terug  begin  verderprepost
[p. 160]

Ianuarius

 
Speulje Keuninghje mijn Lief?1
 
Treckt veur mijn oock een Lotje,
 
Is Krelis Keuningh insen Brief3
 
Wat schaat dat, men lacht om 'tsotje.4

Februarius

 
Ioris krimpje dus by 't Vier,1
 
Lanst je selt je scheene branden,2
 
Lambert Buur ay kom hoor hier
 
Komt me Vaer en warmje handen.4
[p. 161]

Maert

 
Reptje Bouwen ploeght en plant,
 
Mest jou Wijngaert leghtje looten,2
 
Dirk-Oom die is op sijn Lant3
 
Siet de Kerel ginsjes pooten.4

April

 
Keesje spit, en Klaesje ploeght,
 
'T Heerschip gaet hem wat vermeyen,2
 
Lysjen heur tot sticken voeght,3
 
Lange Ian tot Kooren zeyen.
[p. 162]

Mey

 
Gysje Melckt de vaele Koe,1
 
Al de Stee-luy loopen speulen,2
 
Trijntje bockt na Eel-hart toe,3
 
Alsser Lubbert iens wil heulen.4

Iunius

 
Scheerjet Schaepje om zijn Wol1
 
Seght mijn lieve soete Meysje?2
 
Neeltje och ick word' schier dol,3
 
Comt men hart soent me een reysje.4

Iulius

 
Metje Klaes ghy bent soo moy1
 
Soo begon Branckje te kallen,2
 
En hy wurpse neer in 't Hoy,3
 
En hy isser oppe vallen.4
[p. 163]

Augustus

 
Giertje smult, en Aris drinckt,
 
Piet verblijt hem tot sijn ooren,2
 
Gerrit roept, en stoot en winckt3
 
Nu wel op en Maeyt het Kooren.4

September

 
Werpt de Peeren in mijn manckt,1
 
Ic plock Grietten en wat Aegjes,2
 
Fobert ghy hebt goedt verstanckt,3
 
Maer wat ist? het leyt wat laegjes.4

October

 
Frans die draaght, en Ian die torst,1
 
Symen sel de druyven trappen,2
 
Dingenompje hebje dorst3
 
Ick sel een vaantje laten tappen.4
[p. 164]

November

 
Osje moet doodt, doodt, doodt, doodt,
 
Soo riep onse malle Ebben,2
 
Wech Iochemus, en Ian-Sloot,3
 
De Blaes moet Andriesje hebben.

December

 
Datmen Sanders beck op snee,1
 
En behingh hem voort met Bellen,2
 
Men sou de Noor-man in een Slee3
 
Veur een Nar dan meughen stellen.4

Ghemaect in November 1617.

g.a. bredero

Gepubliceerd in Ned. Rijmen 1620, fol. F2r-F2v; Ned. Poëmata 1632, fol. F2r-F2v; 1638, fol. F1v; 1644, fol. B7v.
Titel fractuur; namen van de maanden romein kl. kap.; tekst infractuur; eigennamen, behalve eel hart (Mey, vs. 3), romein; onderschrift: datering en zinspreuk cursief, naam kl. kapitaal.

1Keuninghje: op het feest van Driekoningen, 6 januari, werd er geloot (of door een koek waarin éen boon was gebakken, beslist) welk kind er die ene dag koning mocht zijn, met alle rechten en plichten van dien.
3Is Krelis Keuningh: al is Krelis koning; insen Brief: in zijn waan (zie WNT III (II), kolom 1324).
4'tsotje: het dwaze ventje.

1Ioris: aldus spreekt de binnenkomende buurman de bewoner aan; deze antwoordt in vs. 3-4; krimpje dus: zit je zo te kleumen.
2Lanst: kerel; oorspronkelijk soldenier.
4me Vaer: beste man; gemoedelijke aanspreking van een wat oudere man.
2looten: stekken.
3die: herhalend onderwerp.
4pooten: mogelijk betreft het hier bonen; aardappelen werden hier in 1617 nog niet geteeld.

