terug  begin  verderprepost
[p. 294]

Sonnet
Het seste van de schoonheyt

 
De wangskens van mijn lief, sijn susters van Auroren,
 
Een soete vlam verciert haar levendighe kleur,
 
Natuyrelijcke konst, vernuftelijcke geur,
 
Bewierpen dese twee die Jupiter bekoren,
 
 
 
Sy swellen niet te bol, oock zijnse na 't behoren,
 
Met een bequame ruymt, niet magher noch te steur:
 
Een Arents smalle neus, in schoonicheyt de keur,
 
Wel overvallend heeft sijn rechte plaats gekoren.
 
 
 
De wanghskens daar sich menght, roo-roosen, lelijs-wit
 
Vrymoedicheyt en schaamt, ys kout, en somers-hit,
 
Dees' hebben tot haar punt, een korte kin ghekloven.
 
 
 
De meeste ciraat is van 't aanghesicht de kin:
 
Niet treckend' uyt: maar rond, als dees dien ick bemin,
 
Gods wercken in natuyr, en kan men niet volloven.
Blz. 77; bovenhelft rechterkolom; opschriften romein; tekst in fractuur.
prepostterug  begin  verder