terug  begin  verderprepost
[p. 136]

Der Musen welkom

Stemme: O schoonste Persoonagie! &c.-
 
urania-.
 
Gewapende Goddinne,1
 
Die uyt het breyn uws Vaders zijt gebooren,
 
Ghy laat, uyt waere Minne3
 
En Liefd' tot ons, de heughelijcke Chooren4
5
U Borgery, de Hem'len bly,5
 
D'Onuytdruck'lijcke saelen:6
 
En ghy alwaerde, komt goedich hier op aerde7
 
By ons daelen.
[p. 137]
 
Dees kruyderen en bloemen,
10
De heylighheen bekent en noch verholen,10
 
Haer wel gheluckigh noemen11
 
Door't voelen van de platten uwer solen:
 
Waer ghy die stelt, het gras-rijck veldt,
 
De bergen, beemden, bladen
15
Vieren de treden van u grootachtbaerheden15
 
Vol genaden.16
 
 
 
De sterffelijcke lieden,
 
Als sy 't geruys van u vermaertheyt hooren,18
 
Sy wijcken met eerbieden19
20
En neyghen haest met needrigh hart en ooren20
 
Voor u te voet, in groot ootmoet,
 
Dijn Majesteyt ter eeren:
 
Dies by u knielen, de sinnen en de sielen;23
 
Om te leeren.
[p. 138]
25
Vroe-Moeder vande reden,25
 
Ghy Dochter vande groote Godt der Goden,
 
Ghy stichtersse van steden,27
 
Ghy Koningin van wetten en geboden,
 
Voogdesse, die dees drymael drie29
30
In u dienst hebt genomen,
 
Daelt af in vreden, en weest ons hier beneden
 
Wel gekomen.
 
pallas
 
O schoone Nimphe die met sangh, met spel, met dansen,33
 
Met treur en bly gerijm verdient de lauwere kransen:34
35
Uw' stemmen mengingh en het lieffelijck geluyt35
 
Der snaeren wel ghevoeght lockt my ten Hemel uyt.
 
ô Wonderlijcke kracht! die niet alleen de sinnen37
 
Der Menschen en beweeght: maer Goden en Goddinnen,
 
Die door u soetigheyt so hevigh sijn beroert,39
40
Dat ghyse naer u wil opwaerts, of neder voert.40
 
Hoe groot is u geluck! de Hemel-lien verblyen
 
In 't wel vereenen van u wyse sotternyen.42
[p. 139]
 
Bly-gheestighe gheslacht, die jock en boertery,43
 
Naer tyts bequaemheyt schickt, en strenghe ernst daer by44
45
Met ingeleyt verstandt: d'opmerckende gemoeden45
 
Die dwinghdy vaack tot lach, tot wond'ren en verwoeden46
 
Over de snelheydt van u schickkelijck beleyt47
 
En 't wiss'len van gelaat tot gril of statigheyt.48
 
Voorwaar ick prys veel meer u recht-geleerde sotheyt,49
50
Als letter-wyse kunst van schermen na de Godtheydt:50
 
Die blinde slaghen door de wolcken henen slaet51
 
Na dingen die het breyn des Werelts niet verstaet.52
 
ô Dolingh, laas, ghemeen by alderhande talen,53
 
Hoe doet dy steden groot en heele landen dwalen?
55
Alleen door misverstant van eygen wil en waan:55
 
Want elck halstarrigh blijft op sijn voornemen staan.56
 
Een yder pooght veel meer te wesen een bet-weter,
 
Dan hy sijn selven soeckt door deught te maken beter.
 
