terug  begin  verderprepost
[p. 199]

De Gheboorte van Luys-bosch-, Alias Robbe-knol.aant.

 
Der fiel gebiert is, der wiet gaer viel zoe verzellen,1
 
So doen ic auch, ghy vromer herren und' gutter gesellen,2
 
Un du eerb'rer wijber, und frissche Maachdeleyn,
 
Ich wil dier meyn leben erzeygen, wil du man zoe frieden seyn.4
5
Hoor zoe! meyn Vatter was eyn man, un meyn mutter5
 
Das was eyn weyb, un sy was swester von haer fleyslichen brutter,6
 
Ja meynder zeelen. Der oort ond der stondt das sy von mir gelach,7
 
Dat was zoe Elsas in eynen schnar, op eynen Monendach,8
 
Un so daer gein windels oder doeckleyn was, zoe vonden,9
10
Had meyn de Deeren in een olde pels met luysen ghewonden.10
 
Meyn Vatter steych hen opter lauf,11
 
De bueren brachten mier zoe tauf,12
[p. 200]
 
Ich wurd sum vund gehouwen,13
 
Von swee stoch olter Vrouwen,14
15
Der pharheer greef zoe hant,15
 
So wierd ich Luysen bosch genant:
 
Doen dit de leuten hoorden,
 
Sy schempten mit die woorden,18
 
Und ginghen doe voort alle t'saam,19
20
Veur meyn bedrubter Mutters kraam,20
 
Die sy in ieren nooden,
 
Hun hilf en gunste booden,22
 
Un gaben ier das weyn un broot,
 
Und was sy meer des had van noot,24
25
Als sy nun was erstanden,25
 
Heft sy mit kloechen handen,26
 
Om gelt gewaschken und geschuert,
 
Un vast gearbeyt byde buert,28
 
Un wist sich zoe erneren,29
30
G'leych eyn Vrou mit eeren.30
 
Daer na; o leyd! o jammer groot,
 
Erhoort sy von meyns Vaders doot,32
 
Dies wend sy leed te draghen,33
 
Um dat hy was erslagen,34
[p. 201]
35
In deinen zoech in Vranckelant,35
 
Von eynem Welscher onbekant.36
 
Ten ende der traurdagen,
 
Der drub sal on het klagen,38
 
Meyn Mutter smuckt sich fijn und kuys,39
40
Un huert daer zoe eyn ander huys,40
 
Gelegen ander gassen41
 
Op eyn hoech van der strassen.42
 
Al waer sy eerst man slaphers hiel,43
 
Und kreygen voort der gesten viel,44
45
Auch quemender logieren,45
 
Den armen en schollieren.46
 
De zeyt mit mir in yl verlief,47
 
Dewijl ick spielde oder slief,
 
Bis ich da wis ter steden,49
50
An jaren en an leden,50
 
Zoe meyn drie vunnif jaren alt,51
 
In redeleychen gut gestalt.52
[p. 202]
 
'T geschach dat sich eyn blinde53
 
Tot unset sick liet vinden,54
55
Der Daybel bracht hem in ons haus,55
 
Der schelm die my daer voerden aus.56
 
Went der blinde hief zoe smeecken57
 
Meyn mutter: en zoe spreecken
 
Jannege meyn leyb bemint,59
60
Meyn hart dat sucht na desem kint,60
 
Liebd ghy das manlijns leben,61
 
Wilt meyn den jongen geben,62
 
Golt noch silber hab ich niet,
 
Noch nichts dat men hie sichber siet64
65
Von gelt of diergelijchen,
 
Man ich hab vil pracktijchen,66
 
Wo mit den jongen dommen helt,
 
Schal bekamen viel gut en gelt.68
 
Hier dorch mijn slechter mudder,69
70
Gelaubden diesem brudder,70
[p. 203]
 
En heft hem gaer wol getrartiert,71
 
Und my gans gerekommandiert,72
 
Hoort om, als wy doe scheyden,73
 
En ick den blinden leyden
75
Ontmoeten wy eyn grossen steyn,
 
Der stont hy en sprach, knabelijn,76
 
Lech auf der steyn dijn ooren,
 
Veul wonder salstu hooren:
 
