terug  begin  verderprepost

Plaats en tijd

De mededeling aan het eind van het ‘Inhout’: ‘Het geheele Spelen gheschiet binnen en buyten, en ontrent Carpones huys’ moge geruststellend klinken voor de regisseur, misschien zelfs voor de decorbouwer, de verbeelding van de lezer is er weinig mee gebaat. Zeker zijn de meeste straatscènes het best op hun plaats vlak bij de woning van de bankier: II, 4, waar zijn knecht Lecker-Beetje wordt aangesproken door Pannetje-Vet; de monoloog van de verontwaardigde Lecker-Beetje op het eind van III, 3 (althans indien men in het slotvers ‘Nou ick mach

[p. 29]

binnen gaan’ niet op de gewone wijze interpreteert als ‘ik ga, eventueel door de kamerdeur, het toneel af’); III, 4, 's Barons serenade aan Lucelle; IV, 6, als hij Ascagnes komt doden; V, 1, de aankomst van de renbode Baustruldes; en V, 4, waar de Apteker poolshoogte komt nemen. Maar sommige hebben hun natuurlijke plaats daar niet: I, 1, het gesprek tussen de voorname vrienden naar aanleiding van het aanschouwen van zijn aangebedene door de Baron; de gesprekken van de Baron met bedienden, in II, 3; II, 5; III, 5; zijn aanspreken van Lucelle in III, 1. Behalve het laatste, dat bij de kerk hoort plaats te vinden, stelt men zich deze taferelen vanzelf voor in de omgeving van het huis van de Baron.

De binnenscènes veronderstellen (dat is niet hetzelfde als: vereisen) een aanzienlijk aantal vertrekken in het huis van Carponny. In zijn woonkamer of kantoor spreekt hij in I met zijn beide bedienden, in II, 1 met zijn dochter; misschien is er een deur naar zijn slaapvertrek, waarop in IV, 3 Lecker-Beetje kan bonzen om hem te wekken. Lucelle moet een kamer hebben waar ze aan het slot van I en in II, 2 met Margriet spreekt, in II, 3 en IV, 2 Ascagnes ontvangt en door haar vader betrapt wordt - als men er tenminste geen bezwaren fatsoenshalve tegen heeft dat daar ook het bruidsbed staat1, dat in IV, 5 haar sterfbed moet worden. Haar kamer is ‘de zaal’ waar Carponny volgens Lecker-Beetje (vs. 1918) tegen haar uitvaart; het veronderstelde lijk van haar geliefde wordt daarheen gedragen door Margriet en Lecker-Beetje, ‘op die leer die ghy daar ginder siet’ beveelt Carponny (vs. 2152): als die ladder niet als draagbaar gebruikt wordt, maar de trap naar haar ‘zaal’ is, ligt die een ‘etage’ hoger dan de straat en de eerder genoemde

[p. 30]

kamer of kamers van haar vader, hetgeen welkom is in verband met het aanzoek in III, 4. Het gebruik als draagbaar is evenwel in overeenstemming met de Franse tekst [70]. Het bruidsbed kan ook in een soort bedstee gedacht worden.

Waar vindt Ascagnes de schijndood? Eerst moeten we de vraag stellen: vanwaar worden de gelieven begluurd? Telkens wordt in verband met Lucelles verblijf ‘de poort’ genoemd: vs. 1657, 1881, 1903. Het Frans heeft op die plaatsen het woord ‘porte’, eenmaal zelfs ‘ceste porte-cy’, hetgeen toch de gedachte aan een poort uitsluit. Verrassend wordt hetzelfde ‘ceste porte’ in vs. 1475 weergegeven door ‘den tooren’, weliswaar in rijmpositie, maar toch zo doelbewust klinkend, dat de gedachte moet opkomen dat Bredero bij het bewerken bepaalde vaste bestanddelen van het decor van de Oude Kamer1 op het oog had. Of zou ‘toren’ evenals ‘poort’ niet meer dan een onhandige vertaling zijn?

Als nu na vs. 1904 Carponny en Lecker-Beetje de ‘zaal’ door de geforceerde ‘poort’ binnengedrongen zijn, ziet men - als lezer van de tekst - niet wat er in Lucelles kamer gebeurt. Blijkbaar ontsnapt Ascagnes aan de dreigende Lecker-Beetje naar zijn eigen ‘slaapkamer’ - waartoe hij door de ‘poort’ gestoven moet zijn - en is hij, als zijn vijand even later verslag uitbrengt aan het publiek (vs. 1907-1917), daar opgesloten. Hij zegt geen tekst en is dus onzichtbaar achter een gegrendelde deur. Carponny komt, na op de zaal, blijkbaar onzichtbaar voor het publiek, zijn dochter toegesproken te hebben, ‘van boven’ (vs. 1943) en overlegt met Lecker-Beetje. Het gif wordt gehaald, het ‘sinckroer’ geladen (vs. 2001); meester en knecht gaan naar Ascagnes, die het gif inneemt en lang met Lecker-Beetje spreekt en door hem bespot wordt, voor hij het bewustzijn verliest. Zijn ‘slaapkamer’ is nu dus goed zichtbaar, en al deze tijd is Carponny ‘binnen’, dus onzichtbaar geweest (vs. 2016-2148). Het veronderstelde lijk wordt, zoals we zagen, naar de zaal gebracht, waar de vaderlijke boetpredikatie achter gesloten deuren gehouden werd, maar waar we nu Lucelles afscheid van het leven te horen en dus te zien krijgen.

