terug  begin  verderprepost
[p. 209]

[Siet hier mijn goede Vriendt]aant.

 
Siet hier mijn goede Vriendt, mijn leege tijts verdrijf,1
 
Vermerckt uyt wat hart dat ick tot uwaarts schrijf:2
 
Omdat de goede Jonst by ons niet souw vervremen,3
 
Was ick veroorsaeckt om de pen in handt te nemen4
5
En schryven aen mijn vriendt, so lief en waerde groet,5
 
Als wenschen van mijn hart en gunst van mijn gemoet:6
 
De gunst van mijn gemoet, dat is dat u Godt geve
 
Gesontheyt en geluck en hier na 't eewigh leven.
 
 
 
Leyder (Leydtse vriendt) u leydts vertreck is myn leyt,9
10
Hoe wel verleyt van plaets, geen rechte vrientschap scheyt,10
 
Nochtans inder waerheyt so moyt my u afscheyden,11
 
Voornaemlijck dat ghy my niet eens adieu en seyde:
 
Wat ontschult hebt ghy doch, so ghy ontschuldigh zijt,13
 
Beschuldight niet t'onrecht de vlugge snelle tijdt,14
15
Want dat is niet een mydt, ghy moet daer niet op leggen,15
 
Ghy hadt licht haest den tijt om eens adieu te seggen:16
 
Ick denck dat uwe gheest hier niet en was gerust
[p. 210]
 
Wanneer ghy beelden voor de behaeghlijcke lust18
 
Van 't lief geselschap, dat ghy te Leyden hadt gelaeten,19
20
Besonder dat Meysjen daer ghy so veel komt praeten,
 
Dan dats al even veel, genoech oock uyt geleyt,21
 
Want een verstandigh Man is haest genoech geseyt.22
 
 
 
Siet hier mijn beloft, en u vriend'lijck begeeren23
 
Hebb' ick uyt goede Jonst, volkommelijck voldaen:24
25
Die ghy, gelijck ick hoop in danck oock sult ontfaen25
 
En neemt mijn gunst, voor kunst, en denckt het Kan verkeeren.26
 
Met hulpe vanden tijdt sal ick wel beter leeren:
 
Wilt met een jongstigh oogh, dit dickmaels schouwen aen,
 
So sal geselligheyt tusschen ons niet vergaen,29
30
Maer eeuwigh blyven staen, waert anders 't soumen deeren.30
Gepubliceerd in Ned. Poëmata 1632, fol. G2v-G3r; 1638, fol. G3v; 1644, fol. C5r-C5v.
Fractuur met enkele woorden romein; geen titel.
2 Vermerckt uyt E Vermerckt doch uyt - 11 moyt D E moeyt
1leege: bijv. bep. bij tijts: dus: dat waaraan ik mijn vrije tijd heb besteed.
2Vermerckt: merk op.
3Omdat: opdat; Jonst: genegenheid, vriendschap; vervremen: vervreemden, teloorgaan.
4veroorsaeckt: verplicht, genoodzaakt.
5so lief: zo dierbaar (bijv. nabepaling bij vriendt); en waerde: een hartelijke. Of: een zeer vriendelijke, hartelijke groet?
6Als: bij wijze van; gunst: (blijk van) genegenheid.
9Leyder: helaas; leydts vertreck: vertrek naar Leiden; myn: mij. De woordspelingen met leyd- zijn een retorische figuur die Bredero ook in zijn proza graag toepast; zie bijv. Damsteegt 1981, blz. 37.
10verleyt van plaets: plaatsverandering.
11moyt: moeit, spijt.
13ontschult: verontschuldiging.
14t'onrecht: ten onrechte.
15niet een mydt: niets waard; daer niet op leggen: daar niet de schuld op gooien.
16haest: eventjes.
18ghy beelden voor: gij u voor ogen stelde.
19te Leyden: lees terwille van het metrum t'Leyden.
21Dan dats al even veel: maar dat is tot daaraan toe.
22Man: meew. voorw.; haest: al gauw.
23Siet hier: in deze alexandrijn ontbreekt een syllabe; men leze desgewenst: Siet hier dan; u vriend'lijck begeeren: wat u als vriend van mij kunt verlangen.
24voldaen: volbracht.
25Die: dit verwijst naar het niet genoemde begrip ‘brief’; ontfaen: ontvangen.
26neemt mijn gunst, voor kunst: let meer op mijn vriendschap dan op mijn kunstenaarschap.
29geselligheyt: kameraadschap.
30blyven staen: stand houden; 't soumen: het zou me.
prepostterug  begin  verder