Gepubliceerd in de Vermeerderingh bij de Klucht Vanden Hoogduytschen Quacksalver, 1622, fol. D4v-E2v en E3v; 1629, fol.* J4v-J2v en fol. J3v; 1637, fol. J4v-K2v en fol. K3v; 1644, fol. E8v-F3r. Opschriften romein en cursief; tekst in fractuur, maar vs. 154b en 155 romein; rolaanwijzing in de marge romein; ondertekening en het woord Eynde romein; verscheidene afkortingen.
2 Sijbrech K M N Sybrich - 3 of M N af - 6 knoopige Verkens K M N knoppighe Verken; sy K M N se - 8 ofcoopen K M N oft coopen - 9 isser M ister
2mier: meer; of emaect: voor gemaakt, voor ontvangen; onse Sijbrech: dit is waarschijnlijk een zuster met wie de ongetrouwde boer (vgl. vs. 96) samenwoont. Deze veronderstelling berust mede op vs. 77, waarin de stervende moeder nog een goede raad geeft aan een dochter.
3mors-penning: extraatje; dief-sack: broek-zak; de woorden diefzak, ‘zak voor gestolen goed’, en diessack, ‘dijzak’ werden met elkaar vereenzelvigd; of: van; an een sy esteken: weggestoken.
6mache: houden van; knoopighe Verkens: varkensvlees waarin gortachtige korrels voorkomen in het vetweefsel; gortige: hetzelfde als knoopige.
7wraken: keuren af; wat gorts of (...) wat knoopen: de in de vorige aant. bedoelde korrels (gorts is een 2e naamval, afhankelijk van wat: wat gortigheid).
8comeset ongs: komen ze het ons; ter vriende bee: met een beroep op de vriendschap; ofcoopen: afkopen.
19Loopende: ongetrouwde; by gord: verbastering van ‘bij God’.
20binnen sjaers: in het lopende dienstjaar (van mei tot mei), in plaats van aan het einde daarvan; sleutelreecx: sleutelketting.
21rechtschapen: deugdelijke, stevige; ongerriem: onderriem, riem om het middel waaraan de vrouwen hun sleutels, tasje of beurs en soms een mes of schaar hingen.
22vijfmenten: verbastering van sacramenten; s'is van klinck: ze mag er wezen; ien perige sack: een sappige meid (perig is afgeleid van peer).
23matter: mat haar (nl. als ze de melk ging uitventen).
25ien hecht van ien meyt: een forse, stevige meid; weers: moeite (in de 2e nmv. in de verbinding met veul).
26aasingtie: gezichtje (van aanzicht); hier eseyt: onder ons gezegd; souwender mee: zouden ermee, nl. met zo'n ‘aasingt’; uyt momme gaen: met schrik aanjagende mombakkesen de straat op gaan.
27Se wil wel besien wesen: ze is de moeite van het aankijken wel waard; se gaet daerse gaet: ze gaat onverstoorbaar haar gang; al gaetser as een slurf heen: al loopt ze er als een slons bij.
33ien panckt: een juweel (panckt: pand, iets kostbaars); de rest van dit vs. is vermoedelijk corrupt.
34moeter na geve datter na comt: moet haar de lof geven die haar toekomt; verstater op de neering: heeft verstand van zaken doen.
35Mient: gemeente, door de Huys-man (uit onwetendheid?) gebruikt voor gilde.
36gayng: gading; ast alle seyt: kortom; eig. zoals het al gezegd is; een soort bevestigende toevoeging.
37te wongder: verbazend; (er) verbadden: haar smeekten met hen te slapen, met hen te trouwen; in: en; Bredero gebruikt dit voegwoord slechts zelden in rijmpositie; een ander voorbeeld in de Spaanschen Brabander, vs. 139.
38mal-monckt: met de rare mond (dezelfde naam in Moortje, vs. 2933).
39na gaen: achterna gelopen; je: emotionele versterking van de bewering (een zg. dativus ethicus); of staet: moet doorstaan.
40Wodder: wou er (-er is verbonden met me: ermee); Barech: hooiberg; op een half vat enz.: op conditie van een half vat bier als boete voor wie zich gewonnen gaf.
41te duysent duyvels arch: zó ontzettend slim; Jongspul: feestje met zang en dans, hier bij het inwijden van een nieuw huis (zie vs. 42).
43comtet iens slaachs: als ik de kans krijg, als het zo eens uitkomt; na haer gat tarnen: te pakken nemen.
44plechme: placht mij; de vormen van de tegenw. tijd van plegen hebben bij Bredero en anderen vaak de betekenis van de verl. tijd (vgl. Stoett, Moortje, blz. 120, bij vs. 184); of barnen: afbranden, afschroeien.
45twee blancken: 1 1/2 stuiver (vgl. WNT II, kolom 2780).
58plockebeurs: de plaats(of: de man) waar men geplukt (afgezet) wordt (Kruyskamp, [1969], blz. 164: het belastingkantoor); mr. Gorus speelt met de dubbele betekenis van scheeren (vgl. vs. 56 en 59).
61In de marge staat in alle drukken: En besonder in't Hoff.
62daer de schaer uyt hangt: waar men afgezet wordt.
63Ick bin wel moeyelijck: het zit me wel dwars; Amicht: ambacht, vak (waarschijnlijk ongeveer uitgesproken als: ammecht); de komma voor liet dient ter aanduiding van het dubbelrijm, maar de tegenhanger in vs. 64 ontbreekt).
64om niet: voor niets; scheeren: grappen maken, nl. met 1 april; de tweede woordspeling met scheeren; de meervoudsvorm sluit aan bij het collectivum volck.
