En Onder-handelingh met haer als Vrienden plegen,137
Met Wissel, oft met Waer, nae dat het komt gelegen,138
En doen ghelijckelijck afbreuck en weder standt139
140
Den Spanjaert, vyandt van ons waerdigh Vaderlandt,140
Al door 't bestieren van Godes voorsinnicheden,141
En 't heerelijck beleyt der Staten onser Steden.142
Gepubliceerd in Ned. Poëmata 1632, fol. G4r-H2r; 1638, fol. G4v-H2r; 1644, fol. C6r-C8v. Het openingslied van Urania bovendien in Groot Lied-Boeck 1622 (Gr. Ldb. I, blz. 175, en II, blz. 273), evenals het pseudo-sonnet ‘Tot sulken grootsheyt’ (Gr. Ldb. I, blz. 45, en II, blz. 191). Opschrift romein en cursief; samenspraak romein (de namen Urania en Pallas klein kapitaal), eigennamen cursief; ‘Sonnet’: opschrift romein; tekst cursief met eigennamen romein. Titel welkom Ldb. wellekom - 7 komt goedich hier op aerde Ldb. vs. 24 Die komt hier opter Aarden
-Stemme: zie Gr. Ldb. III, De melodieën van Bredero's liederen, door F.H. Matter, nr. 32.
-Urania: de muze van de sterrenkunde; de naam betekent ‘de Hemelse’.
1Gewapende Goddinne: nl. Pallas Athene, de godin van de wijsheid en de kunst, die in volle wapenrusting uit het hoofd van Zeus geboren was.
3laat: laat ... over aan (lijd. voorw. hierbij is Hem'len bly vs. 3). In Gr. Ldb. I, blz. 175, wordt laat opgevat als ‘verlaat’; de vzn. 4b, 5 en 6 vormen dan her lijd. voorwerp.
4de heughelijcke Chooren: de blijgestemde, zingende en dansende hemelbewoners (meew. voorw. bij laat).
5U Borgery: uw onderdanen (bijstelling bij Chooren).
6D'Onuytdruck'lijcke saelen: de onbeschrijflijk grootse ruimten (bijstelling bij Hem'len).
9 Dees Ldb. vs. 11 Dies - 10 heylighheen bekent Ldb. vs. 12 heylicheen, bekent - 17 sterffelijcke C streffelijcke - 20 haest Ldb. vs. 24 deft; needrigh C neerdrigh - 23 Dies Ldb. vs. 28 Dus
10De heylighheen bekent enz.: aan bloemenen veldnimfen bekend en toch in het verborgen bloeiend. We moeten hier denken aan laag tussen het gras bloeiende bloemen, die door Athene bij het lopen beroerd worden. Gr. Ldb. II, blz. 274-275, geeft op grond van de komma die in het Ldb. na heylicheen staat, de voorkeur aan een andere interpretatie.
34treur: nl. treurgerijm, droevige liederen (samentrekking van een samenstelling en een woordgroep komt bij Bredero meer voor, bijv. in Moortje: ‘ongewoon en ongebruyck der woorden’, in de ‘Rede aande latijnsche-geleerde’).
35wel ghevoeght: dat daar goed bij past (bijv. nabepaling bij geluyt).
40u: uw; opwaerts, of neder voert: blij of droevig stemt.
42In 't wel vereenen enz.: over de juiste vereniging van uw wijsheid en uw scherts.
43gheslacht: kinderen van één vader, nl. van Zeus en Mnemosyne; jock en boertery: scherts (tautologie).
44Naer tyts bequaemheyt: naar de omstandigheden van het ogenblik; schickt: bezorgt, verschaft.
45ingeleyt verstandt: aangeboren inzicht; de dubbele punt fungeert als een komma, om het einde van de bijv. bijzin bij de aanspreking (vs. 43) aan te geven; d'opmerckende gemoeden: de aandachtige gemoederen (lijd. vw. bij dwingh, vs. 46).
47de snelheyt van u schickkelijck beleyt: de snelle aanpassing van uw gedragingen.
48gelaat: uiterlijk, gedrag; gril: grilligheid, speelsheid (met samentrekking van -igheyt in de nevenschikking met statigheyt); statigheyt: stemmigheid, ingetogenheid.
55misverstant van: onbegrip, onwetendheid aangaande; waan: verkeerde gedachten (samentrekking van misverstand van is grammaticaal mogelijk, maar semantisch niet waarschijnlijk).
63sticht'lijck: verheffend; en dat ghy (...) laat: en laat; 't cieraat: de pracht.
