terug  begin  verderprepost
[p. 146]

Emblemata Amatoria

1 Onderlinghe minne

 
De moeder de natuur heeft inde jonghe sinnen1
 
Yet heymelijcx gheplant, dat ons beroert het bloedt,2
 
En 't welcken dat ons port tot onderling beminnen3
 
Der ghener, die met ons ghelijck zijn van ghemoedt.

2 Willighe ghevanghenis

 
Wel eertijdts was ick vry van hopen en verlanghen:
 
Maer also haest ick zach het helder aenschijn zoet2
 
Mijns Liefs, zo gaf ick my vrywillighlijck ghevanghen,3
 
Ghelijck als inde knip het kleyne vinckje doet.4
[p. 147]

3 Snel en vlytigh

 
Suft niet, wanneer als ghy u meerder mooght bekouten,1
 
Grijpt de gheleghentheyt daer ghyse schoonste vint,
 
Eer dat zy u ontslipt. 't Gheluck dat helpt de stouten.3
 
Noyt werde blooden bloedt van schoone vrou bemint.4

4 Hoop voedt de minnaers

 
Ghelijck de Zee-luy, en de Visschers aen der stranghen,1
 
Op hoop van goede vangst gaen waghen lijf en goedt:
 
Zo werden de Minnaers met innerlijck verlanghen,3
 
Oock vande zoete hoop gheleyt, en steets ghevoedt.

5 Liefde zonder rust

 
Tot welcken eynde of de Liefdetjes hier stryen,1
 
En worstelen om 'tzeerst? wat is hier of de zin?2
 
Maer datter nimmermeer, gheen rust en is in 't vryen:3
 
Want dat heeft alle daagh zijn strijdt en onrust in.
[p. 148]

6 De liefd' is blindt

 
Wat wijckt ghy blinde min, van wijsheyt en van reden?1
 
Ghy mist de wech des deughts, door die ghy 't dwaelpat kiest:2
 
Door 'tvolgen van u lust, en broetsche sinlijckheden,3
 
Waer door ghy 't slechtste zoect, en 't alderbest verliest.

7 De liefde lijdt gheen macker

 
Ghelijck de haanen trots hier om de hennen stryen,1
 
Vermits den een 't ghebruyck den ander niet en gunt:2
 
Zo mach de Minnaer oock gheen medemacker lyen,3
 
Al waer hy schoon zijn broer of alderliefste vrunt.4

8 Die 't vercken wil keelen, moet hem 't gieren troosten-

 
De leckre Cupido die stal met listicheden,1
 
De hoonich uyt de korf; de byen op het boost,2
 
Die quetsten hem de handt: hier door leert ons de reden,
 
Dat wie de zoetheyt wil, dat hy hem 't bitter troost.
[p. 149]

9 Twee honden over een been ‘comen zelden over een

 
De Vorst mach gheen gezel in zijn ghebiedt ghedoghen,1
 
Hy wil zijn rijck en troon beheerschen onghemeen.2
 
De Minnaer is jalours schier van zijn eyghen ooghen,3
 
Iae van zijn schaduw, die hy voor hem uyt ziet treen.4

10 Hy bereyt loon den onverdienden-

 
Wat helpt u slaverny, en u ghediensticheden?1
 
Ghy slacht den os; helas! die voor de Lantman ploeght;2
 
De vruchten van u sweet, van u vermoeyde leden,
 
Die werden onverdient een ander toeghevoeght.4

11 Ick jaagh en werdt verjaaght-

 
Ionckvrouwen 't is gedaen, ick can niet meer verdragen1
 
V weygeringhen dreuts zo grilligh als verkeert.2
 
Een yder wil de haes in zyne stricken jaghen,3
 
Maer ick werdt over al verjaaght en niet begeert.
[p. 150]

