Ongedateerde berijmde liefdesbrief aan een onbekende.
| Beginregel: Waer u het hart bekent van die u dit doet senden |
| Eerste publikatie: Nederduytsche Poëmata 1632, fol. G2r-G2v. |
| Omvang: 48 versregels. |
| Versvorm: alexandrijnen met regelmatige cesuur behalve in vs. 24; in vs. 42 ontbreekt een voet, in vs. 44 een syllabe. In talrijke verzen zijn omzettingen, deels met emfatisch effect. |
| Rijmschema: a a b b c c enz. In de vzn. 11, 17 en 33 bestaat de versregel geheel of gedeeltelijk uit een herhaling van de vorige. |
De amoureuze rijmbrief is gericht aan een onbekend meisje dat niet enkel óns onbekend is, maar dat ook aan de dichter niet anders dan uit de verte bekend was (vs. 39-40) en met wie hij nooit onder vier ogen had gesproken (vs. 7). Aan het autobiografisch karakter van dit gedicht valt moeilijk te twijfelen. Het betreft dan echter niet zo zeer een uiting van verliefdheid als wel een poging om een beginnend en eenzijdig amoureus gevoel zo mogelijk door een échte kennismaking te versterken, te bestendigen en als God het wil wederkerig te doen zijn. Opmerkelijk is de uiterste voorzichtigheid om noch het meisje, noch de dichter-minnaar zelf in opspraak te brengen, en de listige vondst om toch iets als een eerste rendez-vous te bewerkstelligen: de volgende ochtend, om klokslag negen uur.
Op stilistische gronden zal dit gedicht gedateerd mogen worden op omstreeks 1610-1612, toen Bredero dus zo'n 25 jaar oud was. Twee stijlvormen, de ene retoricaal, de andere renaissancistisch, houden elkaar hier in evenwicht. Uit de verouderende rederijkersstijl stamt het veelvuldig gebruik van het achterge-plaatste bijvoeglijke naamwoord: Dochter waert (vs. 7), waerheyt klaer (vs. 14), heusheyt eel (vs. 20), manieren braef (vs. 21), gaven schoon (vs. 26). Het zijn constructies die, naar men mag aannemen, in de gesproken taal toen al niet meer
werden gehoord. Tot de retorische stijl kan men ook de herhaling van halve alexandrijnen rekenen, zoals die in de vzn. 10-11, 16-17, 32-33 en 39-40 te vinden is, al is dit laatste voorbeeld met het subtiele spel van onbekent, Bekent, en onbekent tevens een bewijs van Bredero's even persoonlijke als doeltreffende woordkeus. Tot de renaissancistische stijl behoort geheel de metriek: de alexandrijn met gepaard rijm, afwisselend slepend en staand, met een regelmatige cesuur, maar wel met de antimetrische variaties van de jambische maat die in het begin van de zeventiende eeuw nog toelaatbaar werden geacht, niet enkel de omzetting van de eerste jambe (vs. 1, 17, 37), maar ook die van de tweede jambe (vs. 3, 23), van de derde jambe (vs. 25), van de vierde (vs. 9, 16), van de vijfde (vs. 21) en zelfs van de vierde en de vijfde beide (vs. 26). Terwijl de omzetting van de eerste jambe en die van de vierde jambe - in beide gevallen dus na een korte onderbreking - ‘normaal’ mogen heten, zijn de andere omzettingen veeleer uitzonderlijk; ze doen in dit gedicht dan ook vaak aan als expressief; men zie vs. 3, 9, 16, 17, 23 en vooral vs. 25.