Ick ging en ley mijn oor daer opf,79
80
Geswind komt hy meyn by de kopf,
 
En druckt my ander rachen,81
 
Und stelt sich an het lachen,82
 
En redt dees woorden voort zoe meyn,83
 
Dis mues meer als de dayvel seyn,84
85
Of de schalckst aller loeren.85

g.a. bredero

-Luys-bosch, Alias Robbe-knol: mogelijk zijn deze beide namen partieel synoniem; zie Stutterheim, Spaanschen Brabander, blz. 75-76.
Gepubliceerd in de Vermeerderingh bij de Klucht Vanden Hoogduytschen Quacksalver, 1622, fol. E2v-E3v; 1629, fol. J2v-J3v; 1637, fol. J2v-J3v; 1644, fol. F3r-F3v.
Opschrift: fractuur-cursief-romein; tekst in fractuur; ondertekening romein.
1 der wiet K M N die wiet - 3 eerb'rer K M N eer'bre
1Der fiel gebiert is: wie veel overkomen is; der wiet: die weet; gaer: heel; zoe verzellen: te vertellen.
2vromer: brave, rechtschapen.
4erzeygen: vertellen (contaminatie van erzählen en erzeugen); wil du man zoe frieden seyn: wacht maar rustig af.
5Hoer zoe: luister.
6swester: zuster.
7meynder zeelen: bij mijn ziel; Der oort ond der stondt: de plaats en de tijd; von mir gelach: mij baarde.
8schnar: schuur? stal? Misschien is dit woord een vervorming van het duitse Schranne, ‘(markt)kraam’. In de Lazarillo (zie blz. 235) is Lazaro geboren in een door water aangedreven molen; Monendach: maandag.
9so: aangezien; windels: windsels; zoe vonden: te vinden.
10Deeren: jonge vrouw van het platteland, nl. zijn moeder.
11steych hen opter lauf: ging ervandoor (steych staat waarschijnlijk voor sleych, ‘sloop’, zoals Van Rijnbach 1926, blz. 182, veronderstelt).
12zoe tauf: ten doop.
14 stoch M N stocht - 16 genant K M genamt - 18 die K M N de
13sum vund gehouwen: bij de doopvont vastgehouden, op de arm gehouden.
14Von swee: door twee.
15greef zoe hant: deed zijn werk, deed zijn plicht(?).
18schempten mit die woorden: hoonden, bespotten die woorden, nl. de door de priester gegeven naam; uit de volgende vzn. blijkt, dat ze de moeder goed gezind zijn.
19voort: vervolgens.
20Veur meyn enz.: naar het kraambed van mijn bedroefde moeder.
22gunste: vriendschap.
24meer des: van zulke dingen nog meer.
25erstanden: opgestaan uit het kraambed.
26kloechen: krachtige.
28vast: hard.
29sich zoe erneren: de kost te verdienen.
30eyn Vrou mit eeren: een fatsoenlijke vrouw.
32Erhoort: vernam.
33wend sy: wende zij eraan, moest zij voortdurend.
34erslagen: gesneuveld.
35 deinen K M N deiner - 38 het klagen volgens K M N; I heen, klagt - 43 eerst K M N eer - 44 der K M de - 48 ick K M N ich - 52 redeleychen N redeleycken
35In deinen zoech: op een veldtocht; deinen is wel onjuist voor einen.
36eynem Welscher onbekant: door een onbekende Waal, Fransman.
38Der drub sal: van het verdriet; on: en.
39Meyn Mutter enz.: schikt mijn moeder zich netjes en zedig op.
40daer zoe: bovendien.
41ander gassen: in het straatje, in de steeg.
42eyn hoech: een hoek. Bredero is hier blijkbaar uitgegaan van het ndl. hoek en niet van het du. Ecke; hoech is vergelijkbaar met kloech in vs. 26, waarin we eerder het ndl. kloek dan het du. klug moeten zien. Interpretatie van eyn hoech als ‘eenhoog’ lijkt niet waarschijnlijk; van der strassen: van de (hoofd)straat.
43eerst man slaphers hiel: eerst mensen onderdak voor de nacht verschafte.
44Und kreygen enz.: en vervolgens veel gasten kreeg; misschien moeten we hierbij in tegenstelling tot de slapers uit vs. 43 aan kostgangers denken.
45quemender: kwamen er, kwamen daar; het onderw. van quemen is Den armen en schollieren (vs. 46).
46schollieren: rondtrekkende studenten.
47De zeyt mit mir enz.: voor mij ging de tijd snel voorbij.
49da wis ter steden: daar ter plaatse opgroeide.
50An: in; an leden: lichamelijk.
51Zoe: tot; drei vunnif: vijftien.
52In redeleychen gut gestalt: redelijk goed gebouwd.
53'T geschach: het gebeurde.
54Tot unset: bij ons, ten onzent; sick: zich (overtollig na sich in vs. 53).
55Daybel: duivel.
56Der schelm enz.: bijstelling bij hem in vs. 55; Der had dus Den moeten zijn; daer voerden aus: mij daaruit meenam.
57hief zoe smeecken: begon te vleien, vriendelijk te praten tegen.
59Jannege: Jannetje; aangezien de ndl. k in deze tekst nergens door een du. g vervangen is, is deze naam niet te beschouwen als een vervorming van Janneke, maar eerder als een verschrijving van de gewone vorm Jannetge; meyn leyb bemint: m'n lieve leven, m'n liefste (bemint is een bijv. nabepaling). Vgl. ook Hooft: ‘Amaryl mijn lieve leven’ (ed. L.-St. I, blz 35).
60sucht na: verlangt naar, haakt naar.
61Liebd ghy: als je liefhebt.
62Wilt meyn (...) geben: geef mij dan.
64hie: hier.
66Man: maar; pracktijchen: trucs, listige kunstgrepen.
68Schal bekamen: zal bekomen.
69slechter: onnozele, naïeve.
70Gelaubden diesem brudder: geloofde deze brave man (ironisch).
71 getrartiert N getractiert - 76 knabelijn K M N knabbelijn - 79 opf K M N ops - 80 kofp K M N kops - 84 Dis M N Die; dayvel N Daybel
71getrartiert: onthaald.
72gans rekommandiert: volledig (aan hem) toevertrouwd.
73Hoort om: luister allemaal; eig. ‘rondom’, want de toehoorders (vgl. vs. 2) staan in een kring om de verteller.
76Der stont hy: daar bleef hij staan.
79ging: liep erheen; de varianten ops en kops zijn in K ingeslopen en in M en N niet gecorrigeerde drukfouten (in K en M staat een lange s; in N een ronde s).
81druckt my ander rachen: grijpt me bij de strot (of: knijpt m'n strot dicht?). In Lazarillo geeft de blinde Lazaro een slag tegen het hoofd, waardoor deze met het hoofd tegen de steen slaat.
82stelt sich an: begint te.
83redt: spreekt; voort: daarop. Wat de blinde zegt, ontbreekt in de tekst.
84Dis: die; meer: erger.
85de schalckst: de sluwste; loeren: schelmen.
prepostterug  begin  verder