|
|
|
| | | | | | | | | |
| |
Bijlage I
De tekst van het Kluchtboek
Bredero heeft de stof voor zijn klucht van de Koe kennelijk
ontleend aan een Antwerps Kluchtboek, waarvan althans twee drukken bekend zijn.
Het oudste, uit 1554, is eigendom van de Maatschappij der Nederlandse
Letterkunde te Leiden en heeft als titel: Een nyeuwe cluchtboeck: tracteerende
van alle staten ende handel der werelt, seer ghenuchlijck ende om een eerlijc
gheselscap te verhueghen. Ghenoemen ende over gheset vut een hoochduytsche
boeck geheten scimp ende ernst, ende oock wten latijne, te weten Henrico
Bebelio ende anderen meer waerin alle eerbaerheyt ende genuchlijcheyt gesocht
is, also dat die hoorende oft lesende ooren, daer in niet verarghert en sullen
worden. Gheprint Thant-werpen in die cammer strate, in die gulden Fonteyne bi
my Jan Wijnrijcx. met Gratie ende Privilegie. - Dit enig bekende exemplaar (UB
Leiden, Bibl. Lett. 1499 F 20) bevat achterin het jaartal 1554.
Het andere, uit 1576, was eertijds in het bezit van de
Stadt-bibliothek te Dantzig; daar werd het gevonden door Johannes Bolte, die
erover schreef in Ts. X (1891) blz. 127. De titel luidt aldus: Clucht boeck,
inhoudende veel recreative Prepoosten, ende Cluchten, wt veel gheleerder
mannen, ende vermaerde Philosophen Boecken vergaert. Van nieus in Nederlantsche
sprake overgheset, oversien, ende oock vermeerdert. T'Hantwerpen .. 1576.
Over de internationale literatuur, die de bron is van deze
Kluchtboeken, spreekt Van Rijnbach op blz. XLV-LIX.
Het verhaal van de zo handig bedrogen boer komt in het Leidse
exemplaar voor als nr. 177, maar het is onvolledig doordat er juist daar een
blad ontbreekt. Het Dantziger exemplaar, dat overigens ook onvolledig is, heeft
dit verhaal als nr. 68. In de onderstaande tekst, door Van Rijnbach in 1926
gepubliceerd (blz. LIII-LIV), is het eerste gedeelte overeenkomstig de
editie-1540; het tweede gedeelte, na de asterisk, is ontleend aan de
editie-1576 met gebruikmaking van een destijds te Dantzig vervaardigd
afschrift. | | | |
Vanden Gast die by nachte sijnen Weert de Coe stal: dewelcke de
weert selfs vercocht, om dattet de Gast op hem begheerde: Ende noch van meer
ander auontueren ende bootsen die hy ghedaen heeft.
Te Cuelen is een Auontuerder geweest, noch by menschen gedencken,
daer veel af te schrijven ware, maer men souts in dit cleyn boecxken niet al
connen gheschrijven. Ick moet nochtans een corte historie van hem vertrecken,
die ick van ghelooflijcke persoonen van Cuelen selfs gehoort hebbe. dese
Auontuerder is op eenen tijt twee mijlen van Cuelen in een Dorp ter herbergen
comen. Den Weert heeft hem gheherbercht, ende gheuraecht waer dat hy morgen
henen woude. Hy antwoorde hem nae Cuelen op die merct. Die weert sprack, dat
hoore ick geerne. ick sal v morgen gheselschap houden. Den Gast seyde, maer ghy
moet vroech opstaen, dat wy oock in tijts daer comen mogen. die Weerd
antwoorde: Siet toe dat gij v niet en verslaept want ick wil vroech op sijn.