ô Menschelijck ghebreck! sy trachten kloeck in schijn,59
60
En heyligh inde Mondt, en boos in 't hart te sijn.
[p. 140]
 
Mijdt dese dolligheydt, mijn eygen Negen Nichten:61
 
En voegt de matigheyt in u gekroonde dichten.62
 
Maeckt datse sticht'lijck sijn, en dat ghy, om 't cieraat63
 
Der woorden op gepronckt, het pit niet buyten laat.64
65
Begrijpt geen dingh soo groot dat ghy niet kunt om vaemen,65
 
Noch dat ghy seecker weet voor u niet te betaemen.66
 
Den sotten Ikarus sijn dwase streecken schouwt,67
 
Met Dedalus beraân de middel weghen houdt.68
 
De wulpse Phaëton sijns Vaders waghen stuurde:69
70
Maer 't reuckeloos bestaen hy met de doot besuurde.70
 
Dies stelt u lust een wet, beproeft eerst wat ghy kent,71
 
En ooght, als ghy begint, voorsichtigh op het endt.72
 
urania
 
Dees dingen hebben wy, Goddin, naer ons vermogen73
 
En swackheyt onses aerts, gestadelijck gheplogen:74
[p. 141]
75
Maar so de schaduw steets na 's Menschen lichaem schrijt,75
 
So volght d'onnoos'le deught de bitt're bitse nijt.76
 
Want siet de boosheyt selfs leyt toe op ons bederven:77
 
Het slimste dat hy kan, ick mocht die wijs wel derven,78
 
Dat d'aldersnootste Mensch den alder-vuylsten smaet,79
80
Heel veyligh en gantsch vry en wel geoorloft staet,80
 
En spreken schamperlijck op ons u Susterlingen,81
 
Van saken, die wy noyt noch dachten noch begingen.
 
O Mannelijcke Maeght! Vorstinne vande kunst,83
 
Toont ons, in dese noodt, u hullep-rijcke gunst,84
85
Hebt deernis met u bloedt: verhoort ons klachtigh smeken,85
 
En leert ons wijsselijck al sulcke woorden spreken,
 
Die so groot sijn van kracht, dat sy, in korten tijt,
 
Vermurewen het volck, dat heym'lijck ons benijt.88
 
Ach! doen met schande wy van Theben moesten breken,89
90
Verlooren wy alleen niet onse lieve beken,90
 
Hippocreen, Agaenipp', Pegasus, hoef-slachs bron;91
 
Maar oock ons waerde Bergh, den groenen Helicon,92
[p. 142]
 
En swerven doen in 't wildt, tot dat wy sijn gekoomen,93
 
In 't overmachtigh-rijck en wijt vermaerde Roomen.94

Op de stadt Roomen.

95
Die Roem des Aerden kloots: die Vorstelijcke stadt,95
 
Die, van sijn wasdom of, geen weergaa heeft gehadt96
 
In bloeyentheyt en eer: danck hebb, de Ed'len kunsten,
 
Die daar wierden gevoet van wyser Princen gunsten:98
 
Want de geleerde lien, die maackten haar so groot,
100
Dat haere naem noch trotst de krachten vande doodt.
 
De nydigheyt des tijts heeft wel de hooghe wallen;101
 
Maer haer naem-haftigheydt in 't minste niet doen vallen.102
 
't Oudt Roomen leydt in 't sandt, bewelt in puyn en stof:103
 
Niet isser ongeschendt! als haer vernaemde lof.104
105
Och! 't was wel eer de schrick van volck'ren en van landen;
 
Dan nu ist maer een graf der schranderste verstanden.
 
Uytnementheyt des gheests, die goddelijcke vonck,
 
Die daar so treffelijck in alle wercken blonck,108
 
Is nu gantsch uyt ghedompt: wy sijn van daer verdreven,109
110
En hebben ballingh slants veldt vluchtigh moeten sweven,110
[p. 143]
 
Tot in het France rijck, in 't oude Koninghs Hof:111
 
Daer siet men noch van ons wat overblijfsels of.112
 
Maer, moedighe Goddin, voorstandtster vande vromen:113
 
Nu hebben wy ons rust in Amsterdam genomen,114
115
Alwaer de lieden, eerst eenvoudigh en oprecht,115
 
