Voor wichtigher (seyt hy) laat hy zijn meerder zien.128
Doch ick selfs had nu meer te segghen voorghenomen,
130
Maer denck u eer yet langh onsichtbaar by te komen.130
Dan Campen, Lambert, Hooft, en Samuel sal 'tgheschil,131
Wel slechten met voorsicht, soo ick dat hebben wil.132
Vaart wel mijn oude Maats die noch in Liefde bloeyen,
Ick haat u haateren, die in 'tkrackeelen groeyen.134
135
Haar verstand'loos gherel, en mach my doen gheen scha,135
Ick ben te gherust ghetroost, ick vrager gants niet na.136
Onghetwijffelt ghy sult dit op een ander houwen,137
En die dit heeft ghemaeckt in gheen manier vertrouwen.138
Doch of ghy 'tschoon al riedt, wie dat dit eerstmael schreef,
140
Ghy sultet weten niet soo langh als ick hier leef.
Hier met bid ick verloff ghy Heeren wijd vernaamt,141
Vermits my wederom te keeren nu betaamt
By mijn Meestersse, die u Antwoort sal verbeyden:143
Blijft vriendelyck gegroet, den tijt gebiet te scheyden.
-Den Broeders: aan de dierbare medeleden. In de titel en in vs. 1-4 is de dichter zelf aan het woord.
Gepubliceerd in Ned. Rijmen 1620, fol. A3r-A4v; Ned. Poëmata 1632, fol. A3r-A4v; 1638, fol A3r-A4v; 1644, fol. A3r-A4v. Titel in romein en cursief; de vzn. 1-4 in romein, groot corps; de vzn. 5-140 in fractuur met enkele woorden romein; de vzn. 141-144 als 1-4.
1Rhetorica: zinnebeeldige vrouwenfiguur, die als belichaming van welsprekendheid en dichtkunst de beschermgeest van de Kamer is en als zodanig van vs. 5 af haar vermanende toespraak houdt. In de vzn. 1-4 stelt de dichter de figuur van Rhetorica aan de lezers voor; bij de voordracht waren deze verzen overbodig.
3'tghewelt: de onstuimigheid, de heftigheid; onreed'lijcke: redeloze, onzinnige.
4myn Penne: nl. die van Bredero; door haer ingeven: op haar instigatie, door de Rhetorica-zelf geïnspireerd.
5Keyser: beschermheer, meestal een gefortuneerde persoon van hoge afkomst, geïnteresseerd in de letteren en bereid geld beschikbaar te stellen o.a. voor de prijzen van een dichtwedstrijd; wie in 1615 te Amsterdam deze plaats bekleedde, is niet bekend; Prins: leider, voorzitter; Facteur: degene die tot taak had bij de wedstrijden voor het referein of het spel te zorgen. Het genoemde drietal vormde het gezaghebbende bestuurscollege; wert: wordt.
6stil-stant: het stil worden, het eindigen; 't gheswets: het gepraat, het rumoer.
9den Gulde-Eeuw, of Golden-Tijdt: in verscheidene mythologieën begint de geschiedenis met een paradijselijke periode van zedelijke volmaaktheid en onbedreigde voorspoed. Zo bij Ovidius: ‘Aurea prima sata est aetas’, de gouden eeuw ontstond het eerste (Metamorphosen Bk. I, vs. 89). Deze opvatting is ontstaan uit het besef dat de tijd alles verandert en te gronde richt, en dat ouderdom verval betekent.
11 Heerlijckheyts D E Heerlijckheyt - 19 Wat ist? wat ist? D E Wat ist? - 24 Helas C D E Helaas - 26 't twisten volgens C D E; A 'twisten
11Gheboren van 't Gheluck enz.: door het lot voorbeschikt tot een hoge positie en tot roem.
13't Ghebiedt: hun gebied, dus de rederijkerskamer.
14Staatwaardich: een hoge positie waardig; haar: hun.