die Gast seyde. So bidde ic v dan, ist dat gy eer op sijt, dat gy my weckt. die
weert seyde, geerne. Nv had de weert een vette Coe inden stal staen, ende dat
wist desen gast wel, ende doen sy alle int huys slapen waren, stont die gast
stillekens op, ende nam die Coe wt den stal, ende leydense metter nacht een
goet stuck weechs nae Cuelen toe, ende bantse aen eenen boom, die ter syden
waert wt stant, op datse niemant die ouer den wech ginck sien en soude. Des
morghens vroech stont die Weert op ende weckte den gast, ende gingen soo al
coutende metten anderen nae Cuelen toe. Als sy by die Coe quamen, seyde dese
tot den Weert: Lieue Weert, hier in dit naeste Dorp is my een schuldich, daer
wil ick gaen sien oft ick ghelt can gecrijgen, gaet soo al goelijcxkens voort,
ick sal v wel achterhalen. Die Weert antwoorde, ende seyde: In Gods namen, ende
ghinck soo lancksaem voorts. Dese schalck quam totten boom, ende daer vant hy
die Coe noch aenden boom ghebonden, ende namse metten seele, ende quam tsyne
ghemake so nagheuolcht, ende achterhaelde den weert niet verre van Cuelen. Als
hem die weert sach comen, seyde hy: sijt ghy daer, ic hebbe v lange gewacht.
Den Gast seyde, iae: Ic heb* veel armoeden metten boer ghehadt, eer ick totter
betalinge comen ben, want hi en hadde geen ghelt, ende ic heb willen betaelt
sijn, daer om hebbe ic dese arme Coe (voor mijn goet geleent ghelt) moeten
nemen: Ick sorghe dat ickse niet soo diere in die stadt vercoopen en sal, als
icse genomen hebbe. Die Weert sach die Coe aen, ende sprac: Dats by mijn mannen
waerheyt, een schoon vette Coe, ende waert dat ick ghister avondt, mijne Coe
niet selfs inden stal gebonden en hadde, soo soudick wel doruen sweeren datse
mijn waer, alsoo gelijck is sy haer. Nv was des gast geleghentheyt also, dat hy
hem op die Osse merct niet wel vertoonen en dorste, om sommighe quade feyten
die hy daer bedreuen hadde: | | | | daerom badt hy den weert, ende seyde,
dat hy wat nootsakelijcx te doen hadde, hy soude hem sijn Coe vercoopen, ende
wees hem sijn herberch, daer hi hem dat ghelt soude brengen, hy soude hem eenen
goeden drincpenninck schencken. die weert wasser me te vreden, ende vercocht
die Coe meer, dan hy hem geseyt hadde, ende bracht den Gast dat ghelt in sijn
herberge. Den Gast ontfinct met grooten dancke, ende gaf den weert sijn
drincghelt, dies hy hem seer bedancte. Den gast practiseerde hoe hy van den
weert best scheyden mochte, ende seyde tot hem: wy moeten eerst met malcanderen
ontbijten, want die Coe heeft doch meer ghegouden dan sy weert was: De Boer die
de Coe toebehoort heeft sal tgelach betalen: Ende eyschte van die weerdinne
twee termen schotelen, hi woude een paer gebraden hoenderen gaen coopen, ende
als hy wt der stouen woude gaen, seyde hy totten weert vander herbergen daer hy
nv in was: Lieue Weert, leent my uwen mantel, want ick en heb niet gheerne dat
men siet wat ick gecocht heb, ick wil den mantel daer ouer slaen: want hy
sorchde, dat hi aen sijnen rock gekent mocht worden. Doen gaf die weert hem den
mantel om, ende ghinck also sijnder straten, die hy voor meer gewandelt hadt,
wanneer hy sulcx bedreuen hadde. Ende hadde niet inden sin gebraden hoenderen
te coopen, hy en vraechde oock niet veel na de twee weerden, ooc en hadde hy
niet inden sinne in die naest-comende twee Iaren haer te besoecken. Als sy hem
lange gewacht hadden, quam des Boers dochter geloopen al clagende ende
weenende, ende seyde: O Vader het gaetter al qualijc, wy hebben onse Coe
verloren, die van desen nacht ghestolen is. Die Vader mercte die boeuerije
terstont, ende sprac: Daer sla die duyuel toe, ick hebse selfs vercocht. Ende
moesten om der boeuerijen wil selfs lachen, ende en woude sijnen Gast niet
langer verwachten, want hi sach wel dat hy niet wederkeeren en soude: die
hoenderen en waren noch niet gebraden, want die pluymen hadden dat vleesch wech
ghedraghen.
