terug  begin  verderprepost
[p. 122]

Den Broeders In Liefde Bloeyende- Anno 1615

 
Rhetorica die groet al d'oude Kaameristen,1
 
En wenscht u alles goets, op dat u niets ontbreect;
 
Sy klaacht over 'tghewelt, der onreed'lijcke twisten,3
 
Gelijck myn Penne hier door haer ingeven spreect.4
 
 
5
Den Keyser, Prins, Facteur, wert hartelijck ghebeden5
 
Om stil-stant van 't gheswets; op dat ick hier mijn Reden6
 
Onbecommert en vrij, voor u mach brenghen voort,7
 
Oordeelt en kiest het best als ghy my hebt ghehoort.8
 
 
 
Waar is den Gulde-Eeuw, of Golden-Tijdt gevaren,9
10
Die op dees Camer bracht veel Mannen die hier waren
[p. 123]
 
Gheboren van 't Gheluck, tot Heerlijckheyts en glants.11
 
Tot Heerschappy vol macht, en volheyt des verstants.
 
Die met Wijsheyt en Kunst, 't Ghebiedt loff'lijck bestierde,13
 
En Staatwaardich den Staat, met haar persoon vercierde?14
15
Helaes! die is verby, den Tijdt die 't al vernielt,15
 
Met hulpe vande Doodt, hebbense gantsch ontzielt.16
 
Welckx vernuwen my doet in mijn Traanen swemmen,17
 
Hoe deerlijck klaacht mijn Lier met veel bedroefde stemmen?18
 
Maer laas! Wat ist? wat ist? ten helpt my doch gantsch niet,
20
Dus moet ick nu door Raat, ontveynsen mijn verdriet.20
 
Dewijl ick u niet can met klachten weder krijghen,21
 
Soo moet ick noodich nu door vruchteloosheyt swijghen.22
 
Ach! Camer, Camer! Ach! als ick u nu bekijck
 
Hoe zeer zijt ghy Helas! u selven onghelijck.
25
U bloeyende ghedaant, daar ick met plach te brallen,25
 
Is door twisten des tijts, becans en al vervallen.26
 
En 'tis te duchten dat die gantsch neerstorten sal,
 
Indien de Tweedracht wast, die u het wreet gheval28
[p. 124]
 
Dus schielijck overstuurt, door u onwaardicheyden,29
30
Of door u misverstant en 'talte slecht beleyden.30
 
Voormaals naar out ghebruyck coosmen tot d'hooghste staat31
 
Een gheleert, treff'lijck Man, of eener uyt den Raat,32
 
Die door ghewoont' en kunst, ghehouden wert Raadt-saalich,33
 
En Heerschten wijsselijck, ontsich'lijck en lief-taalich,34
35
Doen vantmer Geesten veel, Schrijf-rijck end wel bespraackt35
 
Int uytbeelden geswind, Aartich en ongemaackt.36
 
Van wiens seer hooghe Lof 't ghepeupel lang sal roemen,37
 
Of Fama na haar doodt met een eerbiedich noemen38
 
En 't overblyfsel dat ga ick allensgens quyt39
40
Door ongeluck, en doodt, doch die nydighe tydt40
 
Die doodt mijn grootsche roem, mijn Mannen seer verstandich,41
 
Of door sotheyt en twist, maackt sy my die af-handich.
 
Ach arm mijn groot verlies baart in mijn groot verdriet.43
 
Dat uyt-muntende puyck en vind' ick hier nu niet.44
[p. 125]
45
Besiet de Caarten self, en over-leest de Naamen45
 
Van over twintich Jaar, ghy sult schrickend' u schaamen46
 
Dat ghy nu met dit schuym sout comen hier ten pronck,47
 
Of in de Schou-plaats daar eerst niet dan Gout en blonck.48
 
Wanneer men nu verkiest siet men te samen rotten49
50
Het stoffe van de Maats, een deel neus-wijse Sotten,50
 
Ja wiens gemeyne roep dan maacken eenen Man51
 
Die na haar sinlijckheyt de Rollen gheven can52
 
Hy door het lief gecoos, let niet eens op 't behooren,53
 
Soo gaern heeft die Man dat toeten in zijn ooren,54
55
Want daar pluymstrijckery, goetdunckentheyt vermeert,55
 