2'T Heerschip: het heerschap, de heer, de denkelijk patricische landeigenaar; gaet hem wat vermeyen: gaat zich wat ontspannen, dit in tegenstelling tot de zwoegende boeren.
3heur tot sticken voeght: gaat stekken zetten; evenals bijv. mit naast met is sticken een bijvorm van stekken (in WNT XV, kolom 1675, alleen twee jonge vindplaatsen). Deze betekenis past, anders dan de betekenis ‘naaien’ zou doen, volkomen in de reeks van werkzaamheden op het land.
Mey 1 vaele volgens C D E; A vaeghe - 3 Eel-hart volgens C D E; A eel hart
1vaele: bleekgele of parelkleurige (WNT XVIII, kolom 14). De lezing vaeghe, die alleen in A voorkomt, is niet waarschijnlijk, omdat geen van de betekenissen (leeg, onbeheerd, onbewoond, woest; zie a.w., kolom 6, i.v. Vaag V) van toepassing is, terwijl de betekenis ‘onduidelijk, onbestemd’, die eventueel op de kleur zou kunnen slaan, pas in de 19e eeuw aan het Frans ontleend schijn te zijn (a.w. kolom 7, i.v. Vaag VI).
2loopen speulen: maken pleziertochtjes.
3bockt: bukt zich; Eel-hart: kennelijk een van de ‘Stee-luy’.
4Alsser: als haar; heulen: zoenen, liefkozen.

1Scheerjet enz.: met deze onnozele vraag probeert de stadse jonkman met het boerenmeisje aan te pappen.
2Seght: zeg.
3dol: gek van verliefdheid.
4een reysje: eens een keertje.

1Metje Klaes: Metje, de dochter van Klaas.
2Branckje: hollandse verkleinvorm van de mansnaam Brand.
3wurpse: wierp haar.
4isser oppe vallen: is op haar neergevallen.
September 3 Fobert D E Fobbert
October 4 A tappen, C D E tappen?
2hem: zich; tot sijn ooren: zó dat zijn hele gezicht grijnst.
3stoot: stampt, met de voet of met een stok; winckt: wenkt.
4Nu wel op: vooruit, sta op. Het tafereel speelt zich af bij (niet in) een boerenherberg.

1Werpt: met dit bevel richt de plukkende boer zich tot zijn helper.
2Grietten, Aegjes: twee verschillende soorten van appels.
3verstanckt: verstand.
4het leyt wat laegjes: het houdt niet over, het heeft niet veel te betekenen; vermoedelijk houdt Fobert de twee soorten appels niet goed uit elkaar.

1draagt, torst: de woorden zijn nagenoeg synomiem, maar misschien bedoelt Bredero, dat Ian zwaardere lasten draagt dan Frans.
2trappen: met de voeten pletten.
3Dingenompje: eig. oom(pje) Dingen, maar oom dient hier vermoedelijk als aanduiding van een bevriende oudere man.
4vaantje: maat van vier pint.
2malle Ebben: een misschien min of meer debiele jongen, die zijn opwinding over de slacht uit in het viermaal herhaalde doodt.
3Wech: Iochem en Ian dringen zich blijkbaar ook naar voren om de blaas te krijgen.

1Datmen: als men; op snee: opensneed.
2voort: verder, bovendien. Als gevolg van de genoemde handelingen zou Sander op een nar gaan lijken met een breed lachende mond en een rinkelende zotskap.
3Noor-man: botterik, lompe boer. Noor-man, ‘man uit het noorden’, wordt hier in dezelfde zin gebruikt als Deen, Jut, Jotto Poep in kluchten en blijspelen (zie het WNT i.v.); in een Slee: in een (n)arreslee; de oorspronkelijke vorm met de n- was in de 17e eeuw nog volop bekend. Dit is een bijw. bep. bij meughen stellen: kunnen zetten.
4Veur: als. In de vzn. 3 en 4 zinspeelt Bredero op de optochten met sleden van de narrengilden. (Vgl. WNT IX, kolom 1562.)
prepostterug  begin  verder