| | | |
| |
Bijlage II
Motieven, verwant met de
Molenaer
Een duidelijke bron voor Bredero's klucht van de Molenaer is tot
nu toe niet gevonden. Vergelijkbare verhalen waren echter zeer bekend. Van
Rijnbach geeft in zijn editie van de Kluchten op blz. LIX-LXXIV de volgende
redacties:
Enguerrant d'Oisy, Le meunier d'Arleux - In: Recueil
général et complet des fabliaux des XIIIe et XIVe siècles,
imprimés ou inédits, publiés avec notes et variantes
d'après les manuscrits par A. de Montaiglon et G. Raynaud. Paris 1877,
deel II, blz. 31-45.
Boccaccio, Decamerone. Het verwisselingsmotief is daar te vinden
in de vierde vertelling van de achtste dag, de zesde van de derde dag, en de
achtste van de zevende dag.
Franco Sachetti, Novella CCVI - Le Novelle di Franco Sacchetti
pubblicate secondo la lezione del codice Borghiniano con note inedite di
Vincenzio Borghini e Vincenzio Follini, per Ottavio Gigli. Firenze 1860-1861,
dl. II, blz. 203.
Dirc Potter van der Loo, in Der Minnenloep, IV vs. 1971-2032.
Poggio Bracciolini, Facetia CCLXX en CCXXXVIII, in: Poggii
Florentini Facetiarum libellus unicus, notulis imitatores indicantibus te
nonnullis sive Latinis, sive Gallicis imitationibus illustratus, simul ad fidem
optimarum editionum emendatus. London 1798; dl. I, blz. 278 en II, blz.
287.
Antoine de la Salle, Les Cent Nouvelles Nouvelles. Edition revue
sur le texte original et précédée d'une introduction par
Le Roux de Lincy. Paris 1885; dl. I blz. 157: La IXe Nouvelle par Monseigneur.
Le mari maquereau de sa femme.
Marguèrite d'Angoulême, L'Heptaméron
(Huictiesme nouvelle). In: L'Heptaméron des Nouvelles de
très-haute et très-puissante princesse Marguerite
d'Angoulême royne de Navarre. Nouvelle édition d'après le
texte des manuscrits avec des notes et une notice par P.L. Jacob. Paris
1876.
Voor nog meer van dergelijke verhalen, die enige overeenkomst met
de klucht van de Molenaer vertonen, kan verwezen worden naar Van Rijnbach, die
ook literatuur over deze teksten opgeeft. De overeenkomst is in alle gevallen
te gering, om een of meer van deze verhalen als bron te beschouwen.
| | | |
| |
Bijlage III
Enkele taalverschijnselen
Over de taal van Bredero zijn een aantal publikaties verschenen,
die hierachter worden vermeld. Voor het gemak van de lezer en om herhalingen in
de noten te voorkomen, worden hier de telkens terugkerende verschijnselen
opgesomd en toegelicht met enkele voorbeelden. De indeling gaat uit van de
spelling die in de gebruikte druk voorkomt; de enkele klinkertekens worden
eerst behandeld; bij de dubbele is onderscheid gemaakt tussen monoftongen en
diftongen. Tussen haken staat het letterteken, dat in het tegenwoordige
Nederlands in de gegeven voorbeelden wordt gebruikt.