Daar vonnist t'onverstant de dingen al verkeert,56
 
Sy maackt Coning, of Prins, die Boer te zyn behoorden,
 
Die best de stomme speelt, gheeft sy een sack vol woorden,58
 
De grootste Narrery die men yewers oyt von:59
60
Siet den verwaanden Geck, siet daer den holle Ton,60
[p. 126]
 
Een Lantaarn sonder Licht, een Prinsche van de Dooren,61
 
Hadden mijn volck te slecht tot een Heerscher gekooren,62
 
Dies zyn labbige tong (ha Campen!) heeft gheseyt63
 
Dus lang heeft op u Duym den Werrevel gedreyt,64
65
Nu comt het na ons wensch, en na al ons begheeren,
 
Wy sullen nu een reys een ander Lietgen leeren,66
 
Welcks stijf en dwaas op-set Thersites heeft gestarckt:67
 
Vraagt ghy wien? de Dragers Heerschap van den Coorn-marckt68
 
Syn grove botte tongh en hout niet op van schelden69
70
Van zijn voornaemste Knechts of alderbraefste Helden,
 
Hy met al sijn aenhangh sullen door trotsche spijt,71
 
De Camer eer yet lang soo ghyer niet voor syt72
 
Veel helpen int verderf, of in eeuwighe schanden
 
De School des Kunstenaars, en Lust-hof der verstanden,74
[p. 127]
75
De Suygh'lingen mijns borsts wijcken vast daegh'lijcx af,75
 
Int goede Coorens plaats hout ghy 't onnutte Kaf,
 
Een onbesnoeyden hoop in stee van goe Ghesellen,77
 
Die men met alle recht een neus-dwangh op sou stellen,78
 
En breydelen haar mont, met eenen Muyl-bant strengh,79
80
Op dat haer fel ghebidt gheen schade meer en brengh.
 
Siet daar dat vuyle tuygh de Tanden t'samen duwen,
 
Wt vrees dat sy van spijt haar Galle souden spuwen,82
 
Om dat sy zyn gheraackt soo louter op haar seer,83
 
Mijn Vrunden soo't u smart, doet het hier na niet meer.
85
Maar wat? ick bid vergeefs, het wert hoe langs hoe grover:85
 
Ay Hoofden siet (ick bids) dit Heyrtgen eensjes over,86
 
Als ghy nu maacken wilt een groot of dapper Gast,87
 
Wie dunckt u dat van dees dit recht te speelen past?88
 
Sal't schier niet zijn van noot dat men van dese dingen89
90
Met bidden weder-roept de willighe Ballingen?90
 
Och jaat! voor seecker jaat, het is voor seecker best
 
Eer het ghemeene volck ons lastert op het lest,92
 
En eer men my begeckt, of u belacht bejouwet,93
 
En al u doen (alst is) voor Kinder-spel en houwet:94
[p. 128]
95
Want brenght men hier wat schoons, yet vermaarts of wat goets
 
Het wert schendich verlampt van dees waan-wyse bloets:96
 
Dit wraack-goet, dit uytschodt, dees onwetende Buffels97
 
Stichten dees muytery, eer om dit licht ghepuffels98
 
Mijn oude eer vergaat, en wendet sich in schant,99
100
Soo comt my nu te hulp met u Kunst-rijck verstant.
 
Ghy Heeren van dit volck wilt met bescheyden reden101
 
Verdelghen dese twist, op dat Liefd' bloeyt in vreden.102
 
Ist niet wel last'rens waart, dat ghy u veynst te syn103
 
Het gheen ghy niet en bent, of verbeeld inden schijn,
105
Ghy die den Tytel hebt, of naam van Reden-rijcker,105
 
Wie sach oyt glans of schijn? syn wesen ongelijcker106
 
Noemt nu Reden-arm u, of Haaters seer twist-mildt,107
 
Want ghy zijt heel verkeert, als teycken van u Schildt.108
 
Bedenckt dat met belul ghy roem-waardighe Mannen,109
110
En wilt met Liefden u wed'rom te samen spannen,110
[p. 129]
 
Soo sal ick Kunst-Goddin Rhetorica Lofbaar111
 
Besprengen u vernuft met mijn spring-ader claar,112
 
Hoewel 't spytich verdriet ick dus lang heb gheleden,113
 
En my deed' steulpen uyt een stroom van moey'lijcheden,114
115
Ick heb tegen mijn Aart gesproocken fel en straf115
 