22noodich: noodwendig; door vruchteloosheyt: wegens het vruchteloze van mijn klachten.
25bloeyende: mede door het afwijkende lettertype is dit woord een duidelijke toespeling op de zinspreuk van de Kamer, en als zodanig een rederijkerseigenaardigheid; daar ick met plach te brallen: waarop ik gewoon was te pochen, trots te zijn.
33ghewoont': gedragingen; kunst: bekwaamheid; ghehouden wert Raadt-saalich: beschouwd werd als een verstandig man, een man met goede inzichten.
34Heerschten: het onderwerp hierbij is enkelvoud (Die, vs. 34); ontsich'lijck: geëerbiedigd, ontzag afdwingend; lief-taalich: beminnelijk, ook met betrekking tot het spreken.
35vantmer: vond men er; Geesten: talenten, dichters.
36uytbeelden: toneel spelen; geswind enz.: schrander, bekwaam en ongedwongen.
37wiens: wier; 't ghepeupel: het gewone volk (niet minachtend).
38Fama: de godin van de roem; haar: hun; noemen: naamsvermelding.
46over: vóor; schrickend': de ongewone omzetting van de vijfde jambe is bij dit woord bijzonder expressief; dit wordt versterkt door de viervoudige sch-alliteratie (vs. 46-48).
47schuym: uitvaagsel (in tegenstelling tot puyck, vs. 44).
48Schou-plaats: de openbare toneelzaal, in tegenstelling tot hier (vs. 47), de besloten bijeenkomst van de leden, waarin Rhetorica geacht wordt het woord te voeren.
62Hadden: had; meervoudige persoonsvorm bij het collectivum volck; te slecht: heel dom, onnozel (bijv. bep. bij volck of bijw. bep. bij hadden gekooren).
63Dies: daarom; labbige: praatzieke, kletsende; (ha Campen!): de aanspreking, die het gesprokene in de vzn. 64-66 inleidt. Cornelis Jacobsz. van Campen (geb. 1564), een neef van Roemer Visscher, had jarenlang een leidende functie in de Eglentier.
64Dus lang heeft enz.: u hebt het zolang voor het zeggen gehad (een wervel is een draaiend houtje waarmee een deur afgesloten kan worden).
67Welcks stijf en dwaas op-set: wiens koppige en dwaze plan; het vs. is een bijv. bijz. met als antecedent de spreker van de woorden van vs. 64-66, dat is dus de Heerscher van vs. 62; het is echter ook mogelijk, dat Welcks een drukfout is voor Welck; Thersites: een van de Grieken voor Troje, een laffe, demagogisch optredend snoever (Ilias II, vs. 212). Thersites is onderw. van de zin; wie Bredero met de naam bedoelde, is niet bekend; gestarckt: gestijfd, ondersteund.
68wien: wie dat is; de Dragers Heerschap enz.: in Werken 1890 (III, blz. 85) tekent Te Winkel hierbij aan: ‘het hoofd van het korendragers gilde, waarvan de leden naar den gekruisten draagband ook spottend “kruysheeren” genoemd werden (zie Symen vs. 435). Denkt men daarbij aan het Bourgondische kruis en aan de “ridders van de Ordre van den Huyze van Borgongiën”, dan zou men door den naam zelf de gissing van Dr. Jonckbloet bevestigd kunnen zien, dat de ridder Theodoor Rodenburgh bedoeld wordt.’ De typering in vs. 69 is op hém echter weinig toepasselijk.
72eer yet lang: binnenkort; soo ghyer niet voor syt: indien gij het niet voorkomt.
74De School enz.: bijstellingen bij het woord Camer (vs. 72). Na dit vs. denke men een punt i.p.v. de komma.
93 begeckt D E begeck
75De Suygh'lingen mijns borsts: degenen die door mij, Rhetorica, zelf zijn opgevoed; wijcken vast daegh'lijcx af: trekken zich reeds iedere dag meer en meer terug.