Geen neeringh dreven, dan haer visserije slecht:116
 
En leefden wel vernoeght in arme strooje hutten,
 
Ter nauwer noot bequaem om Windt en weer te schutten118
 
Zy stonden in ghenae, en onghenae der Zee:
120
Dan niet te min was daer een luwe goede ree,120
 
Waar door sy namen toe van Burgers en van Buren:
 
En hebben sich omheynt met eecken-houte muren,
 
Die, nauwelijcks gesteldt of nieuwelijcks geplandt,123
 
Gantsch wierden tot de grondt, vernielt en afghebrandt.
125
Maer dit kloeck-hartigh volck, uyt haar vervallen assen,125
 
Sijn in een kleyne tijt tot grooter staet gewassen:126
 
En hebben voorts op nieuw eendrachtelijck van hout,
 
't Geschonden niet alleen, maer wyder noch ghebout.128
[p. 144]

Sonnet

 
Tot sulcken grootsheyt sal Amstelredam noch komen,
130
Dat zij in treflijckheyt sal overwinnen Romen:130
 
In deftigheyt van Raedt, in Mannelijck Gewelt,131
 
In Oorelooghs Beleydt, en machtigheyt van Geldt.132
 
 
 
Haer uytgeblaese Faem sal snorren door de wolcken,133
 
En dreygen met ontsagh de wijdt gelegen Volcken,134
135
De Geel en Swarte Moor, de Turck, en Parsiaen,135
 
Die sal haer mogentheyt om hulpe smeecken aen:136
 
 
 
