terug  begin  verderprepost
[p. 173]

Overige poemata

[p. 175]

Nieuw liedekenaant.

Stemme: Sondach, Sondach, &c.-

 
O Hoofdeloose zinnen!1
 
O sinneloose hooft!2
 
Wat ongemeene minne3
 
U kennis heeft gherooft,4
5
En u reden verdooft?5
 
Dat ghy u sinlijckheyden6
 
Dus sottelijck laet leyden?7
 
Dat had ick noyt ghelooft.
[p. 176]
 
Is u wijsheyt verdreven?
10
Is al 't verstant verrot?
 
Helaes! waer is ghebleven
 
De schoone gaef van Godt?12
 
Is gantsch ver-ylt, versot,
 
Verplet, verdruckt, verschoven?14
15
En 't slechste dat komt boven,15
 
't Welck u ghedyt tot spot.16
 
 
 
Door u, door u mijn ooren17
 
So is dit al gheschiet:
 
Ick ben verlieft door 't hooren
20
Van mijn waerde Margriet.20
 
O lieffelijck verdriet!
 
O wonderlijcke krachten!
 
Die 't hoochst' van mijn ghedachten23
 
So haest in d' Afgrondt stiet.24
[p. 177]
25
Ick, die heb durven dencken
 
Dat Venus Knapelijn26
 
My niet en konde krencken,27
 
Of yets vermocht op mijn:28
 
Helaes: het was maer schijn
30
Van wijsheyt, die my streelde,
 
En 't sotte breyn verbeelde31
 
Een schaduw-achtich sijn.32
 
 
 
Van dinghen sonder wesen33
 
O losse frenesy!34
35
Een straal-godt is verresen35
 
Met al sijn hovaerdy:
 
Ick waande (meer als hy37
 
Die Python hadt verwonnen,)
 
Dat duysent Cupidonnen
40
Bestonden teghens my.40
[p. 178]
 
Want t'wijl ick onbedwonghen41
 
Veel woede woorden sprack,42
 
De wufte wyse Jonghen43
 
Syn Eske Boochje track,44
45
En mickten also vlack,45
 
Dat binnen korter wylen46
 
Mijn lichaem gants vol pylen,
 
En snelle schichten stack.
 
 
 
Maer dit onseker gissen49
50
Benevelt my althans,50
 
In dicke duysternissen,
 
In blintheydt des verstants:
 
Dees nacht die heeft bekans53
 
Met swillich, en swart Linnen54
55
Verdonckert in mijn sinnen55
 
Het weynich van mijn glans:56
 
 
 
O dol en dom vermeten!57
 
O sotheyt sonder voet!58
 
Ick waande wat te weten;
[p. 179]
60
Maer mijn boerachtigh bloet
 
Heeft in der daet bevroet,61
 
Dat niemandt kan voorkomen
 
't Geen Godt heeft voorgenomen,63
 
Die 't al om beter doet.64
 
 
65
Vaert wel, vaert wel mijn wenschen,65
 
En ydelheden blindt:
 
Vertrout de gunst van menschen
 
Niet meerder als de windt:
 
Gerbrande! u besint,69
70
En gaet den Hemel vrijen,70
 
Godt sal 't gebenedijen71
 
Ist dat ghy 't wel begint.72
 
 
 
Te bidden, en te leven,
 
En sterven lusten snoot,74
75
Wilt u voorts overgeven75
 
In Godes goetheyt groot:
 
Die sal u voor u doot
 
Sijn miltheyt steets bewysen:
 