64woorden op gepronckt: mooie, pralende woorden; het pit: de kern, de inhoud.
65Begrijpt geen dingh: vat geen zaken aan; om vaemen: omvatten.
66Noch dat ghy enz.: noch (dingen) waarvan gij zeker weet, dat ze u niet passen.
67Den sotten Ikarus enz.: schuw, vermijd de dwaze streken van de onverstandige Icarus. Icarus was de zoon van Dedalus, die met zijn vader gevangen gehouden werd in het labyrint in Kreta, dat de laatste zelf gebouwd had. Dedalus maakte van was en veren vleugels om met behulp daarvan te ontsnappen. Tegen de raad van zijn vader vloog Icarus te hoog. De zonnewarmte deed de was smelten, waardoor Icarus bij Samos in zee stortte.
68Met Dedalus beraân enz.: houd met Dedalus welberaden de middenweg.
69wulpse: vermetele, onbezonnen; Phaëton: zoon van de zonnegod, die voor één dag de zonnewagen mocht besturen. Hij kon de paarden niet in bedwang houden en Zeus moest een einde maken aan de dolle rit door hem met de bliksem te treffen.
89Theben: Thebe, hoofdstad van het landschap Boeotië, hier figuurlijk (pars pro toto) voor Hellas, het klassieke Griekenland; breken: onwillig vertrekken.
91Hippocreen, Agaenipp': Hippokrene (d.i. Hengstebron), Aganippis: twee namen voor de door het paard Pegasus geslagen bron, waarvan het water dichterlijke inspiratie geeft; Pegasus, hoef-slachs bron: waarschijnlijk als een samenkoppeling te beschouwen: de door Pegasus' hoef geslagen bron.
92waerde: geliefde; Helicon: berg in Boeotië, gewijd aan Apollo en de Muzen, waar zich de genoemde bron bevond.
93En swerven doen: en zwierven toen (eig. sworven).
111in 't oude Koninghs Hof: aan het hof van de oude (vroegere) koning, nl. Frans I (1515-1547), die het doordringen van de Renaissance in Frankrijk heeft bevorderd, o.m. door Italiaanse kunstenaars aan zijn hof te roepen.
114ons rust (...) genomen: ons neergezet, gevestigd.
115oprecht: braaf, rechtschapen. Het in de volgende vzn. geschilderde beeld van de geschiedenis berust volgens Te Winkel op ‘de kroniek van Beka’ (Werken 1890, III, blz. 137 n.).
116Geen neeringh dreven: geen ander middel van bestaan hadden; haer visserije slecht: hun primitieve visvangst.
123gesteldt: geplaatst; nieuwelijcks geplandt: nog maar kort in de grond gezet.
125uyt haar vervallen assen: uit zijn rampspoed (bijw. bepaling bij vs. 126). Het woord haar (d.i. hun) verwijst eigenlijk naar ‘eecken-houte muren’, maar Bredero betrekt het met een wending in de gedachte op de burgerij.
126Sijn: meervoudige persoonsvorm bij het collectivum volck.
128't Geschonden niet alleen enz.: wat verwoest was niet alleen herbouwd, maar ook nog uitgebreid. In de eerste vershelft is ghebout samengetrokken.
129 grootsheyt Ldb. grootheydt - 132 Oorelooghs Beleydt Ldb. Ooreloghs-beleyd; en machtigheyt Ldb. in Machtigheydt - 133 Haer uytgeblaese Faem Ldb. Dat haer geblase Faem - 135 Parsiaen Ldb. Persiaen - 138 dat het Ldb. dattet - 141 voorsinnicheden Ldb. voorsienicheden
130zij: dit vrl. voornaamw. verwijst niet naar de naam, maar naar de stad Amsterdam; treflijckheyt: aanzien, pracht.
133Haer uytgeblaese Faem: haar luid verkondigde roem; snorren: gonzen, zoemen.
134dreygen met ontsagh: ontzag afdwingen, imponeren.
135Geel: nl. Geele Moor: de lichtgetinte mensen uit Noord-Afrika (de buigings-e ontbreekt door elisie); zie ook WNT IX, kolom 1101-1102; Parsiaen: de Perzen.
136Die sal: elk van hen zal; haer mogentheyt enz.: de macht van de stad te hulp roepen.
141Al door 't bestieren enz.: alles door de besturing van Gods voorzienigheid; voorsinnicheden is een afleiding van voorsinnig, door Bredero o.a. in het ‘Antwoort op den Brief van Iacob Barthout Feris soon’ gebruikt(vs. 52).
142't heerelijck beleyt: het bestuur zoals het landsheren past, uitmuntend, nobel.