijcke Ang. 222 deghelycker - 202 Dief Verb. die
187Attallus: mogelijk Attalus III, die zich onthield van regeren en zijn rijk, Pergamum, in 133 v.C. bij testament aan Rome vermaakte. (Maar zie ook Verkuyl 1982, blz. 276, aant. bij vs. 215.); Diocletiaan: Diocletianus (ong. 234-316); hij werd keizer van Rome, maar deed in 305 wegens ziekte afstand van de regering.
205 Maar Ang. 227 Doch - 206 plotst A ploft - 207 buycken A bruycken - 209 Godt en Mensche Ang. 231 Goon en menschen - 210 ooc Ang. 232 wel - 213 neemt Verb. neempt - 216 slim on-weghen Verb. slimme ommewegen Ang. 316 slimme dwael-wegen - 219 Verachtet volgens C D E; A en Verb. Verachten - 220 niet bedroeft Verb. goedertier - 221 de Heer door Armoedt proeft Verb. d'Heer proeft met Armoed hier