[p. 298]
tekstkritische noten
Sonnet
Het thiende van de schoonheyt
Van schoonder voetkens oyt, was 't aarderijc betrede
n
,
Als dees die properlijck twee toffelkens aandoen,
Van purper fijn fluweel, daar onder kleyne schoen,
Met gout-draat geborduyrt, de schoe
n
kens fraey doorsneden.
Het gras is amoureus op dees twee snelle leden:
Ick heb het wel ghesien, met ander kruyden groen,
Staan drillen vol van vreucht voor hare stapkens koen,
Dan buyghdent met ootmoet voor hare soete schreden.
Sy zijn vol heylicheyt, als sy gaan na 't aflaat;
Sy zijn vol majesteyt, als sy gaen over straet,
Sy zijn soo lieffelijck, als sy gaan om verblijen;
Sy zijn vol eerbaarheyt, als sy gaan na 't bancket;
Sy zijn vol eenicheyt, als sy gaan na het bedt;
Wat ist! sy zijn te snel, voor diese wil gaan vrijen.
Blz. 80; benedenhelft rechterkolom; opschrift romein; tekst in fractuur
.