En Onder-handelingh met haer als Vrienden plegen,137
 
Met Wissel, oft met Waer, nae dat het komt gelegen,138
 
En doen ghelijckelijck afbreuck en weder standt139
 
 
140
Den Spanjaert, vyandt van ons waerdigh Vaderlandt,140
 
Al door 't bestieren van Godes voorsinnicheden,141
 
En 't heerelijck beleyt der Staten onser Steden.142
Gepubliceerd in Ned. Poëmata 1632, fol. G4r-H2r; 1638, fol. G4v-H2r; 1644, fol. C6r-C8v. Het openingslied van Urania bovendien in Groot Lied-Boeck 1622 (Gr. Ldb. I, blz. 175, en II, blz. 273), evenals het pseudo-sonnet ‘Tot sulken grootsheyt’ (Gr. Ldb. I, blz. 45, en II, blz. 191).
Opschrift romein en cursief; samenspraak romein (de namen Urania en Pallas klein kapitaal), eigennamen cursief; ‘Sonnet’: opschrift romein; tekst cursief met eigennamen romein.
Titel welkom Ldb. wellekom - 7 komt goedich hier op aerde Ldb. vs. 24 Die komt hier opter Aarden
-Stemme: zie Gr. Ldb. III, De melodieën van Bredero's liederen, door F.H. Matter, nr. 32.
-Urania: de muze van de sterrenkunde; de naam betekent ‘de Hemelse’.
1Gewapende Goddinne: nl. Pallas Athene, de godin van de wijsheid en de kunst, die in volle wapenrusting uit het hoofd van Zeus geboren was.
3laat: laat ... over aan (lijd. voorw. hierbij is Hem'len bly vs. 3). In Gr. Ldb. I, blz. 175, wordt laat opgevat als ‘verlaat’; de vzn. 4b, 5 en 6 vormen dan her lijd. voorwerp.
4de heughelijcke Chooren: de blijgestemde, zingende en dansende hemelbewoners (meew. voorw. bij laat).
5U Borgery: uw onderdanen (bijstelling bij Chooren).
6D'Onuytdruck'lijcke saelen: de onbeschrijflijk grootse ruimten (bijstelling bij Hem'len).
7alwaerde: voortreffelijke; hooggeëerde; goedich: vriendelijk gezind.
9 Dees Ldb. vs. 11 Dies - 10 heylighheen bekent Ldb. vs. 12 heylicheen, bekent - 17 sterffelijcke C streffelijcke - 20 haest Ldb. vs. 24 deft; needrigh C neerdrigh - 23 Dies Ldb. vs. 28 Dus
10De heylighheen bekent enz.: aan bloemenen veldnimfen bekend en toch in het verborgen bloeiend. We moeten hier denken aan laag tussen het gras bloeiende bloemen, die door Athene bij het lopen beroerd worden. Gr. Ldb. II, blz. 274-275, geeft op grond van de komma die in het Ldb. na heylicheen staat, de voorkeur aan een andere interpretatie.
11Haer: zich; wel: zeer.
15Vieren: begroeten; u grootachtbaerheden: uw goddelijkheid.
16Vol genaden: bijv. nabep. bij u grootachtbaerheden.
18Als sy 't geruys enz.: als zij uw roem horen verkondigen.
19Sy: hervatting van het onderwerp (vs. 17).
20neyghen (...) Voor u te voet: maken voor u een voetval; haest: snel.
23de sinnen en de sielen: verstand en gevoel (zie ook Gr. Ldb. II, blz. 275).
27 stichtersse van Ldb. vs. 33 Stichsters van de
25Vroe-Moeder: vroedvrouw; reden: rede, verstand.
27stichtersse: stichteres; hier met onbetoonde tweede lettergreep.
29dees drymael drie: deze negen, nl. de Muzen.
33Nimphe: eig. Muze.
34treur: nl. treurgerijm, droevige liederen (samentrekking van een samenstelling en een woordgroep komt bij Bredero meer voor, bijv. in Moortje: ‘ongewoon en ongebruyck der woorden’, in de ‘Rede aande latijnsche-geleerde’).
35wel ghevoeght: dat daar goed bij past (bijv. nabepaling bij geluyt).
37de sinnen: de gemoederen.
39soetigheyt: lieflijkheid.
40u: uw; opwaerts, of neder voert: blij of droevig stemt.
42In 't wel vereenen enz.: over de juiste vereniging van uw wijsheid en uw scherts.
43gheslacht: kinderen van één vader, nl. van Zeus en Mnemosyne; jock en boertery: scherts (tautologie).
44Naer tyts bequaemheyt: naar de omstandigheden van het ogenblik; schickt: bezorgt, verschaft.
45ingeleyt verstandt: aangeboren inzicht; de dubbele punt fungeert als een komma, om het einde van de bijv. bijzin bij de aanspreking (vs. 43) aan te geven; d'opmerckende gemoeden: de aandachtige gemoederen (lijd. vw. bij dwingh, vs. 46).
46wond'ren en verwoeden: hevige verwondering.
47de snelheyt van u schickkelijck beleyt: de snelle aanpassing van uw gedragingen.