Om u door dit ontsich te leyden van 't quaat af,116
 
En Deuchd' sal (hoop ick) voort u haar selven aan-prysen,117
 
Of u Meesters sullen 't u met Reden onderwysen.118
 
Beleefde Menschen die mijn Reden recht verstaat,119
120
Het ontarn'de wilt vereenen metter daat.120
 
Benaarsticht over al de kunst met goet opmercken,121
 
En strijden nu om Eer, in Eerweerdighe wercken.122
 
Ghy sult oock weet ick wel hier nemen nu in't goet,123
 
Het onrustich vermaan dat u mijn leerlingh doet.124
125
Die met onschuld dat schier van hem had afgeslagen,125
 
Maer synde onderrecht, soeckt hy nu te behaghen:126
[p. 130]
 
Den verstandellen of ten minsten luttel lien,127
 
Voor wichtigher (seyt hy) laat hy zijn meerder zien.128
 
Doch ick selfs had nu meer te segghen voorghenomen,
130
Maer denck u eer yet langh onsichtbaar by te komen.130
 
Dan Campen, Lambert, Hooft, en Samuel sal 'tgheschil,131
 
Wel slechten met voorsicht, soo ick dat hebben wil.132
 
Vaart wel mijn oude Maats die noch in Liefde bloeyen,
 
Ick haat u haateren, die in 'tkrackeelen groeyen.134
135
Haar verstand'loos gherel, en mach my doen gheen scha,135
 
Ick ben te gherust ghetroost, ick vrager gants niet na.136
 
Onghetwijffelt ghy sult dit op een ander houwen,137
 
En die dit heeft ghemaeckt in gheen manier vertrouwen.138
 
Doch of ghy 'tschoon al riedt, wie dat dit eerstmael schreef,
140
Ghy sultet weten niet soo langh als ick hier leef.
 
 
 
Hier met bid ick verloff ghy Heeren wijd vernaamt,141
 
Vermits my wederom te keeren nu betaamt
 
By mijn Meestersse, die u Antwoort sal verbeyden:143
 
Blijft vriendelyck gegroet, den tijt gebiet te scheyden.