a (e) - kars, vars
e (a) - smert, verckens
i (a) - alleen in het tweede lid van selschip
i (e) - bin, in, mit
i (u) - stick, sticken
o (a) - brachten, docht
o (u) - locht, locken
u (e) - schulp
u (i) - vrunt
u (ie) - benuwen
eu (e, ee) - beusem, deuse, speulen, veul
eu (o, oo) - deur, meugelyck, meulen, veur,
eweunt
eu (oe) - breur, petemeui
eu (o) - Seundaaghs
eu (u) - keunt
ie (e, ee) - biest, diel, hiele, hiet, lierde,
mienteman (‘gemene’, d.i. gewone man), miest, miester, siep,
twie, verkiert, wieck
ie (uu) - vier, vegevier (vagevuur)
ey (e) - voor gedekte n: deynck, springheynst,
veynster
ij (i) - voor gedekte n: kijnt, kijnts, pijntje,
wijnt. Het meervoud van kind wordt gespeld als: keyeren in Molenaer
101, als kyere in Molenaer 69 en 90. | | | |
Verkorting of niet-verlenging komt voor bij:
i (ie) - vil, villen
i (ij) - sin, sinnen (enk. en mv. presens van
‘zijn’)
o (o) - botter
o (oe) - most
o (ou) - wod (woude, wou of wilde)
ft (cht) - after, nift, waraftig
gn (kn) - gnap
k (g) - seckt
ng- (n-) - angdere, gangsoogen, hangd, hongkt, langt,
mongktje, ongs, wongder. (De gutturale nasaal wordt bij Bredero gespeld
met: ng, ngk, nck).
Wegval van d komt voor aan het einde van een woord: goe,
gemoe. Goe in min of meer vaste verbindingen als goe Joost, goe
meydt, het tweede eenmaal in het rijm op toe. Intervocalisch is het
verschijnsel frequenter: braen (gebraden), moer, sier, spoen,
vaar. In andere gevallen zonder samentrekking: heyens (heidens).
Het verkleiningssuffix wordt gespeld met -ge en -ie,
als het tegenwoordige Nederlands -je schrijft.
Het lidwoord en aanwijzend voornaamwoord bij een subject heeft
enkele malen -n: desen haert, dien ien, den vliegenden storm.
Het verleden deelwoord heeft als prefix dikwijls e-: ekomen,
eleyt, enomen, eweunt, oppewisselt.
Werkwoordsvormen met een andere klinker in de tegenwoordige tijd
zijn: derf (durf), keunt (kunt), werd (wordt); in de
verleden tijd: sturf (stierf), verwurf (verwierf), wurp
(wierp).
worde (werd) is zwak in Molenaer 150, evenals
verkerft (verkorven) in Molenaer 38.
men (mijn) wordt als persoonlijk en bezittelijk
voornaamwoord gebruikt.
In ontkennende zinnen komt dikwijls, maar niet altijd, naast een
ontkennend pronomen of voegwoord, de ontkenning en voor: dattet
niemand en sagh.
De vele bastaardvloeken zijn niet altijd in de noten verklaard,
daar ze met de hier gegeven voorbeelden gemakkelijk zijn te herkennen: Gants
wonden - Gods wonden; Gants lichters - Gods kandelaren of Gods
bliksem; Hed - God; ackermenten - sacramenten; elementen -
(Gods) elementen; Pots longeren - Gods longen; sacker lyden -
(Gods) heilig lijden; gants sacker venten - Gods sacramenten; bloemer
herten - (Gods) bloedend hart. | | | |
Literatuur:
G.A. Nauta, Taalkundige aanteekeningen naar
aanleiding van de Wercken van G.A. Bredero. Groningen 1893. J.O.S. van der
Veen, Het taaleigen van Bredero. Amsterdam 1905. F.A. Stoett, Moortje.
Zutphen 1931. Inleiding blz. VI-XXIV. A.A. Verdenius, Studies over
zeventiende eeuws. Amsterdam 1946.
