terug  begin  verderprepost
[p. 290]

Sonnet
Het tweede van de schoonheyt

 
Het zijn twee sterren licht, of 't zijn twee diamanten,
 
Die vol van tooverij, haar drayen in't aanschijn,
 
Of anders gitten swart, of twee smaragden fijn,
 
Vier reghen-boghen, die aan tween te samen kanten.
 
 
 
Of wel twee peerlen glat, de schoonste van Levanten,
 
Neen 't moeten vlammen zijn, twee Sonnen heet van schijn,
 
Ick weet wel, en ick voel, hoe sy verbranden mijn;
 
Of 't zijn twee blixems snel, van Jupiters ghesanten.
 
 
 
Neen 't isset al te maal, de gitten zijn omringt
 
Van twee smaragden groen, daar om zijn 't regenbogen,
 
Dan isset diamant, al dit twee paarlen sluyt,
 
 
 
Sy glinsteren op de wangh, grootachtich puylens' uyt,
 
Melijdich van opsien sijn dit mijn vrysters ooghen;
 
Siet ghyse, vraaght niet meer waar liefde my toedringt.
Blz. 74; bovenhelft rechterkolom; opschriften romein; tekst in fractuur. Vs. 3 swart in Apollo smart.
prepostterug  begin  verder