-Den Broeders: aan de dierbare medeleden. In de titel en in vs. 1-4 is de dichter zelf aan het woord.
Gepubliceerd in Ned. Rijmen 1620, fol. A3r-A4v; Ned. Poëmata 1632, fol. A3r-A4v; 1638, fol A3r-A4v; 1644, fol. A3r-A4v.
Titel in romein en cursief; de vzn. 1-4 in romein, groot corps; de vzn. 5-140 in fractuur met enkele woorden romein; de vzn. 141-144 als 1-4.
1Rhetorica: zinnebeeldige vrouwenfiguur, die als belichaming van welsprekendheid en dichtkunst de beschermgeest van de Kamer is en als zodanig van vs. 5 af haar vermanende toespraak houdt. In de vzn. 1-4 stelt de dichter de figuur van Rhetorica aan de lezers voor; bij de voordracht waren deze verzen overbodig.
3'tghewelt: de onstuimigheid, de heftigheid; onreed'lijcke: redeloze, onzinnige.
4myn Penne: nl. die van Bredero; door haer ingeven: op haar instigatie, door de Rhetorica-zelf geïnspireerd.
5Keyser: beschermheer, meestal een gefortuneerde persoon van hoge afkomst, geïnteresseerd in de letteren en bereid geld beschikbaar te stellen o.a. voor de prijzen van een dichtwedstrijd; wie in 1615 te Amsterdam deze plaats bekleedde, is niet bekend; Prins: leider, voorzitter; Facteur: degene die tot taak had bij de wedstrijden voor het referein of het spel te zorgen. Het genoemde drietal vormde het gezaghebbende bestuurscollege; wert: wordt.
6stil-stant: het stil worden, het eindigen; 't gheswets: het gepraat, het rumoer.
7mach brenghen voort: zal kunnen uitspreken.
8het best: het beste.
9den Gulde-Eeuw, of Golden-Tijdt: in verscheidene mythologieën begint de geschiedenis met een paradijselijke periode van zedelijke volmaaktheid en onbedreigde voorspoed. Zo bij Ovidius: ‘Aurea prima sata est aetas’, de gouden eeuw ontstond het eerste (Metamorphosen Bk. I, vs. 89). Deze opvatting is ontstaan uit het besef dat de tijd alles verandert en te gronde richt, en dat ouderdom verval betekent.
11 Heerlijckheyts D E Heerlijckheyt - 19 Wat ist? wat ist? D E Wat ist? - 24 Helas C D E Helaas - 26 't twisten volgens C D E; A 'twisten
11Gheboren van 't Gheluck enz.: door het lot voorbeschikt tot een hoge positie en tot roem.
13't Ghebiedt: hun gebied, dus de rederijkerskamer.
14Staatwaardich: een hoge positie waardig; haar: hun.
15't al: alles.
16hebbense: hebben hen; de meerv. persoonsvorm is verklaarbaar, doordat Bredero de Tijdt en de Doodt samen als onderwerp denkt.
17Welckx vernuwen: het herdenken hiervan.
18deerlijck: bedroefd, meelijwekkend; met: tezamen met, evenals.
20door Raat: door overleg, door redenering.
21u: nl. de in vs. 10 genoemde Mannen.
22noodich: noodwendig; door vruchteloosheyt: wegens het vruchteloze van mijn klachten.
25bloeyende: mede door het afwijkende lettertype is dit woord een duidelijke toespeling op de zinspreuk van de Kamer, en als zodanig een rederijkerseigenaardigheid; daar ick met plach te brallen: waarop ik gewoon was te pochen, trots te zijn.
26becans en al: bijna geheel.
28wast: toeneemt; gheval: noodlot.
38 na D E naer
29Dus schielijck: zo plotseling; overstuurt: berokkent, laat ondervinden; u onwaardicheyden: uw onwaardigheid
30misverstant. wanbegrip; alte: zeer; beleyden: bestuur, beleid.
31staat: positie, functie.
32treff'lijck: voornaam, aanzienlijk.
33ghewoont': gedragingen; kunst: bekwaamheid; ghehouden wert Raadt-saalich: beschouwd werd als een verstandig man, een man met goede inzichten.
34Heerschten: het onderwerp hierbij is enkelvoud (Die, vs. 34); ontsich'lijck: geëerbiedigd, ontzag afdwingend; lief-taalich: beminnelijk, ook met betrekking tot het spreken.
35vantmer: vond men er; Geesten: talenten, dichters.
36uytbeelden: toneel spelen; geswind enz.: schrander, bekwaam en ongedwongen.
37wiens: wier; 't ghepeupel: het gewone volk (niet minachtend).
38Fama: de godin van de roem; haar: hun; noemen: naamsvermelding.
39't overblyfsel: de nog levenden.
40die nydighe tydt: de vernielende tijd.
41seer verstandich: bijv. bep. bij Mannen.
43baart in mijn: veroorzaakt in mij.
44Dat uyt-muntende puyck: zulke voortreffelijke mannen.
56 vonnist A C 't vonnist D E 't vonnis
45de Caarten: de ledenlijsten.
46over: vóor; schrickend': de ongewone omzetting van de vijfde jambe is bij dit woord bijzonder expressief; dit wordt versterkt door de viervoudige sch-alliteratie (vs. 46-48).
