terug  begin  verderprepost
[p. 180]

Liedekenaant.

Stem: Helaes Amour!

 
Ick klaegh u lief mijn groot torment,1
 
Dat ick by nacht en daghe
 
Om u ly, o Maeghdelijn jent!3
 
Maer nu moet ick u klage;
5
Want de noot verwint de smert,5
 
Dien ick ly in mijn ionck hert.
 
 
 
Ist nacht of dach, ick peynse, siet,
 
Om u, o mijn Vriendinne!
 
Dus heb ick inwendich verdriet,
10
Want ick brand heet in minne,
 
So dat ick door desen brandt
 
Schier verlies al mijn verstant.
 
 
 
Gheluckich was mijn ionghe tijt,
 
Doen ick eerst heb ghekreghen,
15
Dees liefd' op u met grooter vlijt,15
 
U aenschijn kon't al beweghen16
 
Deur u vriendelijck aensien,17
 
So quam liefde in mijn vlien.18
[p. 181]
 
Die liefde werckt nu haer kracht19
20
Elaes! en doet mijn swerven,
 
Door dees druck verlies ick macht,21
 
Dus wens ick nu om het sterven,
 
Sonder troost te leven, siet,23
 
Doet den Minnaers groot verdriet.
 
 
25
Troost mijn lief bid' ick voorwaer,25
 
Laet my niet alleen gaen dolen,
 
Eenicheyt is armoed swaer,27
 
Dat is mijn niet onverholen,28
 
Dat ick 't besoeck dat is mijn leet,29
30
Die niet besoeckt die niet en weet.30
 
 
 
Oorlof Princes o reyne schat31
 
Dat swaerlijck is ghewonne,32
 
Van my, iont my u vreuchde plat,33
 
Door grooten druck van my verslonne,34
35
Want men seyt een ghemeene praet35
 
Hy verkryget die aenstaet.36
Gepubliceerd in Geestigh Liedt-Boecxken, 1621 (zie blz. 175), blz. 224-227.
Titel in civilité; het woord Stem cursief; titel van de melodie romein; tekst in fractuur.
1torment: kwelling, lijden.
3jent: lieftallig, achtergeplaatste bijv. bep.
5verwint: is sterker dan.
15op u: voor u; met grooter vlijt: toegewijde, vurige (bep. bij liefd').
16U aenschijn: uw gelaat; 't al: alles; beweghen: ontroeren, vertederen.
17Deur u enz.: doordat u mij vriendelijk aanzag.
18So: hervattend bijwoord, verwijzend naar vs. 17; in mijn vlien: in mij vloeien.
19werckt nu haer kracht: oefent nu krachtig haar werking uit.
21druck: verdriet; macht: innerlijk vermogen.
23troost: wederliefde.
25Troost mijn: schenk mij uw liefde; lief: liefste; aangesproken persoon.
27Eenicheyt: eenzaamheid, alleen-zijn; swaer: zware (bijv. nabepaling).
28onverholen: onverborgen, onbekend.
29besoeck: ondervind; mijn: mij, meew. voorwerp.
30Die: wie, degene die; niet: niets.
31Oorlof: vaarwel; Princes: vleinaam voor de geliefde, maar ook rederijkersrelict aan het begin van de laatste strofe.
32Dat swaerlijck enz.: die moeilijk te verwerven is (Dat verwijst naar schat).
33Van my: door mij; iont my: enz.: gun mij zonder terughouding uw liefde (zie WNT XXIII, kolom 496).
34Door grooten druck enz.: omwille van het grote verdriet dat ik in mij draag (eig.: heb verslonden).
35een ghemeene praet: als een algemeen bekend gezegde.
36Hy verkryget enz.: de aanhouder wint; de uitdrukking komt in verschillende vormen voor. Zie Ldb. II, blz. 371. - Het woord Want (vs. 35) duidt wel op eerdere, in de tekst niet vermelde aanzoeken van de dichter.
prepostterug  begin  verder