Werd de ‘zaal’ zolang afgesloten met een gordijn, b.v. van vs. 1896b tot vs. 2157? Dan kan dat ook met de slaapkamer van Ascagnes gebeurd zijn, tot men hem in vs. 2003 gif en zinkroer bracht. Maar voor een goedwillend publiek was

[p. 31]

het ongetwijfeld ook voldoende als alles wat niet op Lucelles ‘zaal’ gebeurde, vertoond werd op de toneelvloer, mits niet op het gedeelte dat de straat voorstelde.

Men moet zich de ‘zaal’, waar Lucelle haar liefdeverlangen uitspreekt, haar geluk doorleeft en het leven vaarwel zegt, ook weer niet te hoog boven de toneelvloer voorstellen. Want als de wraakzuchtige Baron in IV, 6 aan de voordeur heeft geklopt en door Margriet op de hoogte is gebracht van de dood van zijn medeminnaar, staat hij na de woorden ‘dat moet ick eens besien’ (vs. 2285) meteen al voor het ‘deerlijck schouwspel’, en de wildvreemde Capiteyn Baustruldes, die door de openstaande buitendeur naar binnen heeft geroepen zonder antwoord te krijgen (vs. 2388-2389), loopt ‘lijslijck’ het huis in en aanschouwt de ‘twee gedoot of ten minsten slapendt’, de schreiende en klagende Margriete en de Baron, ‘kranckhoofdich en gewapent’. In de loop van het laatste bedrijf wordt het daarboven aardig vol: bij dit vijftal voegen zich achtereenvolgens Lecker-Beetje en zijn meester, de Apteker, en ten slotte Jan-Neef. Misschien is dit het negental personen, vereeuwigd op de eerste van de twee schilderijen van Jan Miense Molenaer, waarover later, - onder aantekening nu reeds, dat die schilderij wel degelijk een poort vertoont, echter niet uit de tijd van de Oude Kamer dagtekent maar van 1636.

Samenvattend kan men zeggen, dat Bredero's tekst een decor veronderstelt, waar op zijn minst een straat en een in tweeën verdeeld woonhuis te onderscheiden waren1.

 

Bij een stuk dat in akten verdeeld is, heeft de toeschouwer er recht op, te weten hoeveel tijd er geacht wordt verlopen te zijn terwijl het scherm neer of het toneel leeg was. Onze tekst komt aan die eis heel behoorlijk tegemoet.

Als in de eerste verzen de Baron meedeelt dat hij ‘huyden morgen’ ‘de schoonste die daar leeft’ heeft gezien, - in vs. 2328, niet eerder, zullen we vernemen dat zijn onbeantwoorde liefde hem al ‘twee jaren lang’ heeft beheerst,2 - concluderen we dat het stuk niet heel vroeg op de dag begonnen kan zijn. Het gesprek met zijn ‘vrunt’ eindigt met ‘kom gaan wy t'samen heen’ (vs. 340), namelijk om bij Carponny aanzoek te doen om de hand van zijn dochter. De vader is zo

[p. 32]

verlangend naar haar huwelijk, en liefst met een edelman (vs. 376-379), dat hij na hun bezoek zeker onverwijld zijn kind bij zich roept. Dat brengt mee, dat II, 1, waar hij haar het voorstel overbrengt, wel midden op dezelfde dag kan worden geplaatst. (De volgende dag is ook mogelijk.)

In II, 3 heeft de Baron het weigerende antwoord al in ontvangst genomen. Zijn knecht moet ‘stracx’ (vs. 1196) bij Lecker-Beetje een gesprek tussen de Baron en Lucelle gaan voorbereiden; het antwoord dat Pannetje-Vet in II, 5 brengt, is dat zij ‘Nu t'avont’ ter kerke zal gaan (vs. 1330), en daar treft de Baron zijn aangebedene in III, 1. Inmiddels heeft Lucelle - in II, 2, dus misschien wel tijdens het pijnlijke gesprek van haar aanbidder met haar vader - haar liefde verklaard aan Ascagnes, en een afspraak met hem gemaakt tegen ‘morgen voor de noen’ (vs. 1183), zodat III, 3 op de tweede dag (of, zie boven, op de derde) van de handeling speelt. Het onderhoud eindigt met een nieuwe afspraak, voor ‘t'avont’ ‘Ontrent de kloeke tien’ (vs. 1612-1613).