12 Welspreeckentheyt is liefdes leytsman

 
Wech koude klappers, die verwaant meent wel te spreken,1
 
V kunst is niet als wint, ten heeft noch val noch gront:2
 
De minnaers kunnen nu de staale slooten breken,
 
Want yder draaght van hun de sleutels inde mondt.4

13 Liefde buyght het al

 
Indien ghy op u zijd' de Liefste zoeckt te winnen,1
 
Weest voeglijck, leenigh, en gedweeghjes van gemoet:2
 
Want door ghehoorzaemheyt en reckelijcke sinnen,3
 
Zo buyghtmen 't maagd'lijk hart alsmen het hoepjen doet.4

14 Onwederstandelijck-

 
Niemant kan u gheschut, O Cupido verdraghen,1
 
Ons borsten zijn te weeck, het is met ons ghedaen,2
 
Al waarmen heel in 't staal bekloncken en beslaghen,3
 
Zo kan men doch u kracht in 't minst niet wederstaen.4
[p. 151]

15 De liefd' is listigh

 
Langzaame Looper ach! u doodt waer u ghebrouwen,1
 
Ten zy dat zy bekoort door 'tgoudt haer hadt vergist.2
 
Door dit beweeghlijck goedt verwindtmen alle vrouwen,3
 
En daer de macht ghebreeckt daer zoektmen heul an list.4

16 Alleen beweeghlijck door 't goudt-

 
De marmre tooren en de harde stalen dooren1
 
Van Danae, wijcken voor de gulde Godt Iupijn:2
 
Alzo kan oock het goudt een steenen hart bekoren,3
 
Dat anders niet beweeght door eenigh ding zoud' zijn.4
[p. 152]

17 Werwaerts wend ick my

 
Goddinnen, zeer versuft zo vind' ick my rechtvaerdigh,1
 
Om dat ick hier de prijs van schoonheyt gheven zal.2
 
Mijns oordeels zijt ghij haer die alle drie wel waerdich,3
 
Nochtans behaaght mijn een, dat's Venus, boven al.

18 Liefde kent gheen staet-

 
De Cyprische Goddin verwonnen van haer lusten,1
 
Verlaat den hemel en het goddelijck cieraet;2
 
En comt hier inde schoot van haer beminde rusten.
 
Voorwaer volmaecte liefd' aenziet noch rijck noch staet.4
[p. 153]

19 Al dient het den god der lusten-

 
Ghy watersteeckertjes! ghy kleyne swaenberyers,1
 
Wat wil dit steeckspul? zeght. en waer toe dit gerucht?
 
Of ist om dat de pen van de verliefde vryers,3
 
De loflijckheyt haars Liefs trompetten door de lucht?4

20 Niet langs wat wech, maer waer

 
De strenghe stroomen, noch de overwoeste stemmen
 
Des grouwelijcke wints, verzaagt geen trouw gemoet:2
 
Leander gingh by nacht door 't holle water swemmen,3
 
Om het ghezelschap van zijn schoone Hero zoet.
[p. 154]

21 Totter doodt

 
Pyramus leghdy hier, mijn waerde uytvercooren?1
 
Ach spreect indien ghy kunt! mijn smert die is te groot.
 
Ghelijck zijn wy, Mijn Troost! ghewonnen en gebooren,3
 
Ick gae met u ghelijck oock willich inde doodt.4

22 De wijn verdrijft droefheyt

 
Ariadne ziet op strandt haer lichte Lief ontvluchten,1
 
Zy schreydt en klaaght met recht om haer bedroefde schijn,2
 
Maer Bacchus diese ziet en deerelijc hoort zuchten,3
 
Vertroost haar, en verdrijft haar droefheyt met de wijn.
[p. 155]

23 Liefd' prickelt 't ghemoedt

 
Hier staat Andromeda met keetens vast gheslooten,1
 
Laas! an een steyle rots het monster wreet tot buyt:2
 
Maer Perseus ed'le moedt heeft dit te zeer verdrooten,3
 
Hy slaat en doot het dier, en trout haer tot zijn bruyt.

