terug  begin  verderprepost
[p. 119]

Eer-dicht

 
Ghelyck den dapp'ren handt des Maalders Taeffereelden1
 
Den Agamemnons Moordt, vermengt met wijn en bloedt:2
 
So dat het oogh verschrack, en keef tegen 'tgemoedt,3
 
Oft 'twesen was of schijn van Ameloose Beelden.4
 
 
5
O Koning! van gelijck so twisten en krackeelden5
 
De zinnen onderlingh, van de geheele stoet6
 
En menichte des volx in grooten overvloet
 
Oft' spel of errenst was dat hier Iephtah speelden;8
 
 
 
Als met de Vaders handt de Dochter werd' onthooft9
10
Doen wierd' de schaduw voor het eygen stuck gelooft10
 
Van 'tVrouwelijcke hart dat buys van medelijen11
 
 
 
Haer tedre traanties swalp. Doch ghy, O Koning treedt12
 
Den Koning David na: dien heyligen Poëet
 
Die Geestlijck heeft gedicht veel schoone Rijmerijen.14

garbrandt bredero

'tKan verkeeren.

Gepubliceerd als het tweede van drie drempelgedichten voor Iepthahs Ende zijn Eenighe Dochters Treur-spel. t'Amsterdam. Voor Abraham de Koning, Kunst-vercooper wonende op de Beurs, inden Konings-Hoet. Anno 1615. Het voorbericht is door de auteur gedateerd: den 20. Meert. 1615. Titel romein; tekst cursief met enige woorden romein; onderschrift: naam kl. kap.; zinspreuk romein.
1dapp'ren: kloeke, vaardige; des Maalders: van de schilder; Taeffereelden: schilderde.
2Den Agamemnons Moordt: de griekse veldheer Agamemnon zou bij het begin van de tocht naar Troje zijn dochter Ifigeneia aan de vertoornde godin Artemis ten offer brengen.
3verschrack: ervan schrok; keef: twistte, van mening verschilde.
4wesen: werkelijkheid; Ameloose: onbezielde, zonder levensadem.
5Koning: Abraham de Koning (1586-1619) was als dichter lid van de brabantse Kamer Het wit lavendel; van gelijck so: op eendere manier.
6de geheele stoet enz.: er was dus een druk bezochte opvoering van dit spel geweest, die Bredero wel zal hebben bijgewoond.
8dat: wat; Iephthah: joodse veldheer die als gevolg van een roekeloze gelofte zich verplicht voelde zijn dochter te offeren. Zie Richteren 10: 6 - 12: 7; speelden: zwakke verl. tijdsvorm enkelv.; het onderw. is Iephthah.
9Als: toen.
10Doen wierd': toen werd; schaduw: afschaduwing, nabootsing; voor het eygen stuck: als de daad zelf.
11Van: door; buys: diep bewogen (eig.: dronken).
12swalp: stortte, vergoot.
14Geestlijck: van geest vervuld; Rijmerijen: gedichten; de Psalmen worden aan de joodse koning David toegeschreven.
prepostterug  begin  verder