Wat verder in III voorvalt, het tweede gesprek van de Baron met Lucelle en het verraad van Lecker-Beetje (die het gesprek opent met ‘Goen avont Heer Baron’, vs. 1725), vult de rest van de tweede (of derde) dag. Het vierde bedrijf begint na zonsondergang (vs. 1833), ‘'t Is nacht’ (vs. 1836), en in deze nacht volgen de schokken mekaar snel op: de consummatie, de paniek van de Vader (IV, 2), de vergiftiging van Ascagnes (IV, 4) en die van Lucelle (IV, 5), en eindelijk, als ‘de roode dageraat’ (vs. 2264) de zonsopgang aankondigt, de komst van de Baron, die het gemunt heeft op het leven van zijn medeminnaar.

In V, 1 staat hij nog naar het ‘deerlijck schouwspel’ (vs. 2392) te kijken, Margriet nog ‘groot misbaar’ te maken, als de Capiteyn uit Polen binnenkomt, in V, 4 gevolgd door Meester Hans de Apteker. De tragikomische agnitio en peripetie nemen de vroege ochtend in beslag (hetzij dan van de derde of van de vierde kalenderdag) en de voorbereidingen voor het huwelijksfeest kunnen beginnen.

Uit dit alles volgt dat de door ons stuk omspannen tijdsruimte drie (desnoods vier) kalenderdagenis, en twee (desnoods drie) etmalen.

1Jonckbloet concludeerde dat de ‘samenkomst onder het oog der toeschouwers plaats (had)’ en verbaasde zich ‘over hetgeen (in Bredero's tijd) ten tooneele kon worden gebracht’ (deel III van de derde druk van zijn Gesch. der Nederl. letterkunde, getiteld Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde in de zeventiende eeuw. Eerste deel, Gron. 1881, blz. 295). Kalff was van een andere mening. Een potloodaantekening bij de overeenkomstige passage in de tweede druk van Jonckbloets werk (Gesch. der Nederl. letterkunde. Eerste deel. Tweede, geheel omgewerkte uitgave, Gron. 1873, blz. 471; het exemplaar van Kalff is in eigen bezit) luidt: ‘Dat dit op het tooneel zou zijn voorgevallen is reeds “a priori” onwaarschijnlijk, ook al neemt men den verschillenden graad van kieschheid in aanmerking. Ik geloof echter ook dat eene aandachtiger lezing tot de overtuiging moet brengen, dat dit tooneel slechts gedeeltelijk onder de oogen der toeschouwers voorviel en dat men met ten Brink (G.A. Bredero blz. 193) als tooneel moet aannemen: een vertrek in Carponny's huis; op den achtergrond de deur van Lucelle's kamer. Zóó eerst wordt verklaarbaar wat anders moeilijk te verklaren is, nl. hoe Carponny kan uitroepen
 
“Breeckt daetelyck de poort, slaet doodt en wilt niet schromen
 
Op datse door de vlucht niet van de kamer komen.”
Er moet dus op den achtergrond naast de deur een venster of iets dergelijks in den scheidsmuur zijn aangebracht, waardoor de vader het minnende paar kon bespieden. Ascagnes en Lucelle moeten zich dan nà de woorden der laatste in die kamer terug trekken; en dat is al sterk genoeg.’
1De Overghesette Lucelle is later ook gespeeld ‘op de Nederduytsche Academie’ en in de Schouwburg. Maar Bredero moet bij zijn bewerking uiteraard het toneel voor ogen hebben gehad, dat d'Eglantier ter beschikking stond. Hierover bezitten we geen gegevens. Voor het gelijktijdige toneel van Het Wit Lavendel zie men de samenvatting van W.M. Hummelens lezing op het Filologencongres van 1968 (Handelingen van het dertigste Nederlands Filologencongres, Gron. 1968, blz. 78-80), voor de Amsterdamse schouwburg: B. Hunningher, Het toneel in de Amsterdamse Schouwburg van 1637 (Amst. 1959). In de paragraaf over de Afbeeldingen zal nog vluchtig op de kwestie teruggekomen worden.
1Prof. dr. H.H.J. de Leeuwe te Utrecht schrijft ons juist bij het ter perse gaan van onze tekst: ‘Ik stel me het Akademietoneel voor als een speelruimte met afsluitbare kamers (huysjes, mansiones) en een stage (de toren)’.
2In het oorspronkelijk desgelijks: ‘par l'espace de deux ans’ [76]. Misschien berust hierop de zeer onjuiste zienswijs van Lancaster (The French Tragi-comedy, blz. 74), als zou ‘The time of the action’ in de oorspronkelijke Lucelle ‘more than a year’ beslaan.
prepostterug  begin  verder