terug  begin  verderprepost
[p. 220]

Voor-reden vande Sotheytaant.

1Het Volck duncktmen volght malkanderen start an start, ghelijck de1 2 paerden (hoy Os) vande Valckenburghsche marct, en dat haer lust voor u2 3 gelt te hebben een betiel met visch met botter en mostert van mijn3 4 vermaecklijckheyt. Maer ick waerschuwje datje wel bedroghen sult syn,4 5 indien ick wouw mijn seem-leere montjen openen met mijn buffels-leer5 6 verstant, ick souw niet mogen spreecken in een half uyr: Want wat souwt6 7 ghy dan doch goede Luyden al verwachten? Ick souwje raden om een7 8 kuyertjen te gaen aenden Overtoom, ende u aldaer te vermaken, ende eten8 9 een sootjen Span-Baers, ende drincken mekaar een half bier toe uyt9 10 broederlijcke liefde, wel aan! Een Advocaets spreeck woort: Laat ons10 11 beginnen te drincken en te spreecken. Waer van sullen wy 't hebben? Ick11 12 weet het niet. Voor my: ick en ben niet gedistileert inde harsenen der12

[p. 221]

13 inbeeldinge van Plato, noch inde wellustigheyt van Epicurus, noch in13 14 d'ondersoeckinge van Democritus. Nu hebb' ick ghehoort van mijn14 15 Besjen, dat wy niet en sullen reppen van 't ghene dat ons te hoogh is, ende15 16 dat een Smit van yser ende kolen moet praten, een Schoen-maker van syn 17 leest, de Molenaer van syn molen, de Kock van syn koken, van syn sieden, 18 van syn braden, van syn roosten ende van syn stoven, van syn smooren,18 19 ende van al de dingen die de koocken aengaen. Maer aen wat eynd' sullen 20 wy beginnen? Ick en weet niet: Want vande Godheyt en verstae ick niet,20 21 vande weet of wis-kunst immers soo weynich, vande wysheyt weet ick21 22 noch minder, ende van al d'andere wetenschappen en weet ick oock niet, 23 God danck. Want voor de Rechts-gheleertheyt (anders inde Rechten) u23 24 Labbekacken hebben daer meer in gheleert als ick, die moghen u daer wat24 25 af leeren: Sulcx dat ick niet waerdighs en kan voor uwe heerlijckheden,25 26 noch ick en weetje niet te prevelen van mijn daghelijcx doen, dat 27 ghetuyght mijn kleet, 't welck niet en ruyckt na de Philosophie, maer naer 28 over-fyne ende klinck-klare Sotheyt, en so ghy u niet gewaerdight my te28 29 hooren van dese rijcke stoffe, ick geefje allegaer oorlof, ende ick scheldje29 30 quyt voor de rest, maer nu ick jouw ooren soo open sien als een

[p. 222]

31 veurspraacx tas, ick sal u seggen een woort of twee, of meer: Wel aen dan,31 32 hout op je hant, en sweertmen in heylicheyt ende oprechtigheyt van 33 gemoet: Meenje datje wyser bent als ick? soo ghy dat denckt, soo sydy ten 34 eersten ghevangen in d'eerste Sotheyt (want de verwaentheyt is d'eerste lit34 35 vande dwaesheyt) hebdy niet ghelesen in Salomon ende anderen, dat het35 36 getal der Sotten oneyndelyck syn? ende dat de Menschelijcke wysheyt is36 37 pure narrigheyt by de eeuwige wysheyt? Ay segt my eens, so ghy lust hebt 38 my te betalen, wie begaet meer geckheyt, ick die u ophouw met mijn38 39 Mallicheytjes, of ghy met my te hooren? Die u woorden vent, of ghy diese39 40 koopt? Voor my, die mijn selfs kittel dat ick lach, of ghy om dat ghy lacht,40 41 als ghy siet lacchen? Ick vind dat ons verschil over een komt met het 42 woordt vande Romeynen: Senatus Populusque Romanorum: maer met42 43 vier voor-letteren, S.P.Q.R. of, Stultus Populus querit Roma.43

[p. 223]