24 De doodt ontbindt de liefde

 
O ghy valsche Troyaan, wat mooghdy doch begheven1
 
V Dido, die haer zelfs mistroostich laas! verdoet.2
 
De waare liefde blijft zo langhe als wy leven;
 
De doot schilvert alleen 't vereende trou-ghemoet.4
[p. 156]

25 De min gheneest zich self

 
Wat vlucht ghy Nymphelijn, daar ghy u ziet vervolghen1
 
Van Lantlooper noch bloedt, maer vande God der zee?2
 
Myn kuysheyt vlucht, Neptun, voor u wellust verbolgen,3
 
Eer zy door 't zoete quaat oock wert bedroghen mee.4

26 Onghedeelde liefde

 
Van waer komt doch, o Nimph Salmacis, dat u vloeden,1
 
Nature zoo herschept? maar haar kracht is zoo stijf,2
 
Dat zy verwand'len doet de mannelijcke moeden,3
 
En maacktse harteloos, en weecklijck als een wijf.3
[p. 157]

27 De doodt scheydt de liefde niet

 
Wanneer dat haer oprecht twee harten eens verbinden,1
 
Zo achten zy noch vreught, noch quelling, noch verdriet:2
 
Zy liepen inde Hel, indien daer waer te vinden
 
De Liefste, want de doot scheyt waare Liefde niet.

28 Te veel ghesien is schadelijck-

 
Zo de broodtdroncken jeught haar wilde laten raden1
 
Van reden en verstant, zy quamen in gheen noodt.2
 
Maer wellust doet haer zien de dinghen die haer schaden,3
 
En die teef bijt zeer vaeck haer eyghen meester doot.4
[p. 158]

29 Kent u zelven

 
Narcissus als hy sach zijn eyghen schoonheyts stralen,1
 
Wert hy van ongheneught en eyghen Liefde blieck:2
 
Hoe menich zietmen in haer selfs behaghen dwaalen:3
 
Want meest een yder mensch gaet an dat evel zieck.4

30 Niet te hoogh

 
Wacht u ghy jonghelien, en wilt gheen minne draghen1
 
Op yemant, daer de hoop noyt kansse op en von:2
 
De jonghe Phaëton wiert van Iovis hant verslaghen,3
 
Om dat hy al te hoogh yets buyten hem beston.4
[p. 159]

31 Met groote heeren kleyne kennis-

 
Brengt u het mildt gheluck by Vorsten en by Heeren,1
 
Zo matight al u doen, het zy ghy spreect of speelt:
 
Want het is zorghelijck by meerder te verkeeren.3
 
Laet Hyacinthus steets u wezen een voorbeelt.4

32 Loon na verdienste

 
Wel op ghy Minnaers op! wel op dan ghy ghetrouwen,
 
Op dat u zelfs de deught met Lauwer cransen kroont2
 
Ziet hoe rechtvaardigh dat de wraacke straft de vrouwen
 
Die u oprechte jonst niet hebben wel beloont.4

g.a. bredero.

't Kan verkeeren.

Gepubliceerd in Thronus Cupidinis, Editio altera. Amsterodami, Apud Guilj. Ianszonium., 1618.
Herdrukt in Thronus Cvpidinis, Editio tertia; Prioribus emendatior, & multo auctior. Amsterodami, Apud Wilhelmum Iansonium. 1620.
Voorts in Ned. Rijmen 1620, fol. E3v-F1v; Ned. Poëmata 1632, fol. E3v-F1v; 1638, fol. E3r-F1r; 1644, fol. B5r-B7r.
Hoofdtitel op aparte pag. romein (kap.); subtitels cursief; tekst romein, maar de naam Venus in nr. 17 cursief; enkele afkortingen; onderschrift: naam en zinspreuk cursief.
De titel Emblemata Amatoria alleen in Thronus
Nr. 1 A C D E nr. 7 - titel Minne A C D E Min - 1 inde A C D E voor de - 2 dat ons beroert het A C D E int Kinderlijcke - 3 En 't welcken A C D E Het welcke; onderling beminnen A C D E onderlinghe Minne
Nr. 2 A C D E nr. 8 - titel ghevanghenis A C D E ghevanckenis - 3 Liefs A C D E Siels - 4 vinckje A C D E Vinckjen

1de natuur: identificerende bijstelling bij moeder (Moeder Natuur).
2Yet heymelijcx: iets geheimzinnigs, iets verborgens.
3dat: hervattend voornaamw., voor de betekenis overbodig; port: aanspoort.

