terug  begin  verderprepost
[p. 167]

Claes Cloet met een rou-mantel, met witte koussen en een smeerige smits schoots-vel an-

Al singhende
 
De rijcke Weeuwtjes daer is quaet hylicken an,
 
Sy praten altijt van heur ierste man,1-2
 
Maer al evenwel ja lieve heertie, 'twas goet te sien dattet gien deech// was,3
 
Och ick mocht wel deyncken dat Belle Maeycken veech// was,4
5
So vriendelijc sachse mijn an op 't lest t'was te ondeucht, jaat sonder jocken5
 
Och wat noot wast waerse niet so jammerlijck gesturven ande pocken:6
 
'tWas te ong'naertich sose op heur uyterste lach en riep,7
 
Claes Claes cloet vergeefjy't mijn niet dat ick by d'Italiaen sliep,8
 
Och ick hadder sucken sin in, mijn docht dattet so geneuchlijck// was,
10
Kijnt ic maecten so gaern kennis mit alle man, daert mijn meuchlijc// was,10
 
Jy vergeeftet mijn immers sey sy, doe jy niet Claes, spreeckt een woort,
 
Jaack sey ick, wat sou ick seggen, en daer me sloecher de moort,12
[p. 168]
 
Ick leyden een kussen op heur monckt, en rolden heur an 't schot// ienwijl,13
 
Wel wat sou ick doen, ick huylden as ien Hof-honckt snot// in quijl,14
15
En wij hebbener gort lof, mit vreuchden te kercken ebracht,15
 
Heer we droncken so lustich, ick heb mijn leven so niet uyt elacht,16
 
Ick heb mijn tijt nu reyn uyt ewacht, het is van daech ses// weecken,17
 
De luy dorsten mijn wel over ien maent van Graeuwe Giertie in de Nes// spreecken18
 
'Tis wel waer, 'tis wel ien moye meyt van neus, en van monckt,
20
Neen docht ick in mijn selven, so vroech niet te hylicken: dat waer sonckt,20
 
Maer as ick 'tjatse truy sach mit heur half versette schorteldoeck,21
 
Jemeny wat voelden ick ien gerumel in mijn wortelbroeck.22
 
Hoe mal was ick: niet waer, d'ierste nacht as ick by mijn wijf// sliep23
 
So mienden ick dat al mijn ingewant uyt mijn lijf// liep.
25
Hoe sit dit groote goet en lacht, nou hout jou beck// naeysters,25
 
Ey get goe mannen wat sie ick hier t'Amsterdam al treck// playsters,26
 
Hoe besucht leyt mijn dit malle volck, en tobt en teest,27
 
Claes, Claes, Claes, in wat gat heb jy so lang eweest.
[p. 169]
 
Wellecoom, eele geest, waer heen, wy wille me// vaer,29
30
Claes, Claes is jou wijf doot, Claes kloet benje Wee// naer.
 
Claes doetet om mijn mijnent willen, roept de Schotse// Stijn,31
 
En ritse Roeltje, en malle Mary, en trotse// Trijn,32
 
En druystighe Dieuwer, al canse noch so wel// singhen,33
 
Die wil eynckel om Claes kloeten wille uyter vel// springhen,
35
Ick wed ic hem sel dwingen, seyden, hier, hoe hietse nou ooc ic vergeetse terstont,35
 
Ick kander niet op komen, het loopt men voor by me mont,
 
Heur moer was wat ongesonckt, je vijnd heur me int Lietie// staen,37
 
'Tis sucken kruydigen Kanjuweeltie, se ken over ien clooft rietie// gaen.38
 
Maer Roelif oom wilmen an Angnietie raen, ic vraechde mijn besje, is mijn oom// sot,39
40
Se het ien Buyck as ien Tobbe, en een hooft gord segent eeten as ien room// pot,40
 
Men souwer twee koppen of maken mochtment deur// saghen,41
 
'Tis ien backus men souwer de mommen me veur// jaghen.42

eynde.