44Ist niet een groote sotheyt vande huyrlingen van dit gheslacht, dat sy44 45 haer lyf ende ziel vermoorden om veel goets te vergaeren met ongeoor-45 46 lofde middelen? Om van dese werelt te dragen een ellendich slaeplaken?46 47 Ende laten al haer goet aen erffgenaemen die meerder geest hebben dan sy?47 48 want sy brengen meer deur in een dach, alsmen haer souw kunnen48 49 toevoeren in een jaer. Is niet de selve sotheyt in de Coopman die daer49 50 handelt op zee, dat hy hasardeert syn leven ende welvaren inde spatie van50 51 twee dry vingeren vande doot? om te deurgraven de mynen van Peru, om 52 hem te verrycken met een Metael dat syn leven geen oogenblick souw52 53 konnen verlanghen. In Somma Sommarum, om tot een eynde te komen, al53 54 de werelt is vol Sotten, ende ghy toehoorders mijn Nichten en Neven.54

55Lacht wel.55

 
Het rechte recht al vande kan,56
 
Is: drincket uyt en knoopet an.57

G.A. Bredero

Gepubliceerd in: Ned. Poëmata, 1632, fol. J4r-J4v; 1638, fol. J4r-J4v; 1644, fol. D4r-D4v.
Titel romein; tekst fractuur met enkele woorden romein; het rijmpje aan het slot cursief; ondertekening kl. kapitaal.
4 vermaecklijckheyt E vermakelijckheyt
1Het Volck: de mensen; toespeling op het binnenkomende publiek, dat in het vervolg, te beginnen met u gelt (r. 2) in de 2e persoon wordt aangesproken.
2hoy Os: schertsende aansporing van een paard, als een clownesk terzijde in de monoloog opgenomen; de Valckenburghsche marct: de jaarlijkse paardenmarkt in Valkenburg (bij Leiden), waarvoor Willem II in 1246 het privilege gegeven heeft en die nog steeds elk jaar in september gehouden wordt; en dat haer lust: en (het dunkt me) dat ze er zin in hebben; u: uw. Van hier af richt de Sotheyt zich in de 2e persoon tot het volk.
3betiel: schotel; de Sotheyt vergelijkt het opvoeren van een klucht met het opdienen van een maaltje vis.
4vermaecklijckheyt: geestigheid.
5mijn seem-leere montjen: mijn lieve mondje (zeemleer is zacht leer); mijn buffels-leer verstant: mijn stugge, grove verstand.
6niet mogen spreecken in een half uyr: binnen een half uur met mijn mond vol tanden staan (?).
7al: allemaal (bijv. bepaling bij wat, r. 6).
8aenden Overtoom: naar de Overtoom, de bekende toegangsweg te water aan de zuidwestzijde van Amsterdam, waar de reizigers herbergen vonden, die tevens vermaakscentra waren voor de Amsterdammers zelf.
9Span-Baers: baars van ten minste een span lang, d.i. de afstand van duim tot pink bij de uitgespreide hand; een half bier: een halve pint bier, dus een bescheiden glas.
10Advocaets spreeck woort: advocatenuitdrukking.
11Waer van: waarover.
12gedistileert: door verdamping en condensatie gezuiverd; hier echter: goed onderricht en ingewijd; harsenen: hier figuurlijk voor ingewikkelde en moeilijke dingen.
21 wis-kunst D E wis-const - 25 waerdighs D E weerdichs - 28 gewaerdight D E gheweerdicht
13der inbeeldinge van Plato: van de ideeënleer van Plato (ong. 428-348 v. Chr.), de griekse wijsgeer volgens wie de wereld van de Ideeën eeuwig en wezenlijk is en die van onze begrippen slechts een afspiegeling daarvan; inde wellustigheyt van Epicurus: in de leer van het geluk van Epicurus (ong. 342-271 v. Chr.), een griekse wijsgeer wiens levensbeschouwing de mens opdraagt te streven naar een duurzaam geluk.
14Democritus: grieks wijsgeer en veelzijdige natuuronderzoeker (ong. 460-379 v. Chr.).
15mijn Besjen: mijn grootmoeder; niet en sullen reppen: niet behoren te spreken.
18roosten: roosteren; smooren: boven een zacht vuur gaar stoven.
20en verstae ick niet: begrijp ik niets, weet ik niets af.