47schuym: uitvaagsel (in tegenstelling tot puyck, vs. 44).
48Schou-plaats: de openbare toneelzaal, in tegenstelling tot hier (vs. 47), de besloten bijeenkomst van de leden, waarin Rhetorica geacht wordt het woord te voeren.
49verkiest: een verkiezing houdt.
50stoffe: het minst belangrijke gedeelte; een deel: een aantal.
51wiens gemeyne roep: die met hun gemeenschappelijk geschreeuw; maacken een Man: een persoon benoemen.
52na haar sinlijckheyt: naar hun zin; gheven: toewijzen. Na dit vers leze men een punt.
53door het lief gecoos: door de vleierij; niet eens: helemaal niet; 't behooren: wat passend is.
54toeten: influisteringen, vleitaal.
55daar: waar; goetdunckentheyt vermeert: de eigenwaan doet groeien.
56vonnist: beoordeelt; al: totaal.
58best de stomme speelt: maar het best figurant kan zijn.
59Narrery: dwaasheid; yewers: ergens.
60den holle Ton: de hersenloze vent.
73 Veel C D E Heel
61Dooren: dwazen, gekken.
62Hadden: had; meervoudige persoonsvorm bij het collectivum volck; te slecht: heel dom, onnozel (bijv. bep. bij volck of bijw. bep. bij hadden gekooren).
63Dies: daarom; labbige: praatzieke, kletsende; (ha Campen!): de aanspreking, die het gesprokene in de vzn. 64-66 inleidt. Cornelis Jacobsz. van Campen (geb. 1564), een neef van Roemer Visscher, had jarenlang een leidende functie in de Eglentier.
64Dus lang heeft enz.: u hebt het zolang voor het zeggen gehad (een wervel is een draaiend houtje waarmee een deur afgesloten kan worden).
66een reys: eens.
67Welcks stijf en dwaas op-set: wiens koppige en dwaze plan; het vs. is een bijv. bijz. met als antecedent de spreker van de woorden van vs. 64-66, dat is dus de Heerscher van vs. 62; het is echter ook mogelijk, dat Welcks een drukfout is voor Welck; Thersites: een van de Grieken voor Troje, een laffe, demagogisch optredend snoever (Ilias II, vs. 212). Thersites is onderw. van de zin; wie Bredero met de naam bedoelde, is niet bekend; gestarckt: gestijfd, ondersteund.
68wien: wie dat is; de Dragers Heerschap enz.: in Werken 1890 (III, blz. 85) tekent Te Winkel hierbij aan: ‘het hoofd van het korendragers gilde, waarvan de leden naar den gekruisten draagband ook spottend “kruysheeren” genoemd werden (zie Symen vs. 435). Denkt men daarbij aan het Bourgondische kruis en aan de “ridders van de Ordre van den Huyze van Borgongiën”, dan zou men door den naam zelf de gissing van Dr. Jonckbloet bevestigd kunnen zien, dat de ridder Theodoor Rodenburgh bedoeld wordt.’ De typering in vs. 69 is op hém echter weinig toepasselijk.
69schelden (van): uitvaren tegen.
71door trotsche spijt: door hooghartige afgunst.
72eer yet lang: binnenkort; soo ghyer niet voor syt: indien gij het niet voorkomt.
74De School enz.: bijstellingen bij het woord Camer (vs. 72). Na dit vs. denke men een punt i.p.v. de komma.
93 begeckt D E begeck
75De Suygh'lingen mijns borsts: degenen die door mij, Rhetorica, zelf zijn opgevoed; wijcken vast daegh'lijcx af: trekken zich reeds iedere dag meer en meer terug.
77onbesnoeyden hoop: onbehouwen troep.
78Die: dit betr. vnw. verwijst naar hoop (vs. 77); een neus-dwangh op sou stellen: de pen op de neus zou moeten zetten.
79strengh: stevige (bijv. bep. bij Muyl-bant).
82spijt: woede, verbittering.
83louter: krachtig; op haar seer: op hun wonde plek.
85wert: wordt.
86Hoofden: bestuurders; ick bids: ik vraag (u) erom; siet (...) dit Heyrtgen eensjes over: kijk eens kritisch naar die lui.
87Gast: personage in een toneelstuk.
88Wie: aan wie (meew. voorw. bij past); van dees: van de hier bedoelden; recht: rechtens, krachtens zijn kwaliteiten.
89schier: bijna, haast; van noot: nodig, noodzakelijk; van dese dingen: om dit alles.
90weder-roept: terugroept, vraagt terug te keren; de willighe Ballingen: degenen die vrijwillig de Kamer hebben verlaten.
92het ghemeene volck: de gewone mensen, de niet-leden, de toeschouwers; lastert: schande van ons spreekt.
93my begeckt: de spot met mij (Rhetorica) drijft; bejouwet: uitjouwt.
94alst is: zoals het inderdaad is, terecht; en: niets dan, slechts.
96wert schendich verlampt: wordt schandelijk verminkt (van verlammen); bloets: onnozele kerels.
97wraack-goet: uitschot. Met dit vs. begint een nieuwe zin.