2also haest: zo gauw als, zodra.
3zo: toen (hervattend bijwoord).
4knip: val, in het bijzonder voor vogels.
Nr. 3 A C D E nr. 9 - 2 Grijpt A C D E Neemt - 3 de A C D E den - 4 werde A C D E wert den; blooden volgens A C D E; Thronus blooten
Nr 4 A C D E nr. 10 - titel A C D E geen titel
Nr. 5 A C D E nr. 11 - titel Liefde A C D E Liefd' - 1 Liefdetjes A C D E Liefdetjens - 2 hier of A C D E hier af
1Suft: aarzel, draal; mooght bekouten: kunt bepraten, tot iets overhalen.
3't Gheluck: het lot, het fatum.
4blooden bloedt: een verlegen sukkel.

1stranghen: stranden (dialectische vorm).
3werden: worden; innerlijck: innig, hartelijk, hevig (zie WNT VI, kolom 1823).

1eynde: doel, bedoeling; Liefdetjes: Cupidootjes; hier: nl. op de prent.
2hier of: hiervan.
3Maer: wel.
Nr. 6 A C D E nr. 12 - titel Liefd' volgens A C D E; Thronus Liefd, - 2 door die A C D E door dat - 3 Door 'tvolgen van u lust A C D E En volght uwe natuur; broetsche A C D E dwase
Nr. 7 A C D E nr. 1 - 2 den ander A den anderen C D E den and'ren - 4 alderliefste C D E alderbeste
Nr. 8 A C D E nr. 2 - titel A C D E geen titel - 2 hoonich A C D E Honingh - 4 hy A C D E die
1wijckt ghy: dwaalt gij af; blinde min: geblinddoekte Cupido.
2door die: doordien, doordat.
3broetsche: wellustige, zinnelijke; sinlijckheden: neigingen.

1trots: trotse (bijv. nabepaling); hier: nl. op de prent.
2't ghebruyck: het paren.
3mach: wil, kan; medemacker: maat, medeminnaar; lyen: dulden.
4Al waer hy schoon: ook al was hij.

-moet hem 't gieren troosten: moet het gekrijs voor lief nemen (zie WNT IV, kolom 2291).
1leckre: snoeplustige.
2op het boost: uitermate kwaad.
Nr. 9 A C D E nr. 3 - titel A C D E geen titel - 1 De Vorst mach A C D E Den Coninck; ghedoghen A C D E can dooghen
Nr. 10 A C D E nr. 4 - titel Hy A C D E Ghy - 2 helas A C D E helaes; voor de A C D E voor den
Nr. 11 A C D E nr. 5 - titel A C D E geen titel - 2 grilligh A C D E gallich
1gezel: gelijke; ghebiedt: grondgebied, land.
2onghemeen: alleen, niet samen met een ander.
3schier: bijna.
4hem: zich.

-den onverdienden: degene die het niet verdient, die er geen recht op heeft.
1u: uw.
2slacht: gelijkt op.
4onverdient: onrechtmatig; toeghevoeght: gegeven, toegekend.

-werdt: word
1't is gedaen: het is uit, ik houd ermee op.
2dreuts: norse, hooghartige; zo: even; verkeert: onredelijk.
3jaghen: drijven, zien te krijgen.
Nr. 12 A C D E nr. 6 - titel A C D E Van Liefde comt wel-spreeckentheyt - 1 Wech A C D E Fy - 2 is niet als A C D E die is maar; val A C D E voet - 3 nu A C D E licht - 4 sleutels A C D E Sleutel
Nr. 13 A C D E nr. 19 - titel Liefde A C D E De Liefde - 1 de Liefste A C D E u Liefste - 2 leenigh, en gedweeghjes A C D E en gedweegh van hart en
Nr. 14 ontbreekt in A C D E
1koude: onbezielde, hartstochtloze; wel te spreken: welsprekend te zijn.
2niet als: niets dan; val: zwier, bevalligheid; gront: grondslag in uw innerlijk.
4van hun: daarvan (nl. van de slooten, vs. 3).

1op u zijd': naar uw kant.
2voeglijck: toeschietelijk; leenigh: buigzaam; gedweeghjes: een beetje meegaand.
3reckelijcke sinnen: een inschikkelijke gezindheid.
4maagd'lijk: van een meisje; alsmen: zoals men; hoepjen: hoepeltje.

