terug  begin  verderprepost
[p. 113]

Antwoort op den brief van- Iacob Barthout Feris soon-

 
Ghy negen-zangsters kloeck, op Helicon geseten,1
 
Havent mijn ruw verstant, en suyvert mijn geweten2
 
Van oordeel vals of blindt: stiert in myn plompe pen3
 
U redelijcke rijm, met ware kennis, en
5
Schrandert mijn doffe gheest: want sonder u verlichten5
 
Soo droomt de krancke kunst, so raaskalt al het dichten.6
 
ô Iacob Bart-houts zoon! ghy kloecke minnaer bist:7
 
Mijn waalbaer weeck vernuft dat redeneert, en twist8
 
Of ick mijn simpel werck voor uwe sneege sinnen9
10
Sal toonen ofte niet? Ick schreum schier te beginnen,10
 
Doch uwe vrundschap, en u Broederlijcke Brief
 
Sijn my so aengenaem, so wellekom, so lief,
 
Dat ick mijn willigh troost, 't berispen en het schelden13
 
Van Midas slim en slecht: volmaeckt werck vindtmen selden;14
15
Is qualijck hier van my geschreven of geseyt:15
 
Verschoont dat vriend, met uw wyse bescheydenheyt.16
[p. 114]
 
Ghy, die in 't heyligh' Choor der spitse Negelingen17
 
U vaersen op de maet so sinnelijck kunt singen,18
 
Dat mijn versufte ziel, als zy u letters las,19
20
In twijffel trock of ick hier, ofte elders was!20
 
Maer doen zy wat bequam in haer gestalt, en wesen,21
 
Doen teegh ick met een smaeck aen 't mommelen, aen 't lesen:22
 
Ick sagh, ick weder sach, ick merckten uwe kunst,23
 
U wijsheyt, u verstandt, maer boven al u gunst!24
25
ô Wel-begaefde Held! wat Goddelijcke krachten25
 
Stort die alwijse God in sterff'lijcke gedachten?26
 
ô Glory van Schiedam! op Camers wijd vermaert!
 
Mijn tong en laapten noyt de Bron van 't vlugge paerd.28
 
So ghy dan fael-greep ziet, of is hier yets vergheten,29
30
Garbrande denckt en heeft niet beters dan gheweten,30
 
Hy doet al wat hy kan, syn sinnen syn te aertsch;
 
Iacobe u gedacht dat stijght vast Hemel-waerts,32
 
Door wind en wolcken heen, door dicke duysternissen
 
Ghy treedt, en meet, ja weet 't geen and're nauw'lijckx gissen.34
[p. 115]
35
ô Hoogh verlichte man! voor u geswinde gheest
 
Was ick omsichtigh en so wonderlijck bevreest36
 
Dat ick mijn snelle handt te rugh heb moeten trecken37
 
Uyt angste dat ghy sout met mijn gedichten gecken:38
 
Ick dingh noch geer geen schand, hebb' oock geen eer gesocht,39
40
Maer 't geen my kundigh was dat heb ick voort gebrocht,40
 
Al hebdy in u brief my veel te veel gepresen,
 
Geen roem-sucht noch hovaard en is in my verresen,
 
Wie hier uyt lust of nijt, sijn naesten prijst of laackt,43
 
Die wort van and'ren weer heel leelijck uyt ghemaackt.
45
Goet rondsche waarheyt geeft veel meerder nut en voordeel
 
Den schalcken wort verschalckt van sijn schalckhaftigh oordeel46
 
Wanneer der dinghen schick valt anders dan hy waant,47
 
Hy meynt hy mompt de luy, maar wat ist? sy verstaan't,48
 
En vlieden voor den drogh gelijck de oude snoecken49
50
Het lecker lock-aas laet uyt vrees' der angel-hoecken:50
 
Dus heeft de werelt oock haar aansicht geblancket51
 
Voorsinnigh is de man die op haer staert-sleep let52
 
Dien sal de valsche vrucht niet lusten af te snoepen,53
 
Iacobe, goede nacht, mijn eygen saecken roepen
55
My tot de schilder-kunst, en die tot soet gewin.55
[p. 116]
 
De rymery brengt lust, en wat hooft kennis in,56
 
Maer ware wetenschap moetmen van Gode leeren
 
Mijn hart is, laas! verrockt wil Godt hy kan 't verkeeren.58
 
Voorts weet ick waarde vrundt niet wat ick schryven sal
60
Mijn leven, staat, en doen dat weet ghy mooghlijck al,60
 
Dat ick de Princen vaan, hier loffelijck mach voeren,61
 
Dat weet ghy in u brief wel kunstigh aen te roeren,
 
En wenscht my dies geluck, des weet u danck mijn hart:63
 
Ick wensch u dat ghy haest oock blyde Bruygom wart:64
65
Ick wensch u Suster ook so veel heyls te beleven
 
In dese nieuwe staet als Godt haer wel kan geven.66
 
God spaer u Ouders langh welvarend en gesont
 
Dit wensch ick u en my uyt gantscher zielen grondt.
 
Hier mede vrient vaert wel, ick weet niet meer te schryven
70
Als dat ick hoop u vrund van eeuw tot eeuw te blyven.

Geschreven by uwen goetwillighe en toeghedane

g.a. bredero.

't Kan verkeeren.

