[p. 212]
[Maer waerom ben ick niet soo gheluckigh]
Maer waerom ben ick niet soo gheluckigh,
1
Als ghy, ô Tortel-duyfjen kleen?
Die nummermeer u Gayken, druckigh,
3
Verliest, dan door de dóódt alleen?
5
Och waer de mijne de gaven gegeven,
5
Van u liefs trouw en van sijn Min:
6
Of had ick de staet maer van u leven,
7
Met dat vernoeghen in mijn sin
.
8
Och waerom werd ick met mijn
Margariete,
9
10
Niet met de selfde snoer gheleyt
10
Als ghy? die veyligh mooght genieten,
Den Hemel van sijn lieflijckheyt
.
12
Of moet het Vee in redelijckheden,
13
Den Edelen Mensch te boven gaen?
15
Wy die betytelt sijn met reden,
15
Die moeten van haer een les verstaen
.
16
1
Maer waerom
: waarom toch;
ben ick
: terwille van het metrum leze men: ben 'k.
3
Gayken
: gaai, vrouwtje;
druckigh
: op droevige wijze (bepaling bij
Verliest
, vs. 4).
5
waer
: waren;
de mijne
: wijst terug naar
Gayken
; dus: aan mijn geliefde.
6
sijn Min
: haar liefde;
sijn
wegens het genus van
lief
, hoewel de sekse vrouwelijk is.
7
de staet
(...)
van u leven
: uw levensstaat, levensomstandigheden.
8
vernoeghen
: tevredenheid;
sin
: gemoed.
9
Margariete
: zie de aant. bij vs. 20 van het
Nieuw Liedeken
hiervóor (blz. 176); terwille van het metrum leze men: Margriete.
10
snoer
: leiband;
gheleyt
: geleid.
12
Den Hemel
: de heerlijkheid, het geluk;
sijn
: verwijst wel naar
lief
(vs. 6).
13
Vee
: gedierte, hier gebruikt voor vogels;
redelijckheden
: wijsheid.
15
betytelt sijn met reden
: de naam hebben van begaafd te zijn met verstand.
16
van haer
: van hen, van het gevogelte (
Vee
, vs. 13);
verstaen
: begrijpen, leren.