En naerderhant oock spysen79
80
Met heylich Hemels Broot.
Gepubliceerd in Geestigh Liedt-Boecxken door G.A. Bredero, Amsterdammer. t'Amsteldam, Voor Cornelis Lodewijcksz. van der Plasse, Boeck-verkooper, woonende op den hoeck vande Beurs, in d'Italiaensche Bybel, 1621, blz. 178-183.
Titel fractuur; het woord Stemme cursief; naam van de melodie romein: tekst fractuur met namen in romein.
-Voor de melodie wordt bij uitzondering verwezen naar een lied van Bredero zelf. Zie hiervoor Groot Lied-boeck III, De melodieën van Bredero's liederen door F.H. Matter, blz. 186.
1zinnen: emoties, begeerten.
2sinneloose: ontzind, onredelijk. Binnen de chiastische structuur van de vzn. 1 en 2 vindt een verschuiving plaats van het begrip sin; in vs. 2 betekent dit redelijkheid, verstand.
3ongemeene: buitengewone.
4U kennis heeft: heeft uw begrip, uw inzicht.
5u reden: uw rede, uw redelijkheid; verdooft: in verwarring gebracht.
6u sinlijckheyden: uw begeerten.
7Dus sottelijck: zo dwaas, op zo dwaze wijze. Het vraagteken na dit vs. leze men als een komma. Een andere interpretatie volgens welke de vzn. 6 en 7 een bijzin zouden zijn bij vs. 3-5 met Dat in de betekenis van ‘zodat’ en vs. 8 als een zelfstandige zin, lijkt weinig aannemelijk.
12de schoone gaef: nl. het redelijk bewustzijn. Dit vs. moet zowel bij vs. 11 als bij de vzn. 13-14 als onderwerp fungeren (apokoinou-constructie); het vraagteken na vs. 14 past bij de retorische vraag (vs. 11-12), maar moet als uitroepteken gelezen worden. Mogelijke emendatie van is (vs. 11) in ist, waarbij -t zou verwijzen naar verstant (vs. 10), zou weliswaar de syntaxis verhelderen, maar is onverenigbaar met de vraagtekens achter de vzn. 12 en 14.
14verschoven: terzijde gesteld, uitgeschakeld.
15slechste: domste.
16u: meew. voorw.; ghedyt tot: leidt tot, veroorzaakt.
17mijn ooren: naar renaissancistisch inzicht kon liefde ontstaan door het zien en door het horen; vooral in protestantse kring gold het gehoor (het woord) als het voornaamste zintuig.
20waerde: lieve, geliefde; Margriet: er zijn bij Bredero verscheidene liederen, gewijd aan een meisje dat Margriet heet. Maar sinds er is gebleken dat vele hiervan bewerkingen zijn naar een frans origineel, is de biografische betekenis van deze naam twijfelachtig geworden. Zie De Werken van G.A. Bredero, Vertaalde gedichten, ed. A. Keersmaekers, blz. 101.
23't hoochst': het meest verheven deel.
24So haest: zo snel; stiet: enkelv. persoonsvorm, hoewel het onderw. Die (vs. 23) verwijst naar verdriet (vs. 21) en krachten, maar Bredero had mannelijk rijm nodig.
26Venus Knapelijn: Cupido, het zoontje van Venus.
27krencken: verwonden, raken.
28yets vermocht: enige macht had.
31't sotte breyn: meew. voorwerp; het onderwerp is schijn Van wijsheyt; verbeelde: voorspiegelde.
32Een schaduw-achtich sijn: een schaduw, een schim. De punt na dit vs. leze men na vs. 33.
33sonder wesen: zonder realiteit, niet bestaand. Dit vs. is een bepaling bij vs. 32 en sluit de zin af.
34losse: op niets berustende; frenesy: waanzin, krankzinnigheid.
35straal-godt: pijlen schietende god, nl. Cupido.
37meer als hy enz.: sterker dan hij die de Python, een draak die de streek nabij Delfi terroriseerde, had gedood, nl. Apollo (Zie Ovidius, Metamorphosen bk. I, vs. 430 en vlg.) De bepaling tussen haakjes is een proleptische bijv. bepaling bij Cupidonnen (vs. 39), dus: Cupido's die sterker zijn enz.
40Bestonden teghens mij: mij belaagden.
41onbedwonghen: vrijuit, zonder mij in te houden, onbevreesd.
42woede woorden: Daar woede geen adjectief kan zijn, zal men aan een samenkoppeling moeten denken, woorden-van-woede, toornige trotse woorden.
43wufte: wispelturige. Samen met het allitererende woord wyse geeft dit vs. de innerlijke tegenstrijdigheid van de liefde aan.
44Eske: gemaakt van esdoornhout.
45also vlack: zo nauwkeurig, zo precies.
46korter wylen: weinig tijds; de -r is de 3e-naamvalsuitgang.
49dit onseker gissen: de onzekerheid waarin ik nu verkeer.
50althans: nu.
53bekans: bijna, vrijwel.
54swillich: grof gegomd linnen, voor voering (zelfst. nmw.).
55in mijn sinnen: in mijn geest.
56Het weynich enz.: de weinige glans die er nog was.
57vermeten: hovaardij, overmoed.
58sonder voet: wankele
61in der daet: door het gebeurde, door de feiten.
63voorgenomen: beschikt.
64om beter: terwille van het betere, met de beste bedoelingen.
65Vaert wel: met deze woorden doet de dichter afstand van zijn wensen en ijdelheden.
69Gerbrande: de eigennaam geeft aan dit lied een autobiografisch accent; u besint: bezin u.
70vrijen: trachten te winnen; door het gebruik van deze term, die meestal een vrouw betreft, wordt de tegenstelling versterkt.
71't gebenedijen: het (nl. het streven naar de hemel) zegenen.
72Ist dat: indien; wel: op de juiste wijze. Hierna kan men ‘namelijk’ lezen.
74sterven lusten snoot: de kwade begeerten in zich te doden (constructie met een bepaling in de datief; zie MNW VII, kolom 2109). De vzn. 73-74 geven de inhoud aan van wat vs. 72 bedoelt. Na vs. 74 leze men een punt.
75voorts: voortaan.
79naerderhant: later, na de dood.
prepostterug  begin  verder