98muytery: verzet, opstandigheid; hierna leze men een puntkomma; om dit licht ghepuffels: door dit onbetrouwbare lichtzinnige gepeupel.
99wendet sich in: verandert, verkeert in.
101Heeren: meerderen, heersers; bescheyden reden: verstandige argumenten.
102Verdelghen: delgen, tenietdoen.
103Ist niet wel last'rens waart: moet het geen schande heten; dat ghy u veynst: dat gij veinst. Hiermee is of verbeeld inden schijn (vs. 104) nevenschikkend verbonden; de vertaling luidt dus: dat gij veinst of de indruk wekt te zijn hetgeen gij niet zijt.
105Reden-rijcker: iemand die rijk is aan rede, verstand; woordspeling of volksetymologische interpretatie van het met het lat. rhetorica samenhangende woord rhetorijcker.
106glans of schijn: een fraai, stralend uiterlijk, buitenkant; sijn wesen ongelijcker: minder gelijkend op zijn innerlijk; het vraagteken, dat zoals gebruikelijk was, middenin de retorische vraag staat, leze men aan het eind van dit vers.
107Reden-arm: tegenstelling van Reden-rijck (vs. 105); Haaters seer twist-mildt: zeer twistzieke haters.
108ghy zijt heel verkeert enz.: gij zijt als bewijs van uw blazoen (dus als bewijs dat zij dat met recht voeren) volkomen in het tegendeel omgeslagen. In het blazoen stond immers een gekruisigde Christus met de spreuk In Liefde bloeyende. Bovendien zijn ze redenarm in plaats van redenrijk.
109belul: inzicht, benul.
110u wed'rom te samen spannen: u weer aaneensluiten.
114 steulpen C D E stulpen
111Lofbaar: loffelijke, prijzenswaardige; achtergeplaatse bijv. bep. bij Kunst-Goddin Rhetorica.
112Besprengen: besprenkelen; met mijn spring-ader claar: met water uit mijn heldere bron; toespeling op de hengstebron in het Helicongebergte, de bron van de dichterlijke bezieling bij de verblijfplaats van de Muzen.
113Hoewel 't spytich verdriet enz.: hoewel ik zo lang dit betreurenswaardig verdriet heb ondergaan.
114En my deed' steulpen uyt: en dit mij deed uitstorten ('t spytich verdriet fungeert nu als onderwerp); moey'lijcheden: geprikkelde, ontstemde woorden.
115fel en straf: heftig en streng.
116door dit ontsich: door het ontzag hiervoor.
117Deuchd': goede kwaliteit; voort: verder.
118met Reden: op een verstandige manier.
119Beleefde Menschen: mannen met ervaring, ondervinding; recht: op de juiste wijze.
120Het ontarn'de wilt vereenen: verbindt wat losgetornd, losgescheurd is (omschreven gebiedende wijs).
121Benaarsticht: behartig ijverig; opmercken: opmerkzaamheid, aandacht.
122strijden: strijdt; deze infinitief (of meervoudsvorm?) doet hier dienst als gebiedende wijs, waarschijnlijk ter wille van het metrum.
123nemen nu in't goet: nu ten goede duiden, niet kwalijk nemen.
124onrustich: van ongerustheid vervuld: mijn leerlingh: hier valt Rhetorica uit haar rol door te vermelden dat haar tekst door een van haar discipelen is opgesteld.
125Die met onschuld enz.: die dit bijna, zich verontschuldigend, had afgewezen.
126onderrecht: ingelicht, op de hoogte gebracht.
135 doen in alle drukken doch - 136 te gherust D E gherust
127Den verstandellen: de verstandige mannen.
128Voor wichtigher enz.: voor belangrijker zaken, zegt hij, moeten zijn meerderen zorgen.
130onsichtbaar: niet meer als toneelpersonage maar als inspirerende gezindheid; by te komen: te bezoeken.
131Dan: maar; Campen: zie vs. 63; Lambert: de gefortuneerde Lambert Lambertsz., die later geld heeft gestoken in de schouwburg van de Academie (zie Memoriaal, blz. 234); Samuel: de arts en toneelschrijver Samuel Coster, in 1617 oprichter van de Nederduytsche Academie, als begaafd lid van De Eglentier krachtig in verzet tegen het optreden van de onbegaafden.
132met voorsicht: met vooruitziende blik, met overleg; soo: zoals.
134groeyen: zich verlustigen.
135Haar verstand'loos gherel: hun onverstandig gezwets.
136Ick ben te gherust ghetroost: ik ben daar zeer gerust op.
137op een ander houwen: aan iemand anders toeschrijven.
138En die: en (het) aan hem die; in gheen manier vertrouwen: op geen enkele wijze toekennen, toeschrijven.
141bid ick verloff: neem ik afscheid; Heeren wijd vernaamt: wijd vermaarde heren.
143Mijn Meestersse: mijn meesteres. Hier kan niet meer Rhetorica-zelf aan het woord zijn, immers zij is de meesteres. Het is dus de voordrager en met hem de anoniem gebleven dichter die afscheid neemt.
prepostterug  begin  verder