48gelaat: uiterlijk, gedrag; gril: grilligheid, speelsheid (met samentrekking van -igheyt in de nevenschikking met statigheyt); statigheyt: stemmigheid, ingetogenheid.
49recht-geleerde: verstandige, intelligente.
50Als letter-wyse kunst: dan de boekengeleerdheid: schermen na de Godtheydt: godgeleerde disputen.
51Die blinde slaghen enz.: die in den blinde een slag slaat.
52Na: naar; het breyn des Werelts: het menselijk verstand.
53laas: helaas; ghemeen: gewoon, veel voorkomend.
55misverstant van: onbegrip, onwetendheid aangaande; waan: verkeerde gedachten (samentrekking van misverstand van is grammaticaal mogelijk, maar semantisch niet waarschijnlijk).
56voornemen: te voren ingenomen standpunt.
59ghebreck: tekortkoming; sy: nl. iedereen die in de vzn. 57 en 58 is bedoeld; kloeck: wijs, verstandig.
61Nichten: bloedverwanten; de Muzen waren halfzusters van Athene, omdat ook zij dochters van Zeus waren.
62matigheyt: gematigheid; gekroonde: bekroonde.
63sticht'lijck: verheffend; en dat ghy (...) laat: en laat; 't cieraat: de pracht.
64woorden op gepronckt: mooie, pralende woorden; het pit: de kern, de inhoud.
65Begrijpt geen dingh: vat geen zaken aan; om vaemen: omvatten.
66Noch dat ghy enz.: noch (dingen) waarvan gij zeker weet, dat ze u niet passen.
67Den sotten Ikarus enz.: schuw, vermijd de dwaze streken van de onverstandige Icarus. Icarus was de zoon van Dedalus, die met zijn vader gevangen gehouden werd in het labyrint in Kreta, dat de laatste zelf gebouwd had. Dedalus maakte van was en veren vleugels om met behulp daarvan te ontsnappen. Tegen de raad van zijn vader vloog Icarus te hoog. De zonnewarmte deed de was smelten, waardoor Icarus bij Samos in zee stortte.
68Met Dedalus beraân enz.: houd met Dedalus welberaden de middenweg.
69wulpse: vermetele, onbezonnen; Phaëton: zoon van de zonnegod, die voor één dag de zonnewagen mocht besturen. Hij kon de paarden niet in bedwang houden en Zeus moest een einde maken aan de dolle rit door hem met de bliksem te treffen.
70't reuckeloos bestaen: het roekeloze waagstuk.
71u lust: uw verlangens.
72ooght (...) voorsichtigh op het endt: houdt met vooruitziende blik de afloop in het oog.
73naer: naar de mate van.
74onses aerts: van onze natuur, onze aanleg; gheplogen: betracht (oud verleden deelw. van plegen.)
75so: zoals; na: achter.
76volght: volgt op, achtervolgt; onnoos'le: onschuldige (d'onnoos'le deught is lijd. voorw.); nijt: afgunst, haat (onderwerp).
77selfs: zelf; leyt toe: heeft het gemunt op; bederven: verderf.
78slimste: ergste; na kan leze men een puntkomma; wijs: gewoonte, zede; mocht derven: zou willen missen, kwijtraken.
79aldersnootste: allerslechtste, boosaardigste; smaet: schande.
80vry: onbevreesd; wel geoorloft: alsof het volkomen geoorloofd was, alsof hij niets misdreven had: staet: bestand is tegen (vgl. WNT XV, kolom 94).
81En spreken schamperlijck op: en dat zij (nl. zulke mensen) smadelijk spreken over; u Susterlingen: uw bloedverwanten (vgl. vs. 61).
83Mannelijcke: gezegd van Athene wegens haar wijsheid en moed.
84gunst: genegenheid.
85u bloedt: uw bloedverwanten; klachtigh: klagend.
88benijt: haat.
89Theben: Thebe, hoofdstad van het landschap Boeotië, hier figuurlijk (pars pro toto) voor Hellas, het klassieke Griekenland; breken: onwillig vertrekken.
90beken: eig. beke, beek. Lees hierna: namelijk.
91Hippocreen, Agaenipp': Hippokrene (d.i. Hengstebron), Aganippis: twee namen voor de door het paard Pegasus geslagen bron, waarvan het water dichterlijke inspiratie geeft; Pegasus, hoef-slachs bron: waarschijnlijk als een samenkoppeling te beschouwen: de door Pegasus' hoef geslagen bron.
92waerde: geliefde; Helicon: berg in Boeotië, gewijd aan Apollo en de Muzen, waar zich de genoemde bron bevond.
93En swerven doen: en zwierven toen (eig. sworven).
94overmachtigh-rijck: uiterst machtige en rijke.