21immers soo weynich: zeker zo weinig, zeker niet meer; wysheyt: wijsbegeerte; niet: niets;
23voor: inzake, wat betreft; anders: met andere woorden.
24u Labbekacken: uw praatjesmakers; moghen: kunnen.
25af: van; Sulcx: zodat; niet waerdighs: niets dat de moeite waard is; voor uwe heerlijckheden: voor u, mijne heren; een eervolle omschrijvende titulatuur, zoals Uwe Hoogheid, Uwe Edelheid.
28gewaerdight: verwaardigt; van: over.
29oorlof: toestemming om te vertrekken.
31een veurspraacx tas: een geldbuidel van een advocaat; ick sal: zal ik; de inversie na een bepaling kon in het 17e-eeuws ontbreken.
34ten eersten: al dadelijk, terstond.
35Salomon: zoon van David en Bathseba; hij regeerde veertig jaar (972-932 v. Chr.) als koning van Juda en Israël (zie I Kon. 1-11). Van hem zouden de uitspraken in het boek Prediker in het Oude Testament afkomstig zijn.
36dat het getal der Sotten oneyndelyck syn: de meervoudsvorm syn sluit aan bij het meervoudsbegrip van het onderwerp getal. De bijbelplaats komt voor in Erasmus' Laus Stultitiae (Dirkzwager 1949, blz. 274; Kan 1969, blz. 348-349); zij is ontleend aan de Vulgaat, Pred. 1: 15b: et stultorum infinitus est numerus. In de r.k. Leuvense Bijbel van 1548 en zijn opvolgers van 1566 en 1599 is dit vers vertaald met: ende der sotten ghetal is sonder eynde. (Met dank aan dr. S.J. Lenselink.)
De reformatorische bijbels (Liesveldt 1526, Biestkens 1560, Deux-Aes in de druk van 1587) volgen een andere Latijnse versie, nl.: et quod deficiens est, numerari non potest; in vertaling in de taalvorm van 1587: noch de feyle ghetelt worden. - Bredero heeft de door hem gebezigde spreuk misschien in een vroege vertaling van de Laus Stultitiae gevonden, maar het is ook mogelijk dat ze, toepasselijk als ze is in velerlei situaties, als spreekwoord in de volkstaal leefde. En tenslotte is het niet ondenkbaar, dat zich in het familiebezit een exemplaar van een oude roomse bijbel bevond.
dat de Menschelijcke wysheyt enz.: toespeling op I Cor. 3:19: Want de wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij God.
38my te betalen: mij antwoord te geven.
39Die u woorden vent: hij die u woorden verkoopt.
40dat: zodat.
42Senatus Populusque Romanorum: de senaat en het volk der Romeinen.
43Stultus Populus querit Roma(m): het dwaze volk wil naar Rome (zie Porteman 1985, n. 10).
44huyrlingen: huursoldaten; van dit gheslacht: onder de mensen van deze tijd.
45goets: bezit; in de 2e naamval in de verbinding met veel.
46Om van dese werelt enz.: terwijl ze van deze wereld niets kunnen meenemen dan een armzalig doodskleed.
47geest: fantasie, vindingrijkheid.
48brengen meer deur: verkwisten meer, maken meer op.
49toevoeren: leveren, brengen, bezorgen.
50hasardeert: waagt; inde spatie enz.: in de ruimte van twee, drie vingers van de dood verwijderd. Dit doelt op de dikte van de planken van het scheepsboord. Het is niet duidelijk of spatie meer concreet als de ruimte binnenin het schip, of meer abstract als ‘speelruimte’ geïnterpreteerd moet worden.
52hem: zich.
53In Somma Sommarum: alles bijeengenomen.
54mijn Nichten en Neven: bloedverwanten van de Zotheid; aangesproken persoon, waar de gebiedende wijs Lacht wel als afscheidsgroet bij behoort; de punt denke men als een komma.
55wel: hartelijk, gul.
56Het rechte recht enz.: wat de kan rechtens toekomt. Met dit rijmpje drinkt de zotheid het publiek toe.
57knoopet an: zet (het drinken) voort, schenk de beker opnieuw in; drincket en knoopet zijn verlengde vormen van de gebiedende wijs.
prepostterug  begin  verder