-Onwederstandelijck: onweerstaanbaar.
1u gheschut: uw wapentuig, dus pijl en boog.
2weeck: zacht, zwak; het is met ons ghedaen: wij zijn verslagen.
3heel: geheel en al.
4in 't minst niet: allerminst, helemaal niet.
Nr. 15 A C D E nr. 20 - titel Liefd' A C D E Liefde - 2 door 'tgoudt A C D E aen gout - 4 zoecktmen heul an A C D E krijght men 't meest met
Nr. 16 A C D E nr. 21 - 1 marmre A C D E marb're - 2 Danae A C D E Danaus - 3 hart A C D E hert - 4 door A C D E van; zoud' A C D E sou
1u: uw; u: voor u; ghebrouwen: gereed gemaakt.
2zy: het meisje; toespeling op de legendarische griekse prinses Atalante, die alleen wilde huwen met iemand die sneller zou kunnen lopen dan zij. Wie in de wedloop met haar verloor, werd ter dood gebracht. Hippomenes won door op haar pad drie goudstukken te strooien; het oprapen daarvan berokkende haar een fataal tijdverlies. Vgl. Ovidius, Metamorphosen Bk.X, vs.560 en vlg.. Bredero heeft dit klassieke verhaal over de invloed van het geld bij huwelijken ook gebruikt in het Gr. Lied-boeck aan het slot van lied LXIX (dl. I, blz. 258); bekoort: verleid; haer: zich.
3beweeghlijck: geschikt om iemand tot iets te bewegen; verwindtmen: overwint men.
4daer: waar; macht: vermogen, bekwaamheid; ghebreekt: ontbreekt, tekort schiet; heul: redding.

-beweeghlijck: te bewegen, kunnende bewogen worden.
1dooren: deuren.
2Danae: volgens een griekse mythe een dochter van de koning van Argos, op wie Zeus verliefd werd. Haar vader had haar in een toren opgesloten om te voorkomen dat zij een zoon zou krijgen, maar Zeus wist haar in de gedaante van een gouden regen toch te bezoeken. Dit motief ook in Groot Ldb., nr. CLX (dl. I, blz. 514). Vgl. Ovidius, Metamorphosen IV, vs. 613 en vlg.
3bekoren: verleiden.
4beweeght: bewogen, geroerd.
Nr. 17 A C D E nr. 22 - 4 mijn A C D E my
Nr. 18 A C D E nr. 23 - titel A C D E De Liefde versmaet de grootheyt - 1 Cyprische A C Cypresche D E Cypressche
1zeer versuft zo vind' ick my rechtvaerdigh: ik voel mij terecht zeer verward, zeer onzeker.
2ick: nl. Paris, een trojaanse prins, die ter beslechting van een twist moest aanwijzen, wie van de drie godinnen Juno, Minerva en Venus de schoonste was. Hij koos Venus, omdat zij hem als beloning de schoonste vrouw beloofde.
3haer: nl. de Prijs (vs. 2); de zin heeft een object te veel: haer of die moet geschrapt worden.

-staet: stand, standsverschil
1De Cyprische Goddin: nl. Venus, die in het bijzonder op Cyprus werd vereerd. Volgens een griekse mythe werd zij verliefd op de koningszoon Adonis. Ovidius verhaalt hoe zij, achterover liggend in Adonis' schoot, uitrustte (vgl. Metamorphosen Bk. X, vs. 554 en vlg.); lusten: hartstocht, liefdesverlangen.
2cieraet: pracht, weelde.
4aenziet: slaat acht op; rijck: macht, heerschappij.
-Al dient het: alles dient.
Nr. 19 A C D E nr. 24 - titel volgens A C D E; Thronus geen titel - 4 trompetten A C D E Trompettet
Nr. 20 A C D E nr. 25 - 2 wints A C D E Zees; verzaagt geen trouw A C D E vertsaecht het vroom
1watersteeckertjes: de Cupidootjes op de prent houden, op zwanen gezeten, een steekspel.
3Of ist om dat: of is het soms opdat.
4loflijckheyt: lofwaardigheid, voortreffelijkheid; trompetten: meerv. persoonsvorm bij het enkelv. onderw. pen, verklaarbaar door het meerv. vryers.

