terug  begin  verderprepost
[p. 206]

Minne-briefaant.

 
Waer u het hart bekent van die u dit doet senden
 
So waer het niet van nood dit schryven voor te wenden.2
 
Na dien Eerbare Maegd, dat onkun maeckt on-min3
 
So is door Gods beschick my dit ghegeven in:4
5
Dat ick mijn reyn versoeck met myne hand souw schryven5
 
't Geen ick uyt vreese laet, om mond'ling te bedryven.6
 
Beleefde Dochter waert, 'k hebb' noyt by u versaemt,7
 
Dies klaeght u nu mijn pen, 'tgeen haer de tonge schaemt,8
 
In d'eerste aenkomst u opentlijck te verbreden9
10
Mijn hartelijck begeer en goe geneghentheden.10
 
Mijn goe genegentheyt, en hartelijck begeer
 
Is nergens op geboudt, als op u deught en eer,
 
Indien het u belieft dat 'k by u mach verkeeren13
 
Ghy sult de waerheyt klaer door 't ondervinden leeren14
15
Van mijn jonstdragend' hart, en mijn verlieft gemoet15
 
Dat u Princes bemint boven al 's Werelts goet,
 
Boven al 's Werelts goet verkiesen u mijn sinnen17
 
Om u in eerbaerheyt te dienen en beminnen,
 
Ten aensien van u deughd en Maaghdelijck cieraat,19
20
Van uwe heusheyt eel, en weeselijck gelaat,20
[p. 207]
 
Van u manieren braef, en wel voegende seden,21
 
Van 't schickelijck beleyt, van u bevall'ghe reden,22
 
Die u lieflijcke mont so vrundelijck ontsluyt,23
 
Dit wast beginsel daer mijn liefde voort uyt spruyt.24
25
Al heb ick, God betert, noyt by u mogen wesen,25
 
Ick heb dees gaven schoon uyt u voor-hooft gelesen,26
 
U hooghe snel verstandt, en over goede gheest.27
 
Maar ick bid u vriendin, dat ghy niet quaet en weest,
 
Dat ick in u, mijn troost, niet genoech en kan prysen:29
30
Mijn wit is maer gheweest om d'oorsaack aen te wysen30
 
Van mijn getrouwe liefd', en minnelijcke gunst,31
 
Ik heb schoon lief de wil, maar 't gebreck aen de kunst.32
 
't Gebreeckt my aen de kunst om u schoonheyt te maalen,
 
Die met geen pen of tongh is moogh'lijck te verhaalen.34
35
Wel aen het moeter aen, de schaemt is aen een zy:35
 
Ootmoedigh ick versoeck, ô Vriendinne, dat ghy36
 
Over mijn stout bestaen u ten best' laet genoegen,37
 
En my u dienaar hier een slachjen in te voeghen,38
 
Al is schoon dat ick u tot noch ben onbekent,39
40
Bekent, en onbekent, so veel als ghy my bent.40
[p. 208]
 
En belght het u niet, dat ick u niet laet weeten,41
 
Waer dat ick woon of hoe ick ben geheeten.
 
Ick vrees dat yemandt dees mijn brief quam inde handt
 
Die u en my sou dan spreecken spot en schand.44
45
Maer ghy meugt dien wel sien, ick wilt u wel vertrecken45
 
Alst my tot geen on-eer en schande soud' verstrecken.
 
Ick bid u hartelijck dat ghy aen deure staat
 
Wanneer als morgen komt, dat de klock negen slaat.48

By my uwen tot noch onbekende ende wel besinde-

Vrundt, Lief ende Minnaer.

Gepubliceerd in Ned. Poëmata, 1632, fol G2r-G2v; 1638, fol. G2v-G3r; 1644, fol. C4v-C5r.
Titel romein; tekst fractuur; onderschrift cursief.
2dit schryven voor te wenden: mijn toevlucht te nemen tot deze brief.
3Na dien: aangezien het zó is; onkun: onbekendheid.
4beschick: beleid, beslissing.
5reyn: onschuldig, goed bedoeld.
6laet: nalaat, niet aandurf; bedryven: doen.
7Beleefde: vriendelijke, welwillende; Dochter: meisje, jonge vrouw; waert: lieve, dierbare (bijv. nabepaling); by u versaemt: met u samen geweest (dus zonder anderen).
8Dies: daarom; 'tgeen haer enz.: wat de tong niet durft.
9aenkomst: ontmoeting; verbreden: vertellen, uiteen zetten.
10Mijn hartelijck begeer: de begeerte van mijn hart; vóor dit vs. denke men: namelijk.
13by u mach verkeeren: met u mag omgaan.
14klaer: zuivere; gezien de cesuur na dit woord verdient de opvatting als bijv. nabepaling de voorkeur boven die als bijw. bep.; ondervinden: leren kennen.
15jonstdragend': vol genegenheid.
17mijn sinnen: mijn gevoelens, mijn geest.
19Ten aensien van: met het oog op; cieraat: schoonheid.
20heusheyt eel: edele welwillendheid; weeselijck gelaat: zedig gedrag.
21u manieren braef: uw nobel optreden; wel voegende seden: welvoeglijke, beschaafde manieren.
22't schickelijck beleyt: juiste ordening; reden: woorden (van u bevall'ghe reden is een bijv. bep. bij beleyt).
23ontsluyt: openbaart, te kennen geeft.
24beginsel: oorsprong, eerste oorzaak; voort uyt spruyt: uit voortspruit.
25God betert: wat God moge verbeteren; een échte wens, met een emfatische omzetting van de derde jambe.
26gaven schoon: schone gaven.
27over goede: voortreffelijke.
29troost: geliefde; niet genoech en: niets in voldoende mate.
30wit: bedoeling.
31gunst: genegenheid.
32(Ik heb) 't gebreck aen de kunst: mijn kunnen schiet tekort.
34is moogh'lijck te verhaalen: kan worden uitgesproken.
35het moeter aen: het moet nu worden gezegd.
36ô Vriendinne: de omzetting van de vierde én de vijfde jambe geeft aan deze woorden een emfatische nadruk.
37Over mijn stout bestaen: om mijn gewaagde onderneming; u ten best' laet genoegen: niet boos zult worden, haar goed zult opnemen.
38een slachjen in te voeghen: een vriendelijkheid, een dienst wilt bewijzen (vgl. WNT XIV, kolom 1498). Dit vs. (een infinitiefconstr.) is evenals de bijzin dat ghy Over mijn stout bestaen u ten best' laet genoegen, lijd. voorw. bij versoeck (vs. 36).
39Al is schoon: al is het zo.
40Bekent, en onbekent: niet geheel onbekend en ook niet echt bekend; so veel: evenveel.
41En belght het u niet: laat het u niet grieven, wees er niet boos om.
44my sou: in deze versregel ontbreekt een syllabe.
45dien: nl. mijn brief (vs. 43); vertrecken: mededelen, vertellen.
48Wanneer enz.: als de klok morgen negen slaat; het woord als is expletief. De zinsconstructie laat verschillende interpretaties toe; het meest aannemelijk schijnt, dat dat ... slaet een bijv. bijzin is bij een in de voorzin slechts impliciet aanwezig woord ogenblik, tijdstip.
-wel besinde: toegenegen, liefhebbende.
prepostterug  begin  verder