65Velt-scheerers: grasmaaiers; de boer heeft de woordspeling dus niet begrepen.
73aasengt: zie vs. 26; op sen ouwe Testaments: naar de oude zede.
74so tusschen baey: zo'n beetje tussen oud en jong in.
75'Tselme leven niet vergeten: ik zal het van mijn leven niet vergeten; een constructie met het wederkerig werkw. zich vergeten (eig. 'Tselme me leven).
84 gaern M N garen; noch niet te M N noch te - 85 half of op K M N half op - 87 middel-rift K M N middel-rif - 91 ick en pleech K M N ick pleegh; iensjes K M N eensjes - 92 plechter K M N pleecher
81int geen de luy segghen: eufemisme voor ‘in de stront’; de boer wil dat grove woord niet uitspreken. (Vgl. Spaanschen Brabander, vs. 439.)
83niet hiet noch kout: niet heet en niet koud (bijw. bepaling bij drinck); half ien half aar: half het een, half het ander.
85Looftme yemant: als iemand mij te koop aanbiedt; dat schat ic enz.: dan is mij dat de helft, nl. een groot, een halve stuiver, waard. Na of (af) denke men: namelijk.
86vrysters: jonge, ongetrouwde vrouwen; 't middel mootje: hun middel, maar met erotische bijbetekenis; zo ook vs. 87.
87middel schot: tussenschot, bijv. tussen twee vertrekken.
121te ondeuchdelijck: in heel hoge graad (on- is een versterkend voorvoegsel); van goe Ayeren set: uit een vruchtbaar geslacht voortgekomen (set: volt. deelw.; voor de betekenis vgl. MNW VII, kolom 1017).
122Dan trouwen: maar ja; van me vaers volck: van mijn vaders kant; vant vollen bet: van een grote familie; eig.: uit dezelfde ouders geboren, maar de boer blijft star in dezelfde richting denken.
123sucken vrouwen man: zo op vrouwen gesteld; datje: als je; na wist leze men een zg. beletselteken (...), want de boer laat de zin onvoltooid.
124me moers wegen: mijn moeders kant; seper: zeker; an gien boome pist: van goede (hier weer in de zin van ‘grote’) familie (lees: boom epist).
125steeckelich: snel en vaak geprikkeld (in erotische zin).
132 helpet K M N helptet - 137 vermomt K M vermont- 139 niet volgens K M N; I met
130Nel van gords-wegen: Nee van Godswege; dezelfde naam in Griane en Moortje (vs. 3319); een spul: een vrijage.
132Wat helpet: lieve help; vaert (...) om botter bloemen: gaat boterbloemen plukken (met erotische bijbetekenis). Hierbij staat in alle drukken in de marge: An bloemen; de betekenis hiervan is onduidelijk.
133wayschuyt: weischuit, licht bootje voor de jacht (de vzn. 133 en 134 eveneens met erotische bijbetekenis).
134Halffen tijt: de helft van de tijd; hoy-clommen: hooioppers.
143vrienden: verwanten; spraecken heur toe: spraken haar erover aan, verweten haar; datte hangden enz.: dat de handen (nl. van haar eerste man) nog klam waren van het doodszweet.
144hoe baerje so: wat maak je een drukte; langer trout as hy leefde: voor een langere tijd getrouwd dan zijn leven, m.a.w. toen hij stierf was ze vrij.
145hem: nl. die jonge springer; liet: leed, onaangenaam.
159in sijn liessen: daar waren de symptomen van een geslachtsziekte te zien; sach (1): keek; estelt was: eraan toe was.
160Help: lieve help; lang hayr, lange sinnen: variatie op de uitdrukking: gekrulde haren, gekrulde zinnen. - De rolaanwijzing vóor dit vs. ontbreekt in I, K, M en N.
168 sincken M N stucken
162meugjy wel: hou je soms van; Ick plechse enz.: ik rúik ze gewoonlijk niet graag. De aanvullende gedachte: maar ik drink ze wel graag, wordt in vs. 163 uitgedrukt. De punt achter vs. 162 leze men als een komma.
163datme moer nou suc sock gaf: als m'n moeder nu zulk zog gaf; 'kwod: dan wou ik; suyken: zuigen.
164claertet so wat fraytjes: breng het maar netjes in orde.
166roemsteeckje: een kaartspel (zie WNT XIII, 724), evenals een gefthumtje (het ‘geef 'm’-spel) en de in vs. 166 genoemde spelen. Een dergelijke opsomming in de Klucht van de Koe, vs. 351-352; vgl. Van Rijnbach 1926, blz. 115; van beyts: allebei.
168weer: terug; met het bort: met het verkeer-bord of het triktrakbord; sincken: vermoedelijk een kaartspel, waarin de vijven (fra. cinq) een rol speelden; aersling: mis, verkeerd (eig.: achteruit).
169al wat op den taerling liep: alles wat met dobbelen te maken had.
170het: heeft; elost: vrij gekocht door het gelag of het verlies te betalen.
171voor niet niet: niet voor niets; een Daelder: heel wat geld.
176 je lijckt N jy lijckt - 178 angers K M N angders
172liert: leer; oft boeren enz.: voor het geval het boeren niet zou lukken.
173waer ofse enz.: hoe moeten die aan de kost komen.
174wittebrootskinderen: verkwistende rijkeluiszoontjes; uytet nest enomen: bedrogen, afgezet. - Na Eynde volgt in I, K en M eerst De Gheboorte van Luys-Bosch en pas daarna als een soort bladvulling de voortzetting van de Huysman. In N ontbreken de naam, het woord Eynde en de aankondiging van het vervolg en zijn de twee stukken samengevoegd.