103Ist niet wel last'rens waart: moet het geen schande heten; dat ghy u veynst: dat gij veinst. Hiermee is of verbeeld inden schijn (vs. 104) nevenschikkend verbonden; de vertaling luidt dus: dat gij veinst of de indruk wekt te zijn hetgeen gij niet zijt.
105Reden-rijcker: iemand die rijk is aan rede, verstand; woordspeling of volksetymologische interpretatie van het met het lat. rhetorica samenhangende woord rhetorijcker.
106glans of schijn: een fraai, stralend uiterlijk, buitenkant; sijn wesen ongelijcker: minder gelijkend op zijn innerlijk; het vraagteken, dat zoals gebruikelijk was, middenin de retorische vraag staat, leze men aan het eind van dit vers.
107Reden-arm: tegenstelling van Reden-rijck (vs. 105); Haaters seer twist-mildt: zeer twistzieke haters.
108ghy zijt heel verkeert enz.: gij zijt als bewijs van uw blazoen (dus als bewijs dat zij dat met recht voeren) volkomen in het tegendeel omgeslagen. In het blazoen stond immers een gekruisigde Christus met de spreuk In Liefde bloeyende. Bovendien zijn ze redenarm in plaats van redenrijk.
110u wed'rom te samen spannen: u weer aaneensluiten.
114 steulpen C D E stulpen
111Lofbaar: loffelijke, prijzenswaardige; achtergeplaatse bijv. bep. bij Kunst-Goddin Rhetorica.
112Besprengen: besprenkelen; met mijn spring-ader claar: met water uit mijn heldere bron; toespeling op de hengstebron in het Helicongebergte, de bron van de dichterlijke bezieling bij de verblijfplaats van de Muzen.
113Hoewel 't spytich verdriet enz.: hoewel ik zo lang dit betreurenswaardig verdriet heb ondergaan.
114En my deed' steulpen uyt: en dit mij deed uitstorten ('t spytich verdriet fungeert nu als onderwerp); moey'lijcheden: geprikkelde, ontstemde woorden.
122strijden: strijdt; deze infinitief (of meervoudsvorm?) doet hier dienst als gebiedende wijs, waarschijnlijk ter wille van het metrum.
123nemen nu in't goet: nu ten goede duiden, niet kwalijk nemen.
124onrustich: van ongerustheid vervuld: mijn leerlingh: hier valt Rhetorica uit haar rol door te vermelden dat haar tekst door een van haar discipelen is opgesteld.
125Die met onschuld enz.: die dit bijna, zich verontschuldigend, had afgewezen.
128Voor wichtigher enz.: voor belangrijker zaken, zegt hij, moeten zijn meerderen zorgen.
130onsichtbaar: niet meer als toneelpersonage maar als inspirerende gezindheid; by te komen: te bezoeken.
131Dan: maar; Campen: zie vs. 63; Lambert: de gefortuneerde Lambert Lambertsz., die later geld heeft gestoken in de schouwburg van de Academie (zie Memoriaal, blz. 234); Samuel: de arts en toneelschrijver Samuel Coster, in 1617 oprichter van de Nederduytsche Academie, als begaafd lid van De Eglentier krachtig in verzet tegen het optreden van de onbegaafden.
132met voorsicht: met vooruitziende blik, met overleg; soo: zoals.
135Haar verstand'loos gherel: hun onverstandig gezwets.
136Ick ben te gherust ghetroost: ik ben daar zeer gerust op.
137op een ander houwen: aan iemand anders toeschrijven.
138En die: en (het) aan hem die; in gheen manier vertrouwen: op geen enkele wijze toekennen, toeschrijven.
141bid ick verloff: neem ik afscheid; Heeren wijd vernaamt: wijd vermaarde heren.
143Mijn Meestersse: mijn meesteres. Hier kan niet meer Rhetorica-zelf aan het woord zijn, immers zij is de meesteres. Het is dus de voordrager en met hem de anoniem gebleven dichter die afscheid neemt.