1Het Volck duncktmen volght malkanderen start an start, ghelijck de1 2 paerden (hoy Os) vande Valckenburghsche marct, en dat haer lust voor u2 3 gelt te hebben een betiel met visch met botter en mostert van mijn3 4 vermaecklijckheyt. Maer ick waerschuwje datje wel bedroghen sult syn,4 5 indien ick wouw mijn seem-leere montjen openen met mijn buffels-leer5 6 verstant, ick souw niet mogen spreecken in een half uyr: Want wat souwt6 7 ghy dan doch goede Luyden al verwachten? Ick souwje raden om een7 8 kuyertjen te gaen aenden Overtoom, ende u aldaer te vermaken, ende eten8 9 een sootjen Span-Baers, ende drincken mekaar een half bier toe uyt9 10 broederlijcke liefde, wel aan! Een Advocaets spreeck woort: Laat ons10 11 beginnen te drincken en te spreecken. Waer van sullen wy 't hebben? Ick11 12 weet het niet. Voor my: ick en ben niet gedistileert inde harsenen der12
13 inbeeldinge van Plato, noch inde wellustigheyt van Epicurus, noch in13 14 d'ondersoeckinge van Democritus. Nu hebb' ick ghehoort van mijn14 15 Besjen, dat wy niet en sullen reppen van 't ghene dat ons te hoogh is, ende15 16 dat een Smit van yser ende kolen moet praten, een Schoen-maker van syn 17 leest, de Molenaer van syn molen, de Kock van syn koken, van syn sieden, 18 van syn braden, van syn roosten ende van syn stoven, van syn smooren,18 19 ende van al de dingen die de koocken aengaen. Maer aen wat eynd' sullen 20 wy beginnen? Ick en weet niet: Want vande Godheyt en verstae ick niet,20 21 vande weet of wis-kunst immers soo weynich, vande wysheyt weet ick21 22 noch minder, ende van al d'andere wetenschappen en weet ick oock niet, 23 God danck. Want voor de Rechts-gheleertheyt (anders inde Rechten) u23 24 Labbekacken hebben daer meer in gheleert als ick, die moghen u daer wat24 25 af leeren: Sulcx dat ick niet waerdighs en kan voor uwe heerlijckheden,25 26 noch ick en weetje niet te prevelen van mijn daghelijcx doen, dat 27 ghetuyght mijn kleet, 't welck niet en ruyckt na de Philosophie, maer naer 28 over-fyne ende klinck-klare Sotheyt, en so ghy u niet gewaerdight my te28 29 hooren van dese rijcke stoffe, ick geefje allegaer oorlof, ende ick scheldje29 30 quyt voor de rest, maer nu ick jouw ooren soo open sien als een
31 veurspraacx tas, ick sal u seggen een woort of twee, of meer: Wel aen dan,31 32 hout op je hant, en sweertmen in heylicheyt ende oprechtigheyt van 33 gemoet: Meenje datje wyser bent als ick? soo ghy dat denckt, soo sydy ten 34 eersten ghevangen in d'eerste Sotheyt (want de verwaentheyt is d'eerste lit34 35 vande dwaesheyt) hebdy niet ghelesen in Salomon ende anderen, dat het35 36 getal der Sotten oneyndelyck syn? ende dat de Menschelijcke wysheyt is36 37 pure narrigheyt by de eeuwige wysheyt? Ay segt my eens, so ghy lust hebt 38 my te betalen, wie begaet meer geckheyt, ick die u ophouw met mijn38 39 Mallicheytjes, of ghy met my te hooren? Die u woorden vent, of ghy diese39 40 koopt? Voor my, die mijn selfs kittel dat ick lach, of ghy om dat ghy lacht,40 41 als ghy siet lacchen? Ick vind dat ons verschil over een komt met het 42 woordt vande Romeynen: Senatus Populusque Romanorum: maer met42 43 vier voor-letteren, S.P.Q.R. of, Stultus Populus querit Roma.43
44Ist niet een groote sotheyt vande huyrlingen van dit gheslacht, dat sy44 45 haer lyf ende ziel vermoorden om veel goets te vergaeren met ongeoor-45 46 lofde middelen? Om van dese werelt te dragen een ellendich slaeplaken?46 47 Ende laten al haer goet aen erffgenaemen die meerder geest hebben dan sy?47 48 want sy brengen meer deur in een dach, alsmen haer souw kunnen48 49 toevoeren in een jaer. Is niet de selve sotheyt in de Coopman die daer49 50 handelt op zee, dat hy hasardeert syn leven ende welvaren inde spatie van50 51 twee dry vingeren vande doot? om te deurgraven de mynen van Peru, om 52 hem te verrycken met een Metael dat syn leven geen oogenblick souw52 53 konnen verlanghen. In Somma Sommarum, om tot een eynde te komen, al53 54 de werelt is vol Sotten, ende ghy toehoorders mijn Nichten en Neven.54
55Lacht wel.55
G.A. Bredero