terug  begin  verderprepost
[p. 218]

[Al hadt een mensch wat hy mocht wenschen]aant.

 
Al hadt een mensch wat hy mocht wenschen,
 
Van al watmen ter Wereldt siet,
 
Het hooghste goedt van sulcke menschen,
 
Komt door een ramp, helaas! tot niet:4
 
 
5
De Noot-wet brouwt hem met verdriet,5
 
Voor een Lusje, hondert klachten.6
 
Dus sit ick oock daghen en nachten,7
 
Mijn laeuwe tranen en vergiet.
 
 
 
Mijn grage Sieltjen moet ontbreken9
10
Sijn soete voedtsel en sijn spijs;
 
Wat is dit anders als een teken,
 
Wat is dit anders als bewijs
 
 
 
Van mijn doodt? ach ick krys!13
 
Want helaas! ick moet verliesen
15
Het soetste soet van mijn verkiesen,15
 
Dat is mijn Aartsche Paradijs.
[p. 219]
 
Wat is dit anders als 't ombrengen17
 
Van mijn deeltjen! och van die18
 
Mijn Siel bemint. Och 'k moet gehengen19
20
Dat, o God! u wil geschie.
 
 
 
Als ick onvolmaackte sie21
 
Mijn helfje, van mijn helfje scheyden,22
 
Och vereenicht dan ons beyden,
 
Nae mijn doodt weêr op een nie.24
Gepubliceerd in Ned. Poëmata, 1632, fol. J3r; 1638, fol. J3r; 1644, fol. D3v.
Tekst romein; geen titel.
4Komt (...) tot niet: wordt totaal vernietigd.
5De Noot-wet: het Fatum; brouwt: verschaft, veroorzaakt.
6Voor: in plaats van; een Lusje: een beetje plezier, genoegen.
7Dus: zo; sit ick (...) Mijn laeuwe tranen en vergiet: zit ik mijn warme tranen te vergieten.
9grage Sieltjen: gretige, begerende ziel; meewerkend voorwerp; het onderwerp is vs. 10.
13mijn doodt: mijn sterven, mijn nabije dood.
15Het soetste soet enz.: het lieflijkste dat ik verkozen heb.
17't ombrengen: het doden.
18Van mijn deeltjen! enz.: van mijn deel dat toebehoort aan degene die mijn ziel (onderw.) bemint; de gelieven zijn nl. psychisch een deel van elkaar.
19gehengen: dulden, aanvaarden.
21onvolmaackte: onvolkomene (nl. door het ontbreken van de geliefde).
22Mijn helfje: mijn geliefde die de helft van mijn ziel is; mijn helfje: mijn eigen zielehelft; (sie) scheyden: gescheiden zie.
24op een nie: opnieuw.
prepostterug  begin  verder