95Die Roem des Aerden kloots: die trots van de aardbol. Hier begint een bijstelling bij Roomen (vs. 94), die doorloopt tot en met vs. 100.
96of: af.
98van wyser Princen gunsten: door de gunstbewijzen van wijze vorsten.
101nydigheyt: vijandigheid, vernielende kracht.
102haer: nl. van de stad; naem-haftigheydt: faam, beroemdheid.
103bewelt in: bedolven onder. Vgl. deze passage met Hoofts rijmbrief ‘Aen de Camer in liefd' bloeyende’, vs. 139-148 (ed. L.-St. I, blz. 8).
104Niet: niets; als haer vernaemde lof: dan haar alom bekende roem.
108treffelijck: prachtig, heerlijk; wercken: kunstwerken.
109uyt ghedompt: uitgedoofd.
110ballingh slants: als ballingen; veldt vluchtigh: voortvluchtig, vluchtend; sweven: zwerven, ronddolen.
111in 't oude Koninghs Hof: aan het hof van de oude (vroegere) koning, nl. Frans I (1515-1547), die het doordringen van de Renaissance in Frankrijk heeft bevorderd, o.m. door Italiaanse kunstenaars aan zijn hof te roepen.
112of: van (pleonastisch).
113voorstandtster: beschermster, verdedigster; vromen: rechtschapenen.
114ons rust (...) genomen: ons neergezet, gevestigd.
115oprecht: braaf, rechtschapen. Het in de volgende vzn. geschilderde beeld van de geschiedenis berust volgens Te Winkel op ‘de kroniek van Beka’ (Werken 1890, III, blz. 137 n.).
116Geen neeringh dreven: geen ander middel van bestaan hadden; haer visserije slecht: hun primitieve visvangst.
118bequaem: geschikt.
120Dan: maar.
123gesteldt: geplaatst; nieuwelijcks geplandt: nog maar kort in de grond gezet.
125uyt haar vervallen assen: uit zijn rampspoed (bijw. bepaling bij vs. 126). Het woord haar (d.i. hun) verwijst eigenlijk naar ‘eecken-houte muren’, maar Bredero betrekt het met een wending in de gedachte op de burgerij.
126Sijn: meervoudige persoonsvorm bij het collectivum volck.
128't Geschonden niet alleen enz.: wat verwoest was niet alleen herbouwd, maar ook nog uitgebreid. In de eerste vershelft is ghebout samengetrokken.
129 grootsheyt Ldb. grootheydt - 132 Oorelooghs Beleydt Ldb. Ooreloghs-beleyd; en machtigheyt Ldb. in Machtigheydt - 133 Haer uytgeblaese Faem Ldb. Dat haer geblase Faem - 135 Parsiaen Ldb. Persiaen - 138 dat het Ldb. dattet - 141 voorsinnicheden Ldb. voorsienicheden
130zij: dit vrl. voornaamw. verwijst niet naar de naam, maar naar de stad Amsterdam; treflijckheyt: aanzien, pracht.
131deftigheyt: waardigheid; Raedt: opvatting, inzicht; Gewelt: kracht, macht.
132Oorelooghs Beleydt: oorlogvoering.
133Haer uytgeblaese Faem: haar luid verkondigde roem; snorren: gonzen, zoemen.
134dreygen met ontsagh: ontzag afdwingen, imponeren.
135Geel: nl. Geele Moor: de lichtgetinte mensen uit Noord-Afrika (de buigings-e ontbreekt door elisie); zie ook WNT IX, kolom 1101-1102; Parsiaen: de Perzen.
136Die sal: elk van hen zal; haer mogentheyt enz.: de macht van de stad te hulp roepen.
137Onder-handelingh (...) plegen: handel drijven (?)
138Met Wissel, oft met Waer: tegen betaling of door ruiling; nae dat: al naar.
139ghelijckelijck: tegelijkertijd; (doen) weder standt: tegenstand bieden.
140waerdigh: voortreffelijke.
141Al door 't bestieren enz.: alles door de besturing van Gods voorzienigheid; voorsinnicheden is een afleiding van voorsinnig, door Bredero o.a. in het ‘Antwoort op den Brief van Iacob Barthout Feris soon’ gebruikt(vs. 52).
142't heerelijck beleyt: het bestuur zoals het landsheren past, uitmuntend, nobel.
prepostterug  begin  verder