2verzaagt: ontmoedigt, schrikt af; enkelv. persoonsvorm, doordat al het genoemde als één geheel wordt opgevat; geen: onlogische negatie.
3Leander: volgens de legende een jongeman uit Abydos, die iedere nacht over de Hellespont zwom naar zijn geliefde Hero, die voor hem als baken een brandende lamp neerzette. Toen deze in een stormnacht uitwoei en Leander daardoor verdronk, stortte Hero zich in zee; 't holle water: de onstuimige golven.
Nr. 21 A C D E nr. 26 - 2 smert A C D E smart
Nr. 22 A C D E nr. 27 - 4 met de A C D E inde
1Pyramus: een jongeman uit Babylon, die verliefd was op zijn buurmeisje Thisbe, evenals zij op hem. Hun ouders verboden elke omgang. Bij een heimelijk afgesproken ontmoeting buiten de stad vond hij alleen Thisbe's gescheurde sluier. Hij dacht dat ze door een leeuw verslonden was en doorstak zich ter plaatse. Thisbe was echter aan de leeuw ontkomen en toen zij te voorschijn kwam en Pyramus dood aantrof, doorstak zij zich eveneens. Vgl. Ovidius Metamorphosen IV, vs. 55 en vlg. In Bredero's tekst wordt Thisbe sprekende ingevoerd op het ogenblik van haar terugkeer; waerde: lieve.
3Troost: geliefde, liefste; ghewonnen: verwekt.
4willich: vrijwillig.

1Ariadne: een kretensische prinses, die de atheense held Theseus hielp bij het doden van de Minotaurus. Zij vluchtte daarna met hem, maar hij liet haar op het eiland Naxos achter; lichte: ontrouwe.
2schijn: toestand.
3Bacchus: de griekse god van de wijn.
Nr. 23 A C D E nr. 29 - titel Liefd' A C D E Lieft - 2 Laas! an een A C D E Aen dese; monster wreet A C D E Zee-monster - 4 trout haer A C D troutse; E trouse
Nr. 24 A C D E nr. 13
1Andromeda: volgens een griekse mythe een ethiopische prinses, die aan een rots geketend geofferd zou worden om zo haar vaders rijk van een zeemonster te verlossen. De held Perseus evenwel versloeg het monster en trouwde met haar.
2wreet: wrede (bijv. nabepaling).
3Perseus ed'le moedt: het edele gemoed van Perseus; te zeer: in hoge mate.

1Troyaan: nl. de koningszoon Aenaes. Hij zwierf na de ondergang van Troje over zee en kwam terecht in Karthago, waar hij een langdurige liefdesverhouding had met koningin Dido. Toen hij ten slotte op goddelijk bevel wegvoer naar Latium, benam zij zich het leven. Vgl. Virgilius, Aeneis boek IV; begheven: verlaten, in de steek laten.
2haer zelfs: zichzelf; mistroostich: wanhopig.
4schilvert: splijt; alleen: nl. alleen de dood; 't vereende trou-ghemoet: de vereniging van twee getrouwen.
Nr. 25 A C D E nr. 14
Nr. 26 A C D E nr. 15 - Salmacis, dat u A C D E dat u verliefde - 2 Nature zoo herschept? maar haar kracht is zoo stijf A C D E Ghy herschept end' vervormt met uwe kracht so stijf - 3 zy verwand'len doet A C D E ghy verwandelt flucx
1Nymphelijn: misschien een van de zeenimfen (Nereïden). De eerste twee vzn. worden door Neptunus gesproken, de laatste twee door de nimf.
2bloedt: onnozele sukkel.
3u wellust verbolgen: uw razende zinnelijkheid.
4Eer: voordat, opdat niet; bedroghen: verleid; oock (...) mee: deze woorden zijn pleonastisch en hebben bovendien nauwelijks betekenis in de zin.