 

In midd' somer Anno 1613

-De oorspronkelijke titel bevat tweemaal het woord Brief. Dit doet veronderstellen, dat we te doen hebben met een contaminatie van twee door Bredero of door de tekstbezorger genoteerde mogelijkheden.
-Iacob Barthout: rederijker uit Schiedam, die in 1615 huwde met de amsterdamse weduwe Neeltgen Lenertsdr. Zie ook de inleiding blz. 44.
Gepubliceerd in Ned. Poëmata 1632, fol. G1r-G2r; 1638, fol. G1v-G2v; 1644, fol. C3v-C4v.
Opschrift romein; tekst fractuur met enkele woorden romein; onderschrift en zinspreuk cursief; datering romein; naam klein kapitaal.
Titel soon C D E soons Brief
1negen-zangsters kloeck: verstandige negen Muzen; Helicon: bosrijk gebergte in Boeotië (Midden-Griekenland), de verblijfplaats van de Muzen, de godinnen van de kunsten; geseten: zetelende.
2Havent: verzorgt, beschaaft (geb. wijs).
3stiert: stuurt, zendt (geb. wijs); plompe: onbeschaafde, kunsteloze.
5Schrandert: verheldert, verscherpt; u: uw.
6droomt: aarzelt, draalt; zie WNT III (II), kolom 3459; krancke: zwakke.
7bist: zijt, bent; oude persoonsvorm bij du, niet bij ghy.
8waalbaer: onstandvastig, onzeker; twist: twijfelt.
9sneege sinnen: snedige, scherpzinnige geest.
10schreum: schroom, aarzel.
13mijn: mij; troost: getroost.
14Midas: klassieke belichaming van de alles-afkeurende criticus; slim en slecht: kwaadaardig en onnozel.
15Is qualijck hier enz.: heb ik hier iets niet goed geschreven.
16Verschoont: verontschuldig; bescheydenheyt: oordeelkundigheid, redelijkheid.
17spitse Negelingen: scherpzinnige Muzen.
18sinnelijck: bekoorlijk, zinnestrelend.
19versufte: verdoofde; als: toen.
20hier, ofte elders: op aarde of in de hemel; opmerkelijk expressief is de omzetting van de vierde jambe, waardoor ook de cesuur na ick expressief wordt.
21wat bequam enz.: enigszins tot zichzelf gekomen was (het begrippenpaar gestalt, en wesen, ‘uiterlijk en innerlijk’, kan hier slechts zeer globaal functioneren).
22teegh: begon, van het werkw. tijghen; met een smaeck: met genoegen, genietend; mommelen: halfluid lezen.
23weder sach: keek opnieuw; merckten: bespeurde, constateerde; kunst: bekwaamheid.
24gunst: genegenheid, vriendschap.
25Wel-begaefde Held: hoogbegaafde, moedige man.
26die: de; sterff'lijcke gedachten: de gedachten van stervelingen. In plaats van het vraagteken, dat de retorische vraag onderbreekt, leze men een komma.
28laapten: lepte, dronk; Bron van 't vlugge paerd: Hippokrene (gr. paardebron) in het Helikon-gebergte, de verblijfplaats van de Muzen; de bron zou zijn ontstaan door de hoefslag van het paard Pegasus; een dronk daaruit schonk dichterlijke bezieling.
29fael-greep: misslag, fout.
30Garbrande denckt: denk dan, dat Gerbrand. Hoe Bredero's voornaam gespeld werd bij de doop, is niet bekend; hijzelf gebruikt enige malen Garbrant, maar zijn tijdgenoten en vooral lateren spelden meestal Gerbrand; zie Groot Lied-boeck II, blz. 238.
32vast: voortdurend.
34treedt: betreedt, bereikt; de onverwachte binnenrijmen in dit vs. vormen een climax.
36omsichtigh: voorzichtig, bedeesd.
37snelle: snel, haastig schrijvende.
38gecken: de spot drijven.
39dingh noch geer: zoek of wens.
40kundigh: bekend, binnen mijn vermogen liggende.
43lust: welwillendheid; nijt: afgunst.
46Den schalcken: de bedrieger (ond.); van: door; schalckhaftigh: oneerlijk.
47schick: beloop, gang van zaken.
48mompt: bedot; verstaan't: begrijpen het, doorzien het.
49drogh: bedrieger.
50laet: terzijde laat, vermijdt (enkelvoudige persoonsvorm bij het meervoudige onderw. snoecken in vs. 49); het vs. heeft een suggestieve alliteratie; angel-hoecken: vishaken; de beide delen van het woord zijn synoniem.
51Dus: aldus, op die manier.
52Voorsinnigh: vooruitziend; haer staert-sleep: alle gevolgen daarvan.
53Dien: hem (belangh. voorw. bij het onpersoonlijke werkw. lusten: het lust hem niet, hij begeert niet).
55de schilder-kunst: hoewel men nergens enig werk van Bredero als schilder kan aanwijzen, is hij waarschijnlijk tot zijn dood als zodanig werkzaam geweest, en gezien dit vs. ook met enig financieel succes.
56De rymery: de poëzie; dit vs. vormt eerst een tegenstelling met vs. 55: schilderen was een beroep, dichten deed men voor zijn plezier; daarna is er een tweede tegenstelling, nl. met vs. 57: kennis tegenover vroomheid.
58verrockt: afgedwaald; hy kan 't verkeeren: hij kan het veranderen; toespeling op Bredero's zinspreuk, maar met wijziging van het onovergankelijke ww. verkeeren in een overgankelijk ww.
60staat: toestand; doen: gedragingen, werkzaamheden; al: allemaal.
61de Princen vaan: het vaandel van de schutterij, met de kleuren van de Prins van Oranje én die van de stad Amsterdam; zie Groot Lied-boeck II, blz. 442.
63En wenscht: en gij wenst; dies: daarmee; des: daarvoor; weet u danck mijn hart: is mijn hart u dankbaar.
64haest: spoedig; oock: bovendien; wart: wordt.
66dese nieuwe staet: de huwelijkse staat, het huwelijk.
prepostterug  begin  verder