-smeerige: vettig, vuil
Gepubliceerd in de Vermeerderingh bij de Klucht Vanden Hoogduytschen Quacksalver, 1622, fol. E4r-E4v; 1629, fol. J4r-J4v; 1637, fol. K4r-K4v; 1644, fol F3v-F4v.
Opschrift: fractuur; Al singhende romein; tekst fractuur; enige afkortingen.
Titel en een smeerige M N en smeerighe - 5 mijn K M N my - 11 mijn K M N my
1-2Deze vzn. vormen het slot van het door Claes gezongen lied. Zijn vrolijkheid maakt nu plaats voor een meer bespiegelende stemming.
3dattet gien deech was: dat het niet goed ging, nl. met de gezondheid van zijn vrouw.
4Belle Maeycken: in het Derde deel van de klucht van Nicolaes Biestkens (zie blz. 75) de vrouw van Claes Cloet, afkomstig uit de Lepelstraat, het hartje van de rosse buurt in Antwerpen; veech: de dood nabij.
5te ondeucht: buitengewoon.
6wat noot wast waerse niet: het zou niet zo erg geweest zijn, als ze niet (...) was; pocken: syfilis of een andere venerische ziekte.
7te ong'naertich: vreselijk droevig.
8by d'Italiaen: bij Biestkens is wel sprake van een Spanjaard (vs. 922), maar niet van een Italiaan. Deze vergissing, die stellig op rekening van Bredero komt en niet op die van Claes, is heel begrijpelijk voor iemand die het stuk gehoord en gezien heeft, maar niet gelezen.
10Kijnt: kind.
12Jaack: ja ik, jawel; sloecher de moort: stierf ze.
14 in quijl volgens K M; I inquijl; N en quijl - 19 'Tis K N 't Tis; ien K M N een - 21 heur K M N haer 22 gerumel K M N geruwel - 25 lacht K M lach - 26 Ey get M N En get
13op heur monckt: op haar mond; dit waarschijnlijk om terugkeer van de ziel in het lichaam te verhinderen; an 't schot: tegen het schot van de bedstee; ienwijl: zolang; Claes moest namelijk zelf ook nog een plaats in het bed hebben.
14in quijl: en kwijl.
15gort lof: verbastering van Godlof; mit vreuchden: na een begrafenis werd het verdriet vaak verdreven door een soms uitbundig drinkgelag.
16mijn leven: van mijn leven; uyt elacht: hartelijk gelachen.
17mijn tijt nu reyn uyt ewacht: de rouwtijd volledig voorbij laten gaan.
18over ien maent: een maand geleden; Graeuwe: grijze.
20so vroech niet te hylicken: zo vroeg moet je (d.w.z. de spreker) niet hertrouwen; sonckt: een zonde.
21'tjatse: vurige, wellustige (de apostrof staat er ten onrechte); half versette: gedeeltelijk van furset, d.i. een soort grof fluweel; schorteldoeck: schort, voorschoot.
22gerumel: prikkeling; wortelbroeck; schertsende samenstelling, waarin wortel erotische betekenis heeft.
23mal: verliefd, wellustig.
25Hoe sit enz.: wat zitten die grote meiden te lachen (Claes richt zich tot het publiek).
26Ey get: verbastering van ‘bij God’; al: allemaal; treck playsters: fig. voor vrouwen die hem aanklampen.
27besucht: vreselijk; leyt mijn enz.: ligt dat onwijze vrouwvolk mij aan het hoofd te zeuren en te zaniken.
39 vraechde mijn besje M N vraechde besje - 40 een hooft K M N ien hooft
29me: mee; vaer: man.
31doetet: doe het, nl. hertrouwen; om mijn mijnent willen: waarschijnlijk een komisch bedoeld pleonasme; Schotse: bitse, schampere (de naam Stijn maakt het onwaarschijnlijk, dat we met een Schotse van afkomst te doen hebben).
32ritse: wellustige, wulpse.
33druystighe: onstuimige, onbesuisde.
35seyden: enkelvoudsvorm met -n van de zwakke verl. tijd.
37vrijnd: vindt; me: mede, ook; int Lietie: als dit geen ons onbekende figuurlijke betekenis heeft, moet Claes doelen op een of ander spotliedje waarin in elk geval de moeder en waarschijnlijk ook de dochter genoemd zijn.
38kruydigen: pittig, flink, pienter; Kanjuweeltie: pronkstuk, juweel (het woord is een vernederlandsing van de naam van een franse peer: poire de caillouel);se ken enz.: ze is erg slim, erg handig.
39mijn besje: mijn grootmoeder.
40gord segent eeten: een bastaardvloek: ‘god zegene het eten’, een woordspeling, ingegeven door de gedachte aan room in de vergelijking ‘as ien room pot’.
41of: van; mochtment: als men het kon.
42ien backus: een gezicht; de mommen me veur jaghen: degenen die met mombakkesen anderen bang willen maken, op de vlucht jagen.
prepostterug  begin  verder