| | | |
| |
Bijlage IV
Beknopte bibliografie in chronologische
volgorde
W(itte) v(an) C(itters), J. d(e). De bronnen van Brederoo's kluchten van den Molenaar en van de Koe. In: Nederlandsche Spectator 1872, p. 330-332. |
|
W(itte) v(an) C(itters), J. d(e). Nog eenmaal de Molenaar van Brederoo. In: Nederlandsche Spectator 1872, p. 357. |
|
W(itte) v(an) C(itters), J. d(e). Nog eenmaal de Koe van Brederoo. In: Nederlandsche Spectator 1874, p. 290-292. |
|
Vloten, J. van. Het Nederlandsche kluchtspel van de 14e tot de 18e eeuw. 2e verm. dr. 3 dln. Haarlem (1877)-1881; voor Bredero: Dl. 1, p. 2, 3, 4, 10, 12; Dl. 2, p. 104; Dl. 3, p. 7. |
|
Winkel, Jan te. Almanakken met eene klucht van Brederoo en gedichtjes van Hofferus en Telle. In: Ts. 3 (1883), p. 167-173. |
|
Brink, Jan ten. Brederoo's ‘Klucht van de Koe’. In: De Bibliotheek; Bijblad van Noord en Zuid 8 (1885), p. 69-73. |
|
Brink, Jan ten. Brederoo's ‘Molenaer’. In: De Bibliotheek; Bijblad van Noord en Zuid 8 (1885), p. 66-69. |
|
Kalff, G. Breero en Hans Sachs. In: Ts. 6 (1886), p. 304-309. |
|
Worp, J.A. Plautus op ons tooneel. In: Ts. 8 (1888), p. 81-154. (Bredero op p. 119.)
|
| | | |
Brink, Jan ten. Bredero's ‘Kluchten’. Inleiding. In: G.A. Bredero. De Werken. Volledige uitgave, naar de beste oude drukken bezorgd en opgehelderd door J. ten Brink, H.E. Moltzer, G. Kalff, e.a. Met algemeene inleiding van G. Kalff. 3 dln. Amsterdam 1890. Dl. 1, p. 195-203. |
|
Bolte, Johannes. Ein antwerpener Cluchtboeck von 1576. In: Ts. 10 (1891), p. 127-143. (Bredero op p. 132-133). |
|
Moerkerken, P.H. van. Het Nederlandsch kluchtspel in de 17e eeuw. 2 dln. in 1 band. Sneek (1898). |
|
Gouw, J.E. ter. Taal en zeden onzer vaderen toegelicht door eenige oude kluchtspelen. In: Noord en Zuid 24 (1901), p. 125-128, 230-241, 527-544; 25 (1902), p. 3-17, 257-277, 388-401; 26 (1903), p. 19-36, 193-203, 385-401; 27 (1904), p. 13-30, 145-163, 323-336. |
|
Rogge, Y.H. De klucht van de koe. In: Ts. 21 (1902), p. 173-177.
Poll, K. Klucht van de Koe, vs. 952 vlg. In: Ts. 30 (1911), p. 118. |
|
Bredero, G.A. Kluchten. Vande Koe; Symen sonder Soeticheydt; Van den Molenaer. Amsterdam 1920. (4e stuk van dl. 1 van de Werken, ed.-Knuttel; de Aanteekeningen bij de Kluchten op p. 357-360.)
Bredero, G.A. Klucht van de Koe, door Nederlandsche Tooneelkunstenaars-Vereeniging voor de leden van ‘De Schakel’, 24 februari (1924) in Plantage-Schouwburg. Inleidende rede over G.A. Bredero door Balthazar Verhagen. (Amsterdam 1924). |
|
Bredero, G.A. Klucht vande Koe 1612. Met inleiding (door Joh. Vorrink), aanteekeningen en het portret van den schrijver. 's-Gravenhage 1925. Nederlandsche schrifturen 4. p. 5-8. |
|
Verdenius, A.A. Bredero's Klucht van de Koe, vs. 487: Het zegendje bier. In: Ts. 44 (1925), p. 230-232.
|
| | | |
Rijnbach, A.A. van De kluchten van Gerbrand Adriaensz. Bredero. Met een inleiding, aantekeningen en een woordenlijst. Amsterdam 1926. Proefschrift Utrecht.
Schepers, J.B. (Bespreking van) A.A. van Rijnbach, De Kluchten van Gerbrand Adriaensz. Bredero. In: Museum 34 (1926-1927), kolom 294-296.