1Salmacis: een bronnimf die, verliefd op Hermafroditos, de goden bad hun lichamen ineen te smelten; sinds dit gebed werd verhoord, is Hermafroditos een dubbelslachtig wezen. Van Mander noemt in zijn Bruyloftsliedt voor Schrevelius en Maria van Teylinghen 't water Salmacij des Echts fonteyn (in Den Nederduytschen Helicon, 1610). Bredero geeft echter een geheel andere interpretatie: verliefdheid maakt verwijfd; u vloeden: de wateren uit uw bron.
2Nature: de menselijke natuur, hier in het bijzonder die van de man; herschept: veranderen (enkelv. persoonsvorm bij het meerv. onderw. vloeden); maar: wel; haar: hun; stijf: sterk.
3verwand'len: veranderen; moeden: gemoederen.
3harteloos: laf, zonder moed.
Nr. 27 ontbreekt in A C D E
Nr. 28 A C D E nr. 16 - 4 zeer vaeck A C D E haer seer; haer eyghen meester A C D E met traghe beeten
1haer: zich
2achten: aandacht schenken aan.

-ghesien: zien.
1haar: zich.
2Van: door; reden: rede, redelijkheid; zy: meervoud ter verwijzing naar het collectivum jeught (vs. 1).
3wellust: liefdesbegeerte, seksualiteit; haer: hen.
4teef: vrouwelijke hond, scheldwoord voor de wellust.
Nr. 29 A C D E nr. 17 - 4 mensch gaet an A C D E nu is aen
Nr. 30 A C D E nr. 18 - 2 von A C D E vont - 3 wiert A C D E wert; verslaghen A C D E gheslaghen - 4 beston A C D E bestont
1Narcissus: volgens de mythe een beeldschone jongeling die verliefd werd op zijn eigen spiegelbeeld in het water. Vgl. Ovidius, Metamorphosen Bk. III, vs. 339 en vlg.
2ongheneught, misnoegen, onvrede (door het verlangen naar zijn spiegelbeeld); blieck: bleek.
3in haer selfs behaghen: in hun eigenliefde.
4evel: euvel, kwaal, ondeugd.

1Wacht u: hoedt u; wilt gheen minne draghen: wordt niet verliefd.
2daer de hoop enz.: die voor u hopeloos onbereikbaar is (von: vond).
3Phaëton: als zoon van de zonnegod en een aardse moeder mocht hij van zijn vader voor één dag de zonnewagen besturen, maar toen hij de paarden niet in bedwang kon houden en de aarde dreigde te verschroeien, doodde Zeus hem met zijn bliksemstraal. Vgl. Ovidius, Metamorphosen Bk. II, vs. 19 en vlg.
4beston: bestond, waagde.
-kleyne kennis: weinig vertrouwelijke omgang, oppervlakkige betrekkingen.
Nr. 31 A C D E nr. 28 - 1 Brengt enz. A C D E Ist dat u het gheluck u brenght by groote Heeren - 2 spreect A C D E jockt
Nr. 32 A C D E nr. 30 - 1 ghy A C D E dan - 2 u zelfs de deught met Lauwer cransen kroont A C D E ghy met Laurier ghenadich wert ghekroont; kroont Thronus kroon - 4 beloont A C D E gheloont - zinspreuk en naam A C D E alleen zinspreuk
1het mildt gheluck: het goedgunstig lot.
3zorghelijck: zorgen barend, gevaarlijk.
4Hyacinthus: een beeldschone jongeling op wie Apollo verliefd was. Bij het discuswerpen werd hij per ongeluk, doordat Apollo's discus van de grond opstuitte en hem in het gezicht trof, gedood. Daarna veranderde hij in een bloem. Vgl. Ovidius Metamorphosen Bk. X, vs. 162 en vlg.

2zelfs de deught: de deugd zelf.
4jonst: genegenheid, liefde; wel: goed, naar behoren. - Op de gravure staat links Gratia (Dankbaarheid), die de getrouwe Pyramus een lauwerkrans schenkt, en rechts Nemesis (Wraak), die met een gesel inslaat op twee vrouwengestalten, nl. Anax en Areta. Deze namen duiden erop, dat hun ongenaakbaarheid voor minnaars te wijten is aan hoge maatschappelijke stand en aan overdreven deugdzaamheid.
prepostterug  begin  verder