Verdenius, A.A. Vreemde taalelementen in onze kluchten en blijspelen. In: NTg. 21 (1927), p. 161-174. |
|
Olivier, L.J.J. De klucht van den Hoochduytschen Quacksalver. (Een jeugdwerk van Bredero.) In: NTg. 22 (1928), p. 113-124. |
|
Verdenius, A.A. (Bespreking van) Dr. A.A. van Rijnbach, De Kluchten van Gerbrand Adriaensz. Bredero. In: NTg. 22 (1928), p. 100-105. |
|
Knuttel, J.A.N. Bredero, de Hoochduytschen Quacksalver en de Vermeerderingh. In: Ts. 48 (1929), p. 185-197. |
|
Verdenius, A.A. Aantekeningen bij Breero's kluchten. In: Ts. 48 (1929), p. 1-17; 49 (1930), p. 36-46, 298-310. |
|
Bake, C. Symen sonder soeticheydt, reg. 415-416. In: Ts. 49 (1930), p. 319. |
|
Bezoen, H.L. Symen sonder soeticheydt, vs. 415. In: Ts. 51 (1932), p. 275-276. |
|
Rijnbach, A.A. van. Inleiding. In: G.A. Bredero. Toneelwerk: Griane, Klucht van de Koe, Spaanschen Brabander. Amsterdam 1942. Bibliotheek der Nederlandse letteren, p. v-xl. |
|
Verdenius, A.A. Bredero's Klucht van de Koe, vs. 487. In: Studies over zeventiende eeuws. Verspreide opstellen en aantekeningen. Aangeboden door vrienden, leerlingen en oud-leerlingen ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag op 7 maart 1946. p. 86-87.
|
| | | |
Verdenius, A.A. Aantekeningen bij Breero's kluchten. In: Studies over zeventiende eeuws, p. 73-85, 88-106. |
|
Bredero, G.A. Klucht van de Koe (1612). Uitgegeven en toegelicht door A. de Bruijn. Geïllustreerd door Bertram A. Th. Weihs. Amsterdam 1953. Meulenhoff's Bibliotheek van Nederlandse Schrijvers nr. 46. |
|
| Kroniek, 5. Bespreking van Bredero's Klucht van de Koe, toegelicht door A. de Bruijn. In: Leuvense Bijdragen, Bijblad, 50 (1961), p. 35-36. |
|
Boshouwers, R.F.M. De Franse leenwoorden in de kluchten en blijspelen van G.A. Bredero. In: Ts. 79 (1963), 183-199. |
|
Bredero, (G.A.) Klucht van de Koe. Met inleiding en aantekeningen door Jo Daan. Zwolle 1963. Klassieken uit de Nederlandse letterkunde nr. 21. (3e dr. 1971.) |
|
Koelmans, L. (Bespreking van) Bredero. Klucht van de Koe, met inleiding en aantekeningen door Dr. Jo Daan. In: NTg. 56 (1963), p. 343-344. |
|
Bredero, G.A. Klucht van de Koe 1612. Toegelicht door A. de Bruijn. Geïllustreerd door Bertram A. Th. Weihs. 3e, herz. dr. Zutphen (1964). |
|
Zwaan, F.L. (Bespreking van) Dr. Jo Haan (= Daan), Bredero Klucht van de Koe. In: Spiegel der Letteren 8 (1964-1965), p. 309-312. |
|
Grootes, E.K. Kluchten. In: 't Kan verkeeren. Gerbrand Adriaensz Bredero 1585-1618. (Catalogus Bredero-tentoonstelling in het) Amsterdams Historisch Museum 26 september 1968 tot 25 november 1968. p. 56-60. |
|
Starink, Jan. Bredero's de Klucht van Den Meulenaer. In: Kath. Radio en Televisie Gids 13 okt. 1968. |
|
G.A. Bredero's Kluchten uitgegeven door Dr. C. Kruyskamp. N.V.W.J. Thieme & Cie. Zutphen z.j. (= 1970). Met inleiding en aantekeningen. |
|
|
|